Interieur-misser.

image

Onze opslag staat tjokvol en nog lagen er allerlei dingen in huis die we voorlopig even niet kwijt kunnen. Dus in het kader van ‘opgeruimd staat netjes’ kochten we afgelopen zomer een plastic opbergbox voor tuinkussens. Want er staat nergens dat er alleen maar tuinkussens in kunnen. Zo’n box leek ons perfect voor het veilig opbergen van allerlei spullen. En daarna zouden we die box, goed gevuld, beneden in de berging zetten. Strak plan!

Een zomer lang stond de opbergbox werkloos leeg te zijn in de berging tot we laatst ons geniale plan tot uitvoer brachten. We namen de box mee naar boven, zetten hem in elkaar in de slaapkamer en begonnen spullen te verzamelen die we tijdelijk kwijt wilden. Lampen, geluidsboxen, vazen. Gewikkeld in verhuisdekens borgen we allerlei spullen veilig op. En verdorie! De tuinkussens van ons balkonbankje pasten precies boven op de opbergbox.

Tevreden schoven wij de opbergbox zolang aan de kant. Eerst een bakkie koffie voor we de opbergbox naar de berging zouden slepen. Toen wij mentaal zover waren, bleek er nóg iemand erg tevreden met onze opbergbox. Onze Spike lag, heerlijk languit, te luieren bovenop de opbergbox.

Naast een kattentoren, twee mandjes, twee stoelen waar standaard kleedjes op liggen, een grote poef, een kleine poef, een speciaal kleedje op het voeteneind van het bed én een grote kartonnen doos heeft Spike er nu nóg een favoriet plekje bij.

Op de opbergbox, vlak onder het raam. Met uitzicht op een boom waarin vogels wonen en vlak naast de radiator. En wij, watjes, konden het niet over ons hart verkrijgen om de opbergbox naar beneden te brengen. Voorlopig staat er dus een joekel van een opbergbox in onze slaapkamer. Opgeruimd ligt lekker.

Dat dus.

image

Dat je het kantoor uit stapt en ziet dat de avondlucht zo mooi rood is.
Dat je, met gevaar voor eigen leven, zo snel als je kunt door Amsterdam racet op je fietsje omdat je denkt dat dat bij de Sloterplas vast een prachtig gezicht is. Dat je onderweg baalt dat je je goede camera niet bij je je hebt. En dat je hijgend de Sloterplas bereikt, terwijl de zon net onder gaat.

Dat je je fiets neer gooit en je mobieltje pakt om daar dan maar wat foto’s mee te maken. Dat je je cameraatje aanzet je en je oude iPhoontje zegt ‘U kunt geen foto’s maken. Er is niet genoeg opslagruimte’ En dat je verwoede pogingen doet om snel opslagruimte vrij te maken terwijl de zon steeds verder ondergaat.

Dat je Whatsappjes weggooit van mensen die je niet aardig vindt. Je Endomundo-app verwijdert. En de Appie-app. En dat je uiteindelijk, want je moet toch wat, al je muziek van je telefoon gooit. En dat je dan net te laat bent om echt mooie foto’s te maken.

En dat dan ’s avonds de Facebookpagina van AT5 vol staat met mooie foto’s.
Van die foto’s die jij had willen maken. Dat dus.

Nanuk.

Vandaag is het 10 weken geleden dat Boefje overleed. Tien weken zonder onze gekke, lieve, vrolijke vriendje. En er gaat geen dag voorbij dat we niet aan ‘m denken. Soms, als ik op de fiets langs een plekje rijd waar we altijd wandelden, zucht ik hardop ‘Och mijn jochie, toch. We missen je zo.’ Als we ’s avonds pinda’s eten, denken we aan Boef die, als-ie bij ons binnenkwam het hoogpolige kleed onder de tafel doorploegde op zoek naar gevallen pinda’s. Onderweg naar Breda kijken we elkaar aan als we de tunnel bij Utrecht in rijden. In gedachten bij Boef, die die lange tunnel toch altijd wel een beetje spannend vond.

En voor Michelle en Robby is het gemis nog veel groter. Geen vrolijk hondje dat je ’s morgens wakker maakt. Geen blije kwispel als je thuis komt. Geen hondje, ’s avonds gezellig bij je op de bank. Geen wandelingen in het bos of langs het strand. En altijd die stilte in huis. Mich en Robby, allebei opgegroeid met honden om hen heen, waren het er al snel over eens. Ooit zou er een nieuw hondje komen. Maar nu nog niet.

