Categoriearchief: Me, myself and I

Uncle Bob op stap – De kwal.

Wij hebben een kwal hier vlakbij. Dat ontdekte ik op Google. En nee, het is geen kwal op het strand. Deze woont in de duinen en hoort bij de waterzuivering. Daar wilde ik wel foto’s van maken. Dus op een mooie zaterdag, een week of twee geleden, ging ik op zoek naar ‘de kwal’. Ik had ‘m vrij vlot gevonden. Maar door de hekjes er omheen vond ik ‘m niet erg fotogeniek.

Maar ach, ondanks dat er niet veel viel te fotograferen was het toch leuk. Een lekker fietstochtje, mooi weer. Wat wil een mens nog meer? En het was nog leerzaam ook. Zo wist ik bijvoorbeeld niet dat het water dat bij ons thuis uit de kraan komt oorspronkelijk uit het IJsselmeer komt!

Bij Andijk wordt water uit het IJsselmeer gepompt en via een 52 kilometer lange pijp naar Heemskerk getransporteerd. Daar wordt het nogmaals gefilterd en mag het bij ‘de kwal’ de duinen in. Daar sijpelt het water langzaam de bodem in en wordt het op natuurlijke wijze ontdaan van bacteriën en virussen. Na minimaal 30 dagen wordt het schone water van 40 meter diepte opgepompt, ontdaan van ijzer en kalk en is het drinkwater geschikt voor consumptie. Zo steek je geheel per ongeluk toch nog wat op!

Als bonus besloot ik nog even een kijkje te nemen op de ‘Uitkijkplek met bankjes’ die ik ook op Google gezien had. Zo staat het echt op Google. En die term dekt de lading precies. Het is wat het is: een uitkijkplek met bankjes. Niet meer, niet minder. Maar wát een uitzicht!


(360 graden foto)

 

 

Geluksvogel.

Wat was het warm vrijdag, hè? Ik was op kantoor. En zelfs daar – half gelegen onder de fly-over van station Sloterdijk waar geen straaltje zon komt – tikte de thermometer de 27 graden aan. Mijn lieftallige collega’s waren zo vriendelijk om rond een uur of vier nog wat rapporten te mailen die ik moest checken. Dus was het even stressen waardoor de temperatuur voor mijn gevoel nog een tikkie opliep. Om vijf uur was mijn mailbox leeg en stapte ik in de auto. Met de airco op standje vier koelde ik tijdens de rit naar huis een beetje af.

We maakten ons er makkelijk vanaf en haalden een frietje want het was te warm om te koken. En ‘s avonds bracht ik een bezoekje aan de buren op drie hoog waar het toch warmer was dan in ons appartement op één hoog. We kletsen vijf kwartier in een uur en ik was pas om half elf thuis. Inmiddels was het gaan waaien en de eerste druppels van de voorspelde regen viel.

Maar op ons balkon zat ik droog dus ik installeerde met een wijntje op ons bankje. In de verte begon het te onweren. Toen mijn wijn op was, onweerde het inmiddels flink. Ik ben dol op onweer dus ik genoot nog even van het schouwspel en besloot het toen voor gezien te houden. Nog even douchen, een stukje lezen en lekker slapen.

En pas toen ik al onder de verkwikkende douchestraal stond, herinnerde ik me iets over douchen tijdens onweer. Was dat niet gevaarlijk? Vaag herinnerde ik me een Nederlandse studente die omkwam in Vietnam omdat ze een douche nam tijdens een onweersbui. ‘Ach, dat was in Vietnam’ dacht ik ‘daar onweert het vast harder dan hier’. Terwijl ik mijn haar waste, hoorde ik een donderslag die de ramen deed trillen.

Hm. Was er ook niet een jongetje ergens op een camping in Nederland die getroffen werd door de bliksem terwijl hij onder de douche stond? ‘Ach, dat was op een camping’ dacht ik ‘ik woon tussen twee hoge kerken. Als de bliksem inslaat, slaat-ie dáár in en niet in mijn huis.’ Maar ik kreeg toch enigszins haast om de shampoo uit mijn haar te spoelen.

Ik zeepte mezelf in terwijl ik mezelf streng toesprak. ‘Stel je niet aan! Je wint nog eerder de Staatsloterij dan dat je – notabene in je eigen badkamer – onder stroom komt te staan door een blikseminslag!’ Maar echt relaxt douchen was er niet meer bij. Ik spoelde me snel af en ik was blij toen ik goed afgedroogd en wel veilig in mijn bedje lag.

De volgende dag heb ik een Staatslot gekocht.

De foto boven dit bericht is van Ester Jacobs van No Layers Photography. En of douchen tijdens een onweersbui gevaarlijk is, lees je hier.

Het ei van Karin.

Al van kleins af aan, ben ik een moeilijke eter. Niet alleen lust ik veel dingen niet, mijn lichte vorm van smetvrees – zéker op het gebied van eten – maakt het er niet makkelijker op.

Mijn familie heeft daar iets minder last van. ‘Ze mogen op het randje van mijn bord schijten’ riep mijn ome Cor altijd vrolijk ‘als ze maar niet spetteren!’ En mijn vader had altijd een mes op zak waarmee hij van alles deed. Zijn appel schillen, touwtjes doorsnijden en vis schoonmaken. Soms bood-ie aan mijn appeltje ook te schillen. Met dat vieze mes. ‘Stel je niet aan’ grapte hij dan ‘ik heb er alleen maar een paar slakken mee doorgesneden’. Waarop ik gillend van tafel stoof.

