Categorie archief: Me, myself and I

Het gruwelijke einde van Sara.

Omdat ze wist hoe verschrikkelijk ik het zou vinden, dreigde dochter jarenlang. “Als jij vijftig wordt, zet ik een Sara in de voortuin.” Ik had het voordeel jong moeder te worden dus een snelle rekensom leerde dat mijn dochter op mijn vijftigste oud genoeg zou zijn om haar dreigement ten uitvoer te brengen. Ik tackelde dat probleem vakkundig door ruim voor de heuglijke dag in een appartement te gaan wonen. Zonder voortuin. En voor de zekerheid zorgde ik ook nog op de dag zelf niet thuis te zijn. Probleem opgelost. Dacht ik.

Maar toen ik de dag na mijn 50ste verjaardag dochter, schoonzoon en hond van het station haalde, om gezellig uit eten te gaan, bleken ze ineens met z’n vieren te zijn. Robby droeg Nanook en Mich sleepte een heuse Sara met zich mee. Compleet met spijkerbroek, shirt en blauw vestje. Inclusief huissokken. Dus zo ongeveer mijn standaard outfit. Op haar plastic hoofd prijkte een stralende lach. Die van mezelf uitgeprint op A4-formaat.

Ondanks mijn afkeer voor Sara-poppen vond ik het geweldig! Melig zetten we Sara op de bijrijdersstoel, naast me in de auto. En thuis droeg ik haar op mijn schouders naar binnen. Oké. Ik vergat te bukken bij de deuropening waardoor Sara met haar gezicht vol de gevel raakte. En we namen haar niet mee naar het restaurant. Misschien is het daar al mis gegaan. Want het leek zo gezellig; Sara in huis. Maar in de praktijk viel het tegen.

De eerste zondagnacht wilde ze bij mij in bed slapen. Nou ja, het was natuurlijk toch een beetje feest, dus vooruit dan maar. Maar krapjes was het wel dus het was een kort nachtje. Ik was dan ook best moe toen ik maandag uit mijn werk kwam. Lekker simpel eten dan maar. Een soepje met brood. Maar Sara mopperde dat ze niet van soep hield. Een dutje na het eten zat er ook al niet in. Sara pikte mijn plekje op de bank in. En mijn dekentje.

Dinsdag hoopte ik eigenlijk dat ze me een beetje zou helpen met koken. Maar ze beweerde dat dat té gevaarlijk was. Als ze zich zou prikken aan een scherp mes, zou ze leeglopen, zei ze. Voor mijn argument dat dat bij mij – technisch gezien – ook zo was, was ze ongevoelig. Ze kroop op het aanrecht en ging daar zitten wachten tot het eten klaar was.

Woensdag probeerde ik haar over te halen om de strijk te doen. Dat bleek lastig te zijn. Ze was bang dat ze zou smelten als ze te dicht in de buurt van de strijkbout zou komen. Daar had ik geen weerwoord op; ze had gewoon gelijk. Dus worstelde ik mezelf door een hele berg strijk terwijl zij in de weg zat en toe keek. Nog steeds met die irritante glimlach van mezelf op haar gezicht. 

Toen ik donderdagmorgen opstond, was – zoals gewoonlijk – mijn eerste move een spurt richting toilet. Ik moest hoognodig plassen. Groot was mijn verbazing dat het toilet bezet bleek, terwijl Frank nog sliep. Ja, hoor. Madam zat op de pot. Springend voor de wc-deur, met mijn blaas op knappen, zat er niets anders op dan te wachten tot ze klaar was.

Die vrijdag, na een drukke werkweek, verheugde ik me op een avondje rustig op de bank met een glaasje wijn. Helaas bleek onze Saar de wijnvoorraad gevonden te hebben. Broodnuchter doken wij op tijd in bed terwijl Sara beschonken door de woonkamer danste. 

Zaterdag sliep ze – Godzijdank! – een gat in de dag. We genoten van de rust tot mevrouw om een uur of twee weer op dook.  “Man! Wat heb ik een kater!” riep ze, terwijl ze aan haar kruis krabde. “Een gebakken eitje zou er wel wel in gaan. Maar eerst lekker douchen!” En mevrouw dook de badkamer in. Na twintig minuten ging ik poolshoogte nemen. Saar stond zich rijkelijk in te zepen met mijn favoriete douchecel.

