Auteursarchief: nicky

Uncle Bob – Les 5.

Vorig weekend was ik, na twee weken binnen zitten, wel een beetje klaar met social distancing. Ik besloot er met mijn camera op uit te gaan en op zoek te gaan naar lammetjes. Want die wilde ik nog steeds op de foto zetten. Ik heb geen klachten dus zolang ik maar anderhalve meter uit de buurt van andere mensen bleef, kon dat best.

Het was stil op straat. Het was ijskoud en het waaide als een tielelier. Binnen no time liepen de tranen over mijn wangen. Maar het was zo lekker om even buiten te zijn! Dus fietste ik naar Chateau Marquette. En daar waren ze! Lammetjes! Ik maakte een omtrekkende beweging van twee meter om een eenzame wandelaar heen en zette mijn fiets aan de kant. Maar de lammetjes waren te ver weg om ze goed op de foto te krijgen. Dit werd helemaal niks.

Ik had koffie in mijn thermoskan. En nog geen zin om naar huis te gaan. Dus fietste ik zomaar een beetje doelloos rond. Door de polder. In mijn eentje. Tot ik ineens op de Noordermaatweg terecht kwam, waar ik laatst zulke leuke foto’s gemaakt had. En ergens halverwege stonden een heleboel koeien in de wei. Koeien zijn leuk! Dus blij sprong ik van mijn fiets, groette de dames vriendelijk en pakte mijn camera.

Maar de dames hadden minder zin in een fotosessie dan ik. Ze bleven stug door grazen en weigerden ook maar één moment mijn kant op te kijken. Al grazend liepen ze door, tot ze bij een hek kwamen en ze besloten eens een kijkje over het hek te nemen. Een vrij stomme actie natuurlijk, want het uitzicht is boven het hek precies hetzelfde als ernaast. Maar ik vond het leuk, die koeienkoppen boven dat hek uit. Dus ik volgde de koeien, stapte op het wildrooster over de sloot en liep naar het hek.

En toen gebeurde er iets in mijn brein. Ik bevroor. Ik stond echt wel veilig, hoor. Het wildrooster is stevig genoeg. Er loopt weliswaar een sloot onder maar je zakt er echt niet doorheen. Toch durfde ik me ineens niet meer te verroeren. Vóór me was het hek, met die enorme koeien erachter. Onder me was het wildrooster, waar ik wankelend opstond. En een koude Noordenwind – windkracht 6! – rukte aan mijn haren, aan mijn jas en aan mijn camera.

Iets in me zei dat ik om moest draaien en terug moest lopen naar het pad naast de sloot. Maar mijn benen weigerden dienst. Ik durfde niet. Totaal ongegrond was ik ineens bang dat ik met mijn voeten tussen het wildrooster zou schieten, zou vallen en – met camera en al – in de sloot zou belanden. “Stel je niet aan!” sprak ik mezelf streng toe, denkend aan al die kinderen die ik op wildroosters heb zien lopen. “Draai je gewoon om en loop terug!”. Maar het gíng gewoon niet. Voorzichtig draaide ik mijn hoofd een beetje links en een beetje rechts. Ik stond moederziel alleen in een verlaten winderige polder. Gevangen op een wildrooster, gadegeslagen door een stel koeien, die ineens wél volop aandacht voor me hadden.

Ik zwéér het je! Ik zag ze denken. “Zo! Dus jij vond ons stom omdat we over het hek kijken! En wie staat hier nu voor lul op een wildrooster waar wij twee keer per dag gewoon overheen lopen? Hè?” Ik overwoog serieus de mogelijkheid om me te laten zakken en op handen en voeten terug te kruipen. Maar dan moest ik mijn camera loslaten die dan vervolgens aan de riem om mijn nek zou bungelen. Geen optie dus. Bovendien… zóveel lol gunde ik die koeien nou ook weer niet.

Uiteindelijk ben ik voetje voor voetje achteruit terug geschuifeld. Klein stapje naar achteren, gewicht verdelen, stevig staan. Weer een klein stapje naar achteren, gewicht verdelen enzovoorts. Ik heb er tien minuten over gedaan om veilig op de kant te komen. Zittend op een bankje pufte ik uit, terwijl ik mijn laatste restje koffie dronk.

