Miscommunicatie.

Ook al werkte het weer niet mee; het moest gebeuren. Grote schoonmaak van mijn balkon. Een keer per jaar, in de lente, haal ik alle vlonders van mijn balkon en veeg ik al het zand (en kattenhaar! Veel kattenhaar!) wat er onder terecht is gekomen op. Een prutklus maar daarna is alles wel lekker schoon.

De dag daarvoor waren we bij dochterlief gaan eten. ‘We hebben nog een stuk kunstgras over. Wil jij het hebben?’ vroeg ze. ‘Neuh’ antwoordde ik tussen twee happen door en daarmee was het onderwerp afgedaan. Maar toen ik naar mijn versleten vlonders zat te kijken, moest ik daar weer aan denken. Want mijn vlonders hebben hun beste tijd wel gehad. Ik was van plan mijn vlonders elke winter in de berging te leggen. Maar steeds als het winter werd, was ik daar te lui voor onze berging te vol. Ik zou de vlonders kunnen beitsen maar daar heb ik helemaal geen zin in. Een stukkie kunstgras zou dé oplossing zijn.

Dus ik appte mijn kind: ‘Hoe groot is dat kunstgras eigenlijk wat jullie over hebben?’ Kind appte terug: ‘4×5 ongeveer’. Wow! Mijn balkon is 3x2m2! Ik schoot meteen in stuitermodus en stapelde alle oude vlonders op. Ik veegde het vuil op terwijl ik me afvroeg of kunstgras zwaar is. Het is dat Michelle op dat moment niet thuis was, anders was ik al in de auto gesprongen om het kunstgras op te halen. Ongeduldig wachtte ik tot ze thuis was en het restant kunstgras opgemeten had. Ondertussen appte Michelle maar door over speciaal tape waarmee je stukjes kunstgras aan elkaar kunt plakken. Ik snapte er niks van. 4x5m2 was meer dan genoeg voor mijn balkon.

En toen was ze eindelijk thuis en dook ze meteen de schuur in om het restant kunstgras op te meten. Ze stuurde me een foto van een strook van 4 meter breed. En 85 centimeter lang. Dat gaat ‘m niet worden. Verwarring alom. Mich vroeg zich verbaasd af hoe ik kon denken dat ze maar liefst 20m2 kunstgras óver zouden hebben. Ik antwoordde dat ze dat zélf gezegd had en sloeg haar met haar eigen appje rond haar oren. Ze bleek het woord ‘over’ in mijn Whatsapp compleet gemist te hebben.

En natúúrlijk had ik gewoon mijn versleten vlondertjes terug kunnen leggen. Bij gebrek aan kunstgras. Maar iedereen die mij kent, weet dat dat geen optie meer was. Mijn dochter mist vier letters in een appje en – poef! – ik heb een nieuwe balkonvloer*. Zo gaan die dingen bij mij. Jammer  van de weersvoorspelling voor komende week.

*nog zo’n coronaregel waar ik zeer tevreden mee ben: de pick and collect-service van Ikea. Je bestelt je spullen en kiest een ophaalmoment. Je rijdt op het gekozen moment naar de Ikea-parkeerplaats en checkt in via de knop in de e-mail die je ontvangen hebt. En dan komt er iemand van Ikea de spullen naar je auto brengen! Juich! Ik zeg: houden zo! Niks meer aan doen!

Uncle Bob op de boerderij.

Zo’n 16 jaar geleden kreeg ik, geboren en getogen in Breda, verkering met een rasechte Amsterdammer. En zoals de meeste Amsterdammers, beschouwde hij alles wat buiten de ring van Amsterdam ligt als platteland. Als hij mij en mijn mijn dochter destijds mee uit eten nam, noemde hij dat steevast ‘ontwikkelingshulp’. De grapjas. Het is een wonder dat we nog bij elkaar zijn.

Maar mijn wraak was zoet. Na tien jaar samenwonen in Amsterdam, was ik de drukte, de criminaliteit en de torenhoge huurprijzen zó beu dat ik hem mee sleepte naar Heemskerk, een dorp twintig kilometer verderop. Dus nu woont-ie zélf op het platteland. Haha. Want Amsterdam kreeg rond 1300 stadsrechten (Breda zelfs nog 50 jaar eerder!) maar Heemskerk is nog steeds een dorp. Een flink dorp weliswaar, maar met zijn 39.000 inwoners nog altijd een stuk kleiner dan Amsterdam waar de teller begin dit jaar op 872.922 stond.

