Auteursarchief: Nicky

De plumeau van mevrouw De Bie.

Toen we hier kwamen wonen, vond ik tijdens het schoonmaken een plumeau in het washok. Hij zat tussen de buizen onder de verwarmingsketel en was nog van de vorige bewoonster, mevrouw De Bie. Ik had zelf geen plumeau. Ik geloof niet zo in plumeau’s. Ik denk dat je stof alleen verplaatst met een plumeau. Zelf poets ik wekelijks mijn hele huis met behulp van een emmer sop en een vochtig doekje. Maar ik klopte de plumeau van mevrouw De Bie uit en zette ‘m terug op zijn plekje. Altijd handig voor een beetje stofrag aan het plafond of zo.

Ik heb het een beetje druk momenteel. Met mijn werk natuurlijk, met mantelzorg voor mijn verkering en met het huishouden. En de afgelopen weken kwam daar ook nog het leeghalen van het huis van mijn moeder bij. Zij zit heel tevreden in haar sta-op-stoel in het verzorgingstehuis en mijn broer en ik maken, samen met een van mijn zussen, haar huis leeg. En dat is een hoop werk. Een hele hoop werk.

We hebben eerst haar kleding naar haar kamer verhuisd. Daarna alle prullaria. Ik ben, geloof ik, wel drie keer met een auto vol bende naar haar toe gereden. Ik sleepte een enorme hoeveelheid vaasjes, beeldjes, schilderijtjes, namaakbloemetjes en fotolijstjes haar kamer in. Samen zochten we de boel uit. Wat weg mocht, voerde ik meteen af.

Daarna volgden de meubels. Veel werd weggegeven, wat overbleef probeerde ik te verkopen om de AOW van mijn moedertje een beetje aan te vullen. Wat overbleef was onbruikbaar maar het huis, en vooral de tuin, moeten natuurlijk wél leeg. Gisteren ben ik met Michelle en Robby aan de slag gegaan om de laatste kasten te slopen en vloerbedekking te verwijderen. Dankzij de jongelui was het eigenlijk zo gepiept. Nog vóór de koffie hadden zij al drie kasten gedemonteerd en de vloerbedekking uit de slaapkamer er uit gehaald.

En vandaag ben ik thuis en moet mijn eigen huis weer gepoetst worden. Toen ik het washok inliep om mijn emmer te pakken, viel mijn oog op de plumeau van mevrouw De Bie. En ik, met mijn strakke poets-schema, pakte de plumeau in plaats van mijn emmer. Voor het eerst in de 32 jaar dat ik op mezelf woon, heb ik mijn wekelijkse poetsrondje overgeslagen. In plaats daarvan wapperde ik wat rond met de plumeau van mevrouw De Bie. En daarna ben ik – uit de wind en in de zon – op mijn balkon gaan zitten. Met koffie en een boek. En de kat.

Want wat kan mij het eigenlijk schelen dat je met een plumeau alleen maar stof verplaatst. Zolang het niet op mijn kast ligt, vind ik het eigenlijk wel prima.

Vegetarisch experiment.

 

Ooit zat ik met dochterlief aan tafel tijdens het avondeten. We aten – zoals ik dat toen noemde – een maaltijd met aardappeltjes, groente en een vleesje. Ze was een jaar of vijf, schat ik. Ze prikte een stukje vlees aan haar vork en bestudeerde het aandachtig. ‘Mama?’ vroeg ze ‘Wat is een ‘vleesje’ eigenlijk?’ Ik voorzag taferelen van een hartverscheurend huilend kind aan tafel, jammerend dat ze geen diertjes wilde eten. Maar ik gaf toch eerlijk antwoord. ‘Ehm, dat vleesje is een koetje.’ Mich keek nog eens naar haar vleesje, zei ‘Hmmmm, lekker!’ en at het met smaak op.

We aten jarenlang onze vleesjes. Zij met iets meer gemak dan ik, want ik ben een enorm hypocriete vleeseter. Waar zij met smaak kippenpootjes en spareribs verorberde, at ik het liefst vlees waaraan je niet kunt zien wat het geweest is. Slaat nergens op natuurlijk want ik weet best dat mijn gehaktbal ooit een prachtige koe was. En mijn gepaneerde schnitzel een schattig varkentje.

Toch heb ik eigenlijk nooit overwogen om vegetarisch te gaan eten. Kind is inmiddels de deur uit en mijn verkering houdt ook wel van een lekker stukje vlees. Er komt wel eens een maaltijd zonder vlees voorbij maar dat is echt uitzondering. Laatst besloot ik toch eens een poging te wagen. Volgens mijn broer waren de vegetarische gehaktballetjes van de AH prima. Dus besloot ik daarmee te beginnen.

Ik gebruikte ze in een gerecht waarbij ik normaal gesproken de gehaktballetjes laat sudderen in een saus van yoghurt en tomatenpuree. Ik vond het een rare gewaarwording. Terwijl ik de balletjes bakte, moest ik mezelf beheersen om er niet enorm veel kruiden bij te gooien. Misschien omdat het anders ruikt dan wanneer je ‘gewoon’ vlees bakt? Ik was niet echt te spreken over het resultaat. Het smaakte eigenlijk nergens naar.

