Categorie archief: Me, myself and I

Uncle Bob (les 1).

Goed. Ik fotografeer dus. Of nou ja, ik probeer te fotograferen. Dat maakt mij een ‘Uncle Bob’. Zo wordt – door professionele fotografen – de oom, tante, broer, buurman of wie dan ook genoemd die met een spiegelreflexcamera, en niet gehinderd door enige kennis, een evenement vast legt. En daarbij de ‘echte fotograaf’ hinderlijk in de weg loopt. Aha! Dat ben ík dus! Een Uncle Bob!

Maar goed, je moet ergens beginnen. Dan maar als Uncle Bob. Ik begon hiermee en vond het wel een goed idee is om mijn Uncle Bob-kiekjes op mijn weblog te plaatsen. Dan móet ik er dus wel op uit om foto’s te maken en hopelijk leer ik zo een beetje bij.

Laatst las ik op internet dat er ezeltjes waren bij Gasterij Kruisberg. Het leek me leuk om die te fotograferen. Dus fietste ik met mijn camera daarheen. Maar de ezeltjes liepen saai te grazen achter een hek. Ik maakte wat foto’s die leuk maar niet echt spectaculair waren. Het perfecte fotomoment diende zich pas aan toen een jongetje en een meisje op het hek klommen om de ezeltjes te voeren.

Zo’n leuk tafereeltje! De kindjes lekker onherkenbaar van achteren in beeld gebracht. Bungelende rubberlaarsjes, twee modderige spijkerbroekjes, uitgestoken handjes met gras en de ezeltjes op de achtergrond. Maar ik was net te laat. Vlak voor ik afdrukte, keek het meisje om. Ruw trok ze haar broertje van het hek. ‘Ga opzij! Die mevrouw wil een foto maken!’ Daar ging mijn foto-moment. De hele compositie naar de kl*ten.

Er kwamen drie dames te paard aan die hun paarden parkeerden. Ik liet de ezeltjes voor wat ze waren en vroeg beleefd op ik foto’s mocht maken van de paarden. Dat mocht. Maar met drie paarden, vastgebonden aan een hekje, kon ik ook niet zoveel. Ik probeerde zo’n prachtig paardenhoofd vast te leggen en nét op dat moment besloot een van de paarden haar gebit te showen. ‘Klik’ deed mijn camera. Hebbes!

Juichend bekeek ik mijn foto en ik liet ‘m vol trots zien aan de eigenaresse van het paard. Ik verwachtte dat ze ontroerd zou vragen of ik haar de foto kon mailen. Zodat zij hem af kon drukken en boven haar bed kon hangen.

Niets van dat alles. Met een schuin oog keek ze even naar het schermpje van mijn camera met daarop haar haast lachende paard Mia. Meer dan een lauw ‘Nou, leuk, zeg.’ zei ze niet. Ik was zwaar teleurgesteld. Later realiseerde ik me dat zij waarschijnlijk honderd van dat soort foto’s heeft. Maar ik niet. En ik vind hem geweldig!

Dus wat heeft Uncle Bob nu geleerd? Klik er op los! Want het perfecte foto-moment komt onverwacht en is – voor je het weet – weer voorbij. En tussen die vijfentwintig waardeloze plaatjes zit misschien net dat ene lucky shot. En de rest? Die gooi je gewoon weg. Lang leve de digitale fotografie!


Teer zieltje.

In alle vroegte kom ik aan op station Uitgeest om de trein naar mijn werk te nemen. Mijn trein staat er al. De sprinter van 7.33 uur. Maar alle lichten zijn uit. Het ziet er gek uit. Zo gek dat ik met mijn mobiel een foto maak van de donkere trein en die naar mijn collega app. ‘Hij is stuk. Ik ben later.’

Op het perron wacht ik op de volgende trein. Mijn trein is niet stuk, zo blijkt uit het omroepbericht dat even later klinkt. Wegens een aanrijding met een persoon rijden er minder treinen naar Amsterdam. Ik krijg altijd kippenvel bij zo’n bericht. Starend naar het donkere spoor, denk ik aan de mensen die nu het slechts denkbare nieuws krijgen. Dat hun geliefde nooit meer thuis komt.