Ik keek naar haar terwijl ze met haar rug naar me toe in de douchecabine stond. En ineens zag ik op haar rug een ventieltje zitten. Er knapte iets in me. Ik kreeg een rood waas voor mijn ogen. En voor ik het wist, rukte ik de deur van douchecabine open. Saar probeerde zich nog om te draaien. Maar ik was sneller. Resoluut trok ik het ventieltje op haar rug open. 

Ze sputterde tegen. En probeerde wanhopig haar kunststof armen naar haar rug te krijgen om het ventieltje te sluiten. Maar het was te laat. Met een sissend geluid liep de lucht uit Sara. Langzaam zakte ze ineen tegen de wandtegels van de douche. Pruttelend verdween het laatste beetje lucht uit haar plastic lijf.

Daar stond ik dan. In de badkamer. Terwijl het water van de douche vrolijk spetterde op wat eens mijn Sara was. Ik voelde geen wroeging. Geen spijt. Alleen opluchting. Ik was klaar met Saar.

Ik zette de  badkamerkraan uit, schudde het water van Saar’s stoffelijke resten en hing haar te drogen op het balkon. Ik waste haar kleding. En toen die ook droog was, deed ik alles in een tas die ik klaarzette om terug te geven aan Michelle. Voor een volgende jarige. Ik hoop dat Saar haar lesje geleerd heeft en zich daar wat beter gedraagt.

Daarna deed ik een tukje. Op mijn eigen plekje op de bank. Onder mijn eigen dekentje. Eindelijk rust.

50

Met mijn nieuwe vriendin Sara

Daar was-ie dan. De dag die je wist dat zou komen. 49 jaar lang leek-ie mijlen ver weg. En ineens, bam, was-ie daar. Gisteren werd ik 50.

Veel vrouwen die me voor gingen doen er nogal spastisch over. ‘Oh jee! 50, hè?’ en ze schudden hun hoofd. Ze vonden het nogal ‘een dingetje’, dat 50 worden. Alsof het iets heel vreselijks is. Helaas heb ik teveel mensen gekend die de 50 niet gehaald hebben. Dus zo vreselijk is 50 worden niet, vind ik. ‘Count your blessings’ is niet voor niets nog steeds mijn motto.

Natuurlijk merk ik dat ik ouder word. Hier en daar wat rimpels. Wat grijze haren. En… en ach, dat was het eigenlijk wel. Strak in het vel heb ik nooit gezeten dus daar zat niet veel achteruitgang in. Ik merk vooral dat ik ouder word als ik ‘s avonds naar bed ga, terwijl de jeugd op straat voorbij fietst op weg naar een of andere uitgaansgelegenheid. Dan denk ik aan de tijd dat ik zelf om half twaalf ‘s avonds naar de kroeg vertrok. En dan ben ik zó blij dat ik niet meer hoef. 

En oh ja, ik merk het ook aan de kleine lettertjes omdat mijn ogen slechter worden en mijn leesbril altijd kwijt is. Maar ach, da’s misschien juist een zegen. Zonder leesbril zie ik geen rimpels of grijze haren..

En ja, soms word ik wat melancholiek bij het horen van een oude hit. Alle mogelijkheden die ik toen nog had. Ik had kunnen gaan studeren, kunnen gaan reizen (hahaha, echt niet), ik had alles kunnen worden wat ik wilde. Maar nu de big five-O er is, kan ik alleen maar concluderen dat ik best aardig opgedroogd ben.

Die verlegen kleuter, die het liefst alleen was en voor alles bang was, heeft het voor elkaar gekregen om – in haar eentje *trots* – een prachtige dochter groot te brengen. 

Dat stille kind dat altijd zo onzeker was heeft – zonder diploma’s – toch maar mooi een prima baan met dito salaris gekregen.

Die onzekere puber, die dacht dat niemand haar lief, leuk of aardig vond, heeft toch maar mooi een lief vriendje gescoord. Een vriendje dat ik soms met liefde en plezier achter het behang zou plakken. Maar die op een mooie zomeravond zomaar mijn hand pakt en zegt ‘Jij bent de beste beslissing uit mijn leven’.

Die alleenstaande moeder, die met haar baby begon in een tweekamerflat, woont nu in een geweldig appartement vlak bij zee. Iets wat ik altijd wilde ‘als ik later groot zou zijn’. 

Dus vierden we mijn verjaardag. Met taart bij mijn moeder in Brabant. Omdat dat ook al zo’n ‘count your blessings’-momentje is. 50 worden met je moeder erbij!

En dus gingen we heerlijk uit eten bij het Italiaanse restaurant hier in het dorp met Michelle en Robby, die – behalve een heuse Sara-pop – zo’n bijzonder cadeau mee brachten dat ik daar toch écht een apart logje over moet schrijven.

