Categoriearchief: Me, myself and I

Minibieb.

Een tijdje terug kreeg ik een e-mailtje van een weblogvriendin. Ze weet dat ik van lezen houd en ze mailde me een lijst met boeken waar ze een nieuw thuis voor zocht. Of er iets voor mij bij zat? We mailden wat (veel) heen en weer tot vorige week een loodzware doos met boeken bezorgd werd. Uren leesplezier! Ik stalde de buit uit op tafel en begon aan de bijna onmogelijke opgave om te kiezen met welk boek ik zou beginnen. Uiteindelijk loste ik dat probleem op door met mijn ogen dicht een boek te pakken.

En toen moest de rest van de boeken nog in de kast. Dat bleek ook een vrij lastige opgave. Mijn boekenkast is namelijk vol. Er zat niets anders op dan de boeken vóór andere – al gelezen – boeken op de planken te zetten. Er zullen wat gelezen boeken het veld moeten ruimen. Niet de hele bijzondere exemplaren maar wel die boeken die prima zijn maar die ik niet nog een keer zou lezen. Boeken weggooien vind ik zonde. En nu ik met de auto naar mijn werk ga, kan ik ook niet – zoals in het pre-corona tijdperk – gelezen boeken achterlaten in de trein om er een ander gelukkig mee te maken. Wat nu?

Ineens kreeg ik een geweldige ingeving! Als ik nou eens een minibieb ging beginnen? Bij onze voordeur is plaats genoeg voor een klein kastje. En de boeken staan nog droog ook. En hoe leuk zou dat wel niet zijn voor mijn senioren-buurtjes? Zeker nu door corona de bibliotheken dicht zijn. Zo kan ik anderen nog blij maken met mijn boeken. Ik moest alleen even checken bij de bewonersvereniging of het wel mocht.

Ik besloot die avond even langs de voorzitter van de bewonerscommissie te lopen. Ik verwachtte geen problemen maar ik ben een braaf meisje en wilde het graag netjes aanpakken. Maar behalve braaf ben ik ook heel ongeduldig. Dus keek ik alvast op Marktplaats voor een klein boekenkastje. En ja, hoor! Daar stond-ie! Mijn toekomstige minibieb! Op wieltjes! Hier drie kilometer vandaan. Voor maar € 10,-!

Ik deed een bod en kreeg meteen een reactie. ‘Kom maar halen’. ‘Het is vlakbij’ zei ik tegen Frank ‘maar ik ga toch maar even met auto. Ik heb geen zin om het halve dorp door te lopen met mijn kastje.’ Tien minuten later was ik in het bezit van een minibieb op wieltjes. Die zó mini was dat-ie niet in mijn auto bleek te passen. Moest ik toch terug naar huis lopen. Het halve dorp door met een lawaaiig rammelend kastje. En daarna terug om de auto op te halen.

Vanavond ging ik op audiëntie bij de voorzitter van de bewonerscommissie om een elevatorpitch voor mijn idee te houden. Of nou ja, eerlijk gezegd dronk ik gewoon een kopje koffie bij mijn bovenburen en vertelde mijn buurman dat ik een kastje met boeken bij de lift wilde zetten. Hij vond het een leuk idee. Buurvrouw ook trouwens. Want terwijl ze de deur achter me sloot, hoorde ik haar nog net tegen haar man zeggen: ‘Leuk, die jonge mensen in het gebouw! Die doen dit soort dingen!’

Dus – tromgeroffel – dames en heren:
Het is nu officieel: ik heb een minibieb!

Morgen nog even vullen met boeken en dan dinsdag de grote opening.
Leuk! Leuk! Leuk!

2020 – Een jaar in beeld.

Wat hadden we zin in 2020, zeg! Na dat rottige 2019. Vol wilde plannen zaten we. We kochten een rolstoel voor mijn moeder. “Kunnen we lekker samen boodschappen doen, mam”. Het huis van Michelle en Robby zou opgeleverd worden. En Michelle en ik zouden, voor het eerst sinds jaren, weer eens een stedentripje maken. Naar Dublin! Maar door corona liep alles anders. Het was flink schrikken, in het begin. De stille straten, de volle IC’s, de looproutes in de supermarkt en het vele thuiswerken. Maar het wende, gek genoeg. En eigenlijk… voor mij persoonlijk was 2020 zo slecht nog niet.

