Categorie archief: Me, myself and I

Een Chinees drama.

Op een luie zondag besloten we eens lekker makkelijk uit eten te gaan. De Chinees zou het worden. En niet onze ‘vaste’ Chinees; deze keer zouden we ‘vreemd gaan’ en bij de concurrent gaan eten. We belden om een tafeltje te reserveren om 18.00 uur en keurig op tijd schoven wij aan.

Onder het genot van een drankje bekeken we de menukaart en besloten te gaan voor een of ander rijstgerecht voor twee personen. We gaven onze keuze door en leunden tevreden achterover. Ondertussen stroomde het restaurant vol. Slim van ons om van te voren te reserveren! Het voorgerecht werd vlot geserveerd. Iets soeperigs en mini loempiaatjes. Niet echt mijn favoriet maar ik had honger dus at ik van allebei de helft. Daarna was het wachten op wat komen ging.

Maar er kwam helemaal niets. Geen tweede drankje en geen hoofdmenu. Wij wapperden veelvuldig met onze bestelvinger maar niemand reageerde. Ook naast ons bleven de tafels akelig leeg en begonnen de klanten ongeduldig te worden. Om half acht kreeg ik kriebels van het lange stilzitten dus besloot ik even naar het toilet te lopen dat er overigens keurig uit zag. Dat dan weer wel. Maar ik had inmiddels toch wel weer honger. En dorst.

Terug bij ons tafeltje bleek Frank een drankje voor zijn neus te hebben. Hij wel. Ongevraagd was er een biertje voor zijn neus gezet, aangeboden door het huis, voor het lange wachten. Ik kreeg niks. Maar aan de tafel naast ons werd eten geserveerd. Zij waren na ons binnen gekomen maar hun bestelde maaltijd was misschien sneller te bereiden? Wij kregen hoop. 

Om tien voor acht werd de maaltijd geserveerd bij de tafel achter ons. Ook deze mensen waren ver na ons binnen gekomen. “Sorry, hoor.” zeiden ze tegen ons en begonnen te eten. Wij verder nog twintig minuten straal genegeerd. Om tien over acht gebeurden er drie dingen tegelijk. Achter me hoorde ik een ping-geluid. ‘Ah! Ons eten!’ grapte ik. En tegelijkertijd ontplofte Frank. Mijn grapje én het ping-geluid gingen verloren in het geluid van Frank’s boze stem, die – wederom met zijn bestelvinger in de lucht – luid en duidelijk door het restaurant riep “Afrekenen graag!” Et voilá! Ineens hadden we alle aandacht.

“Maar jullie eten is klaar.” zei de dame van het restaurant. “Wij willen graag afrekenen.” zei Frank weer. “Maar jullie eten is nú klaar.” probeerde de dame weer. Maar Frank hield vol. “Afrekenen graag, wij gaan nu weg.” De dame van het restaurant begon een tikkie geïrriteerd te raken. “Nou, eet dan maar van het huis” zei ze “dan hoeven jullie niet af te rekenen.” Waarmee ze totaal voorbij ging aan het principe. Wij willen niet gratis eten. Wij willen gewoon betalen. Maar we willen ook service. Een beetje vriendelijk behandeld worden. Dan geven we nog fooi ook. 

Frank hield voet bij stuk. “Nee, we willen afrekenen, we gaan weg” Toen ontplofte de dame van het restaurant. “Nou! Ga maar weg dan!” schreeuwde ze “Jullie mógen niet eens meer afrekenen!”. 

Oh. Nou. Prima, dan. Wij stonden op en trokken onze jassen aan. Frank bood zijn excuses aan aan de overige gasten, ik wenste hen een smakelijke voortzetting en met opgeheven hoofd verlieten wij het pand. 

Terwijl we weg liepen, keek ik af en toe om. Ik verwachtte min of meer dat de kok zwaaiend met messen achter ons aan kwam. Gelukkig bleef de straat leeg. Om half negen zaten we eindelijk aan tafel. Bij de snackbar om de hoek. Heerlijk eten. Vriendelijke bediening. Prima service. We hebben fooi gegeven. Uiteraard.

Wat doe jij als de service of het eten niet naar je zin is in een restaurant?

Bevrijdingsdag 2019 – Wie met Gods klokken schiet, die wint de oorlog niet

Toen ik het appartement waar we nu wonen op internet zag staan, was op een van de foto’s te zien dat de woning uitkeek op een kerk. ‘Wat grappig,’ dacht ik. Want Frank vertelde vaak hoe hij opgroeide in de Staringstraat in Amsterdam, recht tegenover de – inmiddels gesloopte – Sint Vincentiuskerk en zo gewend was aan het geluid van de kerkklokken.

