Een klein beginnetje.

Ooit, lang lang geleden, kocht ik een echte camera. Twijfelend, dubbend of ik zoveel geld uit zou geven aan iets wat je niet écht nodig hebt. Want ik had een mobieltje waarmee ik er lustig op los klikte. Niks mis mee. Maar ik droomde al zólang van een échte camera.

‘Doe het nou gewoon!’ moedigde Vriendje-lief aan. ‘Je fotografeert zo graag! Gun dat jezelf nou eens.’ Dus die camera kwam er en om er mee om te kunnen gaan, trakteerde ik mezelf ook nog eens op een heuse fotografie-workshop. Laaiend enthousiast kwam ik thuis. Maar vrijwel meteen kwam de klad in mijn fotografie-hobby.

Iets met een gebrek aan onderwerpen. Als je het liefst op de bank zit met een boek valt er niet veel te fotograferen. En er is ook zo iets als je ongemakkelijk voelen met zo’n camera om je nek. Dus belandde mijn camera in de kast. Om daar stof te vergaren en alleen af en toe tevoorschijn te komen om de 3476-ste foto van onze kat te maken.

Tot ik, voor mijn weblog, foto’s nodig had van de dorpskerk. Ik nam mijn camera mee en merkte – tot mijn verrassing – dat ik het ongemakkelijke gevoel om met een camera rond te lopen vergat terwijl ik over de oude begraafplaats rondstruinde op zoek naar mooie beelden.

Tot ik, op de verjaardag van mijn moeder, zomaar wat kiekjes maakte van mijn achternichtje dat speelde met een ballon. En haar moeder me vervolgens appte. ‘Kun je me uit de foto’s uit familie-app sturen in de originele resolutie? Ik vind ze zo mooi!’ 

En ondertussen kijk ik, vol bewondering, naar de foto’s van Liesbeth, wiens log ik al een tijdje volg. Regelmatig plaatst ze fotografie-tips die ik van voor naar achter en van achter naar voren lees. 

Op een van de laatste mooie dagen van deze zomer, besloot ik naar het strand te fietsen. Ik pakte mijn telefoon, mijn sleutels en gaf Vriendje-lief een kus. ‘Tot straks!’ En met de deurklink al in mijn hand, hoorde ik de laatste tip van Liesbeth in mijn hoofd. ‘Neem altijd je camera mee’

Een even simpele als waardevolle tip. Op het strand bleek het te wemelen van de zeemeeuwen. Wat een mazzel dat ik mijn camera bij me had! Ik klikte er op los. Kiekjes. Niks bijzonders. Mijn missie was om een vliegende zeemeeuw te fotograferen. En bij thuiskomst bleken er toch wel leuke plaatjes tussen te zitten.

Dus het begin is (weer) gemaakt. Ik neem voortaan mijn camera mee. Bedankt, Liesbeth!

 

 

Boekenwurm.

Het valt meteen op, in zo’n trein vol slaperige forenzen, als er een vrolijk kinderstemmetje klinkt. ‘Mama, gaan we hier zitten?’ Er zitten nooit kleine kinderen in mijn trein. Alleen mensen die naar hun werk gaan. Kleine kinderen gaan nooit met de trein naar school. Dacht ik. 

Maar dit kleutertje dus wel. Elke morgen stapt ze met haar mama in de trein. Een kleutertje dat nog echt opgevoed wordt. Ze moet zachtjes praten, zo ‘s morgens vroeg in de trein. Ze moet stilzitten. En als het druk is, moet ze bij haar moeder op schoot. 

Ik vind het wel gezellig, die kleuter in de coupé. Bungelend met haar korte beentjes, zingt ze zachtjes kleuterliedjes. Of ze kijkt uit het raam en noemt de dieren op die ze buiten ziet. Koetje-koetje. Paard. Maar meestal leest ze.

Want ze heeft elke dag een leesboek bij zich. Waarschijnlijk kan ze nog niet echt lezen maar ze brengt het heel serieus. Met het boek op schoot, volgt ze de woorden met haar vinger, terwijl ze een verhaal fluistert. Ze vraagt nooit om haar moeders telefoon. Ik zie haar nooit swipen. Ze leest boeken. Echte. 

Vorige week was ze er weer, de treinkleuter. Samen met haar moeder ging ze schuin tegenover me zitten. ‘Doe je rugzak maar even af’ zei haar moeder. Maar hoe ze ook wurmde en draaide, kleuter kreeg de rugzak niet van haar rug. Toen haar moeder haar vervolgens hielp, bleek al snel waarom. Tussen de rugzak en haar rug zat een enorm boek verstopt. ‘Oh nee’ zuchtte haar moeder ‘Heb je nou toch dat grote boek mee gesmokkeld?’