Het blijft me ook verbazen dat de NS het nodig vindt om te melden dat het om een aanrijding met een persoon gaat. Waarom? Hopen ze op begrip? “Hé jongens! Jullie komen allemaal te laat op jullie bestemming. Maar er is ook goed nieuws: wíj kunnen er deze keer niets aan doen! En er is iemand aangereden dus vooral niet zeuren over jullie vertraging! Het kan altijd erger.”

De volgende trein naar Amsterdam is, door de uitvallende treinen, drukker dan normaal. Ik heb een zitplaats maar in de gangpaden en op de balkons staan de passagiers hutje op mutje. Het vergt een soort stoelendans om iedereen in- en uit te laten stappen. Vlak voor Zaandam meldt de conducteur zich. Hij roept om dat er op station Zaandam over vier minuten nóg een trein naar Amsterdam vertrekt. Als je drukte in deze trein beu bent, kun je op station Zaandam overstappen op die trein.

Heel attent om de passagiers daarop te wijzen. Echt. Maar het stoort mij enorm dat hij zijn bericht begint met ‘Vanwege een springer rijden er minder treinen…”. Een springer? Zegt-ie dat écht? Ik kijk geschokt op van mijn boek en zeg hardop “Nou! Moet dat nou zo?”

Maar om me heen zie ik alleen ongeïnteresseerde gezichten. Een enkeling kijkt me verbaasd aan. ‘Waar heeft dat mens het over?’ Stilletjes buig ik me weer over mijn boek. Schijnbaar ben ik het enige tere zieltje in de sprinter van Uitgeest naar Amsterdam.

Those were the days.

Zaterdag was ik bij een bijzonder feestje. De directeur én de bedrijfsleider van de Volvo-truckdealer waar ik ooit werkte, gaan beiden met pensioen. En ik plande het twee wekelijks bezoekje aan mijn geboortestadje zo dat ik even langs kon gaan om de pensionada’s de hand te schudden en een flesje lekkers te overhandigen.

Er was verrassing alom dat ik er was. Stralende gezichten van de feestvarkens. En ik werd als vanouds – als een van de jongens – op mijn schouders getimmerd door mijn voormalige collega’s. Ik kreeg hartelijke klapzoenen en schudde talloze handjes. Voor ik weer naar huis vertrok, sleurde ik – niet gehinderd door enige verlegenheid want tenslotte was dit jarenlang mijn thuis – mijn voormalige bazen uit de felicitatie-rij. Omdat ik met hen op de foto wilde. Dat was me, in de acht jaar dat ik er werkte, nog nooit gelukt,

Onderweg naar huis, in de auto, omringd door een wolk aftershave door alle kussen die ik had gekregen, dwaalden mijn gedachten af. Naar het gezelligste bedrijf waar ik ooit gewerkt heb. Het bedrijf waar ik regelmatig kramp in mijn kaken had van het lachen na de lunchpauze. Wat hebben we een lol gehad.

Ik dacht aan mijn sollicitatiegesprek, destijds in 1998, waarin gewaarschuwd werd voor het – als enige vrouw – werken tussen 30 vrachtwagenmonteurs. Onbehouwen. Vrouwonvriendelijk. Grote bekken. “Kun jij dat?” En of ik dat kon! In mijn eerste werkweek vlogen de vrouwonvriendelijke moppen over tafel. “Nu of nooit” dacht ik. En ik zette de chef van de werkplaats voor schut met een man-onvriendelijke mop. Sindsdien zat ik gebeiteld. Al die vrouwonvriendelijke praat bleek pure bluf. Schatjes waren het. Stuk voor stuk. Deuren werden voor me open gehouden. En als ik iets moest tillen dat zwaarder woog dan een pak printerpapier stond er 30 man klaar om het voor me te tillen.

Ik dacht aan de borrels op vrijdagmiddag, na een week hard werken. De mannen met een flesje Jupiler. En ik met een wijntje, dat ze speciaal voor mij gingen halen omdat ik geen bier lust. Tot groot plezier van de directeur die eigenlijk ook liever wijn dronk dan ‘juup’ en sinds die tijd graag een glaasje met mij mee dronk. Ik heb me overigens altijd keurig gedragen op de vrijdagmiddagborrel. Tot ik wegging. En op de allerlaatste werkdag alsnog vreselijk dronken een tikkie aangeschoten werd.

