In beweging.

Heel af en toe heb ik last van mijn rug. Zo’n pijnlijke plek onderaan mijn rug, net boven mijn bil, die doortrekt naar mijn been. Ik heb het niet heel vaak maar het is wel vervelend. Al een tijdje speelde ik met het idee om iets yoga-achtigs te gaan doen. Om mijn rugspieren te versterken en een beetje soepel te blijven. Want mijn hardloopschoenen liggen te verstoffen en mijn vriendschap met Evy is flink verwaterd. Af en toe ga ik baantjes trekken in het zwembad maar verder doe ik helemaal niks. En het leek me toch wel slim om – ontkennen is zinloos – nu ik wat ouder word in beweging te blijven.

Toen Frank in het revalidatiecentrum zat, werd mijn rugpijn ineens heel erg. Mijn bovenrug, mijn onderrug. Alles zat vast. Ik strompelde meer dan ik liep en ik paste perfect tussen de revaliderende patiënten daar. En oh, terug naar huis! Wat een hel was dat! Voetje voor voetje vier trappen op. Het duurde even voor ik boven was. 

Ik weet het aan stress en aan wekenlang in onmogelijke houdingen op Frank’s ziekenhuisbed hangen om maar zo dicht bij mogelijk bij hem te zijn. Ik ging naar de huisarts die me vrolijk vertelde dat mijn bekken een beetje scheef staat. En dat ik x-benen heb. En bedankt.

Ik kreeg pijnstillers en het advies oefeningen te doen. Bij geen verbetering moest ik naar een fysiotherapeut. Aangezien dat niet in mijn drukke schema paste, nam me voor om nu écht iets te gaan doen. Iets yoga-achtigs. Omdat een beetje ontspanning ook geen kwaad kon. 

Maar verder dan googlen op ‘yoga amsterdam Nieuw West’ ben ik nooit gekomen. Iets van door de yoga-bomen het yoga-bos niet meer zien. En in mijn achterhoofd het horrorverhaal van Michelle die tijdens een yoga-workshop als een aap moest lopen. Het kwam er niet van. En toen gingen we verhuizen.

Eenmaal gesetteld in onze nieuwe woonplaats keek ik op internet eens wat voor activiteiten ons nieuwe stekkie te bieden had. Ik was aangenaam verrast! In het buurthuis pal achter ons huis wordt van alles georganiseerd. Van Indische kookworkshops tot kantklossen. Van klaverjassen tot pilates. Wacht even… Pilates? Is dat niet iets yoga-achtigs? Dat bleek te kloppen.

Twijfelend stuurde ik de link naar vriendje en dochter. Zou dat iets voor mij zijn? Maar ik hakte in twee tellen zelf de knoop door en vulde het aanmeldformulier in. 34 pilateslessen. Bam! Ik ging het doen! Vriendje mailde terug. Dochterlief mailde terug. Met allebei hetzelfde antwoord. Doen!

De eerste keer sleepte ik me naar mijn pilatesles. Iets met liever lui dan moe en een enorme afkeer van groepen vreemde mensen. Iets met bang zijn voor schut te staan in mijn oude legging en slobbershirt. Iets met de angst voor slanke dennen in fluor yoga-pakjes die vlot hun benen in hun nek legden.

Ook al liep ik niet over van enthousiasme, ik had me wel goed voorbereid. Als enige van de groep had ik een yoga-matje bij me. Dat de rest daardoor dacht dat ik de les zou gaan geven, beschouwde ik als een compliment. Schijnbaar zag ik er reuze professioneel uit. En helemaal zen natuurlijk.

Het stelde me ook gerust. Als zij dachten dat ik, met mijn maat 44 in een oude legging, de pilateslessen ging geven dan hadden we hier niet echt met kenners te maken. En dat klopte. Geen flitsende sportpakjes, geen fluoriserende, strakke shirtjes. Gewoon dames net als ik, die zuchtend over hun drukke dag, in slobbershirtjes een beetje gingen sporten.

