Up to the Heaviside Layer…

Afgelopen donderdag moesten we helaas afscheid nemen van onze Spike.

Als hondenmens had ik nooit veel op met katten. ‘Katten hechten zich aan hun huis in plaats van aan hun baasje. En ze komen niet knuffelen als je ze roept’ zei ik altijd. Nee, voor mij geen kat. Toch eindigde na één weekend met Spike de eerste blog die ik over hem schreef al met ‘Straks word ik nog een kattenliefhebster’. Zo ver is het nooit gekomen. Want ik hield niet van álle katten. Maar ik hield wel zielsveel van die ene; onze Spike.

En die liefde was geheel wederzijds. Al vanaf het begin. ‘Het is een kater. Die houdt van bollen’ grapte Frank als Spike zich weer eens pontificaal boven op mijn boezem installeerde als ik op de bank lag. In al die jaren moet ik úren zo gelegen hebben. Met die enorme rode kater boven op me. Dat ik niet eens een slokje drinken kon nemen, nam ik voor lief. Spike lag net zo lekker.

Het waren niet alleen mijn bollen die Spike wel kon waarderen. Maar ook onze vaste spelletjes. Zo liep ik elk weekend talloze rondjes door de woonkamer met de ceintuur van mijn badjas slepend over de grond en een kat achter me aan die mijn ceintuur probeerde te pakken. ‘Het monster onder de deken’ was ook al zo’n leuk spelletje. Dat Spike daarbij regelmatig (per ongeluk) mijn hand openhaalde met zijn nagels kon me niks schelen. Samen keken we naar Spike’s favoriete filmpje op mijn iPad. Spike hield me gezelschap tijdens de uren dat ik in bad lag te lezen. En tijdens de maanden die Frank in het ziekenhuis en het revalidatiecentrum doorbracht, als ik soms een instortmomentje had en moest huilen, dan was daar elke keer mijn grote vriend, die naast me kwam zitten en me kopjes gaf.

Misschien had Spike ook wel door dat ík degene was die de meeste kattenrommel mee naar huis sleepte. Toen we nog in Amsterdam woonden, was kattengras best moeilijk te krijgen. Dus fietste ik regelmatig de halve stad door op zoek naar verse voorraad. Ik kocht een idiote kattenren waardoor Spike toch naar buiten kon en kroop er gezellig bij als Spike daar in zat. Ik maakte huisjes van dozen, kocht een veel te grote kattentoren en ons hele huis lag vol kussentjes, mandjes en speelgoed. Iedere dierenwinkel ging ik binnen om te checken of ze daar het soort speelgoedmuis verkochten waar Spike zo dol op was. En meneer heeft zelfs een eigen categorie op mijn weblog gekregen.

Spike liet zijn waardering duidelijk merken. Ik had inmiddels door dat Spike écht wel kwam als ik hem riep. Sterker nog; als ik thuis kwam uit mijn werk, kwam Spike me blij tegemoet rennen. Als ik vanuit huis aan het werk was, lag Spike in zijn doos onder mijn bureau. Als ik ‘s avonds op de grond voor de bank tv zat te kijken, vleide Spike zich tevreden languit tegen mijn been. Als ik ‘s avonds in bed zat te lezen, gaf hij mijn iPad kopjes waardoor lezen nog een hele opgave werd om daarna tevreden te gaan slapen bij mij, aan mijn kant van het bed. En tijdens mijn nachtelijke muziek-luister-sessies op het balkon ging altijd de balkondeur zachtjes open, kwam Spike tevoorschijn en keken we samen naar de maan. Waar ik was, was Spike.

Maar Spike werd ouder (hij was bijna 19) en kreeg kwaaltjes. Onze altijd hongerige kater ging slechter eten. We wisten al dat Spike artrose had. Maar onderzoek bij de dierenarts wees uit dat ook Spike’s nieren niet goed meer werkten. We spendeerden maar weer een kapitaal aan speciaal dieetvoer maar het mocht niet meer baten. Spike werd mager en lag hele dagen te slapen. Als hij wakker was, dronk hij veel en lag hij wat te soezen in het zonnetje.

Vraag me niet waarom, maar vaak noemde ik Spike liefkozend ‘Muis’. Maar ik gebruikte ook vaak troetelnaampjes met veel lettergrepen. Dat bekt zo lekker. Schatte-patatteke. Kroele-boele-kater. Grote knuffel-buffel. Maar toen ik Spike als vanzelf Scharminkeltje-Pinkeltje ging noemen, was het tijd om hem te laten gaan. We hebben nog een avond op het balkon gezeten samen. Ik heb Spike lang geborsteld, we hebben geknuffeld en gezellig gekletst en Spike heeft nog een vissoepje op.

De volgende dag, bij de dierenarts, is Spike met zijn koppie op mijn arm in slaap gevallen. Ik heb hem vast gehouden tot hij overleden was. We missen hem enorm. Maar in mijn gedachten springt Spike nu – ergens in de kattenhemel – vrolijk door het gras, jagend op hommels en vlinders. Het is goed zo.