Als enige in ons gezin at ik mijn toetje uit een schoon, glazen schaaltje. De rest van de familie goot zijn vanillevla of yoghurt gewoon uit het pak in hetzelfde bord waar ook hun aardappelen ingezeten hadden. Gruwelijk vond ik de mini-korreltjes aardappel in mijn vla. Vandaar dat schaaltje. Waar ik overigens ook weer mijn bedenkingen over had.

Want uit diezelfde glazen schaaltjes aten we ook wel eens ijs. En als het ijs op was, mocht onze hond de schaaltjes uitlikken. Uiteraard werden de schaaltjes afgewassen, maar toch… Afzien is het om zo met eten om te gaan. Dat ik niet doodga van de honger komt omdat ik mezelf verboden heb om na te denken over alles wat er in fabrieken, supermarkten en restaurants met mijn eten gebeurt. Of zou kunnen gebeuren.

Mijn allereerste vriendje was een apart geval. Zeer moeilijk opvoedbaar en thuis niet te handhaven waardoor hij al jong op zichzelf woonde in een begeleid wonen-project van een of andere jeugdinstelling. Samen met vier andere jongeren woonde hij in een huis waar iedere dag iemand even poolshoogte kwam nemen. Het was er vaak best gezellig. Met de meeste van zijn vaak wisselende huisgenootjes kon ik het prima vinden.

Zo stond ik ooit gezellig in de keuken te kletsen met Karin. Ze was spaghetti aan het koken en wilde daar een gekookt ei bij. Pan met water op het fornuis en toen het water kookte, gooide ze de pasta er in. En een ei. ‘Wat doe jij nou?’ riep ik geschokt. ‘Vind ik handig’ antwoordde Karin ‘Zo zijn mijn spaghetti én mijn ei allebei tegelijk klaar.’ Briljant gevonden natuurlijk. Maar ik keek naar de borrelende pan en kon alleen maar denken aan dat ei tussen die spaghetti. Dat ei dat zó uit de kont* van een kip gekomen was.

Ik weet het; ik ben een aanstelster. Na acht minuten waren de kippenkontbacillen vast dood. Maar ik ben niet blijven eten, destijds in 1985. En als ik nu, 35 jaar later, een ei kook, moet ik altijd nog even denken aan het ei van Karin.

* Ja, echt! De kont van een kip heet de cloaca. Daar komt niet alleen de poep maar ook het ei uit.

Coup corona.

Naar de kapper gaan is nooit mijn hobby geweest. Sterker nog; toen ik nog een hondje had dat regelmatig getrimd moest worden, ging hij vaker naar de trimster dan ik naar de kapper. Ik houd gewoon niet van dat gefrut aan mijn lijf. Nee, de massagestoel hoeft niet aan. Nee, ik wil geen koffie. Geen haarmaskertje. Geen schuim. Geen wax. Geen gel. En nee, mijn haar hoeft niet in model geföhnd te worden. En als ik heel eerlijk ben mag het kapperspraatje over het weer ook achterwege gelaten worden.

Na een maand of twee begint mijn haar standaard uit model te raken. Ik weet het gehate kappersbezoek vaak nog een maand uit te stellen door mijn haar in een staart te doen tot ik uiteindelijk de kapsalon in en uit ren om mijn haar te laten knippen. Toen de corona-maatregelen ingingen, was mijn laatste kappersbezoek een maand of drie geleden. Hóógste tijd dus. Zeker omdat er sprake was van het mogelijk sluiten van kapsalons. Ik liep langs de mijne, dacht ‘Ik moet eigenlijk nú gaan’ en liep snel door. Een paar dagen later waren alle kapsalons dicht.

Ik vond het ge-wel-dig! Het maakte geen bal uit hoe mijn haar zat want voor het eerst in mijn leven had ik een excuus. Corona. Ik droeg mijn verfomfaaide knotje vol verve en blies af en toe mijn te lange pony uit mijn ogen. En verder zat ik er totaal niet mee. Want íedereen liep met een coupe corona. Tot de kapsalons weer open gingen.

Meneer Rutte was nog niet uitgesproken of ik had al een mailtje in mijn inbox van mijn kapsalon. ‘Wij gaan weer open! Maak nu een afspraak!’ Alsof ik stond te popelen. Echt niet. ‘Ik ga binnenkort wel een keer’ dacht ik. Inmiddels zijn er een paar weken voorbij maar ik ben nog steeds niet naar de kapper geweest. Ik ben er voorbíj́ gelopen. Ik heb een blik naar binnen geworpen maar de plastic schermen om de stoelen heen weerhouden me van een kappersbezoek. Ik heb er al zo’n hekel aan. Nu heb ik helemaal geen zin.

Mijn haren draag ik nog steeds in een staart of een knotje. Voor mijn doen is het best lang. Laatst dacht ik zelfs te merken dat ik blonde plukken in mijn haar krijg. ‘Vast doordat ik zo vaak naar het strand ga’ bedacht ik tevreden. Maar na een wat grondiger inspectie, kwam ik tot een heel andere conclusie.

Dames en heren, jongens en meisjes: ik word grijs! En zelfs dát, lieve lezers, is voor mij geen reden om naar de kapper te rennen. Het kan me niks schelen. Mijn coupe corona bevalt me prima. Ik denk dat ik hem nog even houd.

En jullie? Zijn jullie al naar de kapper geweest?