Kleuter is blijkbaar zo’n kind dat de hele kinderafdeling van de bieb uitgelezen zal hebben tegen de tijd dat ze twaalf is. Zo’n kind dat stiekem met een zaklamp onder de dekens ligt te lezen als het allang bedtijd is geweest. Zo’n kind dat alle etiketten leest aan tafel,  omdat een boek tijdens het eten niet mag.

Ik glimlachte even naar kleuter. Want er was herkenning alom. Kleuter is een echte boekenwurm. Net als ik! Wat heerlijk voor haar. Ze hoeft zich in elk geval nooit te vervelen!

Gehackt.

Ja, jongens. Triest nieuws. Ik ben gehackt. 

Iemand heeft zich toegang verschaft tot mijn computer en een kopie gemaakt van al mijn bestanden en contacten. Het is schijnbaar al in januari gebeurd maar ik weet het nu pas omdat ik onlangs een e-mail kreeg van de hacker himself met de mededeling dat-ie mijn computer gehackt heeft.

Ik vond het trouwens een enorm irritante e-mail. Echt tekstvast is de schrijver niet. Het ene moment word ik met met ‘u’ aangesproken en het volgende moment is-ie aan het ‘je-en’ en ‘jou-en’. Kop op, zeg. Als je zo’n briljante hacker bent, moet je het toch klaar kunnen spelen om een tekstueel correcte e-mail te versturen? Maar goed, mijn hacker heeft weer hele andere kwaliteiten.

Zo heeft-ie een geweldig gevoel voor timing. Want je kunt een computer natuurlijk op alle mogelijke tijdstippen hacken. Maar hij hackte mijn computer nét op het moment dat ik vieze plaatjes zat te kijken achter mijn computer. Verdorie, zeg! Wat een pech! Dat heb ík weer.

En daarnaast is mijn hacker ook heel goed met Photoshop. Hij heeft screenshots gemaakt van de vieze plaatjes waar ik naar aan het kijken was én van hoe ik er op dat moment uit zag. En die screenshots heeft-ie samengevoegd. Da’s toch wel erg knap, nietwaar?

En nu moet ik dus € 800,- in Bitcoins aan hem betalen. Binnen 50 uur. Anders stuurt hij de beelden door naar al mijn contacten.

Ja, ook naar jullie. Maar ik betaal geen cent. Ik kijk wel lekker uit! Ik heb iets veel beters bedacht. Om mijn hacker voor te zijn, plaats ik gewoon zélf een pikante foto van mezelf!

Kijk, dit ben ik! In mijn ondergoed. De lol is er zo vast wel af voor mijn hacker. Mochten jullie toch iets van hem horen; doe ‘m vooral de hartelijke groeten van mij.

BFF

Bioscoopje spelen bij Reade

Op een of andere manier heb ik niet veel vrienden. Veel contacten zijn verwaterd en ik heb er nooit energie in gestoken om ze te herstellen. Dus zijn mijn vrienden op één hand te tellen. Maar in 2017 kreeg ik er ineens twee nieuwe vrienden bij.

Want toen kwam Frank bij Reade terecht om te revalideren. Na een paar weken op een kamer alleen, werd hij in de ‘cognitieve groep’ geplaatst. Met zes andere patiënten en een gezamenlijke huiskamer waar groepsgewijs gegeten werd. Ik was lichtelijk in shock toen dat gebeurde. 

Omdat de medepatienten er toch allemaal wel heel ernstig aan toe waren. Er zaten bij iedereen meerdere steekjes los. Want ze zaten daar niet voor niets natuurlijk. En hé! Bij Vriendje-lief zaten ook meer steekjes los dan vast. Maar losse steekjes bij je partner zijn toch anders. Al die vreemde mensen met hun losse steekjes vond ik heel confronterend. Heel oneerbiedig noemde ik de cognitieve afdeling dan ook ‘De Loenatiks’

Ik vond het zwaar. Al die ellende om ons heen. Al het gezucht, gesteun en gekreun van medepatienten. En vooral die hangende schouders en treurige gezichten van hun partners. Want waar ik wanhopig probeerde positief te blijven en het een beetje gezellig te maken, liepen zij rond met een houding alsof het hele leven zinloos was geworden.

