Categorie archief: Me, myself and I

Genant.

Ik houd van zingen. Ik zal Idols niet winnen met mijn vocabulaire talent maar dat mag de pret niet drukken. Ik zing. Altijd en overal. En als ik niet zing dan fluit ik.

Zingend doe ik het huishouden en roer ik in de pannen. Mijn collega’s zijn er inmiddels aan gewend dat ik bij het kopieerapparaat een vrolijk deuntje sta te fluiten. In de auto schreeuw ik hartstochtelijk mee met mijn favoriete liedjes. En zo ga ik zingend door het leven. Met een enigszins vreemd repertoire, dat wel.

Op mijn werk zing ik mee met de liedjes op de radio. Omdat ik dan en plain public ben, doe ik dat zachtjes. Om mijn collega’s niet tot last te zijn. Maar als ik alleen in de auto zit, laat ik me volledig gaan bij de nummers in mijn playlist. Ik zing alles mee. Top 40, Nederlandstalig, van Abba tot Queen, van André Hazes tot Pink, alles.

Het vreemde repertoire steeds pas de kop op als ik aan de wandel ben. Want als er geen radio in de buurt is, komen er allerlei vreemde deuntjes op in mijn hoofd. En op de een of andere manier zijn het de kinderliedjes die de boventoon voeren. Misschien wel door de cassettebandjes die we grijs draaiden toen Michelle nog klein was. Ik weet het niet. Maar het stapt zo lekker, hè. Op de deun van zo’n kinderliedje.

En zo kan het dus gebeuren dat ik in mijn lunchpauze een wandeling maak, terwijl ik vrolijk loop te zingen van Elsje Fiederelsje die haar klompjes bij het vuur zet. Of van die graaf die in Den Haag woont. Ook zo’n heerlijk deuntje! Of iets van Kinderen voor Kinderen! En de liedjes van Samson en Gert!

Pas als ik voetstappen achter me hoor, of iemand achter me hoor kuchen, realiseer ik me er iemand vlak achter me loopt. En dat die persoon er dus getuige van is dat ik, als volwassen vrouw, in mijn eentje, op straat weer eens luidkeels loop te zingen. En dat vind ik dan toch een tikkeltje genant.

Zeg eens eerlijk…
Wat zou jij denken als je achter me loopt terwijl ik luidkeels het Kabouter Plop-lied loop te zingen?

Kerstkriebels.

Bij de bouwmarkt tikte ik een afgeprijsd tuinsetje voor op ons balkon op de kop. En terwijl ik, in de laatste zonnestralen van een mooie herfstdag, de stoelen in elkaar schroefde op het balkon, werd in onze straat de Kerstverlichting opgehangen. En ineens waren ze er. In alle hevigheid. Kerstkriebels!

Eerlijk gezegd waren ze er al eerder. Heel even maar. Deze zomer. Toen ik, in ons nieuwe huis, onze nieuwe boekenkast op zijn plek schoof en een stap terug deed om het resultaat te bekijken. In een flits bedacht ik me dat het hoekje dat overbleef, tussen de kast en de tafel, de perfecte plaats is voor een grote kerstboom. Die gedachte was voor mij zó vreemd, dat ik hem snel uit mijn hoofd zette.

Want ik heb nog nooit last gehad van zin in Kerstmis. Van de kerstdagen uit mijn jeugd herinner ik me weinig. Waarschijnlijk aten we met z’n allen een kerstdiner met de signature-dish van mijn moeder na; pudding met koekjes. Ik geloof niet dat er cadeautjes waren. En naar de Kerstmis gingen we ook niet. Het was heel gezellig maar ook heel gewoon. Gewoon, zoals elke zondag.

Ondanks het feit dat ik weinig met Kerstmis had, haalde ik, toen Michelle er eenmaal was, wel een kerstboom. Samen met mijn vader, die de door mij uitgekozen boom afkeurde. ‘Mooie boom, prul. Maar de kluit is scheef.’ En vervolgens versierde ik mijn woonkamer met een door mijn vader wél goedgekeurde boom.

Voor Michelle’s tweede Kerst, twee maanden na het overlijden van mijn vader, zocht ik zelf mijn Kerstboom uit. Dat die boom, met hoogst waarschijnlijk een scheve kluit, op eerste Kerstdag omdonderde, compleet met slingers, ballen en piek en een enorme chaos in mijn woonkamer achterliet, heeft er misschien wel voor gezorgd dat ik definitief nooit meer zin in Kerstmis had.

Jaren gingen voorbij. Kerst was iets waar ik tegenaan hikte maar wat dan uiteindelijk toch wel gezellig werd. Met een nepboompje dat braaf bleef staan, een klein kerstdineetje voor mij en Michelle en cadeautjes. Met een bezoekje aan mijn moeder op eerste Kerstdag waar we traditioneel Kindje Jezus verstopten en een tweede Kerstdag in joggingpak op de bank met drie videofilms op het programma.