Sinds we hier wonen, voel ik me stadser dan ooit. Want zelfs ik, volgens mijn verkering toch écht afkomstig van het platteland, kijk nog steeds mijn ogen uit hier. Al die schaapjes overal, de wilde paarden en de Schotse hooglanders in de duinen. De stalletjes met bloemen of eieren langs de weg. De akkers en de weilanden met koeien. Ik vind het allemaal prachtig!

Gisteren mochten, bij een boerderij hier in de buurt, de koeien na een lange winter op stal voor het eerst weer naar buiten. En deze Uncle Bob was erbij! En wat was het leuk om te zien! Zo grappig hoe de dames de stal uit kwamen rennen en blij de wei in sprongen.

Ze lieten zich het verse gras goed smaken. Nog steeds gebroederlijk – of liever gezegd gezusterlijk – naast elkaar alsof ze nog een beetje moesten wennen aan de ruimte begonnen ze meteen te grazen. En ik zag drie roddeltantes die duidelijk niet naast elkaar in de stal gestaan hadden afgelopen winter. Ze staken de koppen bij elkaar om de laatste ontwikkelingen in de kudde te bespreken.

En nu, na vier jaar op het échte platteland, heb ik iets belangrijks geleerd. Ik weet eindelijk hoe een koe een haas vangt…

Gewoon… Niet!


Deceptie.

Toen ik elf was, waren mijn ouders 25 jaar getrouwd. Mijn oudere broers en zussen werkten allemaal al en hebben destijds een tijd lang gespaard om cadeau’s voor mijn ouders te kopen. Ik was pas elf dus ik kon niet mee sparen. Ik hoefde alleen mijn mond maar te houden. En dat deed ik.

Toen de grote dag aanbrak, had iemand – buiten mijn moeder om – geregeld dat ik niet naar school hoefde. Braaf volgde ik de instructies van mijn grote zussen; net doen alsof ik naar school ging want mijn vader en moeder wisten van niets. Dus ik vertrok naar school.  Mét een mandarijn voor in de pauze. Om de hoek wachtte mijn broers en zussen me op om met zijn allen terug te rijden naar huis. Tevreden at ik in de auto mijn mandarijn op. Beretrots op mijn acteerprestatie.

We belden aan. Mijn moeder deed open. Mijn vader lag nog in bed. Ze waren totaal verrast! Door een rekenfoutje hadden mijn broers en zussen een jaar extra kunnen sparen dus ze pakten flink uit.

Er stond een vrachtwagen in de straat waar mijn broers en zwagers de cadeaus uitlaadden. Een drie-in-een stereo-installatie, een nieuwe kleurentelevisie en een compleet nieuwe inrichting voor de slaapkamer. Een nieuw bed, nachtkastjes, een kaptafel en twee linnenkasten.

Uiteraard werd alles voor mijn ouders geïnstalleerd en in elkaar gezet. En zelfs aan eten was gedacht. Via de ouders van mijn schoonzus, die een restaurant hadden, werden er salades en broodjes gebracht. En uiteraard dekten we de tafel met het zondagse servies. Dat lelijke, met die roze rozen. Kortom; het was een geslaagd feest. Zeer geslaagd.

Veertig jaar later ruimden we mijn moeders huis leeg omdat ze verhuisde naar een zorgcentrum. De tv en de stereo waren allang vervangen maar de meubels in de slaapkamer stonden er nog. We maakten iemand blij met het bed en de kaptafel maar de linnenkasten bleven over. Die werden uiteindelijk gesloopt en afgevoerd. Toen mijn broer en ik de planken van de kasten in de container gooiden, trok ik in een opwelling een sleutel uit de deur van de linnenkast en stopte die in mijn zak. Als herinnering. En hoe of wat; dat zou ik ooit nog wel eens verzinnen.

Mijn moeder kreeg bij de sleutel van haar kamer in het zorgcentrum een keycord. Handig. Zonder meer. Maar mijn moeder vond het niks. ‘Ik ga niet met mijn sleutel om mijn nek lopen’ zei ze. En ze sloopte het keycord eraf. ‘Ik moet een sleutelhanger hebben’ mopperde ze. Ik kreeg een geweldig idee en ging aan de slag. Ik zaagde de baard van de sleutel van de linnenkast en boorde een gaatje in het gedeelte dat overbleef. En zo werd de sleutel van de linnenkast een sleutelhanger. Voor mijn moeder.

