Het zusje van de toneelmeester.

Al zolang ik me kan herinneren, werkte een van mijn broers in het theater in Breda. Eerst in de oude Concordia schouwburg, later in het Chassétheater. Wat-ie precies deed, is me nooit helemaal duidelijk geworden. Toneelmeester, lichttechnicus, geluidstechnicus; hij deed van alles. Het is leuk, een broer in het theater. Ik kreeg rondleidingen, vrijkaartjes en ik dronk wel eens een drankje in het artiestencafé. En als ik zelf een voorstelling bezocht, was ik altijd supertrots als mijn broer achter de knoppen zat van een of ander enorm mengpaneel.

Het zal rond 1990 geweest zijn, dat op een avond de telefoon ging. Mijn broer aan de lijn. ‘Hé sis! Ik ben aan het werk en er is een figurant ziek. Kun jij komen? Ik wacht op je bij de artiesteningang. Je mag iemand mee brengen.’ Ik aarzelde geen moment. Je laat je broer tenslotte, na al die vrijkaartjes, toch niet in de steek? ‘Ik ben er zo!’ riep ik maar terwijl ik ophing, raakte ik lichtelijk in paniek. Figureren? Ik? Op het toneel? Voor een volle zaal? Ondanks dat belde ik mijn beste vriend en samen vertrokken we naar het theater.

Mijn broer wachtte ons op bij de artiesteningang van de schouwburg. Hij stelde me voor aan het Portugese toneelgezelschap dat die avond speelde en legde uit wat er van me verwacht werd. Ik zou in de zaal zitten. De theatergroep speelde een groep gevangenen die in de bak een tijdschrift bekeken met daarin een poster-met-nietje van een mooie vrouw. Daarna zouden ze ontdekken dat die zelfde vrouw in het publiek zat en me op het podium vragen. Oh, mijn God! Waar was ik aan begonnen?

Ik herinner me dat de voorstelling begon. Het tijdschrift wat tevoorschijn kwam en de blikken van de mannen op het toneel die mij vonden in het publiek. De volgspot die op mij gericht werd in het publiek – deed mijn broer dat? – en de zenuwen die door mijn lijf gierden. Ik herinner me hoe ik het trapje naar het podium op liep. Maar verder weet ik niets meer.

Ik zag geen volle zaal. Ik zag geen mensen. Ik speelde gewoon mee. Ik kan me niets meer van het verhaal herinneren. Ik weet alleen nog dat ik met een van die mannen romantisch over het podium danste terwijl hij in mijn oor fluisterde ‘You’re doing great’. En ik vond het fantastisch!

Na de voorstelling dronken we nog wat. In het artiestencafé natuurlijk. En we hebben vreselijk veel lol gehad. Die gasten uit Portugal hadden humor. En ik was helemaal hieperdepiep en beretrots op mezelf dat ik meegedaan had en het er schijnbaar goed vanaf gebracht had. Het was een geweldige avond. Wat een ervaring was het!

Maar ook eentje die mij, theater-technisch, voor altijd verpest heeft. Want sinds die bewuste avond geloof ik niet meer in het spontaan op het toneel roepen van nietsvermoedende bezoekers. Als er tijdens een voorstelling weer eens een meisje uit het publiek geplukt wordt, roep ik – na al die jaren – nog steeds:
‘Ach, wat leuk! Het zusje van de toneelmeester!’

Bijschrift bij de foto: van mijn optreden zijn geen foto’s gemaakt. Daarom hierbij een van internet geplukte foto van het oude Concordia-theater waar ik mijn debuut maakte.

Spijt.

Mijn middelbare schooldiploma heb ik nooit gehaald en ik versleet een hele rits foute vriendjes. Ik kreeg in mijn eentje een kind en ik heb best vreemde baantjes gehad. Maar toch… Op de vraag ‘waar heb je spijt van in je leven?’ is er maar één ding dat bij me op komt. En dat heeft niets te maken met alleenstaand-moederschap of foute vriendjes. Of nou ja, een héél klein beetje dan.