Maar de foto’s die ik zag op internet, met uitzicht op de kerk, bleken niet van onze woning te zijn. Want vanuit ons huis hebben we geen direct uitzicht op de kerk, tenzij we op het aanrecht klimmen. Maar goed, we wonen praktisch náást een kerk. De Laurentiuskerk. Ook goed. In el geval horen we de klokken.

Toen we hier kwamen wonen en nog bezig waren om ons huisje op te knappen, verkenden we de plaatselijke horeca. En een van de eerste restaurantjes waar we neerstreken was ‘Het dorrup’, dat recht tegenover een kerk ligt. Nóg een kerk? Ja, nog een kerk. De Dorpskerk. 450 meter van de Laurentiuskerk vandaan. En ook van deze kerk, horen we thuis de klokken. Want we wonen precies tussen deze twee kerken in.

De Dorpskerk is ouder dan de Laurentiuskerk. Veel ouder. En wij vinden het een prachtig kerkje. Dus doken we in de geschiedenis van de Dorpskerk. En we ontdekten dat de kerk al bestond in 1043 en dat er op 15 mei 1492 een enorme knokpartij heeft plaatsgevonden. De opstand van het Kaas- en Broodvolk eindigde hier op het kerkhof*.

Van recentere datum is het verhaal over de klok van de Dorpskerk. De klok werd gegoten in 1464 door een klokkengieter uit Utrecht. Hij werd geluid bij storm of bij brand om de bewoners te waarschuwen voor gevaar en bleef daar eeuwen hangen. Tot in de Tweede Wereldoorlog. Toen werd de klok – samen met heel veel andere kerkklokken in Nederland – uit de toren gehaald en verscheept naar Duitsland waar hij omgesmolten zou worden tot munitie. Maar zover kwam het niet.

Het schip ‘Hoop van zegen’ werd in januari 1945 door de Duitsers gevorderd om de klokken naar Duitsland te verschepen maar de schipper weigerde mee te werken en ging van boord. Er werd een onervaren schipper opgetrommeld en zo vertrok de ‘Hoop van zegen’ uiteindelijk toch. In een konvooi van elf schepen met aan boord 226 door de Duitsers geroofde klokken. Ze vertrokken vanuit Amsterdam over het IJselmeer naar Lemmer om van daaruit door te varen naar Duitsland.

Door de inzet van verschillende mensen, liep het iets anders. Want het stormde en de vuurtorenwachter van Urk doofde – niet geheel toevallig – uitgerekend die nacht de noodverlichting van de vuurtoren. Het hele konvooi liep, in het donker, aan de grond bij Urk. Er werd een bergingsfirma uit Urk ingeschakeld maar die hadden niet zo veel zin in het klusje voor de Duitsers. Ze saboteerden de berging en de ‘Hoop van zegen’ zonk. Met alle geroofde klokken aan boord. Na de oorlog, in de zomer van 1945, werden de klokken boven water gehaald. En in 1946 werd de klok van ‘onze’ Dorpskerk terug gehangen waar hij hoort.

Als ik ‘s avonds laat naar de klokken van de kerken luister,  denk ik aan al die dappere mensen die er voor zorgden dat de klok uit de Dorpskerk van Heemskerk niet omgesmolten werd. Liggend in mijn warme bedje tel ik de slagen. Alle 24. Want de klokken van Heemskerk lopen niet gelijk. Dat kan me helemaal niks schelen. Ik houd van het geluid van de klokken. En van het verhaal erachter. 

* Het verhaal over de opstand van het Kaas- en Broodvolk is al zo mooi beschreven op deze site, ik vond dat ik het niet beter kon. De informatie over het Klokkenschip vond ik hier en hier.

** Bijschrift bij de foto: de toren van de Dorpskerk op Bevrijdingsdag 2019. De Engelse vlag wappert er ere van de Britse Soldaten die op het kerkhof begraven liggen. Hun verhaal staat hier.

Schoonpapa.

De vader van Frank was de regelrechte tegenpool van mijn eigen vader. Mijn vader was een eenling, een Groninger van weinig woorden, die genoeg had aan zijn gezin en familie. Vrienden had-ie amper. Hij was graag alleen om te lezen, te vissen en te knutselen in zijn schuurtje.