Dus wat heeft Uncle Bob nu geleerd? Let altijd op je veiligheid als je aan het fotograferen bent! Je zult de eerste niet zijn die jammerlijk omkomt bij het maken van een te gekke selfie. En je zult ook niet de eerste zijn die voor schut staat voor een kudde domme koeien midden in de polder, want dat was ik. Geen idee wat dit nou ineens was. Waarom ik niet meer terug durfde. Het was de wind, jongens. Het was gewoon de wind. Want het waaide héél héél erg hard. Echt waar!

Project afgerond.

Lang, lang geleden kregen mijn moeder en ik een bijzonder cadeau van Michelle. Ze gaf ons allebei een boek om in te vullen. Met herinneringen en leuke verhalen over het gezin waarin we opgroeiden, onze schooltijd, eerste vriendje en noem maar op. Ik was laaiend enthousiast en popelde  om er aan te beginnen. Maar toen werd Frank ziek. En ik had geen tijd om aan mijn boek te beginnen.

Toen Frank weer een beetje op de been was,  begon ik eerst aan het boek van mijn moeder. Ze is tenslotte een mensje-van-alledag. Op een leeftijd waarop je geen dingen meer uit moet stellen. We spraken af dat we steeds als ik op bezoek kwam, samen een hoofdstuk in zouden vullen. Maar in de praktijk bleek dat niet te werken. Vaak hadden we geen tijd door klusjes die gedaan moesten worden. Of er was nog andere visite.

Uiteindelijk vulden we het hele boek telefonisch in. Ik belde ‘s middags mijn moeder om aan te kondigen dat ik haar ‘s avonds zou bellen om de vragen uit het boek voor te lezen en haar antwoorden op te schrijven. Het was een groot succes. Als ik haar ‘s avonds belde, zat ze klaar. Met kussens en onder een dekentje op de bank. Of op haar praatstoel, eigenlijk.

Het waren hele gezellige uurtjes. Zij praatte en praatte. Ik maakte notities en werkte die later uit in het boek. Ik hoorde dingen die ik niet wist. Soms moest ik vreselijk lachen. Soms pinkte ik een traantje weg. Samen zochten we later foto’s uit, die ik afdrukte en in het boek plakte. Op Moederdag 2019 konden we het boek eindelijk aan Michelle geven.

En toen was het eindelijk tijd voor mijn eigen boek. Vooral omdat Michelle mij – op haar beurt – ook zo’n leuk boek cadeau had gegeven. Dus ik ging he-le-maal los. Ik begon als in een nieuwe agenda. Met het voornemen netjes te schrijven. Maar mijn gedachten gingen gaandeweg sneller dan mijn pen. Er schoten me steeds meer dingen te binnen die ik op wilde schrijven. Ik hoop dat Mich alles kan lezen. Ik schreef over vroeger thuis. Over mijn lievelingseten als kind, mijn vriendinnetje Audrey en mijn hond Rigo. Ik was openhartig over mijn ex-vriendjes en deed hier en daar een kleine onthulling.

Ik plakte foto’s. Steeds kleiner omdat er dan meer in het boek pasten. Ik vond een foto van het interieur van de kroeg waar ik Michelle’s vader tegen kwam en ontdekte dat onze krukken nog stonden hoe ze toen stonden. En in het kader van ‘als ik dood ga, erft ze het tóch’ plakte ik zelfs het briefje in het boek dat hij een dag na onze ontmoeting bij mij in de brievenbus stopte. Jammer dat ik de rode roos niet meer heb, die erbij zat.

Ik tekende mijn handomtrek en niette het bandje in het boek dat ik om kreeg in het ziekenhuis toen ik – vier jaar oud – buisjes in mijn oren kreeg. Ik verzamelde theelabels met vragen er op, plakte ze in het boek en schreef de antwoorden erbij. Als klapstuk maakte ik een plattegrond van het park waar ik vroeger rondhing. Met een heuse legenda, waar op vermeld staat waar ik mijn eerste zoentje kreeg. En waar hij-van-dat-eerste-zoentje een hartje in een boom kerfde met onze initialen erbij.

En toen was het boek hartstikke vol. Dacht ik. Toen ik het inpakte om het de volgende dag aan Michelle te geven, bleek dat ik één bladzijde over geslagen had. Dat kon natuurlijk écht niet. Maar ik was leeg. Mijn inspiratie was op. Helemaal. Er zat maar één ding op.