Toen ik Frank tegen kwam, vond ik in hem een anti-Kerstmis-medestander. Ook hij heeft niets met Kerst. Maar toch. Vorig jaar, vlak voor Kerst… Ik weet het niet. Er was iets anders dan anders. We waren inmiddels verhuisd naar ons tijdelijke mini-huisje en we besloten toch ons mini-Kerstboompje op te zetten. Frank was lekker aan het klussen. De laatste klusjes in huis. Ik had de kerstborrel van mijn werk achter de rug en sleepte mijn kerstpakket mee naar huis. Samen keurden we de inhoud en ik hing een slinger met lichtjes op ons balkon.

Het leek er verdacht veel op dat we allebei in kerststemming raakten. En toen werd het 17 december. Frank kreeg een hartstilstand. Loeiende sirenes. Intensive care. En ik bracht de Kerst door in het VU. Er stonden kerstbomen in de hal maar daarmee hield de gezelligheid wel op.

Maar deze Kerst wordt anders. Deze Kerst zijn we lekker thuis. In ons nieuwe huisje. En ik heb, voor het eerst, mega-Kerstkriebels! Ik wil een grote boom. Ik wil lichtjes op ons balkon. En lichtjes voor onze ramen. Kaarsjes overal. En heb ik onze Kerstkrans voor op de voordeur nog?

Ik wil cadeautjes voor iedereen. Ik wil kerstsokken aan. En ik wil een heus kerstdiner. Ik wil op bezoek bij mijn moeder. Kindje Jezus weer verstoppen. En op tweede kerstdag drie huilfilms kijken. Bel de krant! Ik heb zin in Kerst!

Nog 43 dagen…

Moeder en kind.

Toen mijn vader overleed, bleef mijn moeder achter in een grote eengezinswoning. Veel te groot voor haar alleen. Via woningruil is het haar een jaar later gelukt om te verhuizen naar een kleinere woning. Bij ons in de straat! Ze woonde drie deuren verder op.

Het heeft eigenlijk nooit problemen opgeleverd dat we zo dicht bij elkaar woonden. Sterker nog; het was best handig. We aten wel eens samen, mijn moeder paste soms op Michelle en ze liet ons hondje uit als wij niet thuis waren. En als mijn koffie op was, kon ik altijd wat bij mijn moeder lenen.

Ooit, toen ik weer eens haar huisje binnen liep, had ze ineens een prachtig beeldje op haar kast staan. Een beeldje van een moeder die haar kind hoog in de lucht tilt. “Mam, wat een mooi beeldje!” riep ik en ik bekeek het eens van dichtbij. “Leuk, hè?” beaamde mijn moeder. Ze had het gekregen van een nichtje van me dat op visite was geweest.

“Maar het staat echt niet in jouw huis” grapte ik. “Het staat beter bij mij op de kast. Bovendien is een moeder met één kind. Jij hebt er zes. Ik heb er maar één! Het is toch overduidelijk dat dit beeldje míj voorstelt. Mét Michelle!” Mijn moeder moest er hartelijk om lachen maar het beeldje bleef op haar kast staan.

Een paar dagen later, was ik in haar huis terwijl zij niet huis was. Ongetwijfeld had ik weer iets nodig. Melk of een ei, of zo. Maar toen ik haar huisje verliet, nam ik behalve de levensmiddelen ook haar beeldje mee. Grinnikend zette ik het beeldje op mijn kast.

Het duurde een dag of twee voor ze op de stoep stond. “Ik was aan het stoffen en ik mis iets.” zei ze en ze keek zoekend de kamer rond. Al snel viel haar oog op het beeldje op mijn kast. “Aha!” zei ze. Ze pakte het beeldje op en verdween weer naar huis.

Het werd een terugkerend grapje. Eens in de zoveel tijd brak ik in in haar huis en jatte haar beeldje. En dan kwam ze weer binnen stormen, roepend dat er ingebroken was, pakte het beeldje van mijn kast en verdween weer naar huis. Of ik kwam er zelf na een paar dagen achter dat het beeldje weg was en dat mijn moeder dus bij mij ingebroken had. En zo stond het beeldje vaak bij bij haar maar soms ook bij mij thuis.

Bij het uitpakken van onze spullen, na de verhuizing, kwam ik het beeldje weer tegen. In ons vorige, kleine huisje stond het ergens weggemoffeld op een boekenplank. Maar nu heeft het een mooi plekje gekregen en staat het te stralen op mijn slaapkamer kast.

Ik weet niet meer hoe ik nu eigenlijk aan het beeldje kom. Heeft mijn moeder het aan mij gegeven? Omdat haar beeldje toch altijd gestolen werd? Of stond het toevallig bij mij toen ik mijn spullen destijds inpakte?

