Old habbits die hard.

Vroeger, toen dochter-lief nog een dochtertje-lief was, en ik nog een arm alleenstaand moedertje, was dinsdag mijn favoriete werkdag. Want op dinsdag werd in de wijk waar wij woonden het grof huisvuil aan straat gezet.

Op dinsdagmorgen fietste ik de gebruikelijke route naar mijn werk, ondertussen oplettend of er niets bruikbaars tussen het afval stond. Marktplaats bestond nog niet. En in mijn woonplaats was nog geen filiaal van de Zweedse meubelgigant waar je voor tien euro een salontafel kon scoren. Dus fietste ik, als een soort Sil de Strandjutter, langs het grof huisvuil op zoek naar bruikbare spullen.

Juweeltjes vond ik! Zoals het nachtkastje van Michelle, dat ik oppimpte met een likje verf. Of de rieten stoel die ik met een staalborstel afborstelde en daarna beitste. En de rozenboog in mijn tuin. Het werd een sport om bruikbare spullen mee naar huis te slepen.

Soms stonden spullen op de hoek van de straat. En omdat ik me toch enigszins schaamde, wachtte ik tot het donker was om de buit binnen te halen. Soms stonden de spullen voor een huis en dan zuchtte ik eens diep, overwon mijn schroom en belde netjes aan om te vragen of ik het gewenste item mee mocht nemen.

Op mindere dagen, als ik het zelf niet op kon brengen om te schooien, zette ik zonder pardon mijn kind in. ‘Lieverd? Daar staat een hele leuke schemerlamp. Ga jij eens vragen of wij die mogen hebben.’ Dan huppelde mijn kind naar het bewuste huis om even later terug te komen met de schemerlamp. Wat een feest was om er een lamp in te draaien, op het knopje te drukken en te ontdekken dat hij het nog deed!

De beste buit was de grenen eettafel met vier rieten stoelen die ik zag staan toen ik op een dag Michelle ophaalde bij de buitenschoolse opvang. Helemaal perfect. Niks mis mee. Wat een mazzel! Ik belde braaf aan omdat ik me simpelweg niet voor kon stellen dat iemand zoiets weg zou gooien. Nee, ze waren niet aan het verhuizen. En ja, hoor! Ik mocht de boel best mee nemen. Ik heb er nog jaren plezier van gehad.

In de loop der jaren verbeterde mijn financiële situatie. Het was niet echt meer nodig om langs het grof huisvuil te fietsen. Toch kijk ik nog steeds. Om soms nog steeds mijn hoofd te schudden bij het zien van kastjes, stoelen of lampen. Zo zonde om weg te gooien!

Waar we nu wonen, hoef ik niet eens te fietsen om het grof huisvuil te checken. In ons appartementencomplex is een containerruimte. Met een container waar je je vuilniszakken in kunt gooien. En al je andere overtollige huisraad. Toen ik afgelopen week mijn vuilniszak in de container wilde gooien, viel mijn oog op twee bloempotjes. Een witte en een zwarte. Zo leuk!

En voor ik het wist, had ik de potjes uit de container gehengeld. En echt, ik heb ze niet nodig. Maar het had iets vertrouwds om iets leuks op de kop te tikken voor niks. Ik werd er blij van. Kijk dan, hoe leuk! En het kostte helemaal niks. De bloempotjes staan nu in mijn berging. Voor je-weet-maar-nooit. Omdat het zonde is om weg te gooien. Wat ik waarschijnlijk, over een jaar of zo, toch doe.

Het wordt de Sil de Strandjutter in mij hier wel heel makkelijk gemaakt. Old habbits die hard. Ik hoop dat ik mezelf in de hand kan houden. En ik hoop dat mijn buren niet te veel goede spullen weg doen. Want voor je het weet, loop ik weer met grof huisvuil te slepen. En ik héb alles al.

Genant.

Ik houd van zingen. Ik zal Idols niet winnen met mijn vocale talent maar dat mag de pret niet drukken. Ik zing. Altijd en overal. En als ik niet zing dan fluit ik.

Zingend doe ik het huishouden en roer ik in de pannen. Mijn collega’s zijn er inmiddels aan gewend dat ik bij het kopieerapparaat een vrolijk deuntje sta te fluiten. In de auto schreeuw ik hartstochtelijk mee met mijn favoriete liedjes. En zo ga ik zingend door het leven. Met een enigszins vreemd repertoire, dat wel.

