Auteursarchief: Nicky

Logwaardig fietstochtje.

Yes! Made it! Bij de strandopgang.

Na een klein Corona-dipje pakte Frank zijn revalidatie weer fanatiek op. En het gaat geweldig met hem! We gaan tegenwoordig een keer per week samen zwemmen en vorige week stond-ie zomaar ineens de ramen te lappen. En hij fietst zelfs! Dit voorjaar hebben we namelijk besloten een elektrische fiets te kopen voor hem. Een driewieler! Dat leek ons ideaal om zijn wereld een beetje groter te maken. Op Marktplaats vonden we er eentje. In ons eigen dorp nog wel! Dat leek ons een goed voorteken dus we gingen samen kijken en kochten de fiets.

Omdat het ding niet in de auto paste, wandelde ik de volgende dag naar de verkopende partij met de bedoeling om terug naar huis te fietsen op de driewieler. Kwestie van opstappen en wegfietsen, dacht ik. Maar dat viel tegen. Na twee keer trappen, lag ik al in de heg naast het fietspad. Ik heb de fiets uiteindelijk lopend mee naar huis genomen. We zouden even moeten oefenen.

Dat deden we ook. Een paar keer. Maar het viel niet mee. Toen Frank’s therapeuten bij Heliomare daarvan hoorden, pasten ze het hoofdstuk ‘fietsen’ naadloos in in zijn revalidatieprogramma. Een keer in de week kwam M. naar ons huis om met Frank te fietsen. Na twee keer oefenen, kon ze Frank te voet niet meer bijhouden en besloot ze voortaan op de fiets te komen. De derde keer appte ze me een foto van Frank bij het kasteel in ons dorp. Ze hadden een uur rondgefietst!

Enthousiast stelde ik aan Frank voor om dit weekend te gaan fietsen in de duinen. Maar toen het eenmaal weekend was, leek me dat toch een iets te ambitieus plan. “Zeg jij maar waar je heen wil” zei ik tegen Frank. Die antwoordde beteuterd “We zouden toch naar het strand fietsen?”. Oh. Nou. Oké. Dan fietsen we naar het strand. Ik nam drinken en lekkers mee en daar gingen we.

En we gingen als een speer! Vlotjes fietste Frank de duinen in, we genoten van het uitzicht en lasten af en toe een pauze in. Tot we bij Gasterij Kruisberg kwamen. Die Gasterij passeer je onderweg naar het strand. En hij is vernoemd naar de Kruisberg. Geen echte berg natuurlijk maar toch een flinke duin van 26 meter hoog. En ik zag het niet zo zitten om Frank op de fiets naar beneden te laten racen.

“We rijden om de Kruisberg heen” stelde ik voor en ik liet het aan Google Maps over om ons de weg te wijzen. Het ging een tijdje goed. We fietsten vrolijk verder en genoten van de kudde wilde paarden in de verte. Tot Google ons een pad door het gras instuurde. Vreemd. Maar het was te doen en Frank ging nog steeds als een speer.

Tot gaandeweg het pad steeds zanderiger werd en Frank niet meer vooruit kwam. Terug gaan was geen optie. Dus fietste ik vooruit, parkeerde mijn fiets, rende terug naar Frank en duwde hem een stuk vooruit, voorbij mijn fiets. Vervolgens rende ik weer terug om mijn fiets te halen, fietste Frank voorbij en rende weer terug om hem te duwen.

In de overtuiging dat het pad snel beter zou worden, ploeterden we zo door. Kan niet meer geweest zijn dan twee kilometer, maar het voelde als tien. Met als angstig hoogtepunt de kudde wilde paarden die ons inhaalde, terwijl ik Frank vooruit duwde, en zich nieuwsgierig rond mijn achtergelaten fiets opgesteld hadden. Ik vind paarden prachtig. Echt. Maar ook heel eng. Ik deed het bijna in mijn broek toen ik mijn fiets ophaalde.

Maar we haalden het! Uiteindelijk kwamen we uit op de verharde weg van de oorspronkelijke route en fietsten naar het strand. Daar zaten we even op een bankje bij de strandopgang. We besloten het daarbij te laten, even te rusten en dan naar huis te fietsen. De kortste route, over de Kruisberg. En hoe, dat zouden we dan wel zien. Terwijl we tegen elkaar zeiden dat dit toch wel een heel weblog-waardig fietstochtje was, stapten we weer op en fietsen we naar huis. We hadden geen idee hoe logwaardig het nog zou worden.