Eén ding weet ik wel. Binnenkort komt mijn moeder bij ons logeren. En voor ze weer naar huis vertrekt, ga ik eerst haar bagage controleren. Even checken of ze mijn beeldje niet gestolen heeft.

In beweging.

Heel af en toe heb ik last van mijn rug. Zo’n pijnlijke plek onderaan mijn rug, net boven mijn bil, die doortrekt naar mijn been. Ik heb het niet heel vaak maar het is wel vervelend. Al een tijdje speelde ik met het idee om iets yoga-achtigs te gaan doen. Om mijn rugspieren te versterken en een beetje soepel te blijven. Want mijn hardloopschoenen liggen te verstoffen en mijn vriendschap met Evy is flink verwaterd. Af en toe ga ik baantjes trekken in het zwembad maar verder doe ik helemaal niks. En het leek me toch wel slim om – ontkennen is zinloos – nu ik wat ouder word in beweging te blijven.

Toen Frank in het revalidatiecentrum zat, werd mijn rugpijn ineens heel erg. Mijn bovenrug, mijn onderrug. Alles zat vast. Ik strompelde meer dan ik liep en ik paste perfect tussen de revaliderende patiënten daar. En oh, terug naar huis! Wat een hel was dat! Voetje voor voetje vier trappen op. Het duurde even voor ik boven was. 

Ik weet het aan stress en aan wekenlang in onmogelijke houdingen op Frank’s ziekenhuisbed hangen om maar zo dicht bij mogelijk bij hem te zijn. Ik ging naar de huisarts die me vrolijk vertelde dat mijn bekken een beetje scheef staat. En dat ik x-benen heb. En bedankt.

Ik kreeg pijnstillers en het advies oefeningen te doen. Bij geen verbetering moest ik naar een fysiotherapeut. Aangezien dat niet in mijn drukke schema paste, nam me voor om nu écht iets te gaan doen. Iets yoga-achtigs. Omdat een beetje ontspanning ook geen kwaad kon. 

Maar verder dan googlen op ‘yoga amsterdam Nieuw West’ ben ik nooit gekomen. Iets van door de yoga-bomen het yoga-bos niet meer zien. En in mijn achterhoofd het horrorverhaal van Michelle die tijdens een yoga-workshop als een aap moest lopen. Het kwam er niet van. En toen gingen we verhuizen.

Eenmaal gesetteld in onze nieuwe woonplaats keek ik op internet eens wat voor activiteiten ons nieuwe stekkie te bieden had. Ik was aangenaam verrast! In het buurthuis pal achter ons huis wordt van alles georganiseerd. Van Indische kookworkshops tot kantklossen. Van klaverjassen tot pilates. Wacht even… Pilates? Is dat niet iets yoga-achtigs? Dat bleek te kloppen.

Twijfelend stuurde ik de link naar vriendje en dochter. Zou dat iets voor mij zijn? Maar ik hakte in twee tellen zelf de knoop door en vulde het aanmeldformulier in. 34 pilateslessen. Bam! Ik ging het doen! Vriendje mailde terug. Dochterlief mailde terug. Met allebei hetzelfde antwoord. Doen!

De eerste keer sleepte ik me naar mijn pilatesles. Iets met liever lui dan moe en een enorme afkeer van groepen vreemde mensen. Iets met bang zijn voor schut te staan in mijn oude legging en slobbershirt. Iets met de angst voor slanke dennen in fluor yoga-pakjes die vlot hun benen in hun nek legden.

Ook al liep ik niet over van enthousiasme, ik had me wel goed voorbereid. Als enige van de groep had ik een yoga-matje bij me. Dat de rest daardoor dacht dat ik de les zou gaan geven, beschouwde ik als een compliment. Schijnbaar zag ik er reuze professioneel uit. En helemaal zen natuurlijk.

Het stelde me ook gerust. Als zij dachten dat ik, met mijn maat 44 in een oude legging, de pilateslessen ging geven dan hadden we hier niet echt met kenners te maken. En dat klopte. Geen flitsende sportpakjes, geen fluoriserende, strakke shirtjes. Gewoon dames net als ik, die zuchtend over hun drukke dag, in slobbershirtjes een beetje gingen sporten.

Hun hoofden worden net zo rood als het mijne als we de ‘hangende hond’ doen en af en toe hoor ik een geruststellende bonk en gegiebel als er weer iemand omvalt bij een of andere onmogelijke pose. Ik pas er wel tussen, zeg maar. Met mijn x-benen.

Ik geef toe; ik vind het niet echt leuk. Ik lig nog steeds liever op de bank met een boek. Maar ik dóe het wel. Nog 30 lessen te gaan. Daarna ga ik kantklossen.