We konden niet de supermarkt met mijn moeder. Maar door haar grote tuin en ruime woonkamer konden we wel bij haar op visite en afstand houden. Het was een voorjaar met heerlijk warm weer dus zaten we veel in haar tuin en bewonderden haar prachtige Coup Corona. Wat een enorme bos grijze krullen had ze! Haar 89-ste verjaardag werd een ‘blokjes-verjaardag’. Dat mocht toen. En achteraf vond ze het eigenlijk wel prettig zo. Niet zo druk. En ze had met iedereen bij kunnen kletsen.

Het thuiswerken beviel me eigenlijk ook prima. Onder toeziend oog van onze Spike die af en toe een vrolijke noot toevoegde aan mijn emails door over mijn toetsenbord te lopen. Ook met de dagen alleen op kantoor had ik geen moeite. Tegen de eenzaamheid Photoshopte ik er gewoon drie collega’s bij. En soms kwam Michelle lunchen omdat we op kantoor ruimte genoeg hadden om afstand te houden. 

Het nieuwe huis van Michelle en Robby werd, tegen verwachting in, keurig op tijd opgeleverd. De verhuizing was pittig want door corona was van hulptroepen geen sprake. Wat hebben ze hard gewerkt, die twee. En wat is het prachtig geworden. En wat was het fijn dat we – tussen de eerste en de tweede coronagolf in – mijn moeder op konden halen en met haar op visite konden gaan in het nieuwe huis van Michelle en Robby.

De stedentrip naar Dublin met Michelle zat er niet in dit jaar. Maar Deventer was ook leuk. Wat een prachtig stadje is dat! En wat hebben we het naar ons zin gehad. Ook geen verre reis dit jaar voor Michelle en Robby. Ze besloten dan maar met de auto op pad te gaan. Van het ene ‘Code Geel Land’ naar het andere. Een soort Twister maar dan anders. Het beviel ze prima. En ik vond het ook wel eens fijn dat ze in de buurt bleven en niet aan de andere kant van de wereld zaten. Hoewel dochterlief het natuurlijk weer nodig vond om van een berg af te springen en naar beneden te paragliden. Gelukkig appte Robby me meteen een filmpje van de landing zodat ik kon zien dat mijn kind weer veilig op de grond stond.

Zelf maakten we ook de nodige uitstapjes. We wandelden veel, dronken koffie bij ‘ons’ kasteel en bezochten Pluijm’s eetbare wereld. We gingen een dagje naar Texel en genoten daar tussen de buien door van de zeehondjes bij Ecomare. En we fietsten zelfs samen naar het strand. Oké. Dat tripje liet niet echt goed af. Maar we hebben het wél gedaan! En wat was het leuk!

Er is dit jaar niemand in mijn directe omgeving ziek geworden. Er is niemand dood gegaan. Ik heb iedereen die ik liefheb nog om mij heen. En ik heb mijn baan nog. Ik ben me er dan ook heel erg van bewust dat dat niet voor iedereen geldt en dat ik gewoon een enorme geluksvogel ben. 2020 was voor mij eigenlijk een prima jaar.

Dus voor al mijn lezers: bedankt voor weer een jaar lezen en reageren op mijn weblog. Ik hoop dat het goed met je gaat. En dat iedereen om je heen gezond is gebleven. Als dat niet zo is, wens ik je oneindig veel sterkte. Voor vanavond, tijdens de jaarwisseling, maar ook voor daarna.

Maar mocht je net zo’n geluksvogel zijn als ik, tel dan vooral je zegeningen en proost op een gelukkig en vooral gezond 2021.  Maak er wat moois van! 

 

Uncle Bob op Kerst-safari.

Het was prachtig weer afgelopen weekend en uncle Bob was graag de duinen in gegaan om foto’s maken. Maar met mooi weer, vind ik het vaak te druk daar dus bleef ik thuis. Het werd zo’n rommel weekend. Ik deed een wasje, ik poetste een beetje, ruimde kasten op en las in mijn boek. Ik maakte alleen een ommetje omdat dat moet van haar.

Maar op zondagavond zag ik in de Faceboekgroep van ons dorp dat iemand foto’s geplaatst had van kerstbomen op het strand. Kerstbomen op het strand! Hoe leuk is dat? Ik had spijt als haren op mijn hoofd dat ik niet naar het strand gefietst was. Want dát zou nou een leuk plaatje zijn om jullie fijne feestdagen te wensen!