We genoten van het zonnetje en de mooie omgeving en fietsten tussen de Scottisch Highlanders door naar de Kruisberg. Frank fietste moeiteloos de Kruisberg op en zonder problemen de Kruisberg af en ik vervloekte mezelf om de omweg die we op de heenweg genomen hadden. We fietsten het dorp in en bij de laatste rotonde, op 500 meter van ons huis, vergat Frank even dat-ie drie wielen heeft. Hij pakte een stoepje mee en kletterde op straat.

In de overtuiging dat even rustig zitten wel zou helpen, parkeerde ik mijn fiets en haalde ik een stoel bij het naast gelegen terras. Toen ik met de stoel terug kwam, hadden vriendelijke omstanders – heel verstandig natuurlijk – al besloten dat Frank moest blijven liggen en een ambulance gebeld. Die was er snel. Frank had pijn op zijn borst (zoals altijd) maar ook in zijn zij. Toen de ambulancebroeders hoorden dat Frank een paar jaar terug al zijn ribben en zijn borstbeen gebroken heeft, waren ze er zo uit. Ze namen ‘m mee in de ambulance om foto’s te maken in het ziekenhuis.

De arts in het ziekenhuis constateerde vervolgens dat zijn ribben in het verleden ‘zo dramatisch gebroken waren’ dat ze niet vast konden stellen of er misschien een scheurtje in een van zijn ribben zat. Een scheurtje of een kneuzing maakte ook eigenlijk niks uit want daar is toch geen behandeling voor. Het belangrijkste was dat Frank geen klaplong had. Voor de zekerheid werd nog een hartfilmpje gemaakt en toen dat in orde bleek, mochten we naar huis.

En nu ligt mijn verkering op de bank. Te kreperen van de pijn. Nog meer dan anders. Ik vind ‘m heel zielig. Het ging nét allemaal zo lekker. Voor de zekerheid heb ik net nog even gecheckt of-ie het fietstochtje – ondanks alles – toch wel leuk vond. Hij vond het prachtig, zei hij. Alleen dat zandpad! Dat doet-ie nooit meer.

28!

Lieve Michelle,

Toen jij nog klein was, hoorde ik andere moeders wel eens zeggen dat ze ‘beste vriendinnen’ waren met hun dochter. Dat zag ik persoonlijk niet zo zitten. ‘Beste vriendinnen zijn’ met jou zou mijn machtspositie alleen maar ondermijnen. Ha ha. Ik besloot gewoon je moeder te zijn. Dat scheelde een hoop oeverloos discussiëren. Je had maar gewoon naar mij te luisteren. Omdat ik je moeder ben. Punt uit. Arm kind.

En of het daaraan lag of aan het feit dat we de eerste dertien jaar van jouw leven maar met z’n tweetjes waren weet ik niet. Maar onze rolverdeling pakte goed uit, al zeg ik het zelf. Ik herinner me het afscheid bij school toen je op kamp ging met groep 8. Wat waren je klasgenootjes vreselijk onbeschoft tegen hun moeders! (Oeh! Herinner jij je die grote mond van M. nog?)

Tja, tegen je beste vriendin kun je alles zeggen, nietwaar? Maar tegen je moeder die maandelijks je kleedgeld op je Pennyrekening stort niet. Te midden van al het gezanik en gezeur van je vriendinnen hing jij om mijn nek. ‘Dag, mam! Ik zal je missen, hoor,’ Want ik was tenslotte maar ‘gewoon’ je moeder. Niet je beste vriendin.

Als kleuter fantaseerde je over groot groeien. ‘Later… als ik een méns ben…’ zei je dan. Nu bén je een mens. En wat een leuk mens ben je geworden! Want wat er altijd al was en nu nog steeds, is de lol die we samen hebben. Jij, met jouw droge gevoel voor humor, waardoor ik altijd weer de slappe lach krijg als we samen zijn.

Ik houd van je nuchtere kijk op dingen. En ik bewonder hoe je in het leven staat. Ik herken je gevoel voor rechtvaardigheid. Zo was je al als kind. Jij doet wat goed is. Altijd. Bewondering heb ik ook voor je vastberadenheid. Als jij iets wil, gá je ervoor. Voor de volle honderd procent. Man, daar kan ik nog iets van leren! En ik vind het knap hoe jij altijd weloverwogen keuzes maakt. Al ben je nog zo enthousiast over iets; de ‘voors’ en de ‘tegens’ lijk je altijd op een rijtje te hebben. Met je hoofd in de wolken maar met beide voeten stevig op de grond.

Meestal dan. Want als kind al stond je vaker op je handen dan op je voeten. Dat is zo gebleven. Je appt ons foto’s van jullie verre reizen. En of het nou in New York was, op Bali, in Berlijn of in Vietnam; er is altijd wel een foto bij waar jij weer eens op je handen staat.