Dus? Is het leven niet één groot feest?
Echt wel! Ook als je vijftig bent!

Alle beetjes helpen. Toch?

Milieubewust? Ikke? Neuh. Niet echt. Ik hield mijn glas apart maar daar hield het wel mee op. Het feit dat er in ons appartementencomplex een grote container staat waar álles in mag, hielp ook niet echt. Verder suste ik mijn geweten met kreten als ‘ze moeten de fabrikanten aanpakken’ en ‘en de CO2-uitstoot van andere landen dan?’.  En toen het in februari ineens een week twintig graden was, vond ik die global warming eigenlijk wel lekker. En natuurlijk hoorde ik van alles over plastic soup. En natuurlijk vond ik het PVC-paardje van ASN heel zielig en vooral heel schattig. Maar ik deed niks.

Tot ik ‘s avonds laat een praatprogramma keek waar Harm Edens te gast was. Ik vind Harm Edens een sympathieke kerel. En ik wist eigenlijk niet eens dat hij zo milieubewust is. Maar dat is-ie. Harm vertelde over de walrussen in het poolgebied. Die schoven in betere tijden van de gletsjers af, zo het water in. Maar door de opwarming van de aarde zijn gletsjers gesmolten. De walrussen glijden nog steeds over de rand. Maar door gebrek aan ijs vallen ze vervolgens te pletter op de rotsen. Harm had er zelfs een filmpje bij. ‘Nee!’ riep ik ‘Nee! Ik wil het niet zien!’ En ik keek de andere kant op. Maar dat hielp niet want weerspiegeld in het glas van de kamerdeur zag ik de beelden op tv. Ik zag de walrussen over de rand kukelen. En te pletter vallen op de rotsen.

Op internet werd daarna volop gediscussieerd over de walrussen. En over het verhaal van Harm. Er zou niets van kloppen. Er zouden teveel walrussen zijn. Het zou niets te maken hebben met global warming maar het simpele gevolg zijn van het feit dat de ijsberen de walrussen opjagen. Ik heb géén idee hoe het zit. Ik heb er niet voor geleerd. Feit blijft dat die beesten – om wat voor reden ook – van de rotsen springen. En waar is dat ijs dan gebleven? Nou?

Bij mij dééd het iets. Die vallende walrussen. De volgende dag verbouwde ik ons washok tot een heuse milieustraat. Met een bak voor papier, een bak voor glas en een bak voor plastic. Ik installeerde zelfs een app om, bij twijfel, simpel op te kunnen zoeken in welke bak welk afval hoort.

Vol verbazing constateerde ik dat onze zak voor plastic afval zó vol is. En dat er bijna geen restafval overblijft. En als die arme Frank – uit macht der gewoonte – plastic bij het restafval gooit, krijgt-ie de wind van voren. Als een heuse milieupolitie-agente wijs ik hem terecht. ‘Denk aan de walrussen!’

En nee, die walrussen hebben er helemaal niks aan dat ik mijn afval scheid. Ik zou liever hun gletsjers terugtoveren. Maar helaas, die gave heb ik niet. En ja, het is natuurlijk een druppel op een gloeiende plaat. Maar je moet ergens beginnen. En alle beetjes helpen. Toch?

Tip: als je twee touwtjes kruiselings onder in je papierbak legt, kun je je papier heel makkelijk bij elkaar binden als de bak vol is. Geen nylon-touwtje, hè! Sisal. Of katoen of zo…

Het filmpje van de walrussen staat online. Als je al milieubewust bent, kijk dan maar niet. Heb je nog een laatste zetje nodig om wat beter je best te doen voor het milieu, klik dan hier. Maar let op! Het zijn schokkende beelden.

Spike – de koning van de jungle

Best vermoeiend, koning van de jungle zijn.

Vorig jaar had Vrouwtje 2.0 maar twee stoeltjes op het balkon. En een paar bloempotten. Maar ze had de hele balustrade van het balkon volgehangen met bloempotten. Omdat ze bang is dat ik er op spring en naar beneden lazer. Ik ben niet zo handig, zegt ze. Tsss. Alleen omdat ik per ongeluk een keer door het ijs zakte toen ik nog bij Zankie en Vrouwtje 1.0 in Zaandam woonde. Tjonge. Ik was pas één! Dan doe je dat soort stomme dingen.

