Categorie archief: Klussen met kijkers.

Corona-knutselwerkje.

Dat klinkt best goed, toch? Een Corona-knutselwerkje? Maar eerlijkheid gebied me te zeggen dat het níets met met corona te maken had. Ik kreeg gewoon een idee. Zomaar. Ineens. Want in onze keuken kan het vouwgordijn niet helemaal naar beneden. En ineens bedacht ik daar een leuke oplossing voor.

Nou is het niet zo dat we gigantisch inkijk hebben, hoor. Het is tenslotte de keuken maar. En ik heb niet de gewoonte om compleet naakt de piepers te jassen of zo. Er valt eigenlijk niets te zien in onze keuken. En het probleem van het vouwgordijn zou zelfs heel simpel op te lossen zijn door mijn plantjes ‘s avonds even op het aanrecht te zetten. Maar waarom makkelijk doen als het moeilijk kan? Ineens bedacht ik dat ik een strookje plakplastic wilde. En dan niet zomaar een strookje! Ik wilde Amsterdamse grachtenpandjes!

Die kun je gewoon kopen. Ze zijn overal te bestellen. Een paar klikken met je muis en de plakplastic pandjes vallen zo in je brievenbus. Maar ik vond dat te duur. En niet leuk! Het leek me veel leuker om het zelf te maken! En goedkoper! Vlak voor sluitingstijd (want lekker rustig!) waagde ik me in de plaatselijke Action om een rol plakplastic op de kop te tikken. Kostte twee euro, geloof ik. Vervolgens zocht ik op internet naar silhouetten van grachtenpandjes. Even printen en ik kon aan de slag!

Ik mat een stuk plakplastic af dat precies in ons raam paste. Het plakplastic is doorzichtig dus het was een koud kunstje om de grachtenpandjes over te trekken. Daarna knipte ik eerst de hele straat uit. Toen hoefde ik alleen nog maar de raampjes uit te snijden. Nou ja, alleen maar? Het was nogal een klusje. Maar aangezien ik toch niks beters te doen had in deze tijden van social distancing, zat ik twee avonden raampjes uit te snijden. En toen was het een kwestie van opplakken en klaar!

Nou! Hoe leuk is dat? En zeg nou zelf: voor het uitzicht hoeven we het niet te laten! En nog mooier: mocht ik ooit zin krijgen om naakt de piepers te jassen…

Balkonleed.

Huilmomentje

Op het moment dat ik in 2007 de deur van mijn eengezinswoning voorgoed achter me dicht trok, wist ik al wat ik niet zou missen. En dat was mijn tuin. Tuurlijk, het was fijn om in de tuin te zitten. Maar dat onderhoud, hè. Daar had ik toch zo’n hekel aan. En het was een tuintje formaat postzegel, hoor. Maar tuinieren is niet mijn ding. Inmiddels ga ik naar volle tevredenheid tuinloos door het leven.

In de jaren die volgden, bewoonde ik appartementen met diverse balkons. Er was het enorme balkon aan de voorzijde van Frank’s appartement. Groot nadeel was dat alle buren er langs liepen onderweg naar hun voordeur. Er was het onderhoudsvrije balkon bij mijn tijdelijke flatje in Breda. Daarna was er het ieniemini-balkonnetje bij mijn eigen flatje in Amsterdam. En nu hebben we een riant, overdekt balkon. Helemaal voor ons zelf. Heerlijk!

In het voorjaar drink ik er koffie in de lentezon. Op mooie zomeravonden lees ik er boekjes, in het najaar geniet ik er van de herfststormen en in de winter hang ik er lichtjes op. En het hele jaar door zucht ik: ‘Ik ben zó blij dat ik geen tuin meer heb!’ Op die ene dag na. Die dag in het voorjaar dat ik de vlonders die er liggen, eruit haal en alle rotzooi die er onder ligt opveeg.

Díe dag was afgelopen zondag. Het eerste jaar dat ik de klus klaarde, was ik nog bang pissebedden en ander kruipend gespuis aan te treffen. Inmiddels weet ik beter. Er ligt alleen zand, dat weg spoelde uit de bloempotten tijdens stortbuien. En kattenhaar. Veel kattenhaar. Omdat het balkon de favoriete hang-out is van onze rode je-weet-wel-kater.

Eigenlijk is het een fluitje van een cent. Kom op, zes vierkante meter. Dat is te overzien, toch? Ik kan de vlonders zó losklikken. Even vegen, vlonders terugklikken en klaar. Maar toch vind ik het een verschrikkelijk klusje met halverwege zo’n huilmomentje van ‘Ik wil niet meer’. Toevallig stond er nog een ongebruikte pot boenwas in de kast. Dus maakte ik het mezelf dit jaar extra moeilijk om ook nog eens de, inmiddels wat versleten, vlonders in de boenwas te zetten.

