Nieuw speeltje.

Toen we nog in Frank’s appartement woonden, hadden we een projectorscherm hangen en een projector waarmee we regelmatig films keken. Op groot scherm. Mooi, natuurlijk. Prachtig! Tot de projector kuren begon te vertonen en er regelmatig halverwege de film mee op hield. Frank liet hem repareren maar het euvel is nooit echt verholpen zodat we eigenlijk nooit meer films keken op het grote scherm.

Toen we gingen verhuizen werd de grote metalen behuizing waar het scherm in zit van het plafond geschroefd en het ding belandde in onze opslag. Daar lag dat lelijke ding prima, vond ik. Maar toen we verhuisden naar onze huidige woning, belandde het kreng – door een foutje van de verhuizers – per ongeluk toch in ons nieuwe huis. “Waar moet deze?” vroeg zo’n spierbundel aan me en ik dirigeerde hem vanaf de voordeur linea recta naar de studeerkamer waar ik het gevaarte (dat scherm dus; niet de verhuizer!) met veel duwen en trekken wist weg te moffelen tegen de muur onder onze bureaus.

En daar bleef het scherm, onopgemerkt door Frank, ruim een jaar liggen. Frank’s gezondheid ging dat jaar van ‘wat beter’ naar ‘iets minder’ en vervolgens via ‘slecht’ naar ‘doodziek’ dus niemand dacht meer aan het projectorscherm. Maar inmiddels is Frank weer helemaal in het land der levenden en laatst sprak hij de gevreesde woorden “Waar is mijn projectiescherm eigenlijk gebleven?” En ach, je houdt van zo’n man, hè? Dus biechtte ik op dat dat kreng onder het bureau ligt. 

Aangezien hij zich nog feilloos herinnerde dat de projector stuk was, schafte hij een nieuwe projector aan én een projectortafel om de projector op te zetten. En een film, om te proberen. Omdat het scherm nog niet hangt, haalde ik de klok van de muur zodat we de film op de muur konden projecteren. En omdat ik de beroerdste ook niet ben, holde ik nog snel naar de supermarkt voor popcorn. Ons eerste filmavondje kon beginnen.

De testfilm bleek een oorlogsfilm. Niet echt mijn genre maar er zijn ook goede films in dat genre. Zo jasten we ooit – op mijn verzoek – alle dvd’s van Band of Brothers er in een paar avonden door heen omdat ik het zo mooi vond. Dus vooruit maar. Helaas was deze film, Stalingrad, heel andere koek. Zelfs op groot scherm. Vooral op groot scherm.

Manmoedig worstelde ik me door het eerste half uur. Draaiend op mijn plek probeerde ik me te herinneren hoe laat we de film aangezet hadden. Het kon nog hooguit een uurtje duren. Dat zou ik toch wel redden? Maar na nóg een kwartier hield ik het echt niet meer uit. “Ehhhm” opperde ik voorzichtig “Het kan me niet echt boeien…” Opgelucht keek Frank me aan. “Mij ook niet!” riep hij “Maar ik dacht dat het aan mij lag,” en hij zette resoluut de film uit. Tot zover ons eerste filmavondje.

Inmiddels zijn we het er over eens dat het scherm weer opgehangen gaat worden zodat we weer bioscoopje kunnen spelen, ook al vind ik zo’n scherm aan het plafond niet mooi. Maar toen Frank vervolgens voorstelde om de projector op de projectortafel naast de boekenkast in de huiskamer te zetten, heb ik mijn veto uitgesproken. De projector gaat gewoon naar de studeerkamer. We pakken ‘m wel als we film willen kijken. We wonen tenslotte niet in een filiaal van de Media Markt! 

En wat Frank nog niet weet, is dat ik mijn veto ook uit ga spreken voor bepaalde films. Oorlogsfilms kijkt-ie maar fijn met zijn vriendjes. Tot het scherm hangt, ga ik eens rustig nadenken welke acteurs ik in het groot geprojecteerd wil hebben in mijn huiskamer. 

Iemand nog tips?

Foto: je eigen filmpjes afspelen is ook leuk!

Mijn kleinkinderen bij Tussen Kunst en Kitsch 2078.