Er was één uitzondering; mede-patiënt Simone. Een klein vrouwtje, van mijn leeftijd, met vrolijke krulletjes en pretoogjes. Ze had na een zware hersenbloeding alle reden om treurig rond te lopen. Maar dat deed ze niet. Lichamelijk had ze weinig klachten overgehouden aan haar hersenbloeding maar geestelijk lag ze behoorlijk in de kreukels. Van veel dingen snapte ze niks meer en haar geheugen was een zeef. Maar haar vreselijk zwartgallige gevoel voor humor deed het nog volop. Ik mocht haar wel. Misschien omdat mijn gevoel voor humor even zwartgallig is.

Elke dag kwam Werner, de partner van Simone, op bezoek. Een boom van een kerel. Rustig, stoer en met een houding alsof het de normaalste zaak van de wereld was dat we daar zaten. Type ‘rots in de branding’. Niks aan de hand. Alles komt goed. 

Pas toen ik hem ooit buiten zag staan, waar hij eenzaam in het donker een sigaretje rookte, zag ik aan hem dat hij het ook zwaar had. Net als ik. Maar bij Simone liet hij dat nooit merken. Hij deed precies hetzelfde als ik. Werken, eten, zo vrolijk mogelijk op bezoek bij partner, naar huis en naar bed. En dan wakker liggen. Je afvragen hoe het verder moest. En de volgende dag weer hetzelfde rijtje. Dag na dag. Week na week.

Maar bij Reade maakten we er het beste van. Frank en ik. En Simone en Werner. We hadden een hoop lol met z’n vieren. We keken samen tv, zaten buiten op het terras en we speelden ontelbare potjes ‘Mensch-erger-je-niet’. 

We maakten wrede grapjes over de medepatienten. Maar vooral over onszelf want zo zijn we dan ook wel weer. Frank en Simone werden door de verpleging regelmatig tot de orde geroepen. Dat ze op moesten houden met het plagen van de andere patiënten. Waarop Simone steevast opmerkte dat ze maar niet konden onthouden dat dat niet mocht. Hersenletsel, hè?

Frank en Simone knapten gelukkig op. Frank mocht als eerste naar huis, Simone een week later. De laatste avond met zijn vieren in Reade deelden we een bak nacho’s op Simone’s kamer. En we beloofden elkaar contact te houden als we allemaal ‘hieruit’ waren. Alsof we bajesklanten waren, vlak voor onze in vrijheidstelling. 

Heel vaak is ‘we houden contact’ een loze kreet. Maar in dit geval niet. We hielden contact en we hebben nog steeds contact. Simone en ik appen ons te pletter. Flauwe grapjes. Foto’s van onze katten. Of soms zomaar ‘Goedemorgen’ als we allebei in een andere trein zitten onderweg naar ons werk. 

Eindeloos kan ik bij haar klagen over Frank als het even niet zo lekker loopt. Ze moppert lekker mee maar wijst me soms – als ervaringsdeskundige – heel terecht op dingen waar Frank écht niets aan kan doen. Tenslotte weet zij als geen ander hoe vermoeiend het was om door het leven te gaan met een brein dat niet mee wil. 

En als het écht bal is, dan bellen we. Dan blaas ik stoom af, geeft Simone tips en checkt bij haar achterban. ‘Dat had ik ook, hè Wern?’ Op de achtergrond hoor ik Werner rustig beamen. En vertellen hoe hij daar mee om ging. En dan blijkt dat het allemaal heel normaal is. Voor ons dan.

We spreken regelmatig af met z’n vieren. Bij hen of bij ons. Ze vinden het nooit raar als ik ineens alleen voor de deur sta omdat Frank teveel pijn heeft om mee te gaan. Ze vinden het nooit gek als Frank zomaar ineens in slaap valt op de bank omdat-ie bek af is. 

Zij snappen dat. Ja, het was kommer en kwel destijds. Eén bak ellende. En ik had die tijd graag overgeslagen. Maar de vriendschap met Simone en Werner zou ik voor geen goud willen missen. 

Ooit zaten we op een terras met zijn vieren. Te geinen hoe vermoeiend Frank wel niet is. “Maar ja” zuchtte ik “Ik kan er moeilijk een kussen op drukken, hè?” “Kun je hem geen overdosis medicatie geven?” stelde Simone bloedserieus voor. 

Ik zag de geschokte blikken aan het tafeltje naast ons terwijl Simone en ik duivels naar elkaar grijnsden. En ik bedacht me weer eens hoe mooi het is, dat wij – idioten – elkaar gevonden hebben. Trots appte ik naar dochterlief ‘ik heb een BFF!’

Afgelopen donderdag zijn Simone en Werner getrouwd. Hoe fantastisch is dat? Wij waren erbij. Natuurlijk.  En drie keer raden wie de ringen aan mocht geven…