Auteursarchief: Nicky

Een liedje in mijn hoofd.

Er zijn veel dingen waar ik van houd. Maar muziek is toch wel één van de belangrijkste dingen. Hoewel de foto anders doet vermoeden, bespeel ik geen enkel instrument. Maar ik luister graag naar de radio. En ik ben dol op ‘plaatjes draaien’. Al zijn de plaatjes inmiddels MP3’tjes geworden. En over het algemeen loop ik ook altijd te zingen. Voor mijn omgeving is dat niet altijd even prettig.

Want er zijn liedjes waar ik alleen de eerste twee regels van ken. En die twee regels zing ik dan. Uren achter elkaar. Kinderliedjes doen het ook goed bij mij. Al wandelend komt het ene na het andere kinderliedje voorbij. Bij voorkeur met verbasterde teksten, want daar moest mijn dochter als kind altijd zo om lachen. Zo zing ik nog steeds over Elsje-Fiederelsje “Zet je stompjes bij het vuur”. Of het liedje van Ariël, de kleine Zeemeermin. “Slaan met je baard heeft geen enkele zin”.*

Mijn muziek collectie is zeer uitgebreid. En een tikkie vreemd. Ik heb van alles wat, variërend van Bruce Springsteen tot Imagine Dragons. Van Loreena McKennitt tot Queen. Van ABBA tot Lewis Capaldi. En van George Michael tot Jaap Fischer. En elke morgen word ik wakker met een liedje in mijn hoofd.  En ja, dat zong Henny Huisman maar die heb ik dan weer níet in mijn collectie. Gelukkig.

Verwonderd sta ik ‘s morgens in de badkamer te zingen en me af te vragen waar dát liedje nou weer vandaan komt. Want vaak zijn het liedjes die ik niet eens in mijn collectie heb. Hoe dan? Waar haal ik ze dan vandaan? Heb ik gedroomd? Heb ik ergens iets gehoord in mijn slaap? Ik heb geen idee.

Soms zijn het echt vreselijke nummers en vraag ik me vertwijfeld af wat er mis is met mijn brein dat juist die verschrikkelijke nummers blijven hangen. Zo heb ik afgelopen week een halve dag lopen zingen over een broccoli. Tot ‘De Soldaat‘ van de 3J’s Nick en Simon voorbij kwam en díe vervolgens de rest van de dag bleef hangen. Al net zo erg, eerlijk gezegd.  Maar ik was blij dat ik van die broccoli af was.

Toen ik mijn ellende over die broccoli in mijn hoofd probeerde te delen met mijn omgeving, bleek dat vrijwel niemand wist waar ik het over had. Dus daarom.. speciaal voor jullie! Voor het geval je ‘m gemist hebt… Jeangu Macrooy met de Nederlandse inzending voor het komende songfestival. Even volhouden tot het refrein. En dan heb ik zo’n vermoeden wat jullie de rest van de dag zingen. Veel plezier ermee! 

*  Elsje Fiederelsje zette natuurlijk haar klompjes bij het vuur en niet haar stompjes. Want als ze stompjes had gehad, had ze waarschijnlijk geen klompjes gehad. En Ariël zong gewoon “Slaan met je stáárt heeft geen enkele zin, benen zijn nodig voor dansen, zingen”. Want Ariël heeft niet eens een baard.

Big spender.

Ik stuurde mijn moeder een kaartje. En toen ik daarna bij haar op bezoek was, zag ik dat de dames van de zorg de kaart op de koelkast geplakt hadden met plakband. ‘Hé, Mam!’ zei ik ‘Jij moet eigenlijk koelkastmagneetjes hebben.’ Dat leek haar een goed plan. Dus ging ik op zoek naar koelkastmagneetjes.

Hoewel ik nou niet echt de deur plat loop bij de plaatselijke Action, is dat nou echt zo’n item waarvoor je normaal gesproken even de Action binnen loopt. Maar ja, de Action is dicht. Tenzij je ‘op afspraak’ komt winkelen. Bestellen leek me ook nogal onzinnig dus plande ik een heuse shop afspraak. Afgelopen donderdag mocht ik maar liefst twintig minuten shoppen bij de Action. En ik bereidde me grondig voor.

Ik appte mijn kind dat ik naar de Action ging en vroeg of ze nog iets nodig had. Dat was niet het geval. Ook mijn collega had geen Action-items op haar verlanglijstje. Ik gaf mijn verkering de opdracht de website van de Action van onder tot boven te bestuderen en een lijstje te maken. En ik deed hetzelfde.