“Kijk vandaag via onze app naar de nieuwste uitzending van Tussen Kunst en Kitsch vanuit Ruimtestation Vier op Mars”

In beeld verschijnt een tafel met daaraan twee gasten en één expert. Op hun voorhoofd zit een schermpje waarop zichtbaar wordt wat zij willen zeggen. Sinds de grote SARS-uitbraak eind 2040 is spreken verboden.

“Goedemiddag!” seint de expert. En hij kijkt verbaasd naar de items die voor hem op tafel liggen “Wat hebben jullie mee gebracht? Dit heb ik echt nog maar zelden gezien! Hoe komen jullie aan deze items?”

Op het scherm van de man aan de andere kant van de tafel verschijnt een tekst. “Ze zijn van onze moeder. Zij is geboren op Aarde en heeft daar tot de Grote Overstroming gewoond. Deze items waren nog van háár moeder. Onze moeder wordt al wat ouder; ze wist niet precies meer waar ze nou precies vandaan komen en waar ze voor dienden.”

De expert trekt witte handschoenen aan en pakt voorzichtig een van de items op en keert het om. “De kleuren zijn wat vervaagd maar ze zijn nog in prima staat.” seint hij “Dat maken we niet veel mee.” Dit keer seint de vrouw aan de andere kant van de tafel terug. “Onze grootmoeder was heel zuinig op haar spullen. Deze items zaten in een plastic hoesje in een plastic bak. Vandaar dat ze nog ongeschonden zijn na de Grote Overstroming. Onze moeder heeft ze vervolgens meegenomen naar Mars. Maar wat zijn het nou precies? Onze moeder had het over ‘een drankje doen’ maar precies wist ze het ook niet meer.”

Glunderend laat de expert zijn spraakschermpje even knipperen. Daarna seint hij “Deze werden heel vroeger, zo ongeveer tot 2030, gebruikt in de zogenaamde ‘cafés’. Verbaasd kijken de man en vrouw aan de tafel naar de expert, terwijl op hun praatscherm vragende emoticons verschijnen. “Nooit van gehoord….” seint de vrouw zachtjes in kleine letters. “Dat waren ruimtes waar je drankjes kon kopen met alcohol er in.” legt de expert uit.

Op de spraakschermpjes van de man en vrouw flitst geschrokken wit licht. “Alcohol?” seint de vrouw verschrikt. “Onze moeder seinde wel iets over ‘een drankje doen’ maar alcohol? Jeetje…” Verbijsterd schudt ze haar spraakschermpje.

De expert legt uit dat er vroeger op Aarde in cafés, of zogenaamde ‘kroegen’ drank verkocht werd met alcohol er in. Bier, gemaakt van hop. Of wijn, van druiven. Ontzettend ongezond natuurlijk maar men wist toen niet beter. Er ontstonden veel problemen door alcohol. Mensen werden er gek van en wisten zich niet te gedragen. Er gebeurden ongelukken. Er werd een leeftijdsgrens ingesteld maar toen dat niet hielp werd alcohol uiteindelijk compleet verboden. De rondjes die nu voor hen op tafel liggen, werden op tafel gelegd in cafés zodat de glazen met alcohol geen kringen maakte op de tafels. De zogenaamde ‘bierviltjes’.

“Ik zal het jullie nog sterker vertellen” seint de expert “Vroeger werd in die cafés nicotine gerookt!” Op de spraakschermpjes van de man en de vrouw flikkert een fel rood licht en grote letters ‘NICOTINE???’ Geschrokken laten ze zich op de grond vallen. Ver weg van de bierviltjes die ooit met nicotine in aanraking kwamen. Mijn God! Nicotine! De expert laat via zijn spraakschermpje een geruststellend groen licht schijnen en de man en vrouw krabbelen voorzichtig weer op. “Geen zorgen” seint de expert. “Na al die jaren is de nicotine in de viltjes niet schadelijk meer.”

De expert legt uit dat de viltjes vooral gebruikt werden om reclame te maken. Daarom staat de naam van de fabriek, de zogenaamde brouwerij, op het viltje gedrukt. Vervolgens seint hij dat heel vroeger bierviltjes ook gebruikt werden om op te schrijven. Met een staafje met inkt er in, konden mensen letters en cijfers op de viltjes schrijven.