Ik pakte een schaar. En knipte ergens in mijn nek een pluk haar af, deed die in een zakje en niette dat in het boek. Met een zucht sloot ik het boek en pakte het in. Mission completed. Project afgerond.

Michelle was erg blij met het boek. Maar ik viel in een zwart gat nu het boek klaar is. Niks meer te plakken, te schrijven of te kleuren. Soms friemel ik nog even aan de korte pluk haar in mijn nek en denk met plezier terug.  Man, wat was dit een leuk project!

Social distancing – Week 1

Mijn werkplekkie

En toen had het Coronavirus ons zo in de greep dat ‘social distancing’ geadviseerd werd. Beperk je sociale contacten, blijf thuis. ‘Geen probleem!’ dacht ik stoer want ik was in de veronderstelling dat ik als huismus – het liefst op de bank met een boek – daar geen hinder van zou hebben. Maar zelfs bij mij viel de agenda leeg en verviel ik in een apathische lamlendigheid.

Ik werk veel thuis en ga af en toe met de auto naar kantoor. Dat bleek al meteen een valkuil. Want dan hoef ik niet zo vroeg op. Dus kan ik laat opblijven. Dus mocht ik ook best een wijntje. Dus ik deed wat huismussen doen: ik hing op de bank met een e-boek. En een wijntje. En toen we op een van mijn ‘kantoordagen’ een conference call hadden met alle collega’s, zag niemand dat ik in mijn oudste kloffie op kantoor zat.

Beweging had ik ook al  niet. Want tja, mijn pilateslessen gaan niet door. Het zwembad is dicht. Overmacht. Dat ik normaal gesproken ook veel fiets en wandel, vergat ik voor het gemak even. En ik had natuurlijk graag de hele week verantwoord en gezond gekookt (kuch). Maar om de plaatselijke horeca te steunen, bestelden wij donderdag een enorme avondmaaltijd bij ons favoriete restaurant. We zijn tenslotte de beroerdste niet en altijd bereid de zo getroffen horeca een handje te helpen. Volgevreten rolde ik donderdagavond – alweer veel te laat- mijn bed in.

Na slechts één week social distancing zat ik op vrijdagmorgen als een wrak achter mijn laptop om aan het werk te gaan. In mijn pyjama. Met mijn haar in een slordige knot en de slaapvouwen nog in mijn gezicht. En om negen uur ‘s morgens liep mijn buurvrouw van links voorbij mijn raam. Ze zwaaide vrolijk, met de krant onder haar arm, die ze iedere morgen op de mat legt bij mijn buren rechts. Ze is 83 en nog wat, geloof. Maar ze zag er een stuk fitter uit dan ik met mijn vijftig lentes jong.

Om half tien, terwijl ik me door het eerste rapport worstelde, kwamen de buren van rechts voorbij mijn raam. Ze zijn 85+ en hij is zwaar Parkinson-patiënt. Maar hij zag er keurig uit, achter zijn rollator, met zijn hoed op. Zij, ook 85+, had dus kans gezien haar man piekfijn aan te kleden om een wandeling te gaan maken. Zelf zag ze er ook uit om door een ringetje te halen. Keurig aangekleed en haartjes in de krul. Beschaamd zwaaide ik naar hen en nam een drastisch besluit.

Volgende week doe ik het anders. Volgende week ga ik op tijd naar bed. Zonder wijntje. Ik sta op tijd op. En ik kruip aangekleed, opgedoft en met mijn haartjes in de krul achter mijn laptop. Mijn Pilateslessen kan ik na drie jaar ook zelf wel. Ik ga wandelen in stille parken en fietsen in een stille polder of op de hometrainer. En gezond eten. Ik móet wel want deze rare tijd bewijst wat ik eigenlijk al wel wist; zonder de routine van mijn baan lig ik no time in de goot.

En? Hoe was jouw week?

Een andere wereld.

Afstand houden

Het begon nog best lollig. Twee weken geleden. Op mijn tijdlijn op Facebook deelden mijn Brabantse vrienden ‘Het Brabants Corona-lied’. En iemand versierde zijn profielfoto met de hashtag #prayforbrabant. Haha. Zo grappig. Maar het lachen verging toen het aantal besmettingen in rap tempo opliep. Evenals het aantal overleden patiënten.