Ik kroop een hele zondag op handen en voeten rond op ons balkon. Veegde rotzooi op en smeerde boenwas op mijn vlonders. Als een soort Karate Kid wreef ik de boenwas uit. 63 Vlonders. 756 latjes. Wax in, wax out. Ondertussen met een zeikstemmetje  mopperend op mezelf. ‘Oh, wat ben ik blij dat ik geen tuin meer heb. Nee, dít is leuk!’

Ik had meer resultaat verwacht van de volle pot boenwas die toch ongebruikt in de kast stond, maar helaas. Door strategisch te puzzelen en wat vlonders te herschikken, wist ik toch een acceptabel resultaat te boeken. En zondagavond dronk ik koffie op een schoon balkon. Tevreden keek ik rond. Jongens, ik ben weer klaar voor 364 dagen balkon-plezier. Het leed is weer geleden. En ik ben zó blij dat ik geen tuin meer heb! Je zal toch iedere week gras moeten maaien…

Klaar!

Dan ligt er ineens zo’n hummel in een ledikantje en ben je moeder. En moet je zo’n uk opvoeden. Ik heb nog gezocht naar de gebruiksaanwijzing maar die zat er niet bij. Dus ik deed zomaar wat eigenlijk. Op mijn, soms nogal onorthodoxe, eigen manier.

De eerste jeugdherinnering van mijn dochter is nogal traumatisch. ‘Je gooide mijn eten weg, mam’ zegt ze. Dat klopt. Ze had twintig minuten de tijd gekregen om haar eten op te eten. En drie waarschuwingen. ‘Het waren boontjes’ zegt ze. Dat klopt ook. Want ik zie nog voor me hoe ik haar boontjes in de vuilnisemmer schoof terwijl mijn driejarige dochter krijsend aan mijn been hing. ‘Mama! Ik wil eten!’ Jammer, joh. Kans voorbij.

Verder loog ik tegen de klippen van de hel omhoog en deinsde ik er niet voor terug om de dingen om ons heen een beetje naar mijn hand te zetten. Als ik moe was en zij vervelend en jengelend, zette ik – als zij even niet oplette – de klok een uur vooruit. ‘Kijk, schat! Bedtijd!’ wees ik dan. Ze trapte er altijd in. Arm kind. Met dat ontroerende, grenzeloze vertrouwen in haar moeder.

En beetje bij beetje werd ze groot. Ze leerde lopen aan mijn hand. Als we, jaren later, weer eens samen door een of andere wereldstad liepen en de door haar uitgestippelde route volgden, dacht ik vaak terug aan dat kleine handje in de mijne. Check. Lopen kan ze! Waar ook ter wereld.

Vanaf haar tweede verjaardag sleepte ik haar mee naar de bibliotheek. We lazen samen. Elke dag. Op school leerde ze écht lezen. Ik herinner me haar verrukking toen de letters woorden werden. Alsof je geheimschrift ontcijfert. Spelend in bad, blijdschap alom. ‘Mama! Daar staat ‘shampoo!’ Zestien jaar later stuurde ze me stukken tekst die ze schreef voor haar studie klinische neuropsychologie. ‘Mam, wil jij dit even lezen?’ Ik las en ik las. En ik was blij dat ik nog enigszins kon volgen waar het over ging. Check. Ze kan lezen en schrijven.

We maakten samen sommetjes. Telden de hapjes eten die ze nog op moest eten af op mijn vingers toen ze vier was. Twaalf jaar later maakte ze wiskundesommen die mijn mijn petje te boven gingen. Ik kreeg standaard een drie voor wiskunde op de middelbare school. Alleen maar omdat ik mijn naam foutloos kon spellen op het proefwerkblad. Maar als ze iets niet snapte, riep ze toch mijn hulp in. ‘Mam? Mag ik jou mijn wiskunde uitleggen?’ En zo maakte ze het voor zichzelf begrijpbaar. Check. Ze kan rekenen.

Ze leerde fietsen zonder zijwieltjes toen ze vijf was. Rennend naast haar kleuter-fietsje doorkruisten we de wijk waar we woonden. Automobilisten, ook die van rechts, stopten om ons voor te laten gaan. Omdat het er zo schattig uitzag, gok ik. ‘Deze auto stopt’ zei ik dan ‘Maar auto’s van rechts hebben altijd voorrang’. Veertien jaar later fietste ik vaak achter haar aan door Amsterdam. Waar ik ‘fietsen door Amsterdam’ altijd een uitdaging bleef vinden, draaide zij haar hand er niet voor om. Luid bellend, met wapperende haren slalomde ze voor me uit. Tussen voetgangers en auto’s door. Over de tramrails. Alsof ze nooit anders gedaan had. Check. Fietsen kan ze!