Die donderdag stond ik voor het eerst in een jaar – met boodschappenlijstje – stipt om 19.40 uur voor de deur van de plaatselijke Action. Na elf minuten had ik mijn lijstje compleet en stond ik bij de kassa. “Dat is dan € 48,34.” zei de caissière. Hoeveel? En ik had niet eens heel erg nutteloze dingen!

De koelkastmagneten voor mijn moeder natuurlijk. Verder een USB-stick voor in het digitale fotolijstje van mijn moeder. Twee USB-sticks voor de verkering die altijd wild enthousiast wordt van USB-sticks met meer geheugen dan zijn eerste computer. Een placemat voor onder de waterbak van Spike (spijt dat ik er maar één gekocht heb!), twee nepplanten (eindelijk planten die blijven leven!) en een wc-borstel (die moest echt hoognodig vervangen worden!). Verder nog wat pennen (ik houd van Bic-pennen!) en longdrinkglazen.

Van de twee setjes draadloze oordopjes (die het verdraaid goed doen voor die prijs) is natuurlijk alleen het setje voor Frank nutteloos. Ik daarentegen heb écht zo’n setje nodig om te voorkomen dat mijn telefoon in mijn emmer met sop valt tijdens het poetsen.

Maar ik heb het dus gepresteerd om € 50,- uit te geven in 11 minuten. € 4,39 per minuut. Bij de Action notabene. Ik denk dat ik de bon declareer bij mijn moeder. Want het is eigenlijk háár schuld. Met haar stomme koelkastmagneetjes.

Uncle Bob maakt actiefoto’s.

Wat geef je kinderen die alles al hebben? Vlak voor Kerst 2019 wist ik niks te verzinnen dus gaf ik Michelle en Robby een cadeaubon voor een uur blowkarten op het strand. ‘Ik wil wel mee’, zei ik. ‘Dan kan ik oefenen om actiefoto’s te maken’. Het uitstapje werd regelmatig ingepland maar steeds weer afgezegd. Door corona. Door te weinig wind. Door te veel wind. Maar uiteindelijk lukte het. Vorige week zondag gingen Mich en Robby blowkarten op het strand in IJmuiden. En ik ging mee.

Het was koud. Heel erg koud. En eerlijk gezegd vond ik het eigenlijk een beetje saai. Ik weet niet wat ik verwacht had. Opspattend zand, karretjes die vlak langs me heen scheurden. Mich en Robby wild racend over het strand. In plaats daarvan stond ik van een afstandje te kijken hoe zij rondjes reden. Van het ene pionnetje naar het andere. Niks opspattend zand. En ze gingen best hard maar zó hard nou ook weer niet.

Uiteindelijk besloot ik het voor gezien te houden. Om niet dood te vriezen leek het me ook beter om een stukje te gaan lopen. Ik besloot foto’s te gaan maken van de vele kitesurfers. Ik vind het altijd zo mooi als ze het water zo hoog laten op spatten. Dus probeerde ik daar foto’s van te maken.

Tot een van de kitesurfers aan land kwam en me wenkte. Nieuwsgierig liep ik naar ‘m toe om te zien wat-ie wilde. Zag ik er zo professioneel uit dat-ie om foto’s zou vragen? Maar nee, hij wees ergens in de verte. ‘Zie je die gele kite? Daar nét achter ligt een blauwe in het water. Die jongen heeft problemen. Ik was net bij hem en het lijkt er op dat hij nu de kant wel gaat halen. Wil jij het in de gaten houden?’

De kitesurfer vertrok weer en ik stond aarzelend op het koude strand. Ehhh? In de gaten houden? Ik? Ik kon de blauwe kite amper zién. En dan? Moest ik er naar toe zwemmen of zo? Of moest ik 112 bellen? Het was erg druk met kitesurfers. Ze zouden het toch wel zien als een van hen in de problemen kwam? Heel in de verte zag ik de blauwe kite flapperend op het water liggen. Ik besloot er heen te lopen.

Met mijn telefoon in mijn hand, mijn camera allang opgeborgen, liep ik zo snel mogelijk over het strand, mijn ogen strak op de blauwe kite gericht. Maar zoals altijd op het strand, bleek de afstand groter dan ik dacht. En ik heb maar hele korte beentjes. Ik besloot een andere kitesurfer in te schakelen. Misschien kon er iemand heen surfen?

Wild gebarend stond ik bij de vloedlijn tot er een kitesurfer naar de kant kwam surfen. Ik wees de blauwe kite aan, vertelde dat ik van een andere surfer gehoord had dat die jongen problemen had. ‘Oh, dan moeten ze daar maar even gaan kijken’ zei de kitesurfer laconiek. En hop! Hij vertrok weer.