Maar ik had nog een kans: maandag. Omdat ik mijn vrije woensdag geruild had met mijn collega. De rest van de week zou ik op kantoor zitten. Dus het móest! Die maandag! Jammer genoeg zou het die maandag ‘s middags gaan regenen.

Jullie weten dat deze Uncle Bob het altijd laat maakt en graag uitslaapt. Maar deze Uncle Bob zat op maandagmorgen om half tien al op de fiets om voor jullie een foto te gaan maken op het strand, voordat het zou gaan regenen. Twintig minuten fietsen, hè! Op de vroege morgen. Op mijn vrije dag. Ik schrok er zelf ook van! Maar hé! Voor mijn trouwe weblog-vriendinnen en -vriend heb ik dat over.

En natuurlijk; wekenlang hoopte ik Schotse hooglanders tegen te komen en zag ik ze niet. En terwijl ik nu gewoon onderweg was naar de kerstbomen op het strand, zag ik ineens de hele kudde op hun gemakje langs het pad kuieren. ‘Doorfietsen’, zei ik tegen mezelf ‘Naar de kerstbomen’. ‘Buitenkansje!’ schreeuwde de Uncle Bob in mij. Ik fietste de hooglanders voorbij en stopte.

Ik doe alles altijd heel rustig en doordacht in de buurt van die beesten. Want ze zijn te groot om ruzie mee te krijgen. Ik pakte mijn camera en bleef even stil staan zodat ze een beetje aan me konden wennen. ‘Wat doet die mevrouw? Oh, niks. Dan grazen we lekker door.’

En toen kwam van de andere kant de kudde wilde paarden aan wandelen. Tot mijn verbazing bleef het voorste paard verschrikt staan. ‘Oh, hallo!’ zei ik zachtjes. ‘Uhhh, maar jullie kennen elkaar toch?’ Daar stond ik, moederziel alleen midden in de duinen. Met aan de ene kant een kudde hooglanders en aan de andere kant een kudde wilde paarden.

Terwijl ik me nog doodstil af stond te vragen of dat gevaarlijk was, kwam er ineens een wielrenner om de hoek zeilen, rakelings langs de kudde hooglanders. Het was zo’n – en ik mag het zeggen want ik ben er zelf een – te dikke vijftig-plusser in een te strakke zeemleren broek met een fluorescerend trainingsjack over zijn te dikke buik. En van onder zijn knalroze fietshelm schreeuwde hij me keihard toe ‘Je hebt ze lekker onrustig gemaakt, zeg!’

Verbijsterd keek ik zijn dikke kont na terwijl hij in volle vaart langs de toch al verschrikte paarden verdween. Pardon? Ik stónd daar alleen maar. Idioot! Nee, van joú worden ze blij. Met je lelijke kleuren en je geschreeuw! Ik was zó boos dat ik spontaan vergat bang te zijn.

Rustig liep ik iets (echt maar iets) dichter naar de hooglanders toe terwijl ik ze zachtjes toesprak ‘Wat een nare meneer, hè. Niks van aantrekken, hoor. En let maar niet op mij. Ik wil alleen een mooie foto van jullie. Mag dat?’ Geen idee of ze me hoorden op die afstand. Maar ik had hun aandacht. En ik maakte foto’s. Scherpe foto’s! Eindelijk!

Die foto van die kerstbomen op het strand was iets minder spectaculair dan ik in gedachten had. Maar dat geeft niks; mijn dag kon niet meer stuk. Uncle Bob is blij.

Ik wens jullie, ondanks deze rare tijd, hele fijne Kerstdagen. Op afstand of samen. Maak er iets moois van en blijf vooral gezond.

Projectje.

Ik groeide op in Breda. De meeste ooms en tantes woonden in Brabant. In de regio Tilburg/Den Bosch. Niet zo verwonderlijk dus dat ik opgroeide tussen meubels van massief eiken. Uit, jawel, de meubelfabriek in Oisterwijk. Tafels, kasten, de dekenkist, de spiegel met kammenbak en fotolijstjes. Alles was van massief Oisterwijks eikenhout in mijn ouderlijk huis. Zelfs het houdertje voor de koffiefilters.

Oerdegelijk spul dat een leven lang mee gaat. Onverslijtbaar. Onverwoestbaar. En oerlelijk. Dat vonden wij, mijn broers en zussen, althans. Mijn vader maakte het niet veel uit, denk ik. Maar mijn moeder vond het mooi. Een leven lang stofte ze haar eiken meubels af en zette ze elke maandag de boel in de boenwas.