Hun hoofden worden net zo rood als het mijne als we de ‘hangende hond’ doen en af en toe hoor ik een geruststellende bonk en gegiebel als er weer iemand omvalt bij een of andere onmogelijke pose. Ik pas er wel tussen, zeg maar. Met mijn x-benen.

Ik geef toe; ik vind het niet echt leuk. Ik lig nog steeds liever op de bank met een boek. Maar ik dóe het wel. Nog 30 lessen te gaan. Daarna ga ik kantklossen.

Boekenplankjes.

In ons vorige ienie-minie poppenhuisje konden we geen boekenkast meer kwijt. Frank’s boeken stonden noodgedwongen in dozen in de berging. Tot ik op het idee kwam wat boekenplanken op te hangen in de hoek boven zijn bureau. Zo konden we nog niet alle boeken kwijt, maar we konden in elk geval de meest bijzondere exemplaren weghalen uit de vochtige berging en in huis bewaren.

Ik vertrok naar de Zweedse meubelgigant en scoorde drie enorme boekenplanken. Van die boekenplanken die je onzichtbaar aan de wand kunt bevestigen. Geniaal! Omdat Frank in de lappenmand zat, was ik op mijn eigen klusvaardigheid aangewezen. Geen punt. Ik kan namelijk heel goed klussen. Echt. Je moet gewoon even een metalen steun met schroeven aan de muur bevestigen en daar de (holle) plank overheen schuiven. Simpel!

Maar in de praktijk vond ik het toch een tikkie tegen vallen. De steunen waar de planken overheen moesten komen, moesten met maar liefst 16 schroeven vast geschroefd worden. Ik stond, op een wankel keukentrapje, enorm te hannesen met zo’n metalen steun, een waterpas en een potlood om af te tekenen waar de gaten moesten komen. En dat drie keer. Daarna moest ik maar liefst 48 gaten boren. Toen ik uiteindelijk alle gaten geboord had en de drie steunen opgehangen had, had ik lamme armen.

En toen bleek dat ik verkeerd gemeten had. De planken moesten, met de zijkant, in de hoek komen. En ik had de ruimte tussen die muur en de steun verkeerd opgemeten. Dus de planken pasten niet om de steunen. Die zaten te dicht bij de muur. Ik liet mijn lamme armpjes moedeloos zakken.

Ik had zó geen zin om die steunen weer los te schroeven, 48 gaten dicht te smeren en 48 nieuwe gaten te boren. Liever lui dan moe bedacht ik een andere oplossing. Ik zaagde gewoon een stuk van de planken af. Briljant! Mijn boekenplanken hingen! Weliswaar waren ze wat korter dan de bedoeling was, maar ze hingen!

Vlak daarna gingen we verhuizen. We hebben nu genoeg ruimte voor een boekenkast dus de boeken van Frank staan inmiddels allemaal netjes in de kast. Toch wilde ik de planken boven het bureau weer ophangen. Gewoon, voor andere dingen. Altijd handig. Dus ging ik opnieuw aan de slag met steunen, waterpas en potlood en tekende ik weer 48 gaten af. Ik schroefde drie steunen aan de muur en wilde de eerste plank er overheen schuiven.

En toen bleek dat ik weer verkeerd gemeten had. Echt. Ik geloofde het zelf eerst ook niet. Het zal de frisse zeewind geweest zijn die in onze nieuwe woonplaats waait. Die is vast in mijn bolletje geslagen. Maar ik heb écht wéér verkeerd gemeten. De planken pasten ook deze keer niet over de steunen. En aangezien ik nog steeds liever lui dan moe ben, heb ik opnieuw een stuk van de planken gezaagd.

Ze hangen. Weer een stuk korter dan de bedoeling was. Het is goed dat ik niet meer hoef te verhuizen. Ik houd geen boekenplanken over op deze manier.

25!

Vandaag is het de 25ste verjaardag van mijn dochter. 25! Ongelooflijk.