Want mijn allereerste vriendje was zo’n fout exemplaar. En ik, met mijn 16 jaar, veel te jong. Maar al mijn broers en zussen waren al getrouwd, hadden gezinnen en ik had  enorme haast om groot te zijn en erbij te horen. En aangezien ik ook nog eens gezegend was met een enorm Reddertjes-complex kon ik zo’n fout vriendje natuurlijk niet laten lopen.

Als hij nu kind zou zijn, zou hij het ene etiket na het andere opgeplakt gekregen hebben. ADHD, borderliner, Asperger, zelfdestructief. Noem maar op. Maar destijds noemden men zo’n kind gewoon vervelend. En dat was-ie. Zonder meer. Geen zin om te leren, niet luisteren naar zijn ouders, altijd maar weer de grenzen opzoeken en er nét overheen gaan. Kortom; er was geen land met hem te bezeilen. Mijn ouders waren niet blij met hun jongste schoonzoon maar gedoogden onze prille verkering, omdat ze van mening waren dan nog enigszins een oogje in het zeil te kunnen houden.

En toen werd het zomer en nodigden mijn ‘schoonouders’ mij uit om mee te gaan op vakantie. Met het hele gezin vier weken naar het meer van Annecy in Zuid-Frankrijk met de caravan. Natuurlijk wilde ik mee. Vier weken met mijn vriendje! Aangezien mijn ‘schoonouders’ keurige mensen waren die er hoogstwaarschijnlijk ook weinig aan konden doen dat ze zo’n vervelend  kind hadden, gingen mijn ouders akkoord. Als voorwaarde werd door beide ouderparen gesteld dat ik in de tent van het jongere zusje moest slapen. En zo reden we, opeengepakt met vijf man in de auto, naar Zuid-Frankrijk. Voor vier weken genieten.

Wist ik veel dat door het moeilijke gedrag van mijn vriendje de familieverhoudingen binnen dat gezin behoorlijk verstoord waren? Daar kwam ik tijdens het verblijf in Zuid-Frankrijk pas achter. Hoe zijn kleine zusje dreinde, jankte, mopperde omdat ze zich – terecht – achtergesteld voelde ten opzichte van haar broer die alle aandacht kreeg. Hoe zijn vader door machteloos veel en vooral hard te schreeuwen probeerde zijn zoon nog een beetje in het gareel te houden. En hoe zijn moeder – och arme – wanhopig probeerde om voor de buitenwereld de schijn op te houden van het perfecte gezinnetje.

We maakten overdag uitstapjes in de buurt met het mokkende zusje van mijn vriendje en zijn gespannen vader, die wanhopig probeerde het gezellig te houden. Ik leerde surfen op het meer van Annecy maar ik vond er niet veel aan. Ik baalde van de sfeer in het gezin, van de ongezellige uitstapjes, van mijn luchtbed in een veel te warm tentje en van het feit dat ik Live Aid niet kon zien op die stomme camping waar geen bal te beleven was.

Gezellig samen op stap met mijn verkering was er amper bij. Soms mochten we een avondje weg om op een onchristelijk vroeg tijdstip weer terug verwacht te worden. Een kwartiertje te laat terug, leverde enorme ruzies op én een sanctie van twee dagen verplicht bij de caravan blijven. De spanning was om te snijden maar elke avond zat de moeder van mijn vriendje de van thuis meegebracht piepers te schillen, zenuwachtig mompelend dat zo’n vakantie toch heerlijk was.

Tijdens onze spaarzame avondjes uit sloten mijn vriendje en ik ons aan bij een groepje jongeren dat bij een kampvuur aan het meer zat. Veel meer was er niet te doen op die camping in the middle of nowhere. Maar ik vond het leuk; even geen gezeur, even geen ruzie. Al hield ik nauwkeuring mijn horloge in de gaten om vooral niet te laat terug bij de caravan te zijn.

Een van de jongens die vaak bij het kampvuur gitaar zat te spelen, kwam uit Nederland. Dus natuurlijk raakten we aan de praat. En tot mijn grote verbazing bleek hij uit Rozenburg te komen. Het kleine dorpje in Zuid-Holland waar mijn lievelingstante woonde. Hij bleek mijn tante en haar gezin zelfs te kennen omdat hij bij mijn overleden nichtje Wilma in de klas gezeten had.

