Auteursarchief: nicky

Cadeau.

Ergens eind 2016, in de auto onderweg naar mijn moeder, vertelde Michelle dat ze een cadeau voor mij had. En voor Oma had ze zo’n zelfde cadeau. Toen bij mijn moeder de koffie op tafel stond, haalde Michelle de pakjes tevoorschijn. Een voor mij. En een voor mijn moeder. Binnen no time hadden we onze pakjes uitgepakt. We kregen allebei een boek. Geen leesboek, maar een boek dat we zelf nog moesten schrijven!

Mijn boek heet ‘Mam, vertel eens…’. En mijn moeder kreeg het boek ‘Oma, vertel eens…’ Ik had wel eens van die boeken gehoord. Er staan allerlei vragen in, die je moet beantwoorden. Gewoon, leuk! Voor later. Omdat er altijd dingen zijn die je niet weet over je moeder. Gewoon omdat het nooit ter sprake kwam. Of omdat het niet belangrijk lijkt. Terwijl het zó leuk is om al die dingen te weten.

Ik rukte meteen het cellofaan van het boek en begon te bladeren. Er staan vragen in over je kindertijd, het gezin waarin je opgroeide, je eerste vriendje. Van alles! Ik was laaiend enthousiast. Ik schrijf graag. Het leek me hartstikke leuk om allerlei verhalen en herinneringen op te schrijven. Voor Mich. Voor mezelf. Voor later.

Bladerend in haar boek gaf mijn moeder meteen antwoord op de eerste vraag over toen ze geboren werd. ‘Oma Rietje en ik hadden geen ledikantje’ zei ze ‘Onze moeder legde ons op twee fauteuils die ze tegen elkaar geschoven had. Dat kan ik dan opschrijven.’ Kijk! Dat wisten wij dus niet!

Inmiddels zijn we anderhalf jaar verder. Door alle medische toestanden hier, bleef mijn boek heel lang leeg. Dat van mijn moeder ook, want schrijven bleek voor haar inderdaad toch erg lastig te zijn. Ze is nog vreselijk bij de tijd maar haar handen willen niet meer. Maar na onze verhuizing besloot ik toch eens aan onze boeken te beginnen.

En wat is het leuk! Door de vragen in het boek herinner je je dingen die je allang vergeten was! En wat is het leuk om door je foto-albums te bladeren om foto’s bij de verhaaltjes te zoeken. Of op internet plaatjes te zoeken van je favoriete speelgoed om uit te printen en in te plakken.

Gisteren was ik, in mijn eentje, op bezoek bij mijn moeder. Een mooie kans om een stukje te schrijven in haar boek, vond ik. Dus zaten we samen aan de eettafel, met een kop koffie en stelde ik haar de vragen die in het boek staan. Zij vertelde en ik schreef. Dingen die ik niet wist. Dingen die ik schattig vond.

Later kwamen ook bij haar de foto-albums op tafel en maakte ik, met mijn mobiel, foto’s van haar foto’s om in haar boek te plakken. Ik keek naar haar oude handen, terwijl ze familieleden aanwees op de oude zwart-wit foto’s. ‘Dit is mijn vader, dit is mijn broer Tini. En dit zijn Riet en ik’. ‘We hadden helemaal niks’ zei ze glimlachend ‘maar toch was het een mooie tijd’.

Ik merk dat ze ongeduldig is en uitkijkt naar het hoofdstuk over vriendjes. Ik vond het lief dat ze zei ‘Van je vader heb ik ook leuke foto’s om in te plakken’. Ze kan niet wáchten om over hem te vertellen!

Het heeft wel iets. Om zo met mijn moeder aan tafel te zitten. Omringd door haar foto-albums. Luisterend naar haar verhalen. We spreken af dat we, steeds als ik bij haar ben, een stuk in haar boek gaan schrijven. En lollig als altijd, constateren we dat er nog heel veel hoofdstukken zijn en dat ze dus nog lang niet dood mag gaan.

Ik bof. Met mijn oude moedertje.
En met een dochter die zulke bijzondere cadeautjes geeft.

Zo kom je nog eens ergens.

Sinds ver, ver vorige eeuw ben ik bloeddonor. Een goede gewoonte die ontstaan is, ergens in 1987, toen ik nog een arme caissière was, geen cent te makken had en toch iets wilde doen voor een goed doel. Al die jaren wordt, als dank voor mijn donatie, regelmatig mijn bloeddruk en het ijzergehalte in mijn bloed gecheckt. Achter de schermen wordt op nog veel meer gecheckt maar daar sta ik nooit bij stil. Ik ben al tevreden met de koffie en de roze koek na iedere donatie. En aangezien ik geen lichamelijke klachten heb na het bloed geven ben ik van plan nog heel lang door te gaan.

Na jarenlang gedoneerd te hebben in Breda en daarna in Amsterdam, googelde ik na mijn verhuizing naar Heemskerk op ‘bloedbank Heemskerk’. En ja, hoor! Ook daar was een locatie van Sanquin. Ik verstuurde een adreswijziging en wachtte mijn volgende oproep af. Begin dit jaar kreeg ik een uitnodiging in de bus.