Ik ken je voorliefde voor dingen die hard en snel gaan. Toen je drie was, kreeg ik je al met geen mogelijkheid uit de wildwaterbaan in Valkenburg. Keer op keer ging je. Met tante Gerda. Want ik ben niet zo’n held. Daar zat je, in zo’n uitgeholde boomstam, met je wijsvingertje omhoog. ‘Nog één keertje?’ Dappere Dodo!

Het verbaasde me dan ook niks dat ik afgelopen week een appje van je kreeg met de mededeling dat je ging paragliden tijdens jullie vakantie in Oostenrijk. Soms zou ik willen dat je gewoon met een boekje op het strand ging liggen. Maar zo ben jij niet. Jij gaat gewoon lekker van een berg af springen. Maar wat bewonder ik je lef! Ik zou willen dat ik zoiets durfde! 

We zijn inmiddels allebei volwassen. We hebben ‘verantwoordelijkheden’. Banen, huishoudens, vaste relaties en rekeningen die betaald moeten worden. We hebben het allebei druk en zien elkaar niet wekelijks maar we appen ons een slag in de rondte.

We kletsen tegen elkaar over onze mannen en ons Omaatje en we  sturen elkaar de liefste foto’s van onze diertjes. We roddelen over collega’s en sturen elkaar screenshots van de leukste dossiers op ons werk. Geanonimiseerd natuurlijk want we zijn allebei keurige meisjes. En haast elke dag sluiten we de dag af met een appje ‘Weltrusten! Slaap lekker. Luf joe’

Na 28 jaar ben ik nog steeds gewoon je moeder. En jij bent gewoon mijn dochter. Maar jij, mijn lieve schat, jij had zomaar mijn beste vriendin kunnen zijn. En als ik zélf mijn dochter uit had mogen kiezen, zou ik jou gekozen hebben.

Gefeliciteerd met je verjaardag! Maak er een mooie dag van. Het is nog steeds een feest om jouw moeder te zijn! Luf joe! ❤️

Bal(kon)jurk.

Eind vorig jaar kreeg ik van mijn moeder haar oude naaimachine cadeau. Ik maakte er zo moeiteloos kussenslopen en pyjamabroeken mee dat ik me toen al voornam om het jaar daarop een zomerjurkje te maken. Maar het was november, de zomer was nog ver weg en de naaimachine verhuisde naar de berging. En uit mijn systeem. Tot het augustus werd en we een gigantische hittegolf kregen.

In een winkeltje in het dorp zag ik een zomerjurkje hangen. Zo’n heerlijk zonnejurkje van soepel vallende stof. Lekker luchtig. Precies wat je nodig hebt op hele warme dagen op je balkon. Een balkonjurk, zeg maar. Ineens herinnerde ik me mijn vage plan om een jurkje te maken. En ik kreeg een briljant idee! Als ik nou dat jurkje kocht en het na tekende op een lapje stof dan kon ik makkelijk zelf zo’n jurkje maken. En het originele jurkje zou ik weer terugbrengen naar de winkel. Dan was ik lekker een stuk goedkoper uit dan de € 20,- die ze durfden te vragen voor zo’n simpel jurkje.

Fluisterend bracht ik mijn verkering op de hoogte van mijn snode plannen voor we de winkel in stapten. ‘Ik ga dus niet passen, hè!’ siste ik hem toe. ‘Dat jurkje moet mee naar huis zodat ik ‘m na kan maken’. De verkoopster luisterde geduldig naar mijn gespeelde twijfels. ‘Hij is wel een beetje kort. En dat decolleté.. ik weet niet..’ mompelde ik. ‘Pas ‘m anders even’ opperde ze vriendelijk. Ik veegde theatraal over mijn voorhoofd en klaagde dat het veel te warm was om te passen. ‘We hebben hele ruime paskamers, hoor!’ meldde de verkoopster. Mijn verkering deed, met zijn slechte korte termijngeheugen, nog even een duit in het zakje. ‘Ja, joh! Pas ‘m nou even. Da’s toch zo gebeurd?’

Ik zette vervolgens een acteerprestatie neer waar menig Oscar-winnaar jaloers op zou zijn en wist beiden te overtuigen dat ik écht niet in staat was om het jurkje te passen. Zo warm! Poe! Zweet! Bah! Vijf minuten later stond ik buiten. Met jurkje. En de bon voor als ik wilde ruilen. En dat deed ik. Maar pas nadat ik het jurkje nagetekend had op een lapje stof van de markt.