Ik dacht aan dat bedrijfsfeestje waarbij we een rondvaart maakten op de Biesbosch. Ongelukkigerwijs bleek het Nederlands elftal die avond een belangrijke wedstrijd te voetballen waardoor 30 man dreigde niet te komen en de directeur snel nog tv aan boord regelde. Het regende pijpenstelen die avond en de verbinding viel steeds weg, waardoor onze IT-specialist steeds naar buiten moest om de antenne goed te zetten. Zodra het beeld aan boord terugkwam werd hij, eenzaam aan dek in de stromende regen, luid toegezongen door alle collega’s. “Willem is oké, olé olé”. Ze waren de beroerdste niet. Jammer dat Nederland verloor van Tsjechië die avond.

Of dat bedrijfsfeest waar ‘s middags het Kabouter Plop-lied gedraaid werd voor de kinderen. ‘s Nacht om één uur werd-ie weer gedraaid. Tot groot plezier van 30 lichtelijk aangeschoten monteurs op de dansvloer, stampend met hun voeten en hun handjes in de lucht. De bedrijfsfeesten waren sowieso altijd geweldig. Met de hele werkplaats die gestoffeerd werd met tapijttegels en nepplanten. Met een band, een dansvloer en een cateringbedrijf. Ik ben voor het leven verpest. Als ik op mijn huidige werk in een ongezellig kantoor weer eens op een goedkope kaasstengel sta te knagen, denk ik met weemoed terug aan die grandioze feesten van toen.

Ik dacht aan die keer dat mijn moeder van de zoldertrap viel en belde om te vragen of ik naar haar toe kon komen. Ik brak in op een vergadering. “Ga maar gauw, meiske” zei de bedrijfsleider. Geen probleem. Ik dacht aan de directeur die aanbood de kinderopvang te betalen toen ik meer ging werken. Toen bleek dat ik die kosten – als alleenstaande ouder – terug kreeg via de gemeente, stond hij erop tóch te betalen. “Zie het maar als opslag. Je bent het waard”, zei hij. Toen Michelle’s knie uit de kom schoot en ze niet zelf naar school kon, mocht ik haar – onder werktijd – halen en brengen. Geen probleem. Op de lagere school kwam Mich soms lunchen tussen de middag. Of in vakanties helpen op kantoor. Kind aan huis. Ze mocht altijd mee als er proefritjes gemaakt moesten worden in die enorme vrachtwagens. Op de middelbare school heeft ze er zelfs nog een ‘snuffelstage’ gedaan. Ze was van harte welkom. Vanzelfsprekend.

Ik dacht aan al die keren dat er een vrachtwagen afgeleverd moest worden aan een klant en mijn collega’s van de afdeling verkoop achteloos de autosleutels van een Volvo die ik never-nooit-nie zou kunnen betalen op mijn bureau gooiden. “Rij jij even achter me aan?” Met klotsende oksels reed ik die eerste keren achter de vrachtwagen aan. In de dure wagen van de verkoper. Maar uiteindelijk kreeg ik er lol in om met zo’n dure bak rond te rijden.

Ik dacht aan de keren dat ik de oude Volvo V90 diesel kon lenen om mee naar Amsterdam te rijden. Het ding – door ons liefdevol ‘de Tank’ genoemd – trok voor geen meter. Maar als-ie eenmaal vaart had, dan reed-ie als een zonnetje. Ik dacht aan de collega die Michelle en mij – midden in de nacht – van Breda naar Schiphol bracht toen we op vakantie naar Spanje gingen. Met een auto van de zaak. Gratis. Dat we onze vlucht misten was niet zijn schuld, overigens.

Met het schaamrood op mijn kaken dacht ik terug aan mijn meesterlijke verspreking toen Michelle ooit belde – destijds nog op de vaste lijn – met de mededeling dat ze zou koken die dag. “Wat fijn!” riep ik uit “Dan staat het eten thuis als ik klaar kom!” Tot grote hilariteit van al mijn mannelijke collega’s achter de receptie natuurlijk.