Dus appte ik mijn familie in Brabant dat ik dit weekend niet op bezoek zou gaan bij ons hoogbejaarde moederke in Breda. Omdat ik haar niet wil besmetten, mocht ik het virus stiekem onder de leden hebben. En ook omdat ik niet het risico wil lopen het virus mee naar huis te nemen omdat Vriendje-lief, gezien zijn medische voorgeschiedenis, toch tot de risicogroep behoort.

Dus bleef ik afgelopen zaterdag boven de sloot. Maar zondag, terwijl het aantal besmettingen nog verder opliep, bekroop me een ‘nu of nooit’-gevoel. Ik sprong in de auto en reed de anderhalf uur naar Brabant. Zonder Vriendje-lief-in-de-risicogroep. Ik ontsmette mijn handen voor ik het huisje van mijn moeder-in-de-risicogroep binnen ging. Ze zat in de linkerhoek op de bank. Ik nam plaats in de rechterhoek.

We kletsen bij. Meters van elkaar vandaan. Dronken niet eens koffie. Michelle appte ‘Knuffel je Oma plat van mij?’ ‘Wat denk je zelf?’ antwoordde ik. ‘Oh ja’ kreeg ik terug, met een treurige smiley. Ondertussen belde mijn collega. Op verzoek van onze baas. Of we even samen wilden overleggen over onze werktijden. Zodat steeds maar één van ons op kantoor is. Om besmetting te voorkomen.

Ik zwaaide mijn moeder gedag. Geen knuffel, geen kus, geen aai over haar grijze bolleke. Na nog geen drie kwartier qualitytime, ontsmette ik mijn handen en reed ik terug naar huis. Thuis logde ik op het systeem van mijn werk om de kandidaten van onze trainingen te mailen dat alle trainingen geannuleerd werden en dat alle afspraken omgezet werden in telefonische afspraken.

Ondertussen kreeg ik annuleringen binnen in mijn privé e-mail. De film waar Frank en ik heen zouden gaan. De workshop die ik met Michelle zou doen. Alles werd geannuleerd. Bij de sushi-zaak tegenover ons huis, die normaal gesproken pas sluit als ik naar bed ga, was om zeven uur alles al donker.

Vandaag ging ik naar mijn werk in een compleet andere wereld. Met de auto in plaats van de trein. Omdat er toch geen files zijn. En om geen virus op te lopen in de trein. Ik zat alleen op kantoor en kwam niet aan werken toe omdat er drie lieve collega’s belden om ‘even bij kletsen’ omdat ik daar in mijn eentje zat. Omdat onze klanten duidelijk om een praatje verlegen zaten, toen ik – voor de zekerheid – nogmaals belde om door te geven dat alle trainingen geannuleerd zijn. Ze hielden me allemaal aan de praat.

Ik vind het altijd best fijn om eens een dagje alleen op kantoor te zijn. Ik vind het ook best fijn om eens een dagje thuis te werken. Maar ik realiseerde me ineens dat ik mijn collega’s waarschijnlijk weken lang niet zal zien. En dat vind ik niet leuk.

Buiten scheen de zon. De eerste lekkere terrasdag. Maar een vriendin heeft gisteren haar horecazaak moeten sluiten. Er reden lege bussen voorbij. Met briefjes er op ‘Achteraan instappen a.u.b.’. Het kantoor naast ons, dat visa verstrekt voor de UK, en waar normaal gesproken mensen in en uit lopen, handelde hun zaken af via een klepraampje.

Om vijf uur sloot ik af. Morgen is het kantoor voor mijn collega en werk ik thuis. Ik was al om half zes thuis. ‘Elk nadeel heb zijn voordeel’. Geen files. Na het eten ging ik weer naar de supermarkt. Om de spullen te kopen die ik gisteren niet kon krijgen. Maar het wc-papier was weer op (Kappen, jongens! Echt!). Ik ben verwend, realiseer ik me. Ik weet niet wat ik mee maak. Om blij te zijn omdat er weer crackers zijn. Joehoe!

Het zal wel wennen. Maar ik werd er vandaag een beetje emotioneel wiebelig van. Dus toen ik op tv een filmpje voorbij zag komen van NAC-supporters in Breda die een spandoek ophingen op het Amphia-ziekenhuis met de tekst ‘Hier werken de helden van Breda’ heb ik even een traantje weggepinkt.

Heb jij dat nou ook?