Toch kwam dat moment sneller dan verwacht. Omdat de stilte in huis toch wel heel erg stil was. Omdat ze nog helemaal in het uitlaat-ritme zaten. Omdat ze zo gewend zijn aan een hondje in huis. Een middag vrijblijvend puppy’s kijken, sloeg om in een heuse hondenzoektocht. Geen chihuahua, deze keer. En ook geen reutje. Omdat het nieuwe hondje vooral geen Boefje-look-a-like mocht zijn. Want we wisten dondersgoed dat een nieuw hondje wel zou helpen tegen het lege huis maar niet tegen het verdriet om Boef. Boef is en blijft onvervangbaar.

En toen kwam het nieuwe hondje. Een pomchi-puppy van 9 weken oud. Een meisje. Het verdriet om Boef is er nog steeds. Sterker nog; het was best een beetje wennen om Mich met een ander hondje te zien. En het deed best een beetje pijn om sommige spulletjes van Boef weer ‘in gebruik’ te zien. Want we missen Boef nog steeds. De meest speciale spulletjes van Boef staan, om voor altijd te bewaren, op de boekenplank. Zijn foto staat op de kast. En we zullen ‘m nooit vergeten.

Maar wat is het fijn om weer zo’n vrolijk hondje om ons heen te hebben. Wat is het leuk om weer te zien, hoe zo’n puppy de wereld ontdekt. Wat is het heerlijk om enthousiast welkom geheten te worden door een pluizige bolletje wol dat dolblij is om je te zien. En wat is het fijn dat Michelle en Robby weer een hondje in huis hebben.

Ze heeft ons hartje gestolen. Hier is ze dan. Onze Nanuk!

image

Blunder.

image

Verjaren blunders? Volgens mij wel. Dus kan ik, bijna twintig jaar na dato, een van mijn grootste blunders wel delen. Ter lering en vermaak.

Lang, lang geleden fietste ik elke dag met mijn dochter in het fietsstoeltje naar de plaatselijke kleuterschool. Op een dag waren er naast het kleuterschooltje stratenmakers aan het werk. Toen ik langsfietste werd ik door een van de heren enthousiast gegroet. Het bleek iemand te zijn die ik kende; Cedric, de beste vriend van Harry, met wie ik vroeger regelmatig ging stappen.

Contact met Harry had ik allang niet meer. Zo ging dat destijds, in het pre-Facebook-tijdperk. Je verloor elkaar gewoon uit het oog en dat was dat. Ik zwaaide enthousiast naar Cedric, zette dochterlief af op school en fietste naar mijn werk.

Iedere dag, wanneer ik mijn kleuter naar school bracht, groette Cedric vrolijk en ik zwaaide even vrolijk terug. Het verbaasde me dat Cedric als stratenmaker werkte. Ik wist nog dat hij goed kon leren en had wel verwacht dat hij was gaan studeren of zo. Maar ach, zelf kon ik ook best goed leren en toch fietste ik iedere dag naar mijn lullige kantoorbaantje. Zo gaat dat soms. Dus écht vreemd vond ik het niet.

Na een week zwaaien, groeten en roepen besloot ik toch eens een praatje te maken met Cedric. Op mijn vrije dag groette ik Cedric, zette ik mijn kind af op de kleuterschool en op de terugweg stopte ik naast Cedric om eens even bij te kletsen.

We maakten een gezellig praatje. Over het weer, zijn werk en mijn dochter. Tot ik uiteindelijk vroeg ‘Zie jij Harry nog wel eens?’ Cedric keek me verbaasd aan ‘Harry?’ vroeg hij. ‘Ja!’ hielp ik hem ‘Harry. Je weet wel. Jouw vriend destijds. Waar wij altijd mee gingen stappen.’ Cedric schudde resoluut zijn hoofd ‘Ik ken helemaal geen Harry.’

Ineens kwam het gruwelijke besef dat deze stratenmaker helemaal niet was, wie ik dacht dat hij was. Het was Cedric helemaal niet. Ik had een week lang naar een wildvreemde lopen zwaaien. Blozend heb ik me uit de voeten gemaakt, terwijl ik iets stamelde van ‘Ik dacht dat je iemand anders was’. En ik weet nog dat ik net zo lang omfietste tot de stratenmakers klaar waren zodat ik ‘Cedric’ niet meer onder ogen hoefde te komen.

Twintig jaar later lach ik erom. Ach ja, het zou járen duren voordat ik niet zo gruwelijk verlegen meer was. Twintig jaar later snap ik het pas: ik had gewoon ongelooflijk sjans!