Op mijn werk zing ik mee met de liedjes op de radio. Omdat ik dan en plain public ben, doe ik dat zachtjes. Om mijn collega’s niet tot last te zijn. Maar als ik alleen in de auto zit, laat ik me volledig gaan bij de nummers in mijn playlist. Ik zing alles mee. Top 40, Nederlandstalig, van Abba tot Queen, van André Hazes tot Pink, alles.

Het vreemde repertoire steeds pas de kop op als ik aan de wandel ben. Want als er geen radio in de buurt is, komen er allerlei vreemde deuntjes op in mijn hoofd. En op de een of andere manier zijn het de kinderliedjes die de boventoon voeren. Misschien wel door de cassettebandjes die we grijs draaiden toen Michelle nog klein was. Ik weet het niet. Maar het stapt zo lekker, hè. Op de deun van zo’n kinderliedje.

En zo kan het dus gebeuren dat ik in mijn lunchpauze een wandeling maak, terwijl ik vrolijk loop te zingen van Elsje Fiederelsje die haar klompjes bij het vuur zet. Of van die graaf die in Den Haag woont. Ook zo’n heerlijk deuntje! Of iets van Kinderen voor Kinderen! En de liedjes van Samson en Gert!

Pas als ik voetstappen achter me hoor, of iemand achter me hoor kuchen, realiseer ik me er iemand vlak achter me loopt. En dat die persoon er dus getuige van is dat ik, als volwassen vrouw, in mijn eentje, op straat weer eens luidkeels loop te zingen. En dat vind ik dan toch een tikkeltje genant.

Zeg eens eerlijk…
Wat zou jij denken als je achter me loopt terwijl ik luidkeels het Kabouter Plop-lied loop te zingen?

Kerstkriebels.

Bij de bouwmarkt tikte ik een afgeprijsd tuinsetje voor op ons balkon op de kop. En terwijl ik, in de laatste zonnestralen van een mooie herfstdag, de stoelen in elkaar schroefde op het balkon, werd in onze straat de Kerstverlichting opgehangen. En ineens waren ze er. In alle hevigheid. Kerstkriebels!

Eerlijk gezegd waren ze er al eerder. Heel even maar. Deze zomer. Toen ik, in ons nieuwe huis, onze nieuwe boekenkast op zijn plek schoof en een stap terug deed om het resultaat te bekijken. In een flits bedacht ik me dat het hoekje dat overbleef, tussen de kast en de tafel, de perfecte plaats is voor een grote kerstboom. Die gedachte was voor mij zó vreemd, dat ik hem snel uit mijn hoofd zette.

Want ik heb nog nooit last gehad van zin in Kerstmis. Van de kerstdagen uit mijn jeugd herinner ik me weinig. Waarschijnlijk aten we met z’n allen een kerstdiner met de signature-dish van mijn moeder na; pudding met koekjes. Ik geloof niet dat er cadeautjes waren. En naar de Kerstmis gingen we ook niet. Het was heel gezellig maar ook heel gewoon. Gewoon, zoals elke zondag.

Ondanks het feit dat ik weinig met Kerstmis had, haalde ik, toen Michelle er eenmaal was, wel een kerstboom. Samen met mijn vader, die de door mij uitgekozen boom afkeurde. ‘Mooie boom, prul. Maar de kluit is scheef.’ En vervolgens versierde ik mijn woonkamer met een door mijn vader wél goedgekeurde boom.

Voor Michelle’s tweede Kerst, twee maanden na het overlijden van mijn vader, zocht ik zelf mijn Kerstboom uit. Dat die boom, met hoogst waarschijnlijk een scheve kluit, op eerste Kerstdag omdonderde, compleet met slingers, ballen en piek en een enorme chaos in mijn woonkamer achterliet, heeft er misschien wel voor gezorgd dat ik definitief nooit meer zin in Kerstmis had.

Jaren gingen voorbij. Kerst was iets waar ik tegenaan hikte maar wat dan uiteindelijk toch wel gezellig werd. Met een nepboompje dat braaf bleef staan, een klein kerstdineetje voor mij en Michelle en cadeautjes. Met een bezoekje aan mijn moeder op eerste Kerstdag waar we traditioneel Kindje Jezus verstopten en een tweede Kerstdag in joggingpak op de bank met drie videofilms op het programma.

Toen ik Frank tegen kwam, vond ik in hem een anti-Kerstmis-medestander. Ook hij heeft niets met Kerst. Maar toch. Vorig jaar, vlak voor Kerst… Ik weet het niet. Er was iets anders dan anders. We waren inmiddels verhuisd naar ons tijdelijke mini-huisje en we besloten toch ons mini-Kerstboompje op te zetten. Frank was lekker aan het klussen. De laatste klusjes in huis. Ik had de kerstborrel van mijn werk achter de rug en sleepte mijn kerstpakket mee naar huis. Samen keurden we de inhoud en ik hing een slinger met lichtjes op ons balkon.