The Heaviside Layer is officieel een laag in de bovenste atmosfeer rond de aarde. In de musical Cats, gebaseerd op een dichtbundel van T.S. Elliot, verwijst de naam Heaviside Layer naar de plaats waar katten na hun dood heen gaan om opnieuw geboren te worden. Ze hebben tenslotte negen levens. Dus voor de kattenliefhebbers onder jullie: mocht er binnenkort een kleine, rode kitten op je pad komen, met de mooiste kattenogen die je ooit gezien hebt; geef hem een extra knuffel van me!

The circle of life.

1969 – Mijn moeder en ik

Het is bijna een half jaar geleden dat mijn moeder (89) verhuisde naar een zorgcentrum. Nadat ze twee keer gevallen was in huis, werd ze acuut geplaatst in een zorgcentrum waar plaats was. Niet in het zorgcentrum waar ze op de wachtlijst stond, maar in een zorgcentrum net buiten de stad waar ze woonde. Het was een heftige periode waar ze zich moedig door heen sloeg. Ze heeft niet eens de tijd gehad haar eigen spulletjes uit te zoeken, waar ze nog steeds wel eens moeite mee heeft. Maar het was niet anders. We hadden geen keuze meer. Twee valpartijen zonder schade; het was wachten op het moment dat het wél fout ging.

Ik hield mijn hart vast, gealarmeerd door alle horrorverhalen over de zorg en hoe slecht het wel niet gesteld is met de ouderenzorg in ons land. Maar eerlijk is eerlijk; mijn moeder zit op een fantastisch plekje. De administratieve weg er naar toe was een regelrechte ramp. Er waren kastjes en muren waartussen wij veelvuldig heen en weer gestuurd werden en we hadden een casemanager die altijd achter de feiten aanliep. Maar toen mijn moeder eenmaal zat waar ze moest zitten, zat ze goed. Misschien hebben we gewoon geluk. Misschien omdat het een kleinschalig centrum is. Maar we mogen niet klagen.

Als ik op bezoek kom, word ik door het personeel herkend als ‘dochter van’ en vaak even bijgepraat over mijn moeder. Als contactpersoon kan ik meelezen in het dossier van mijn moeder en zie ik notities waar ik soms om moet lachen. Zoals die keer dat ze samen met de zorgmedewerkster zeker tien minuten lang de slappe lach had omdat ze niet uit bed kon komen. Soms lees ik stukjes die me ontroeren. Dat ze haar onderstoppen bij de avondronde, terwijl ze ligt te slapen. En dat ze de tijd nemen om bij haar te gaan zitten en te praten over haar overleden man en overleden zoon. En voor het eerst in mijn hele leven zie ik mijn moeder regelmatig met chique gelakte nagels.

Ze zijn echt lief voor mijn moeder en zelf het eten smaakt haar prima. Maar toch, ondanks het mooie plekje, ondanks haar mooie kamer, heeft de verhuizing erin gehakt. De gezondheid van mijn moeder holt hard achteruit. “Oude bomen moet je niet verplanten” wordt er wel eens gezegd. Zou ze ook zo achteruit gegaan zijn als ze niet verhuisd was? Maar wat als dat wel zo was? Dan had ze nu alleen in haar huisje gezeten. Feit blijft dat ze in rap tempo heel veel zelfstandigheid op moet geven en het daar heel zwaar mee heeft.

De eerste weken liep ze – onder begeleiding – zelf met haar rollator naar de eetzaal. Inmiddels wordt ze in een rolstoel daarna toe gereden. Kon ze een paar weken geleden nog met hulp van een zorgmedewerker zelf in haar rolstoel gaan zitten; inmiddels gebruiken ze daar een BEA* voor. Ze begint steeds moeizamer te eten. De keukenmedewerkers serveren mijn moeders maaltijd als eerste maar het duurt enorm lang voor ze iets gegeten heeft. Dus wordt ze geholpen met eten. Al een paar keer heeft ze haar koffie over zichzelf heen gegooid. Een kopje vasthouden lukt haar niet meer. Dus drinkt ze nu uit een tuitbeker.

Daarnaast is ze soms compleet de weg kwijt. Ze hallucineert af en toe en ziet dan dingen die er niet zijn. Ik troost me met de gedachte dat ze zelfs op die akelige momenten, midden in de nacht, niet alleen is. En ik ben heel dankbaar voor de lieve zorgmedewerksters die – zo lees ik in het dossier –‘s nachts bij haar op bed gaan zitten om haar gerust te stellen en te troosten. Ik ben zo vaak mogelijk bij haar en bel haar vaak. Maar ook bellen gaat steeds moeizamer. Ze vergeet dat ze me aan de lijn heeft en gaat gewoon verder met tv kijken. Ook prima; dan kijken we even samen tv. Maar treurig is het wel om te zien dat mijn altijd zo energieke moeder zo hard achteruit gaat.