De dag dat ze geboren werd lijkt pas gisteren. Ik herinner me de lichtjes, buiten op straat, op die warme septemberavond, toen de verloskundige me een lift gaf naar het ziekenhuis. Ik herinner me hoe ik, die eerste nacht, nog in het ziekenhuis, de hele nacht wakker lag omdat ik die enorme, gelukzalige grijns maar niet van mijn gezicht kreeg. Ik herinner me de stem van mijn vader aan de telefoon toen ik mijn ouders belde om te vertellen dat ze was geboren en dat alles goed was gegaan terwijl mijn baby op de achtergrond huilde. Zelfs dáár was ik trots op. “Hoor je haar, pap?”

Wat was ik jong nog. 23 pas, zelf nog een uk. Zó jong dat ik gek was op ‘You are my destiny’ van Lionel Richie, op dat moment nummer 1 in de top 40, omdat ik de tekst zo toepasselijk vond. Redelijk puberaal, vind ik nu. Maar ondanks dat kinderachtige gedoe hebben we het toch prima gered samen. Ik leek heel consequent in haar opvoeding maar dat was meer geluk dan wijsheid. Ik vond gewoon dat mijn kind moest luisteren. Waarom? Om die reden die mijn ouders ook gaven. “Omdat ik het zeg.” Punt. Uit.

En natuurlijk maakte ik blunders. Deze bijvoorbeeld. En het heen en weer slepen van mijn kind naar Amsterdam en weer terug naar Breda was ook niet echt een voorbeeld van verantwoord ouderschap. Maar het kwam allemaal goed. We fietsten overal redelijk glansrijk doorheen. Afgezien van die afschuwelijke knie uit de kom,is echt enorme rampspoed ons gelukkig bespaard gebleven. Geen wegloop-taferelen, geen nachten doorhalen, geen drankmisbruik. Tenminste, niet van haar kant. Die ene keer dat ik zelf met iets te veel wijntjes op bijna de voortuin inviel, was eigenlijk ook niet echt pedagogisch verantwoord. Wel ontzettend grappig. Volgens mijn dochter dan.

Als tegenhanger van al mijn opvoedkundige blunders las ik 10.000 Jip-en-Jannekes voor het slapen gaan. Haar wijsvingertje vragend in de lucht “Eentje nog?”. Ik veegde snotneuzen, verschoonde luiers, gaf sinasprilletjes en maakte honderden bedjes-op-de-bank. We knutselden, we kletsten, we knuffelden, we zongen, we dansten, we giebelden. En veel van die dingen doen we nog steeds.

Ik ben er nog steeds niet achter of het feit dat het allemaal goed kwam te maken heeft met mijn weergaloze opvoeding of dat dat gewoon kwam omdat mijn dochter zo’n heerlijk kind was. Zo’n kind dat fluitend alle scholen doorliep, nooit te ver ging bij kattenkwaad uithalen, braaf huiswerk maakte en de puberteit gewoon finaal oversloeg. Zo’n kind waarvan je er, met gemak, zes had kunnen opvoeden. In je eentje. Fluitend. Met twee vingers in je neus.

Dat kleine meisjes echt groot worden, blijkt uit het feestje van vandaag. Dit jaar vierde dochterlief haar verjaardag op Bali waar ze, samen met Robby, lekker vakantie viert. Vandaag gingen ze vissen op een koraalrif en ze zagen een varaan van anderhalve meter, zomaar midden op de weg.

Best bijzonder om zo je verjaardag te vieren. Het lijkt nog maar gisteren dat we koek hapten in onze achtertuin. Time flies when you’re having fun!

Lieve Michelle,
Van harte gefeliciteerd met je 25ste verjaardag!
Het is – nog steeds – een feest jouw moeder te zijn!

Warm bad.

Het appartement waar we nu wonen, bevindt zich in een heus seniorencomplex. Nou ja, senioren… Je mag er pas wonen als je boven de 50 bent. Niet écht senior, vind ik, maar toch.