Hoe bizar is dat? Om zover van huis iemand tegen te komen die je familie kent? We werden dikke vrienden. Nee, nee! Geen vonkjes, geen vakantieliefde. Want ik was op mijn zestiende al zo trouw als een hondje. We werden gewoon vrienden. Meer niet. Maar ik vond het fijn dat hij er was. Op een of andere manier voelde het minder eenzaam om iemand in de buurt te hebben die mijn familie kende.

Mijn horror vakantie zal ongeveer halverwege geweest zijn, toen ik in mijn eentje bij het meer zat om de zoveelste familieruzie te ontlopen en mijn nieuwe vriend afscheid kwam nemen. Zijn vakantie was voorbij. Hij ging terug naar Nederland met de auto. We namen afscheid met een ‘Nou, het was leuk je te ontmoeten!’ en een ‘Goede reis!’ waarna hij weg liep. Toen draaide hij zich ineens om en zei ‘Je kan mee terug rijden naar Nederland, hoor.’

Ik heb gebloosd en gestotterd dat ik dat echt niet kon maken. En ik heb mijn vriend uit Annecy nooit meer terug gezien. Na vier weken reed ik braaf met mijn verkering en zijn familie naar huis. De verkering heeft nog drie jaar geduurd en toen was dat ook voorbij. Het heeft lang geduurd maar mijn onhandelbare ADHD-vriendje is – ook zonder mij- nog aardig terecht gekomen. Hij woont samen en heeft een dochter. Het zusje is ook aardig opgedroogd. Ze is getrouwd en heeft twee kinderen. Zijn ouders zijn, voor zover ik weet, nog in goede gezondheid al gaan ze niet meer kamperen.

En met mij gaat het ook goed. Nergens spijt van. Behalve dan dat ik ‘nee’ geantwoord heb op de vraag van mijn vriend in Annecy of ik met hem mee terug wilde rijden. Soms stel ik me voor dat ik toen ‘ja’ gezegd had. Dat ik met hem mee terug gelopen zou zijn naar de camping en in dat irritante tentje gekropen zou zijn om mijn spullen te pakken.

Ik zie mezelf uit de tent uit kruipen, mijn volle tas over mijn schouder gooien, zwaaien en zeggen ‘Doei, jongens! Ik heb genoeg van jullie geruzie, gezanik en gezeur. Ik ben er vandoor!’.

In gedachten zie ik de gezichten van de familie van mijn toenmalige vriendje voor me. De opengevallen monden. De verbijsterde blikken terwijl ik camping af loop. Man, wat had ik dát graag gezien! Spijt heb ik. Als haren op mijn hoofd. Nog steeds. Ik had het gewoon moeten doen.

Bijschrift bij de foto: bij de Pont des Amours in Annecy (1985)

Mijn man heeft een hobby.

En toen was Frank ineens zover opgeknapt dat het tijd werd om een hobby buiten de deur te zoeken. Maar wat? Hij houdt van lezen en computeren maar ik wilde hem juist het huis uit krijgen. Een meisje wil tenslotte ook wel eens het rijk alleen hebben. Ik probeerde hem enthousiast te krijgen voor modelvliegen maar dat lukte niet. En de workshop Indisch koken vond hij, jammer genoeg, ook al niks.

Nou wil het toeval dat we vlak bij Fort Veldhuis, een luchtoorlogsmuseum, wonen. Frank is erg geïnteresseerd in de Tweede Wereldoorlog, in vliegtuigen en de combi daarvan dus brachten we vorig jaar al eens bezoekje aan het museum. Het museum, geheel gerund door vrijwilligers, is niet heel groot, maar de collectie is indrukwekkend. En ook de locatie van het museum, gevestigd in een fort, maakt het toch wel heel speciaal.