In onze relatie van moeder en kind zijn de rollen nu omgedraaid. Mijn moeder, die altijd zo goed voor mij gezorgd heeft, moet nu zelf verzorgd worden. Ik doe haar was en strijk haar broeken zoals zij tientalen jaren mijn broeken gestreken heeft. Ik rijd haar rond in haar rolstoel zoals zij mij ooit rondreed in mijn kinderwagen. En ik realiseer me dat mijn moeder nooit meer voor mij zal zorgen. Ik zal nooit meer in een fris gewassen bedje stappen dat zij zorgvuldig verschoond heeft met vers gewassen lakens of aanschuiven voor een bordje aardappelen en hachee zoals alleen mijn moeder dat kon maken. En ik wil haar warrige gedachten niet verstoren. Dus zal ik nooit meer mijn hart bij haar luchten en haar om raad vragen.

Maar gelukkig heb ik, behalve een moeder, ook een dochter. Eentje op wie ik altijd kan rekenen. Ze is volwassen inmiddels en ik ben er van overtuigd dat zij voor mij altijd een schoon bedje en een warme maaltijd zal hebben, mocht dat nodig zijn. En ik weet ook dat ik haar altijd kan bellen als ik mijn hart wil luchten of goede raad nodig heb. Zoals ik dat ook altijd bij mijn moeder kon. En ik realiseer me ineens dat de cirkel rond is. 

* een Bea is een opsta-hulp voor mensen die nog wel kunnen staan maar moeite hebben met lopen.

Rituals of Sakura.

Een tijdje terug kreeg ik een setje producten van Rituals. Een flesje handzeep, een tube bodyscrub, een tube bodymilk en een spuitbusje doucheschuim in een mooi doosje met de prachtige naam ‘Rituals of Sakura’ De flesjes stonden een tijdje in de badkamerkast tot ik na een zware dag hard toe was aan een ultiem relaxmomentje. Op de verpakking las ik: ‘Tijdens de eeuwenoude Hanami ceremonie in Japan viert men de schoonheid van de Sakura bloesem. Deze kersenbloesem symboliseert dat het leven en schoonheid vluchtig zijn en dat je er dus vol overgave van moet genieten.’ Dus ik besloot eens flink vol overgave te gaan genieten. Want voor je het weet, zijn je leven én je schoonheid vervlogen.

Met zo’n tekst zie je het helemaal voor je: zo’n slanke Japanse, in zo’n badkamer die op een Spa lijkt. Met schermen van rijstpapier en zen gestapelde stenen, weelderige groene planten en dikke witte handdoeken. Bevallig laat ze haar zijden kimono van haar schouders glijden, stapt ze onder het stromende water en verdeelt ze dat heerlijke doucheschuim over haar gladde huid terwijl de hele badkamer ruikt naar kersenbloesem. En ze geniet. Vol overgave.

Hoe anders is de werkelijkheid. Mijn badkamer lijkt in de verste verte niet op een Spa. Er staat één plastic namaak-plant en mijn handdoeken zijn verwassen rood. Ik heb geen zen gestapelde stenen en schermen van rijstpapier in mijn badkamer. Wel twee volle wasmanden met vuile was. En niks zijden kimono en bevallige schouders. Ik ben gewoon een iets te dikke, struise Brabantse met een oude badstoffen badjas. En eigenlijk had ik drie dagen geleden mijn benen moeten scheren. Maar ha! Ik had dus wel dat fantastische doucheschuim waar ik eens vol overgave keihard van zou gaan genieten.

Verwachtingsvol stapte ik onder de douche met mijn spuitbusje doucheschuim. Maar ik kreeg het niet voor elkaar om het knopje in te drukken om dat hemelse spul met de geur van kersenbloesem te voorschijn te laten komen. Kwam vast door mijn natte handen, bedacht ik. Dus stapte ik weer onder de douche vandaan, droogde mijn handen af en stapte terug onder de douche, angstvallig proberend mijn handen én het spuitbusje droog te houden.

Maar nee, dat werkte ook niet. Ik kon gewoon niet genoeg kracht zetten. Het leek er op dat ik twee handen nodig zou hebben om het knopje in te drukken. Maar waar laat je dan het doucheschuim, hè? Uiteindelijk wist ik maar één oplossing te bedenken. Ik klemde het spuitbusje doucheschuim overdwars tussen mijn buik en de tegels van de douche en hield mijn handen er onder. Boffen dat ik geen tengere Japanse ben met maatje 36! Ik gooide al mijn gewicht in de strijd en jawel! Er kwam zowaar doucheschuim te voorschijn. Het merendeel liep langs de badkamertegels regelrecht het putje in maar het beetje wat ik op wist te vangen, rook inderdaad lekker. En het was nét genoeg om mezelf in te zepen.

Maar om nou te zeggen dat ik vol overgave genoten heb?
Nee. Niet echt. Gevloekt heb ik wel. Vol overgave.
Dat dan weer wel.

FF kort.

Zeker tien minuten – onhandig ondersteboven hangend – gepoetst op een mysterieuze vlek op de onderkant van het fonteintje in het toilet. Ik kreeg ‘m maar niet weg.

Klopt! Het is de weerspiegeling van de afvoerpijp. 🤦‍♀️

Schoon genoeg, lijkt me.