In de tijd dat de telefoon nog gebruikt werd, kon men zo het nummer doorgeven waar men op te bereiken was. Maar er werd van alles op bierviltjes geschreven. “In dit geval is er duidelijk sprake van een tekening” seint de expert “Ondertekend met de naam ‘Dominique’. Zegt dat jullie iets?” De man en vrouw seinen gelijktijdig een duidelijk “Nee”.

“Waarschijnlijk was Dominique een bekende van jullie grootmoeder. Misschien heeft ze de viltjes bewaard omdat ze hoopte dat hij ooit een beroemd kunstenaar zou worden.” seint de expert “De naam ‘Dominique’ zegt mij niets dus ik denk niet dat dat gelukt is. Bovendien ben ik in geen van de musea op Ruimtestation Een de naam ‘Dominique’ tegengekomen. Dat is jammer. Daardoor zijn deze viltjes, daterend uit begin 2000, niet zo heel erg waardevol. Je moet, in dit geval, denken aan hooguit 3 bitcoins. Per stuk; dan dan weer wel. Toch een mooi bedrag. En voor jullie hebben ze natuurlijk een enorme emotionele waarde; een aandenken aan jullie grootmoeder”.

Onthutst nemen de man en vrouw afscheid door middel van een zwaaiende emoticon op hun spraakschermpje. Een hand geven wordt alleen nog maar binnen de familie gedaan. Ze zijn er stil van. Pas na een tijdje, onderweg in de shuttle naar hun luchtbel, met de viltjes weer veilig verpakt in plastic, verbreekt de vrouw het zwijgen. Ze stoot haar broer aan en op haar spraakschermpje verschijnt de tekst “Had jij dat nou verwacht? Onze Oma in een café? Met alcohol en nicotine? Jeetje! Ze leek altijd zo’n lief, oud vrouwtje.”

Konijn.

Jaren geleden was ik op bezoek bij mijn tante Rietje in Rozenburg. Ze had nieuwe meubeltjes gekocht en stond vol trots in haar kleine huiskamertje. “Mooi, tante Rietje” riep ik goedkeurend en ik nam plaats op haar nieuwe bankstel. Vrolijk kletsend zaten we even later aan de koffie toen mijn oog op een beeldje van een konijn viel dat naast de tv stond. “Ach, wat een leuk konijn” merkte ik op. Tante Riet keek naar het konijnenbeeldje en zei vlot “Oh? Vind je ‘m leuk?” Resoluut stond ze op, pakte het konijn van de kast en duwde het in mijn handen. “Hier! Neem maar mee dan!”

Even dacht ik aan mijn witte kattenbeeldjes met glazen ogen. Toen ik, begin jaren negentig, op mezelf ging wonen, kreeg ik er eentje cadeau. “Wat leuk!” loog ik beleefd terwijl ik het gruwelijk lelijke beeldje omhoog hield in mijn kamer vol visite. Ik acteerde zó overtuigend dat ik een paar maanden later, na mijn verjaardag, een vensterbank vol witte katten met glazen ogen had omdat iedereen dacht dat ik ze zo leuk vond. En met Kerst kreeg ik er nóg een paar omdat iedereen inmiddels dacht dat ik beeldjes van katten met glazen ogen spaarde.

Dus daar zat ik. Op de bank bij tante Rietje met een konijn op schoot en een mond vol tanden. Dertig jaar ouder maar nog steeds te beleefd om te weigeren. Deze keer had ik niet eens heel erg gelogen want het wás ook een leuk konijn. Alleen niet voor op míjn kast. Tante Rietje zou dat best begrepen hebben maar ik hield mijn mond en ik vertrok braaf mét het konijn naar huis. Pas nu realiseer ik me dat tante Rietje er misschien gewoon graag van af wilde. Van dat stofnest van een konijn.

Het konijn heeft nooit op mijn kast gestaan. Ik heb het wel altijd bewaard. In een doos in de berging. En tijdens een van mijn opruimsessies kwam ik het kreng weer tegen. Mijn tante Rietje leeft niet meer. En daarom kon ik het niet over mijn hart verkrijgen om haar konijn weg te gooien. Ik heb het beeldje op het balkon gezet, naast een bloempot.