Ik staarde hem verbijsterd na. Toen ik daarna weer naar de blauwe kite keek, was hij verdwenen. Ik liep nog een stukje verder, dubbend wat ik moest doen. Tot mijn mobiel ging. Mich belde. Ze waren klaar met blowkarten en mij kwijt. Of ik hun kant op kon komen. Ik zuchtte eens diep en besloot het voor gezien te houden met mijn reddingsactie. De blauwe kite zag ik niet meer. Hij was óf gezonken óf het water uit. Ik hoopte het laatste en liep het hele stuk terug.

Eenmaal thuis bleef het me toch bezig houden. Ik hield het nieuws in de gaten. En ik googlede een paar keer op ‘kitesurfer IJmuiden’ maar er waren gelukkig geen berichten over een verdronken kitesurfer in IJmuiden. Eind goed, al goed. Denk ik. Ik was er wel klaar mee. Met actiefoto’s en reddingsacties. Het wordt tijd dat het beter weer wordt. Dan ga ik wel gewoon lammetjes fotograferen. Lekker rustig.

Projectje.

Wij waren vroeger thuis maar heel gewoon. ‘s Avonds werd de keukentafel gedekt met een plastic tafelzeil. Daarop kwamen de rieten onderzetters en daar zette mijn moeder de dampende pannen met aardappels, groente en vlees op. En dan werden de borden op tafel gezet. Die stonden in het keukenkastje en er zal vast wel hier en daar een scherfje af geweest zijn. Niemand die daar moeilijk over deed. Wij aten er met smaak van.

Maar niet bij Speciale Gelegenheden. Bij Speciale Geledenheden dekte mijn moeder de tafel in de woonkamer met een wit tafelkleed met geborduurde bloemen langs de rand. Uit het dressoir werd het ‘goede’ servies tevoorschijn gehaald. Borden van echt porselein, hagelwit, met roze rozen. De pannen bleven in de keuken. Het eten werd geserveerd in mooie bijpassende porseleinen schalen en er was zelfs een heuse soepterrine.  Al werd die meestal gebruikt om befaamde pudding met koekjes van mijn moeder in te serveren.

Dat mooie servies, dat alleen op tafel kwam met Kerst of als er een vriendje voor het eerst kwam eten, bleef over toen mijn moeder verhuisde naar een verzorgingstehuis. Mijn moeder nam vier diepe en vier platte borden mee en de rest bleef achter. Niemand vroeg er om. Niemand nam het mee. Want iedereen, behalve mijn moeder, vindt het servies foeilelijk. Ik ook.

Toch nam ik twee schaaltjes mee. Als aandenken aan de Kerstfeesten van vroeger. Als aandenken aan al mijn vroegere vriendjes die waarschijnlijk met knikkende knietjes, voor het eerst bij ons thuis, van dat servies gegeten hebben. Terwijl mijn vader, op mijn verzoek, vrolijk demonstreerde hoe hij zijn gehaktbal in één keer in zijn mond kon stoppen. Tot afgrijzen van mijn moeder die, als een soort Hyacint Bouquet, graag deed alsof wij tafelmanieren hadden wanneer er visite was.

De overgebleven borden en de soepterrine bleven onaangeroerd in het huis van mijn moeder staan dat steeds leger werd. In een sentimentele bui gooide ik de boel op het laatste moment nog in mijn auto. In mijn brein borrelde een vaag plan om er mee te gaan mozaïeken. Een bloempotje of zo. En toen was het huis leeg. En de sleutels ingeleverd. En ik had eindelijk tijd om aan mijn mozaïek-projectje te beginnen.

Psychisch bleek het nog wel een dingetje te zijn om het servies dat mijn moeder tientallen jaren koesterde aan gruzelementen te slaan. Tenslotte hebben mijn zussen en ik al die borden jarenlang angstvallig voorzichtig afgedroogd, doodsbenauwd om er eentje te laten vallen. Maar uiteindelijk sloeg ik de borden met een hamer kapot en plakte de scherfjes op een terracotta bloempotje.

Het viel eigenlijk nog best tegen. Dat lag voornamelijk aan mijn geduld. Of liever gezegd: mijn gebrek daaraan. Want wat ik even over het hoofd gezien had, is dat mozaïeken net puzzelen is. En als ik ergens een hekel aan heb, is het aan puzzelen. Bovendien haalde ik regelmatig mijn vingers open aan de messcherpe scherven. Maar ik zette dapper door tot het hele bloempotje beplakt was. Nog even voegen en toen was het klaar.

Het resultaat was een tikkie teleurstellend. Want ja, ik heb een mozaïek-bloempotje. Experiment geslaagd. Maar om nou te zeggen dat ik ‘m mooi vind? Nee. Want wat blijkt? Ik vind dat servies nog steeds spuuglelijk. Ook als het op een bloempotje zit.