De vader van Frank was een rasechte Amsterdammer. Charmant en met een vlotte babbel. Hij kende heel Amsterdam en heel Amsterdam kende hem. 

Terwijl mijn vader zijn hele werkzame leven bij ‘het spoor’ werkte, deed de vader van Frank aan wat nu ‘job hopping’ genoemd wordt. Overal zag hij kansen. En overal stortte hij zich vol overgave in. Sommige banen waren succesvol, anderen een stuk minder zodat de jeugd van Frank bestond uit rijke tijden maar ook uit tijden dat het minder ging en ze niet veel geld hadden.

De meest succesvolle periode was de tijd dat Frank’s vader musicals produceerde in de jaren zeventig. Vooral ‘Hair’ en ‘Oh! Calcutta!’ waren een groot succes. Frank herinnert zich nog goed hoe zijn vader hem op zijn schouders tilde en na een voorstelling van Hair met hem het podium op liep. Apetrots was Frank!

Hilarische verhalen uit die tijd doen de ronde. Zoals die keer dat er iemand van de cast van ‘Oh! Calcutta!’ ziek was. Geen probleem; Frank’s vader viel wel even in. Hij speelde de rol vol verve. Naakt. Want tja, dat was nou eenmaal zo in ‘Oh! Calcutta!’ Tot groot afgrijzen van Frank’s tante die nietsvermoedend in de zaal zat en ineens haar zwager in Adamskostuum op het podium zag staan.

Opgroeiend in Amsterdam werd Frank vaak herkend. ‘Jij bent de zoon van Ko, toch?’ werd hem gevraagd. En meestal betekende dat een voordeeltje. Ergens gratis binnenkomen, bijvoorbeeld. Bijna alle BN’ers uit die tijd kwamen bij Frank thuis over de vloer. En het oordeel van Frank’s vader komt nu nog steeds naar voren als Frank zijn mening geeft als diezelfde BN’ers – nu op leeftijd of met hun overlijdensbericht – in het nieuws komen. ‘Ik speelde altijd met zijn zoontje’ zegt Frank dan. Of ‘mijn vader mocht haar niet’.

Ronduit schattig is het verhaal van Frank’s zus Netty die,  als klein meisje, de hele buurt rond rende om aan iedereen die het wilde horen, te vertellen dat Pipo de Clown bij hen op visite was. Een complete kinderschare verzamelde zich voor de woning van Frank’s ouders. Wachtend tot Pipo naar buiten zou komen. Groot was de teleurstelling toen Cor Witschge de deur uit kwam, in het gewone leven onherkenbaar als Pipo.

Er waren banen bij de bioscoop als operateur, waardoor Frank altijd stapels bioscoopkaartjes had om met vriendjes naar de film te gaan. Frank’s ouders hadden een tijdje een restaurant  in de Damstraat in Amsterdam met de naam Kof Kof waarvan we de, door zijn vader met de hand getekende, menukaarten nog hebben liggen.

Er was een winkel met vuurwerk en een handel in fopartikelen. Twee hoog achter zat de hele familie dobbelstenen te maken die altijd zes gooiden, of bierschuim waarmee je water in bier kon veranderen. De doos met prototypes staat hier in de kast. Frank’s vader fotografeerde en ontwikkelde zijn eigen foto’s in een donkere kamer die hij in de badkamer gebouwd had. Want, oh ja, er was ook nog die fotozaak. En oh ja, hij ontwierp ook projectietafels. Die liet hij maken in zijn eigen fabriekje in Zwanenburg.

Samen kijken Frank en ik oude foto’s. De prachtige oude foto’s van zijn moeder waarop ze wel een filmster lijkt. De trouwfoto van zijn ouders. Zijn vader met zijn charmante glimlach en zijn moeder verliefd naar hem opkijkend. We hebben een exemplaar ervan op de kast staan. God, wat hielden ze van elkaar. Zóveel dat Frank’s moeder de lol in het leven verloor toen haar man overleed. Ze stierf drie jaar later. Aan een gebroken hart.

En dan is er ineens die oude foto van Frank’s vader met een welpje. Ik heb foto’s van mijn vader met onze hond. Maar Frank heeft foto’s van zijn vader met een echte leeuwenwelp. Natuurlijk. ‘Hoe kwam hij dáár nou weer aan?’ vraag ik verbaasd. ‘Oh’ zegt Frank ‘Niks bijzonders. Geleend van Artis voor in de etalage van de fotozaak. Dat kon toen nog’. ‘Die foto moet in een lijstje, schat’, zeg ik. ‘En op mijn weblog.’