Daarna besloot ik ‘rul gehackt’ van de Vegetarische slager te proberen. In de pastasaus. Dat kón niet misgaan, dacht ik. Ik gebruikte het vegetarische gehakt zoals ik normaal gehakt ook gebruik. Aanbakken, uitje, knoflook, groenten erbij, tomatensaus en kruiden. Het was werkelijk niet te eten! Wat is dat spul zout! Zó zout, dat ik opgezocht heb hoeveel zout er eigenlijk in zat. 1,3 gram per 100 gram maar liefst! Ik maak altijd extra veel pastasaus en vries een gedeelte in. Maar dit brouwsel heb ik zó in de vuilnisbak gegooid.

Mijn derde poging was een cordon bleu van Valess. De verkering vond ‘m lekker. Ik vond ‘m niet bijzonder. Oké. Niet vies, maar zeker niet bijzonder. En ineens realiseerde ik me waar het fout gaat als ik vegetarisch vlees eet. Ik verwacht vioolmuziek, smaakexplosies, een zonnestraal vanuit de hemel – bam – recht op mijn bordje. Ik verwacht dat de koeien buiten vrolijk naar me loeien als ik langs fiets. ‘Kijk! Daar heb je haar! Zij heeft vegetarisch gehackt gekocht’. Maar nee, hoor. Niets van dat alles.

En het ergste is dat ik – onbewust – verwacht dat het lékkerder is dan echt vlees. En dat is het dus niet. Het smaakt in het beste geval hetzelfde. Ik denk dat mijn voorkeur dan tóch uitgaat naar écht vlees. Maar dan wel van beestjes die het goed gehad hebben. En dat mag dan best iets duurder zijn.

Wat vind jij?

 

Uncle Bob is chagrijnig.

Een Uncle Bob-log zat eigenlijk nog niet in de planning (voor de oplettende lezer: 1 op de 4). Maar er werd sneeuw verwacht vorig weekend. Veel sneeuw. Ik kwam zaterdagmiddag terug uit Brabant en parkeerde opgelucht mijn auto. Net vóór de bui binnen! En ik was van plan om tijdens die hele sneeuwperiode niet meer tevoorschijn te komen.

Maar in mijn inbox zat een e-mail van één van mijn lezeressen, wiens naam ik niet zal noemen, waarin ze op strenge toon Uncle Bob de sneeuw injoeg. Gelukkig deelde ze ook veel fotografietips! En zo kon het gebeuren dat ik die zondag redelijk enthousiast in een heuse sneeuwstorm door het dorp ploegde. Ik besloot foto’s te gaan maken bij de kerk. Misschien waren de graven van de Britse soldaten wel mooi in de sneeuw. Maar het waaide te hard dus de sneeuw bleef nergens mooi óp liggen. Alleen op de grond. Teleurgesteld ging ik naar huis. Mijn voeten haast bevroren in mijn snowboots.

Die maandag werkte ik thuis, gelukkig. Ik maakte een klein ommetje ‘s avonds en liet het daarbij. Dat je ráár loopt op snowboots, voelde ik de volgende dag in mijn enkels. Toch moest ik nog even door. Ik moest dinsdag naar kantoor en besloot met de trein te gaan want de sprinters reden. Dus banjerde ik op mijn snowboots naar het station en inderdaad, de sprinters reden. Het ging perfect! Het was rustig in de trein en ik kwam keurig op tijd op mijn werk aan.

Maar de terugweg was drama. Het was veel te druk in de trein. Bovendien strandde mijn sprinter in Wormerveer. Ik liep een half uur rondjes op station Wormerveer om warm te blijven. Inmiddels begon, behalve mijn enkels, ook mijn rug te protesteren tegen mijn lompe snowboots. Met de volgende sprinter, als haringen in een ton (Hallo! Corona!) kwam ik uiteindelijk thuis. Om half zeven ‘s avonds.

Ik besloot op mijn vrije woensdag de auto uit te graven zodat ik vrijdag met de auto weg kon. Een behulpzame overbuurman schoot me te hulp en binnen no time was mijn autootje sneeuwvrij. ‘s Middags besloot ik weer met mijn camera op pad te gaan. Want mijn baas heeft een winterfoto-wedstrijd uitgeschreven en ik heb een reputatie hoog te houden.

Maar eerst kocht ik een doosje chocolade voor mijn behulpzame overbuurman. Dat bleek heel onhandig. Ik wandelde naar chateau Marquette en de hele tocht bungelde het tasje met chocolade irritant tegen mijn been. Ik liep vijf kilometer op mijn snowboots. En écht! Ik wist niet dat het kon maar ik kreeg een bláár! Bij vijf graden onder nul. Hoe dan? En mijn enkels deden pijn. En mijn rug. En ik maakte géén bijzondere foto’s.

Donderdag werkte ik thuis. En om half vijf trok ik wéér die @€*#snowboots aan en ging wéér op pad. Naar de Noordermaatweg waar ook al niks te zien was. Ik stond een half uur bibberend te kijken hoe twee zwanen op het ijs zaten. En nét toen ik mijn camera wegstopte, kwamen ze in actie. Dus de enige foto die nog iets had kunnen worden, was niet scherp.