Ik dacht aan de keren dat ‘mijn mannen’ overwerkten en in alle vroegte begonnen. Dan ging ik extra vroeg naar mijn werk en bracht ze koffie in de werkplaats. De blije gezichten onder zo’n truck als ik ze een bekertje warme koffie aangaf. Of die keer dat ze met de servicebus van de zaak naar mijn huis reden om mijn lekke autoband te fixen. Of deur van mijn oude autootje repareerden in de werkplaats. ‘Rijdt ‘m maar effe binnen, mop’. ‘Wat kost dat?’ vroeg ik dan. Niks. ‘Mijn mannen’ deden dat even in hun pauze. En dan sleepte ik weer een krat ‘juup’ mee naar mijn werk.

Ik dacht aan de warme zomers waarin ‘mijn mannen’ steeds zwarter werden omdat ze met hun vuile handen het zweet van hun gezicht veegden. En we ijsjes haalden bij de benzinepomp die we zittend op de stoep, voor het kantoor, opaten. Grappend en grollend.

Ik dacht aan de favoriete liedjes van de monteurs. Hoe ik, vanuit de kantine boven in de werkplaats naar beneden keek, en de een na de andere blauwe overall onder een vrachtwagen vandaan zag komen om een dansje te maken. ‘Als de morgen is gekomen’ van Jan Smit was er zo een. Of ‘Love generation’ van Bob Sinclair. Het volume gaat nog steeds op tien hier als ik die nummers hoor. Ik jaag ook, nu nog steeds, na al die jaren, mijn medepassagiers in de auto de stuipen op het lijf jaag door luidkeels te gaan schreeuwen als ik ergens op de snelweg een klant van ‘mijn garage’ zie rijden. Of een mooie Volvo-truck. Eens een Volvo-meisje, altijd een Volvo-meisje.

Ik dacht aan die keer dat ze me belden, nog niet zo heel lang geleden, om te checken of ik nog steeds in Amsterdam woonde. Ik was al járen weg maar ze hadden een nieuwe functie binnen het bedrijf en “en als iemand dat kan, ben jij het”. “Kom je terug?” hoorde ik ook gisteren weer vaak. Maar ik woon niet meer in de buurt. Het is wel heel ver fietsen nu. Ik begon er als telefoniste en koffiejuf. Maar uit verveling schooide ik op alle afdelingen om werk. Toen ik wegging, na precies acht jaar, omdat ik naar Amsterdam vertrok, was ik de vaste assistent van alle afdelingen. Ik kon bijna alles. Behalve sleutelen aan vrachtwagens. Ik deed een schat aan werkervaring op en mijn zelfvertrouwen kreeg een enorme boost door al die kerels om me heen.

Het was er altijd ijskoud in de winter, doordat de deuren in de werkplaats altijd open stonden. Vaak zat ik dan met een flesje warm water als kruik achter mijn bureau. “Mannen!” opperde ik dan “We moeten uitbreiden. We moeten een kantoor op Curacao. Waar het lekker warm is.”

Ik vind nog steeds dat ze moeten uitbreiden. Maar het hoeft geen Curacao te zijn. Ergens aan de Noord Hollandse kust is ook prima. Ondanks mijn lieve collega’s van nu, ondanks mijn leuke werk. Als ‘mijn mannen’ hier een vestiging openen, solliciteer ik. Meteen.

Meatloaf van Mathijs.

Toen ik Frank leerde kennen hield hij al van koken. Hij serveerde standaard heerlijke ontbijtjes en kon ook prima een avondmaaltijd in elkaar draaien. Hij had daar zoveel lol in dat hij,  zo rond 2006,  besloot een kookcursus te gaan volgen. En niet zo maar een. Frank volgde kooklessen bij (destijds) Kookstudio Amsterdam die in samenwerking met Elle Eten een kookworkshop organiseerde.