Bij deze. Een ode aan de vader van Frank. Te jong gestorven. Lang voor ik Frank leerde kennen. Een borreltje hier, een borreltje daar en vooral het kettingroken – niet ongewoon in de jaren 70 – werden hem fataal. Een warme persoonlijkheid, vaak te goed van vertrouwen maar door iedereen geliefd. Hij trok zich niets aan van de gevestigde orde. En dat in die tijd. De James Dean van Amsterdam. 

Nu had-ie waarschijnlijk het label ADHD gekregen maar dat bestond destijds nog niet. Hij was gewoon een druktemaker. Een creatieveling, een charmeur, een bon vivant, een kleurrijk figuur.  Ik had hem graag leren kennen. Ik denk dat we elkaar wel hadden gemogen.

 

In de soep gelopen.

Soepje uit het archief

Omdat het werk het toe liet, kon ik lekker op tijd naar huis. Maar natuurlijk vertrok ik toch net iets te laat van kantoor en moest ik rennen om de trein van 16.48 uur naar huis te halen. Als dat zou lukken, zou ik lekker al om 17.30 uur thuis zijn! Op een holletje naar het station dus. Ik gooide nog snel wat post in de brievenbus en sprintte de poortjes van het station door. Terwijl ik de trap af rende, zag ik dat er nog een trein stond. Snel checkte ik het informatiebord op het perron. Yep! De trein naar Uitgeest! Als een van de laatsten, sprong ik de trein in, net voor het fluitje van de conducteur klonk. Het was 16.49 uur en ik verheugde me op een keertje ‘vroeg thuis’.

Ik zocht een plekje en ging zitten. Wat een mazzel dat mijn trein te laat was nu ik zelf ook zo laat was! Ik pakte mijn ereader om een stukje te lezen toen mijn oog op het informatiebord in de trein viel. “Enkhuizen” stond er. Ik ken zo ongeveer het hele spoorboekje uit mijn hoofd. Om 16.43 uur vertrekt de trein naar Enkhuizen. En om 16.48 uur mijn trein naar Uitgeest. Ik stapte om 16.49 uur in. In de trein die onder het bord “Uitgeest” stond. Maar ik zat dus in de trein naar Enkhuizen. Geweldig.

Nog fijner was het dat ik weet dat de trein naar Enkhuizen pas een eerste stop maakt in Hoorn. Voorlopig kon ik dus nergens heen en zat er niks anders op dat mee te rijden naar Hoorn. In de NS-app checkte ik hoe ik vanuit Hoorn zo efficiënt – en zo snel – mogelijk weer terug naar Uitgeest kon. Er reed een trein terug naar Zaandam die ik net kon halen. Als ik dat zou doen, zou ik, met één overstap, om 18.24 uur in Uitgeest zijn, waar mijn fiets staat. Mijn lekker-op-tijd-naar-huis-plan was zojuist in duigen gevallen. 

Als ik de eerste rechtstreekse trein van Hoorn naar Uitgeest zou nemen, zou ik om 18.35 uur aankomen. Maar met die optie zou ik genoeg overstap-tijd hebben om, ergens in Hoorn, een blik soep en stokbrood te scoren. Want koken*? Dat ging ‘m niet meer worden die dag.

Dus ik installeerde me eens lekker in de trein. Ik las weblogjes, plaatsre reacties bij Jan-en-allemaal en eenmaal in Hoorn bleek er een supermarkt naast het station te zitten. Top! Gewapend met een afbakstokbrood en een blik soep zat ik even later in de rechtstreekse trein naar Uitgeest. Ik kon niet meer doen dan geduldig mijn tijd uitzitten. Ik las wat en keek uit het raam hoe het Noord-Hollandse landschap aan me voorbij trok terwijl de trein me terug bracht naar waar ik moest zijn. 

Helemaal relaxt kwam ik om 18.45 uur thuis aan. Om 19.00 uur serveerde ik het avondeten. ‘Lekker! Soep!’ riep Frank, die nou eenmaal dol is op soep. En ik kreeg een geweldig idee!

Als ik weer geen zin heb om te koken, neem ik gewoon de trein naar Enkhuizen.

* Ja, Frank kan koken. Heel goed zelfs. Helaas lukt ‘t hem nog even niet i.v.m. zijn pijnklachten.