Voor de duidelijkheid: ik ben natuurlijk nog láng niet zo oud. Maar Frank is net boven de 50 dus kwamen wij in aanmerking voor deze woning. En nu blijken we ver uit de jongsten van het hele complex te zijn. Werkelijk piepjong vergeleken met de rest.

Zó piepjong dat we, toen we nog aan het opknappen waren, vriendelijk begroet werden door onze nieuwe senioren-buren. “Zijn jullie aan het schoonmaken voor jullie ouders?” vroegen ze. Ze keken enigszins verbaasd toen ik vertelde dat wij zélf hier kwamen wonen. Maar inmiddels zijn ze aan ons gewend. En wij aan hen.

Toen we hier net woonden, stonden er twee grijze dametjes voor de deur die ons, namens de bewonerscommissie, een welkomstbloemetje aan kwamen bieden. Inmiddels doen we zelf ook mee met de ‘Wel en wee-pot’ waarvan bloemetjes gekocht worden voor bewoners die in het ziekenhuis komen te liggen, of voor bewoners die 70, 75 of 80 worden. Of eh, tja, soms ook een rouwkrans. Dat komt voor hier.

Iedereen is vriendelijk. En geduldig. Ze zijn allemaal met pensioen dus ze hebben alle tijd. Ze wachten op je in de lift als ze je aan zien komen. Ze weten precies of de postbode die dag al geweest is. Ze hebben – in het kader van ‘wijsheid komt met de jaren’ – volop goede raad en opbeurende woorden. We zijn hier omringd door surrogaat-ouders.

We maakten kennis met ons buurvrouwtje B. Een klein vrouwtje van een jaar of 75. De dag daarna stapte ze in de lift terwijl ik toevallig allerlei zware spullen aan het verslepen was. Kordaat stroopte ze haar mouwen op om even een handje te helpen. Zo’n handje vol ouderdomsvlekjes. Ik kon nog net voorkomen dat ze met haar broze botjes ons meubilair begon te verslepen. Precies zoals mijn moeder dat zou doen.

En dan meneer P., de voorzitter van de bewonerscommissie. Hij legde me vriendelijk uit waar ik ons grof huisvuil neer kon zetten en vroeg me of ik wilde laten wanneer het opgehaald werd. Dan kwam hij me wel even helpen met buitenzetten. Die goede man is minstens 70! Ook dat aanbod heb ik vriendelijk van de hand gewezen. Of de buurman die de stok waarmee hij loopt, even tegen de auto zette om me te helpen een loodzwaar, glazen tafelblad uit de auto te tillen. Daarna tikte hij galant tegen zijn denkbeeldige hoed. “Geen probleem, kind. Graag gedaan!”.

Want ik word hier, als de benjamin van het gebouw, standaard door iedereen aangesproken met ‘kind’. ’s Morgens vroeg, als ik naar mijn werk ga, loop ik een tweede buurvrouw tegen het lijf. Op pantoffels, in haar duster, is ze onderweg naar beneden om de krant uit de brievenbus te halen. “Goedemorgen!” begroet ze me “Wat ben jij er vroeg bij!” Als ik antwoord dat ik naar mijn werk ga, reageert ze gelaten. “Ach ja, kind. Jij werkt natuurlijk nog!”

Stiekem grinniken we over het oubollige ‘oude wijventafeltje’ op de galerij. En giebelend hebben we zelfs, net zoals al onze buren, het mobiele nummer van onze dochter ingevuld op de alarmlijst. Voor in geval van nood. Zodat de buren altijd iemand kunnen bereiken, mochten we vallen en een heup breken. Je weet maar nooit.

Maar toch, hè. Het klinkt verschrikkelijk, zo’n seniorencomplex. Maar na al die jaren in Amsterdam, waar zelfs je directe buren je op straat straal voorbij lopen zonder te groeten, voelt hier wonen als een warm bad.