Fort Veldhuis werd gebouwd in 1893 als onderdeel van de Stelling van Amsterdam. De Stelling van Amsterdam is een 135 kilometer lange kring van forten en vestigingen die gebruikt konden worden om Amsterdam te verdedigen door een groot gebied om de stad onder water te zetten om zo vijandige troepen te hinderen. Maar doordat de techniek zich razendsnel ontwikkelde had de Stelling van Amsterdam toen hij nét klaar was, eigenlijk al geen nut meer. Inmiddels werden er vliegtuigen gebruikt, en was het onderwater zetten van land niet zinvol meer.

Door de jaren heen waren er soldaten gelegerd in Fort Veldhuis. Tot de Tweede Wereldoorlog Nederlandse bataljons. Tijdens de Tweede Wereldoorlog Duitse soldaten en na de Tweede Wereldoorlog werd het een ‘Bewarings- en verblijfkamp’ voor foute Nederlanders zoals NSB-ers en zwarthandelaren. Daarna werd het een opslag voor militair materieel totdat het fort tenslotte in 1989 in gebruik werd genomen als museum.

En natuurlijk waren we onder de indruk van de collectie. Stille getuigen van wat er in de omgeving van het fort allemaal gebeurd is tijdens de oorlog. Maar meer nog waren we onder de indruk van de Stichting Aircraft Recovery Group die het museum beheert. Zij hebben als doelstelling het opsporen van vliegtuigen en hun bemanning die tijdens de Tweede Wereldoorlog vermist zijn geraakt.

Veel van die toestellen zijn neergestort in het IJsselmeer en het Markermeer en nooit geborgen. De stichting spoort de vliegtuigen op, duikt wrakstukken op en zorgt dat nabestaanden van de bemanning ingelicht worden over het lot van hun geliefden. Ook proberen zij de betrokken gemeenten zover te krijgen dat de vliegtuigen alsnog geborgen worden. Zodat de mensen die hun leven gegeven hebben voor onze vrijheid alsnog een laatste rustplaats krijgen.

Om een steentje bij te dragen werd Frank bij ons eerste bezoek aan het museum meteen donateur van de stichting waardoor we vanaf dat moment vrij toegang hebben tot het museum. Om de stichting toch nog een beetje te financieren nu we geen entreegeld meer hoeven te betalen, lopen we af en toe binnen om even koffie te drinken. Met appeltaart. Om de kas te spekken.

Toen we een tijdje terug weer eens binnen liepen voor een bakkie, spotte ik een heuse Fort Veldhuis-vrijwilliger aan tafel. ‘Ga maar alvast zitten, dan haal ik wel koffie’ zei ik en ik dirigeerde Frank naar de tafel waar de vrijwilliger zat. En eenmaal aan de koffie knoopte ik een praatje aan en vroeg wat de vrijwilligers zoal deden. Allerlei werkzaamheden natuurlijk. Van vliegtuigonderdelen schoonmaken tot het uitzoeken van de vele giften die het museum krijgt. Van technische klusjes tot rondleidingen geven. Alles wat maar nodig is om het museum draaiende te houden. En jawel! Bingo! Frank was meteen enthousiast en meldde zich die zelfde week nog aan als vrijwilliger.

Wat volgde was een uitnodiging van de voorzitter van de Stichting om eens te komen praten. Ik ging mee, puur als chauffeur. Tenslotte zou dit Frank’s nieuwe hobby worden. En niet de mijne.

Maar man! Wat was het moeilijk om me te beheersen! Een avond lang zaten we te praten. Over de plannen voor het museum. Over hoe het zo gekomen is, over wat ze nog willen bereiken met de Stichting Aircraft Recoverygroep. En door het enthousiasme van de voorzitter die met zoveel passie en met zoveel energie blijft zoeken naar vliegtuigen en blijft vechten om die vliegtuigen geborgen te krijgen, kostte het met me moeite om me niet óók aan te melden als vrijwilliger.

Maar ik heb me weten te beheersen. Ik heb me niet aangemeld om in de kantine te staan. Of om teksten te schrijven. En ook niet als penningmeester. Tenslotte is dit Frank’s nieuwe hobby en niet de mijne. Hij is inmiddels, met veel plezier, druk bezig met het opzetten van een archief en een bibliotheek. En het zou best stom zijn om de ‘home alone’-tijd die ik zo graag wilde, te besteden aan zíjn nieuwe hobby. Ik beperk mezelf tot het maken van foto’s van het fort. Ook leuk.