Het was een dure workshop maar het geld meer dan waard. Frank leerde er echt serieus koken. Vanaf de basis, zeg maar. Dus het begon met het snijden van een ui. Maar hij leerde echt van alles. Sauzen maken, vlees braden, productkennis, noem maar op. Daarnaast was het ook nog eens heel gezellig. Er werd gezellig samen gekookt en daarna samen gegeten. En gedronken. Dat ook. En wat Frank leerde op zijn kooklessen, gaf hij vervolgens door aan mij. Ik stak er aardig wat van op.

De kooklessen werden destijds gegeven door Mathijs. Het klikte wel tussen Frank en Mathijs. Mathijs was gescheiden en woonde net weer alleen. In een half leeg appartement waar in april nog kerstverlichting hing omdat hij dat zo gezellig vond. Dat zijn appartement half leeg was, kon hem niet schelen. Hij had bij de scheiding niets meegenomen omdat hij niet wilde dat zijn ex in een leeg huis zat. Zo was Mathijs. 

We spraken wel eens af met Mathijs, buiten de kooklessen om. Hij nam ons mee naar Huis te Vraag, dat we nog niet kenden. En als hij op visite kwam, kookten we samen. Zijn beroemde meatloaf bijvoorbeeld. Of hij het recept zelf bedacht had, weten we niet meer. Maar wij noemden het altijd Meatloaf van Mathijs. Simpel en toch lekker. Niet echt verantwoord maar ach, als je het niet te vaak eet, mag dat best.

Uiteindelijk verwaterde het contact met Mathijs. Gewoon. Wij hadden het druk, Mathijs had het druk en het contact werd gewoon minder tot we elkaar uiteindelijk nooit meer spraken. Maar we aten nog steeds weleens de meatloaf van Mathijs. Bij een van die keren hadden we het over Mathijs. ‘Goh’ zeiden we tegen elkaar ‘Hoe zou het toch met Mathijs gaan?’. ‘Kijk eens op Facebook!’ opperde ik. ‘Misschien zit-ie op Facebook’. We vonden Mathijs inderdaad op Facebook. Maar uit de berichten maakten we, tot onze grote schrik, op dat hij een jaar daarvoor was overleden.

Straks krijgen we vrienden op bezoek. We eten de meatloaf van Mathijs, die je prima van te voren klaar kunt maken. Bij het sluiten van de ovendeur, dacht ik aan Mathijs. ‘Ik moet eigenlijk zijn recept eens op mijn weblog zetten.’ zei ik tegen Frank. ‘Dat zou hij mooi gevonden hebben.’ antwoordde Frank. Dus bij deze.

Bedankt lieve Mathijs!
Bedankt voor alles wat we van je geleerd hebben.
En voor het recept van je meatloaf. 

Meatloaf met ketchupsaus

Ingrediënten:

  • 1 kg gehakt, half om half of rundergehakt
  • 1 ui, gesnipperd
  • 1 teentje knoflook, uit de knijper
  • 1 teentje knoflook om schaal mee in te smeren
  • 3 eieren (of minder, naar keuze)
  • 250 ml Heinz tomatenketchup
  • Tabasco
  • 100 gram bruine bastaardsuiker
  • zout en peper
  • nootmuskaat
  • paneermeel

Bereiding:

Meng het gehakt in een ruime kom met de gesnipperde ui,de rauwe eieren, de uitgeperste knoflook, nootmuskaat, zout en peper en een beetje paneermeel. Eventueel rauw proeven of een beetje bakken.

Ovenschaal inwrijven met een teentje knoflook.

Vul de ovenschaal met het gehaktmengsel en zorg dat je een soort platte koek krijgt door alle hoekjes goed aan te drukken. Dit is van essentieel belang zodat de saus goed verspreidt over het gehakt.

Maak in dezelfde kom de saus door de ketchup, de bruine suiker, wat tabasco (of chilisaus) en eventueel wat water (50 ml) goed met elkaar te vermengen en giet dit over het vlees.

Zet de meatloaf 40 minuten in de oven op 190 graden.

TIP: Als de bovenkant te bruin wordt oven lager zetten en de schaal afdekken met aluminiumfolie.

Bijschrift bij de foto: Mathijs (rechts) en Frank in de keuken in 2006.