Op de uitnodigingen die ik in Amsterdam kreeg, stonden de openingstijden vermeld en het bericht dat ik binnen twee weken langs kon komen voor een donatie. Maar op de uitnodiging die ik nu kreeg, stond maar één datum vermeld. Op die dag kon ik langs komen om bloed te geven. Vreemd, vond ik, maar toevallig was het die dag mijn vrije dag dus op de bewuste dag keek ik op Google Maps waar ik moest zijn. Zes minuten fietsen. Makkie. Maar de regen viel met bakken uit de hemel dus besloot ik, lui als ik ben en van suiker bovendien, de auto te pakken.

Vier minuten rijden. Met mijn navigatie aan ging ik op weg. Eerste rotonde, rechtdoor, tweede rotonde rechtdoor. Het zag er naar uit dat ik het dorp uit reed. Terwijl de regen op mijn voorruit kletterde, meldde mijn navigatiemevrouw zich. ‘Uw bestemming bevindt zich aan de linkerkant.’ Ik tuurde door mijn beregende ramen naar links maar ik zag geen bloedbank. Alleen de parkeerplaats van de plaatselijke voetbalvereniging.

Het leek me verstandig om daar even te kijken wat er misgegaan was en desnoods te keren. Ik parkeerde op de parkeerplaats en ineens zag ik hem staan. Een enorme bus met een belettering van een enorme onderarm er op. Verhip! Een bloedbankbus! Ik stapte uit de auto en beklom twijfelend het trapje naar de bus. Door het raam zag ik een vrouw in stoel, duidelijk bezig met een donatie, vriendelijk wijzen naar het gebouw naast de bus; de kantine van de plaatselijke voetbalvereniging.

Ik volgde de bordjes die ik in eerste instantie over het hoofd gezien had. ‘Voor bloeddonatie melden in de bestuurskamer’. En zo gebeurde het dat ik mijn formulier om bloed te mogen geven invulde in de bestuurskamer van de voetbalvereniging. Waarna ik door mocht lopen naar de bloedbankbus waar ik, zonder problemen, mijn halve litertje bloed af liet tappen. ‘Gaat het goed?’ vroeg de medewerksters toen ik klaar was. ‘Neem lekker een bakkie koffie’ vervolgde ze vriendelijk. En dat deed ik. Met een roze koek erbij. Zittend op een chique stoel in de bestuurskamer van Odin ’59.

“Je raadt nooit waar ik was!” zei ik tegen Frank toen ik thuis kwam. “De bloedbank, toch?” antwoordde hij. Waarop ik triomfantelijk riep “In de bestúúrskamer van Odin ’59!”

Zo zie je maar; als bloeddonor verricht je niet alleen een goede daad.
Je komt ook nog eens ergens!

Gelukkig hebben we de foto’s nog.

Op mijn werk hebben we geen bedrijfskantine. Sterker nog; hebben helemaal geen kantine. We hebben alleen een kantoor. Met sinds kort een keukentje, dat wel. Maar in dat keukentje zit dan weer geen koelkast. Da’s op zich niet zo erg; ons kantoor is niet warm te stoken dus onze thuis-gesmeerde boterhammetjes blijven lekker koel.

Maar het vervoer van die boterhammetjes naar mijn werk was een beetje een probleem. Mijn broodtrommetje vond ik te groot om in mijn schoudertas te proppen. Dus mijn bammetjes propte ik in plastic zakjes in mijn schoudertas. Na de treinreis naar mijn werk had ik tijdens de lunch altijd enorm verfrommelde boterhammen, waarvan het beleg meer op de buitenkant zat dan er tussen en echt milieuvriendelijk is het ook al niet. Bovendien heeft mijn yoghurtbeker ook al een paar keer voor een ravage in mijn schoudertas gezorgd. Dus besloot ik voortaan een extra tasje mee te nemen naar mijn werk. Een lunchtasje!

Vroeger, toen ik nog in Breda woonde, had ik een perfect lunchtasje. Niet te groot, niet te klein en het was nog een koeltasje ook! Ik gebruikte hem nooit. Hij hing in de kelderkast. Met, geen idee meer waarom, een regenbroek er in. Nadenkend over een lunchtasje, zag ik in gedachten dat knalroze tasje hangen. Ik wist ook zeker dat ik ‘m mee verhuisd heb naar Amsterdam. Hij zat met talloze andere tassen in een sporttas die in de berging stond. Zes jaar lang. En toen we hierheen verhuisden, heb ik al die tassen weggegooid. Ook dat kleine, handige koeltasje..

Dus ging ik op zoek naar een nieuw exemplaar. Want er zijn genoeg lunchtasjes, natuurlijk. Maar ik wilde er precies zo eentje als ik had. En uiteindelijk vond ik er een. Op de site van Aliexpress. Kost geen drol daar, waarschijnlijk doordat talloze kindertjes 12 uur per sloven om voor ons spulletjes in elkaar te zetten. Maar doordat die kindertjes héél ver weg wonen was de levertijd van mijn tasje 30 dagen. Da’s niks voor mij. Ik ben niet van het wachten. Als ik iets wil, wil ik het meteen. Dus bestelde ik geen tasje.