“Wie wil er mijn meubels als ik er niet meer ben?” riep mijn moeder wel eens. Waarop wij om het hardst riepen dat we helemaal niets wilden. Dat we gewoon het grofvuil zouden bellen als zij er niet meer zou zijn. Mijn oudste broer opperde dan vrolijk dat het eikenhouten dressoir best dienst kon doen als doodskist als het zover was. Dat scheelde toch weer in de kosten.

Maar mijn moeder bleek sterker dan haar massief eiken meubels. Onverwoestbaar. Het ene na het andere meubelstuk werd vervangen. Niet omdat het versleten was maar omdat ze wat anders wilde. Iets lichtere meubels, iets moderner. Ze zit er netjes bij, die moeder van mij. Een kekke hoekbank en mooie kasten en tafels. Aan de veertig jaar durende eiken periode in haar leven herinnerde eigenlijk alleen nog de massief eiken dekenkist, die wegens ruimtegebrek, in haar schuur stond.

Een foeilelijk ding is het. Met een vreselijk bloemenmotief en zwaar metalen beslag. Maar in een sentimentele bui bedacht ik me dat die dekenkist altijd in mijn leven was toen ik opgroeide. Mijn moeder bewaarde er de kerstspullen in. Hij stond achter in de kamer. Of soms weer voor. Met de tv er op. Of in de gang. Het ding was er altijd. Met die spuuglelijke bloemen op de voorkant als constante factor in mijn leven. Thuis.

“Mam?”, vroeg ik laatst “Mag ik de dekenkist hebben?” Na al dat geroep over hoe lelijk we dat eiken vonden, keek ze me verbaasd aan. En ik legde uit hoe die dekenkist bij ‘thuis’ hoort. En dat ik ‘m wit wilde schilderen – als zij dat goed vond – en ‘m in de slaapkamer wilde zetten waar nu de plastic opbergbox staat waar Spike altijd op ligt. Dat ding is ook foeilelijk dus erger kon het niet worden.

We maakten samen de dekenkist leeg. De stenen, het zand en het oude tuingereedschap dat er in lag, gooiden we weg. Met een handveger veegde ik talloze spinnenkoppen weg voor ik het ding in mijn auto stouwde en ermee naar huis reed. Thuis zette ik de dekenkist op het balkon en gaf ‘m een sopje.

Eenmaal schoon en droog zette ik ‘m in de hal en keek eens goed. De schade van jarenlang in de schuur staan, viel eigenlijk heel erg mee. Oisterwijks eiken, hè? Niet kapot te krijgen. Ik overwoog om de dekenkist te laten zoals hij was en ‘m gewoon goed in de boenwas te zetten. Zoals mijn moeder veertig jaar lang deed.

Helaas hadden de jaren in de schuur geen echte schade veroorzaakt maar wel een ongelooflijke stank veroorzaakt. En wat ik ook probeerde, bakjes koffiedik, schoteltjes melk, backing soda, niets hielp. De dekenkist bleef stinken alsof er een complete kudde bizons in gestorven was. Uiteindelijk maakte dat dat ik besloot de dekenkist toch te schilderen.

Met pijn in mijn hart schuurde ik de veertig jaar boenwas, zorgvuldig aangebracht door mijn moeder, van de dekenkist. Ik schilderde vier keer en schuurde tussendoor elke keer lichtjes op. Met een penseeltje schilderde ik keer op keer de gruwelijke bloemen op de voorkant tot de hele dekenkist wit was. En naar verf rook. Alles beter dan de geur van een kudde dode bizons. Als finishing touch schilderde ik het zware beslag op de dekenkist zwart.

Het was best wel een klusje maar ik ben blij met het resultaat. Trots appte ik een foto naar mijn een-na-oudste broer. Die stuurde een simpele tekst terug. “Je vader zou trots op je zijn”. Dat maakte het helemaal af.

De dekenkist van vroeger staat nu in de slaapkamer. Het is een waar erfstuk geworden. En mocht mijn dochter ‘m later niet willen, dan kan-ie altijd nog gebruikt worden als doodskist als ik het loodje leg. Met een beetje proppen moet dat lukken. Scheelt toch weer in de kosten.

Bijschrift bij de bovenste foto, van links naar rechts: 
Mijn zus in de eetkamer in 1974, de dekenkist staat links.
Ik met onze kat in 1981, de dekenkist doet dienst als tv-meubel.
Onze hond Bonnie in 1990, naast de dekenkist