Oké. Dat ik onder een auto liep toen ik twee was, was inderdaad niet zo handig. Ik dacht dat het nog wel kon; effe snel oversteken. Man, wat een klap was dat! Pijn, jonguh! Maar een of andere dokter heeft me opgelapt en ik werd weer helemaal beter. En aangezien ik daarna nog maar zeven levens over had, kijk ik écht wel uit.

Ik ben dus best wel voorzichtig. Ik spring écht niet op de balustrade van het balkon. Kom op, zeg! Stel je voor! Dan heb je zeven jaar in Amsterdam gewoond, op vier hoog met heuse schietpartijen in de straat (ik vond het wel interessant overigens en zat constant voor het raam naar de plisie-auto’s te kijken) en dan zou je te pletter vallen vanaf één hoog op de Heemkerkse keien. Wat een afgang zou dát zijn!

Maar goed, Vrouwtje 2.0 denkt dat ze mijn leven redt met haar bloempotten en ik laat haar in die waan.  Maar dit jaar gebeurden er vreemde dingen op het balkon. Er kwam een grote doos en daar toverde ze uiteindelijk een bankje uit. Het duurde even maar toen hadden we ook wat! Er liggen lekker zachte kussens op en ik ga er graag liggen chillen.

Daarna vertrok Vrouwtje 2.0 naar Terheijden. Ze mompelde iets over haar roets. Geen idee, wat dat is. Iets met je afkomst of zo. Want ze bleef lang weg dus het was iets in het Zuiden. En daar komt ze vandaan, heb ik me laten vertellen. Toen ze terug kwam had ze allemaal groen spul met bloemetjes bij zich dat ze in potten met zand zette. Heel gek.

Eniwee. Nu staat ons balkon dus helemaal vol. Met een bankje, een tafeltje en twee stoelen. En heel veel potten met groen en bloemetjes. Daar mag ik overigens niet aan knagen want dan gaat Vrouwtje 2.0 boos kijken en dat wil ik niet. Ze was een beetje bezorgd dat ik nu niet genoeg ruimte meer had op het balkon. Maar ik vind het juist gaaf, jonguh!

Want ik sluip nu vaak naar buiten. Dan loop ik voorzichtig langs het bankje. Stilletjes voor het tafeltje langs en dan… Dan sla ik ineens onverwachts linksaf, om die grote pot met groene stengels. Dan weer rechtsaf, waar ik nét tussen die gele bloemen en het stoeltje door pas. Ik sluip rond en niemand ziet mij. Maar ik zie alles! En mijn staart zwiept gevaarlijk heen en weer.

Het lijkt wel een jungle! Geen idee wat dát is maar ik voel iets van binnen als ik zo rond sluip. Iets met terug naar je… Hoe heet het ook weer? Oh, ja! Je roets! Iets met mijn voorvaderen, die ook door de jungle slopen op jacht naar een prooi!

Ik moet alleen uitkijken dat ik geen tijgers tegen kom. Oh, wacht… mijn voorvaderen wáren toch juist de tijgers? Vroeger? Dus ehhh. Ik moet uitkijken dat ik geen.. ehhh.. olifanten tegen kom. Of slangen, of zo. Die zijn ook nie leuk, nie.

Hé! Kijk nou! Daar op die pot met paarse bloemetjes – Vrouwtje 2.0 zegt dat ze lekker ruiken – zit een heel dik vliegding. Dat heet een hommel, geloof ik. Zouden die lekker zijn? Kweenie. Ik kan ‘m natuurlijk ook gewoon pakken voor de lol.

Ik kan dat vliegding uit de lucht meppen met één haal van mijn machtige voorpoot. Ik kom tenslotte uit de jungle. Ik ben stoer! En sterk! Ik ben de koning van de jungle. Of, nou ja, de koning van de jungle op dit balkon.

Ik ga het gewoon doen. Ik ga dat dikke, vette vliegding pakken. Ik maak me klaar voor de sprong. Met ingehouden adem kijk ik naar die dikke, vette hommel. Mijn staart zwiept vervaarlijk heen en weer. In opperste concentratie schud ik met mijn billen, klaar om de sprong te wagen. Hij is van mij! Ik ga ‘m pakken!

Maar wacht!
Wacht even!
Ik hoor iets!

Hé! Dat geluid ken ik!
Ze doen nieuwe kattenbrokken in mijn etensbakkie!
Ik ga naar binnen. Naar de keuken.
Effe lekker eten. En dan een tukkie.
Want het is vermoeiend, hoor. Op jacht in de jungle.
Maar wel leuk. Morgen ga ik weer.