Het leek er verdacht veel op dat we allebei in kerststemming raakten. En toen werd het 17 december. Frank kreeg een hartstilstand. Loeiende sirenes. Intensive care. En ik bracht de Kerst door in het VU. Er stonden kerstbomen in de hal maar daarmee hield de gezelligheid wel op.

Maar deze Kerst wordt anders. Deze Kerst zijn we lekker thuis. In ons nieuwe huisje. En ik heb, voor het eerst, mega-Kerstkriebels! Ik wil een grote boom. Ik wil lichtjes op ons balkon. En lichtjes voor onze ramen. Kaarsjes overal. En heb ik onze Kerstkrans voor op de voordeur nog?

Ik wil cadeautjes voor iedereen. Ik wil kerstsokken aan. En ik wil een heus kerstdiner. Ik wil op bezoek bij mijn moeder. Kindje Jezus weer verstoppen. En op tweede kerstdag drie huilfilms kijken. Bel de krant! Ik heb zin in Kerst!

Nog 43 dagen…

Moeder en kind.

Toen mijn vader overleed, bleef mijn moeder achter in een grote eengezinswoning. Veel te groot voor haar alleen. Via woningruil is het haar een jaar later gelukt om te verhuizen naar een kleinere woning. Bij ons in de straat! Ze woonde drie deuren verder op.

Het heeft eigenlijk nooit problemen opgeleverd dat we zo dicht bij elkaar woonden. Sterker nog; het was best handig. We aten wel eens samen, mijn moeder paste soms op Michelle en ze liet ons hondje uit als wij niet thuis waren. En als mijn koffie op was, kon ik altijd wat bij mijn moeder lenen.

Ooit, toen ik weer eens haar huisje binnen liep, had ze ineens een prachtig beeldje op haar kast staan. Een beeldje van een moeder die haar kind hoog in de lucht tilt. “Mam, wat een mooi beeldje!” riep ik en ik bekeek het eens van dichtbij. “Leuk, hè?” beaamde mijn moeder. Ze had het gekregen van een nichtje van me dat op visite was geweest.

“Maar het staat echt niet in jouw huis” grapte ik. “Het staat beter bij mij op de kast. Bovendien is een moeder met één kind. Jij hebt er zes. Ik heb er maar één! Het is toch overduidelijk dat dit beeldje míj voorstelt. Mét Michelle!” Mijn moeder moest er hartelijk om lachen maar het beeldje bleef op haar kast staan.

Een paar dagen later, was ik in haar huis terwijl zij niet huis was. Ongetwijfeld had ik weer iets nodig. Melk of een ei, of zo. Maar toen ik haar huisje verliet, nam ik behalve de levensmiddelen ook haar beeldje mee. Grinnikend zette ik het beeldje op mijn kast.

Het duurde een dag of twee voor ze op de stoep stond. “Ik was aan het stoffen en ik mis iets.” zei ze en ze keek zoekend de kamer rond. Al snel viel haar oog op het beeldje op mijn kast. “Aha!” zei ze. Ze pakte het beeldje op en verdween weer naar huis.

Het werd een terugkerend grapje. Eens in de zoveel tijd brak ik in in haar huis en jatte haar beeldje. En dan kwam ze weer binnen stormen, roepend dat er ingebroken was, pakte het beeldje van mijn kast en verdween weer naar huis. Of ik kwam er zelf na een paar dagen achter dat het beeldje weg was en dat mijn moeder dus bij mij ingebroken had. En zo stond het beeldje vaak bij bij haar maar soms ook bij mij thuis.

Bij het uitpakken van onze spullen, na de verhuizing, kwam ik het beeldje weer tegen. In ons vorige, kleine huisje stond het ergens weggemoffeld op een boekenplank. Maar nu heeft het een mooi plekje gekregen en staat het te stralen op mijn slaapkamer kast.

Ik weet niet meer hoe ik nu eigenlijk aan het beeldje kom. Heeft mijn moeder het aan mij gegeven? Omdat haar beeldje toch altijd gestolen werd? Of stond het toevallig bij mij toen ik mijn spullen destijds inpakte?

Eén ding weet ik wel. Binnenkort komt mijn moeder bij ons logeren. En voor ze weer naar huis vertrekt, ga ik eerst haar bagage controleren. Even checken of ze mijn beeldje niet gestolen heeft.