Kunst.

Omdat dochterlief, op haar 26ste notabene, al 25 jaar klant is bij haar bank, kreeg ze twee toegangskaarten voor het Stedelijk Museum in Amsterdam cadeau. En omdat ze dat 25-jarige lidmaatschap te danken had aan het feit dat ik de rekening voor haar opende toen ze net geboren was, mocht ik mee. Boffen! Ik ben dól op moderne kunst! Not.

De eerste poging om eens wat kunst te bekijken liep al op niks uit. Of nou ja, niks? We gingen naar het museum, besloten dat er geen tentoonstellingen waren die ons aanspraken en hielden toen een Italiaanse lunch. Ook leuk. Afgelopen zondag deden we opnieuw een poging en deze keer zijn we écht bij het Stedelijk Museum naar binnen gegaan.

Kijk, van veel kunst begrijp ik dat smaken nu eenmaal verschillen. Ik heb ooit vol bewondering en verwondering voor De Nachtwacht gestaan en me werkelijk vergaapt aan de prachtige stoffen die Rembrandt geschilderd heeft. Hoe kreeg hij het voor elkaar om dat zo vast te leggen? En nee, ik hoef het ook niet boven mijn bank. Maar ik vind het wél mooi. En knap gedaan enzo. Maar niet iedereen houdt daarvan. Sommige mensen houden meer van abstracte werken. Omdat de kleuren hen aanspreken. Omdat het hen aan het denken zet. Omdat het hen een blij gevoel geeft. Of omdat het zo lekker kleurt bij de nieuwe gordijnen.

Maar van sommige abstracte kunstwerken die ik zag in het Stedelijk Museum, werd ik echt een beetje melig. Hoopjes kolen, hout en papier op de grond. “Haal effe stoffer en blik, Mich!” grapte ik tegen dochterlief. Maar er stond een koordje omheen dus het was toch écht een kunstobject.

Of het handgeknoopte tapijt dat aan de muur hing. “Aha! De Ikea-afdeling” grinnikte ik. Prachtig, hoor. Echt! Maar kunst? Of de stoel met onder een van de poten een pop. Klem met zijn hoofdje terwijl er een schreeuwend gezicht op geprojecteerd werd. Tja… De witte ruimte met daarin slechts een groot vel papier dat aan de linkerkant zwart is en aan de rechterkant wit, kon me ook niet echt bekoren.

En natuurlijk begrijp ik best dat dat voor iedereen anders is. Smaken verschillen nou eenmaal. En wat is de definitie van kunst? Iets wat gemaakt is met de bedoeling de kijker aan het denken te zetten, toch? Nou, dat is gelukt; ik heb er nu zelfs een stukje over geschreven. Maar toch…

Het doet me denken aan het sprookje van De nieuwe kleren van de Keizer. Over die keizer die kleding wilde van heel speciale stof en uiteindelijk kleermakers trof die stof hadden die alleen slimme mensen konden zien. De kleermakers zwoegden zogenaamd dagen in hun geheime aterlier en kwamen uiteindelijk te voorschijn met de nieuwe kleren van de keizer. Dat de keizer de kleding niet zag, durfde hij niet te zeggen. Uit angst dat men hem dom zou vinden.

Uiteindelijk vertrokken de kleermakers met hun salaris, zonder ook maar één kledingstuk gemaakt te hebben. De keizer liep rond in zijn ondergoed en er was niemand die dat durfde te zeggen. Zo’n gevoel heb ik bij moderne kunst. Alsof niemand durft te zeggen dat het niet mooi is. Omdat het Kúnst is.

Dus zeg eens eerlijk.
Wat vinden jullie nou écht van moderne kunst?

Bijschrift bij de foto: dit is pas Kúnst!
Van Mich toen ze vier was. Een hondenhok, een boom en een huis. ❤️