Mijn naaimachine from hell werkte redelijk mee al moet ik het spoeltje nog steeds met de hand opwinden. Maar wie denkt dat dat veel tijd kostte, kan ik gerust stellen. Dat viel wel mee. De draad in de naald krijgen! Dat duurde pas lang! Maar ik prutste vastberaden door et voilá! Toen had ik een balkonjurk!

Ik was zo tevreden over het resultaat dat ik het aandurfde om in mijn balkonjurk boodschappen te gaan doen. Sterker nog; ik ging er zelfs mee naar een restaurant want met hoge hakken er onder leek het jurkje meer op een baljurk dan op een balkonjurk. Maar de échte goedkeuring moest nog komen. Die van mijn moeder. Want als er iemand is die verstand van heeft van kleding maken, is zij het.

Toen de hittegolf voorbij was, ging ik op bezoek bij mijn moeder. In mijn balkonjurk. Met een vestje er over. Mijn moeder voelde eens aan de stof, bekeek mijn broddelwerk uitvoerig van dichtbij en knikte toen goedkeurend. ‘Zo’n jurk had ik ook wel willen hebben toen het zo warm was’ zei ze.

Een groter compliment kun je niet krijgen! Dus kroop ik afgelopen week weer achter de naaimachine en stuurde een homemade balkonjurk naar haar op. Ik hoop dat ze ‘m op tijd ontvangt. Want dinsdag wordt het 32 graden in Brabant. Kan mijn moeder lekker in de tuin zitten. In haar balkonjurk.

Uncle Bob speelt vals.

Deze Uncle Bob had één grote wens. De wens om na al die Scottish highlanders, lammetjes, koeien, katten en honden eens een echte zeehond te fotograferen. Helaas weigeren de zeehonden tevoorschijn te komen als ik op het strand ben. Maar vorige week lukte het dan toch! Ik fotografeerde een echte zeehond. Sterker nog; ik fotografeerde er wel tien!

Maar ik speelde wel een beetje vals. Het waren de zeehondjes bij Ecomare op Texel. Koud kunstje natuurlijk om daar zeehondjes te fotograferen. We waren overigens niet alleen voor de zeehondjes naar Texel gegaan, hoor. Mijn verkering, die jarenlang als zakenman de hele wereld over reisde, was nog nóóit op een Waddeneiland geweest. Dat kán natuurlijk niet. Daar moest verandering in komen. Dus nam ik hem mee naar Texel.

Ik ging er jarenlang op vakantie, toen dochterlief nog klein was, met mijn zus en haar gezin. Vanuit het Brabantse land waren we altijd een halve dag onderweg om er te komen. Met de jaarlijkse vaste tussenstop bij het wegrestaurant bij Breukelen. Dat is zó lang geleden dat onze meiden nog Spice Girl-poses aannamen toen we foto’s maakten daar op de stoep. Die tussenstop bij Breukelen is niet meer nodig. Het zou technisch gezien zelfs heel onhandig zijn. Want vanuit onze huidige woonplaats sta je na een uurtje rijden al in Den Helder. Ik moet er nog steeds aan wennen dat Texel nu vlakbij is. 

Ik kan me niet herinneren dat het veel regende tijdens onze vakanties op Texel. Maar op de dag dat wij naar Texel gingen, viel de regen met bákken uit de lucht.  Dat was jammer. Jammer was ook dat we – vanwege corona – alles gereserveerd hadden en dus niet ‘even’ op een andere dag konden gaan. Jammer was ook dat we op de boot in de auto moesten blijven zitten. En dat we het in het Museum Kaap Skil te druk vonden en dus snel weer buiten stonden. 

Maar toch was Texel leuk. Omdat Texel nog steeds maar één stoplicht heeft. Omdat de regen niet zo heel erg was omdat we met de auto waren. Omdat Frank vanuit de auto toch een beetje een idee van Texel kreeg en het heel mooi vond. Omdat we het lekkerste Broodje Gezond ooit haalden bij  Restaurant De Robbenjager en dat vervolgens in de auto op aten omdat het restaurant vol was. Maar met de ramen die gezellig besloegen, de regen kletterend op het autodak en wij lekker knoeiend met onze broodjes in de auto was dat eigenlijk helemaal niet erg.

Omdat Frank daarna gewoon lekker een tukkie deed in de auto terwijl ik bijna verzoop terwijl ik snel naar de vuurtoren rende om een foto te maken. En voor de automobilist die het leuk vond om vol door de plas naast mij te rijden: jij had heel veel mazzel dat ik geen baksteen in mijn jaszak had!

 

Maar Texel was vooral leuk omdat de regen spontaan ophield toen wij bij Ecomare aankwamen. En ik eindelijk, eindelijk, eindelijk zeehondjes kon fotograferen. Ik ben verliefd.