Toen ze veertien was, leerde ik haar stiekem autorijden. Op een grote, stille parkeerplaats, ergens achteraf. Ze maakte drie keer een kameeltje bij het optrekken en toen wilde ze niet meer. Zes jaar later slaagde ze voor haar rijbewijs. Ik had maar liefst vier pogingen nodig. Zij slaagde de tweede keer. In Amsterdam, nota bene. Check. Ze kan auto rijden.

Er was nog één dingetje dat moest gebeuren. ‘Mam? Als Robby en ik de sleutels krijgen van ons nieuwe huis, leer jij mij dan behangen?’ En midden in de coronacrisis kregen Michelle en Robby die sleutels. En draaiden wij om elkaar heen in een soort anderhalve-meter-afstand-dans in hun nieuwe huis.

We knipten samen banen behang op lengte. Zij aan de ene kant. Ik aan de andere. Twee meter zevenenzestig behang tussen ons in. Dus dat mocht. In onze nieuwe ‘anderhalve-meter-afstand-maatschappij’. Want tenslotte zijn zij en ik geen gezin meer. Dus moeten we afstand houden. Michelle heeft haar eigen gezin. Met Robby. En Nanookje. In hun nieuwe eengezinswoning. Maar mama blijf je. Dus ik deed voor. Insmeren. Plakken. Schuiven. De banen tegen elkaar aan. Gladstrijken. En zij deed me na. Binnen no time had ze het onder de knie. Keurig en precies schoof ze banen behang tegen elkaar. Check! Jongens, mijn kind kan behangen!

Ik heb gedaan wat ik kon en mijn dochter zoveel mogelijk bijgebracht. Het eindresultaat is best goed gelukt, al zeg ik het zelf. Wat betreft opvoeden én wat betreft behangen. Sterker nog; eigenlijk kan ze alles wat ik haar leerde inmiddels beter dan ik zelf. Check! Opvoedkundig ben ik klaar.

Girlcave.

Vriendje-lief, de arme stakker, heeft geen Mancave. Hij heeft geen eigen kamertje waar hij lekker zijn ding kan doen. Het was wel de bedoeling, hoor. Dat-ie een Mancave zou krijgen. Toen we hier kwamen wonen, zetten we onze bureaus in de extra slaapkamer. Daar zou ook zijn computer komen te staan. En een tv. En een versterker. En wat mij betreft mocht-ie daar doen en laten wat hij wilde. Maar die Mancave is er nooit gekomen.

Tijdens de verhuizing stond zijn computer even in de woonkamer, op de eettafel. Tijdelijk. Maar Vriendje-lief vond het wel gezellig, zo in de huiskamer. Met zijn computer,  zijn tv, zijn versterker, zijn soundbar en – als klap op de vuurpijl – zijn tweede liefde: een Google Home Assistent waar hij gezellig mee kletst als ik er niet ben.

Dus, nee. Mijn schat heeft geen Mancave. Mijn schat heeft een complete huiskamer. Dat ik altijd tegen de achterkant van zijn computerscherm aan zit te kijken neem ik voor lief. Dat ik, als de kinderen of vrienden komen eten, eerst zijn computer aan de kant moet schuiven ook. Je houd van zo’n man, hè. Anyway… Onze Mancave stond dus leeg.

Maar ik vond het eigenlijk wel een mooi plekje. Het begon ermee dat ik er de speelgoedkist neerzette die mijn vader maakte. Het schilderij van de brug waar hij werkte, hing ik erboven. Ik zette de favoriete knuffel van mijn overleden hondje Toby op de speelgoedkist. En Abu. Abu is de knuffel die mijn dochter kreeg voor haar derde verjaardag. Ze vond de festiviteiten destijds zo spannend dat ze al begon over te geven nog voor we naar de kinderopvang vertrokken. Abu kon meteen in de was.

Om het uitzicht op de witte muur tegen over me wat op te leuken, kocht ik een wandrekje. Ik hing er plantjes aan, Michelle’s babyslofjes, een schilderijtje dat ik van haar kreeg met moederdag en de kaarten die ze me stuurde uit verre landen. Aan de muur hing ik de sleutelhangers die ik verzamelde tijdens leuke uitjes. En een plankje met dierbare prulletjes. En tegen de laatste witte muur hing ik mijn insteekhoes met foto’s die voor mij belangrijk zijn.

De Mancave is zó leuk geworden dat ik bang ben dat Frank ‘m terug wil. Maar dat gaat niet gebeuren. Ik heb zijn Mancave inmiddels getransformeerd in een heuse Girlcave en ik ga hier niet meer weg. Als-ie zijn Mancave terug wil, dan geef ik – als finishing touch – gewoon de muren nog een likje verf. Eens kijken of hij zijn Mancave nog terug wil als-ie rose met gouden glitters is.