En verhip! Eigenlijk is ze daar gewoon wat ze altijd was: een leuk konijn!
Vooruit; ze mag blijven. Sterker nog; ze heeft nu zelfs een naam. Ik noem haar Rietje.

Oude meuk.


Al tijdens de vakantie was ik van plan de berging op te ruimen. Er kwam een klein kinkje in de kabel en ik liet de boel de boel. Maar inmiddels heb ik toch door tactisch schuiven, stapelen en sorteren wat ruimte gecreëerd. Nu moet ik alleen nog een stuk of tien afsluitbare plastic bakken doorlopen die vol zitten met ‘dingen van vroeger’. 

Die dozen zijn al twee keer verhuisd in Breda, toen mee verhuisd naar Amsterdam en nu staan ze hier. En al die jaren heb ik er niet één keer in gekeken. “Dus ik gooi álles weg!” riep ik stoer. Want wat moet je tenslotte met al die oude troep? Alsof dochterlief, later als ik het loodje leg, blij zal zijn met mijn oude meuk van vroeger. Ze gaf zelf trouwens het goede voorbeeld. Ze gooide drie grote dozen met opschrift ‘persoonlijke spullen Mich’ in haar auto en bracht één doos terug. Kijk! Dat ruimt lekker op!

Gisterenavond nam ik zelf een doos mee naar boven vanuit de berging. Opschrift ‘persoonlijke spullen Nicky’. Zittend op de vloer maakte ik de doos open. Bovenop lag de knuffelbeer van onze Toby. Dicht tegen Beer aan lag onze Toob uren te snurken in zijn mandje. Twijfelend pakte ik de beer op. Wegdoen of houden? Ik drukte hem even dicht tegen me aan en liep er mee naar de studeerkamer. Daar zit Toby’s beer nu tussen de andere knuffels.

Verder zaten er twee spelletjes in de doos; een Zwarte Pietenspel en het Advertentiespel. Met het Zwarte Pietenspel hebben Michelle en ik vroeger veel lol gehad. Gezien de Zwarte Pietendiscussie zal dat spelletje wel niet meer in deze vorm in de winkels liggen. Dus legde ik het doosje, samen met mijn Advertentiespel van vroeger, op de plank met spelletjes boven mijn bureau.

De rest van de doos is gevuld met boeken. Een Engels boek over ABBA, dat mijn zussen ooit voor mijn verjaardag bestelden in Engeland. Man, wat was ik er blij mee! Ik was pas een jaar of tien maar ik vertaalde het hele boek woord voor woord met behulp van een Engels woordenboek.

Mijn sprookjesboeken van vroeger, met van die mooie pop up-pagina’s liggen netjes opgestapeld in de doos. En mijn knutselboeken, die nog van mijn grote zussen waren geweest. Ik knutselde er als kind zelf uit en later samen met Michelle en mijn oppaskindjes. En ach, mijn Dick Bruna-boekjes, helemaal stukgelezen, die mijn moeder voor me kocht op het station als we met de trein mee gingen. 

Er zit één boek in uit de enorme collectie van mijn vader. Een van zijn favorieten: ‘Een brug te ver’. Onderin de doos vind ik het telraam dat hij voor me maakte. Van een houten lat, de zijkanten zorgvuldig gladgeschuurd. 

Helemaal onderin ligt mijn dagboek uit 1982 vol met gedichtjes, plaatjes en beschrijvingen van mijn – in mijn ogen destijds – turbulente leven. Tussen de vergeelde bladzijden zit een brief van mijn buurmeisje die ze aan me schreef tijdens een Duitse les. Een enigszins hysterische beschrijving van de jongen waar ze stapel verliefd op was. Ik maak een foto van de brief en stuur hem naar haar via Messenger.

En weer maak ik door tactisch schuiven en stapelen ruimte. Maar deze keer in de boekenkast. En ik zet al mijn boeken op de lege plank.

Ja, ik weet het. Dit was niet de afspraak; ik heb niks weggegooid. Maar hé! Er is wel één doos minder in de berging. Dus! 

Nog negen te gaan…