Die vrijdag ging ik met de auto naar mijn werk. Ging prima. Afgelopen weekend wandelde ik een paar kleine rondjes. Maar verder bleef ik binnen. Mijn voorhoofd en mijn schenen jeuken chronisch door de droge lucht. Mijn haar is statisch en mijn handen zijn zó schraal dat ik mezelf ermee open haal. En op een of andere manier heb ik het steeds zo koud dat ik het liefst in de droger zou kruipen.

Mijn humeur is tot een dramatisch dieptepunt gedaald. Ik betrap mezelf er op dat ik constant loop te mopperen. ‘Haat! Dikke vette haat!’ roep ik regelmatig tegen niemand in het bijzonder. Ik smijt met deuren en ik zucht, kreun en steun de hele dag door. Alles is stom. Alles is superstom! Haat! Dikke, vette haat!

Maar morgen, jongens! Vanaf morgen stijgt de temperatuur. Het gaat weer de goede kant op! Ik leg mijn bikini alvast klaar en wil bij deze mijn excuses aanbieden aan iedereen die ik beledigd, afgesnauwd en/of geshockeerd heb afgelopen week. Het spijt me. Ik was mezelf niet. Vanaf volgende week gaat het beter. Beloofd!

Jeuk.

Pap en mam in 1992

Nu mijn moeder verhuisd is, zijn wij, kinders, druk bezig met het leegmaken van haar huisje. We hebben geprobeerd haar kamer in het verzorgingstehuis zo veel mogelijk in te richten met haar eigen meubeltjes en spulletjes zodat haar kamer als ‘thuis’ voelt. Dat lijkt te lukken. Ze heeft het best goed naar haar zin, gelukkig! En de spullen die overblijven zijn verdeeld of verkocht. Het is raar om haar kasten leeg te ruimen. Maar ik besef ook dat we boffen dat we dit nu doen, terwijl onze moeder nog leeft en tevreden in haar kamer zit.

Bij het leegmaken van haar nachtkastje, vind ik een raar voorwerp. Het is een plastic strip. Het lijkt op zo’n strip die je wel eens ziet om de verschillende delen van een achterwand van een kast bijeen te houden. Alleen is het uiteinde krom en een beetje verbrand. Zo te zien is het plastic warm gemaakt en zo omgebogen. Verbaasd kijk ik naar het voorwerp. Ik herken het onmiddellijk als een creatie van mijn vader en ik zie ineens een heel bekend tafereel voor me.

Zittend op het bed van mijn ouders, zie ik voor me hoe ze vroeger, toen mijn vader nog leefde, samen op de bank zaten. ‘Ahhh, Nico!’ zegt mijn moeder ‘Ik heb zo’n jeuk op mijn rug! Krab eens even!’ Ik zie mijn moeder voorovergebogen op de bank zitten. Mijn vader naast haar, achterover geleund tegen de kussens van de bank, wrijft voorzichtig over mijn moeders rug. Mijn moeder zucht tevreden ‘Ha! Lekker!’

‘Wacht maar, Jopie’, hoor ik mijn vader zeggen en ik zie ‘m opstaan. In de keuken trekt hij z’n slippers aan en schenkt een restje koude koffie in zijn emaille kroes. Met zijn koffie loopt-ie de tuin door naar zijn schuurtje, dat in de buurt ‘Klein Gamma’ genoemd werd. Mijn vader had álles in de schuur. En wat-ie niet had, maakte hij zelf. Ik zie voor me hoe hij zijn koffie op de werkbank zet, een shaggie draait en zoekend rond kijkt. In de opbergvakken tegen het plafond vindt hij een plastic strip.

Met een ijzerzaagje zaagt hij er een stuk af en zet het uiteinde vast in de bankschroef. Hij pakt zijn blauwe gasbrander en steekt ‘m aan. Voorzichtig verwarmt hij het uiteinde van de plastic strip. Met behulp van een tang en een buisje maakt hij een boogje aan het uiteinde. Als de strip afgekoeld is, schuurt hij de scherpe hoekjes er af en loopt ermee naar binnen. Naar mijn moeder. ‘Kijk eens, Jopie!’ zegt hij en hij overhandigt haar een rugkrabber. Want stel je voor dat zijn Jopie jeuk op haar rug krijgt, terwijl hij op zijn werk is.

30 jaar later sta ik in mijn moeders kamer in het verzorgingstehuis. ‘Kijk eens, Mam! Je rugkrabber!’ roep ik terwijl ik mijn vaders creatie tevoorschijn haal. ‘Och’ zegt mijn moeder ‘Die is oud! Die heeft je vader nog gemaakt’. Maar de rugkrabber mag weg, besluit ze. We kunnen niet álles bewaren wat met mijn vader te maken heeft. Ik neem de rugkrabber mee naar huis. En daar gooi ik ‘m weg. Maar niet voordat ik er een foto van gemaakt heb. En het verhaal ervan opgeschreven heb. Blijft-ie toch een beetje bewaard.