En eindelijk was het moment daar dat ik haar de sleutelhanger kon overhandigen. Zelf was ik zó enthousiast over mijn creatie dat ik al een week door mijn huis gestuiterd had. Blij stopte ik de sleutelhanger in mijn moeders hand. ‘Zie je wat dat is?’ vroeg ik, haast springend voor haar neus. En mijn moeder herkende een klavertje vier. ‘Ja, maar… zie je wát voor klavertje vier het is?’ drong ik aan. Het zei haar helemaal niets. ‘Het is het klavertje vier van de sleutel van je linnenkast!’ gilde ik.

Verbaasd keek mijn moeder naar de sleutelhanger in haar hand. ‘Van de sleutel van mijn linnenkast?’ vroeg ze voorzichtig. ‘Ja!’ jubelde ik. Mijn moeder keek nog eens goed naar de sleutelhanger. ‘Oh?’ zei ze. Om vervolgens verbaasd te vragen ‘Zat daar een klavertje vier op?’

Veertig jaar heeft ze haar linnenkast open en dicht gedaan. Met de sleutel. Veertig jaar lang. Elke dag. Maar ze heeft nooit gezien dat er een klavertje vier op de sleutel zat. Goed. Mijn oog voor detail heb ik duidelijk niet van mijn moeder. Nou, ja. Ze heeft een sleutelhanger nu. Daar gaat het om.

Een liedje in mijn hoofd.

Er zijn veel dingen waar ik van houd. Maar muziek is toch wel één van de belangrijkste dingen. Hoewel de foto anders doet vermoeden, bespeel ik geen enkel instrument. Maar ik luister graag naar de radio. En ik ben dol op ‘plaatjes draaien’. Al zijn de plaatjes inmiddels MP3’tjes geworden. En over het algemeen loop ik ook altijd te zingen. Voor mijn omgeving is dat niet altijd even prettig.

Want er zijn liedjes waar ik alleen de eerste twee regels van ken. En die twee regels zing ik dan. Uren achter elkaar. Kinderliedjes doen het ook goed bij mij. Al wandelend komt het ene na het andere kinderliedje voorbij. Bij voorkeur met verbasterde teksten, want daar moest mijn dochter als kind altijd zo om lachen. Zo zing ik nog steeds over Elsje-Fiederelsje “Zet je stompjes bij het vuur”. Of het liedje van Ariël, de kleine Zeemeermin. “Slaan met je baard heeft geen enkele zin”.*

Mijn muziek collectie is zeer uitgebreid. En een tikkie vreemd. Ik heb van alles wat, variërend van Bruce Springsteen tot Imagine Dragons. Van Loreena McKennitt tot Queen. Van ABBA tot Lewis Capaldi. En van George Michael tot Jaap Fischer. En elke morgen word ik wakker met een liedje in mijn hoofd.  En ja, dat zong Henny Huisman maar die heb ik dan weer níet in mijn collectie. Gelukkig.

Verwonderd sta ik ‘s morgens in de badkamer te zingen en me af te vragen waar dát liedje nou weer vandaan komt. Want vaak zijn het liedjes die ik niet eens in mijn collectie heb. Hoe dan? Waar haal ik ze dan vandaan? Heb ik gedroomd? Heb ik ergens iets gehoord in mijn slaap? Ik heb geen idee.

Soms zijn het echt vreselijke nummers en vraag ik me vertwijfeld af wat er mis is met mijn brein dat juist die verschrikkelijke nummers blijven hangen. Zo heb ik afgelopen week een halve dag lopen zingen over een broccoli. Tot ‘De Soldaat‘ van de 3J’s Nick en Simon voorbij kwam en díe vervolgens de rest van de dag bleef hangen. Al net zo erg, eerlijk gezegd.  Maar ik was blij dat ik van die broccoli af was.

Toen ik mijn ellende over die broccoli in mijn hoofd probeerde te delen met mijn omgeving, bleek dat vrijwel niemand wist waar ik het over had. Dus daarom.. speciaal voor jullie! Voor het geval je ‘m gemist hebt… Jeangu Macrooy met de Nederlandse inzending voor het komende songfestival. Even volhouden tot het refrein. En dan heb ik zo’n vermoeden wat jullie de rest van de dag zingen. Veel plezier ermee! 

*  Elsje Fiederelsje zette natuurlijk haar klompjes bij het vuur en niet haar stompjes. Want als ze stompjes had gehad, had ze waarschijnlijk geen klompjes gehad. En Ariël zong gewoon “Slaan met je stáárt heeft geen enkele zin, benen zijn nodig voor dansen, zingen”. Want Ariël heeft niet eens een baard.