Donderdag liep ik, voor de lol, zomaar even het Kruidvat binnen. En daar zag ik ‘m! Een koeltasje, precies zo eentje als ik had maar dan blauw. Waarschijnlijk ook door kinderhandjes in elkaar gezet maar ja, hij lag nu al hier in de winkel. Blij huppelde ik even later met mijn tasje naar huis. Ik maakte een foto en appte die naar dochterlief om mijn nieuwe aankoop te showen. ‘Chill!’ appte kind terug. Wat ik erg grappig vond omdat het een koeltasje is. Ha!

Vrijdag nam ik mijn lunch mee in mijn lunchtasje. Mijn boterhammen bleven in model, mijn yoghurt en mijn banaantje bleven heerlijk koel en ik was helemaal tevreden. Om vijf uur vertrok ik naar huis. Met mijn schoudertas om mijn schouder en mijn lunchtasje in mijn hand kletste ik nog even met een collega. “Wat heb je een leuk tasje!” zei ze. En ik overhandigde haar mijn lunchtasje zodat zij hem even kon bekijken. Dat deed ze, terwijl we ondertussen kletsten over onze dochters, vriendjes en het komende weekend en de tijd vergaten.

Dus vertrok ik gehaast. ‘Ik moet rennen, Marjo! Anders mis ik mijn trein!” Ik wenste haar een fijn weekend, sprintte naar het station en haalde nog nét mijn trein. Terwijl ik ging zitten realiseerde ik me dat mijn kekke lunchtasje nog op het bureau van Marjolijn stond. En komende week werk ik veel thuis. Donderdag ga ik pas weer naar kantoor dus tot die tijd moet ik mijn nieuwe aanwinst missen. En ook mijn yoghurtbeker. En mijn handige mini-thermoflesje. Eén voordeel; ik hoef tot die tijd ook geen lunch mee te nemen.

En ach. Gelukkig hebben we de foto’s nog.

Strand.

Tweede Kerstdag vorig jaar kreeg ik het idee voor het eerst. Frank sliep ‘s middags zijn medicijnenslaapje. Ik zat naar hem te kijken en overdacht mijn opties. Ik kon A: gaan zitten kijken hoe hij sliep of B: een emmer sop pakken en gaan poetsen. En ineens borrelde optie C in mijn hoofd op. Ik kon natuurlijk ook de fiets pakken en naar het strand gaan.

Toen we hier naartoe verhuisden was één van de dingen waardoor we overstag gingen het feit dat het strand vlakbij is. Afgelopen zomer zijn we ook een paar keer naar het strand geweest. Maar met de auto. Naar Egmond aan Zee en naar Wijk aan Zee. Het strand van Heemskerk is alleen op de fiets bereikbaar en ik was er nog nooit geweest.

Ik stopte Frank onder, haalde mijn fiets uit de berging, blies het stof er af en stapte op. Ik weet niet of je je het nog herinnert, maar met Kerst waaide het heel erg hard. In het dorp viel het nog mee maar in de duinen trapte ik me te pletter. Met het zweet op mijn rug en een loopneus van hier tot ginder trapte ik dapper door.

Ik passeerde Gasterij Kruisberg waar veel wandelaars een frisse neus haalden, breeduit lopend op het fietspad met kinderwagens en honden. Mijn eerste Heemskerkse irritatie. Luid bellend, zoals dat in Amsterdam normaal is, joeg ik iedereen opzij.

Bij de uitkijktoren Kruisberg nam ik een pauze. Nou ja, pauze… Ik zette mijn fiets neer en klom helemaal naar boven om van het uitzicht te genieten. Toen ik weer beneden kwam, bleek dat ik vergeten was mijn fiets op slot te zetten. Een Heemskerks voordeel: hij stond er nog.

Ik liet de wandelaars achter me en fietste in mijn eentje verder, mijn route bepalend aan de hand van ouderwetse paddenstoelen, door de duinen. Ik kwam bijna niet vooruit door de harde wind maar nu ik zó dichtbij was, wilde ik van geen opgeven weten. En ineens was-ie daar. Tussen twee duinen door zag ik ‘m. De zee!

Ik heb altijd geroepen “als ik later oud ben, wil ik bij de zee wonen”. En ineens loop ik voor op schema. Want ik ben nog lang niet oud maar ik woon nu al vlak bij zee.

Ik zette mijn fiets tegen een hekje en liep het strand op. Wilde golven rolden op het strand. Af en toe liet de late middagzon zich heel even zien. Het was koud en het waaide als een malle. En ik voelde een brede grijns opkomen. Het strand! Míjn strand! Ik wóón hier!

Afgelopen zondag was ik er weer. Op het strand. Het was koud. Heel erg koud. Waardoor ik het hele Heemskerkse strand voor mij alleen had. Heerlijk is het! Om gewoon een stuk over het strand te lopen. Om naar de golven te staren. Naar de zeemeeuwen te kijken. En lekker uit te waaien. Oh, man! Ik ga hier zóveel plezier van hebben.
Ik heb een eigen strand!