Categorie archief: Me, myself and I

Konijn.

Jaren geleden was ik op bezoek bij mijn tante Rietje in Rozenburg. Ze had nieuwe meubeltjes gekocht en stond vol trots in haar kleine huiskamertje. “Mooi, tante Rietje” riep ik goedkeurend en ik nam plaats op haar nieuwe bankstel. Vrolijk kletsend zaten we even later aan de koffie toen mijn oog op een beeldje van een konijn viel dat naast de tv stond. “Ach, wat een leuk konijn” merkte ik op. Tante Riet keek naar het konijnenbeeldje en zei vlot “Oh? Vind je ‘m leuk?” Resoluut stond ze op, pakte het konijn van de kast en duwde het in mijn handen. “Hier! Neem maar mee dan!”

Even dacht ik aan mijn witte kattenbeeldjes met glazen ogen. Toen ik, begin jaren negentig, op mezelf ging wonen, kreeg ik er eentje cadeau. “Wat leuk!” loog ik beleefd terwijl ik het gruwelijk lelijke beeldje omhoog hield in mijn kamer vol visite. Ik acteerde zó overtuigend dat ik een paar maanden later, na mijn verjaardag, een vensterbank vol witte katten met glazen ogen had omdat iedereen dacht dat ik ze zo leuk vond. En met Kerst kreeg ik er nóg een paar omdat iedereen inmiddels dacht dat ik beeldjes van katten met glazen ogen spaarde.

Dus daar zat ik. Op de bank bij tante Rietje met een konijn op schoot en een mond vol tanden. Dertig jaar ouder maar nog steeds te beleefd om te weigeren. Deze keer had ik niet eens heel erg gelogen want het wás ook een leuk konijn. Alleen niet voor op míjn kast. Tante Rietje zou dat best begrepen hebben maar ik hield mijn mond en ik vertrok braaf mét het konijn naar huis. Pas nu realiseer ik me dat tante Rietje er misschien gewoon graag van af wilde. Van dat stofnest van een konijn.

Het konijn heeft nooit op mijn kast gestaan. Ik heb het wel altijd bewaard. In een doos in de berging. En tijdens een van mijn opruimsessies kwam ik het kreng weer tegen. Mijn tante Rietje leeft niet meer. En daarom kon ik het niet over mijn hart verkrijgen om haar konijn weg te gooien. Ik heb het beeldje op het balkon gezet, naast een bloempot.

En verhip! Eigenlijk is ze daar gewoon wat ze altijd was: een leuk konijn!
Vooruit; ze mag blijven. Sterker nog; ze heeft nu zelfs een naam. Ik noem haar Rietje.

Oude meuk.


Al tijdens de vakantie was ik van plan de berging op te ruimen. Er kwam een klein kinkje in de kabel en ik liet de boel de boel. Maar inmiddels heb ik toch door tactisch schuiven, stapelen en sorteren wat ruimte gecreëerd. Nu moet ik alleen nog een stuk of tien afsluitbare plastic bakken doorlopen die vol zitten met ‘dingen van vroeger’. 

Die dozen zijn al twee keer verhuisd in Breda, toen mee verhuisd naar Amsterdam en nu staan ze hier. En al die jaren heb ik er niet één keer in gekeken. “Dus ik gooi álles weg!” riep ik stoer. Want wat moet je tenslotte met al die oude troep? Alsof dochterlief, later als ik het loodje leg, blij zal zijn met mijn oude meuk van vroeger. Ze gaf zelf trouwens het goede voorbeeld. Ze gooide drie grote dozen met opschrift ‘persoonlijke spullen Mich’ in haar auto en bracht één doos terug. Kijk! Dat ruimt lekker op!

Gisterenavond nam ik zelf een doos mee naar boven vanuit de berging. Opschrift ‘persoonlijke spullen Nicky’. Zittend op de vloer maakte ik de doos open. Bovenop lag de knuffelbeer van onze Toby. Dicht tegen Beer aan lag onze Toob uren te snurken in zijn mandje. Twijfelend pakte ik de beer op. Wegdoen of houden? Ik drukte hem even dicht tegen me aan en liep er mee naar de studeerkamer. Daar zit Toby’s beer nu tussen de andere knuffels.

Verder zaten er twee spelletjes in de doos; een Zwarte Pietenspel en het Advertentiespel. Met het Zwarte Pietenspel hebben Michelle en ik vroeger veel lol gehad. Gezien de Zwarte Pietendiscussie zal dat spelletje wel niet meer in deze vorm in de winkels liggen. Dus legde ik het doosje, samen met mijn Advertentiespel van vroeger, op de plank met spelletjes boven mijn bureau.

De rest van de doos is gevuld met boeken. Een Engels boek over ABBA, dat mijn zussen ooit voor mijn verjaardag bestelden in Engeland. Man, wat was ik er blij mee! Ik was pas een jaar of tien maar ik vertaalde het hele boek woord voor woord met behulp van een Engels woordenboek.

Mijn sprookjesboeken van vroeger, met van die mooie pop up-pagina’s liggen netjes opgestapeld in de doos. En mijn knutselboeken, die nog van mijn grote zussen waren geweest. Ik knutselde er als kind zelf uit en later samen met Michelle en mijn oppaskindjes. En ach, mijn Dick Bruna-boekjes, helemaal stukgelezen, die mijn moeder voor me kocht op het station als we met de trein mee gingen. 

Er zit één boek in uit de enorme collectie van mijn vader. Een van zijn favorieten: ‘Een brug te ver’. Onderin de doos vind ik het telraam dat hij voor me maakte. Van een houten lat, de zijkanten zorgvuldig gladgeschuurd. 

Helemaal onderin ligt mijn dagboek uit 1982 vol met gedichtjes, plaatjes en beschrijvingen van mijn – in mijn ogen destijds – turbulente leven. Tussen de vergeelde bladzijden zit een brief van mijn buurmeisje die ze aan me schreef tijdens een Duitse les. Een enigszins hysterische beschrijving van de jongen waar ze stapel verliefd op was. Ik maak een foto van de brief en stuur hem naar haar via Messenger.

En weer maak ik door tactisch schuiven en stapelen ruimte. Maar deze keer in de boekenkast. En ik zet al mijn boeken op de lege plank.

Ja, ik weet het. Dit was niet de afspraak; ik heb niks weggegooid. Maar hé! Er is wel één doos minder in de berging. Dus! 

Nog negen te gaan…

Later als ik groot ben.

Afgelopen weekend had ik een afspraak met een goede vriend in Brabant. Omdat ik toch in de buurt was, ging ik – voor die afspraak – even bij mijn oude moedertje (87) langs. Even snel wat drinken, even bij kletsen en weer door. Gezellig.

Met mijn sleutel liet ik mezelf binnen, al blij ‘Maaammmmaaa!’ roepend, maar mijn moeder zat niet op de bank. Sterker nog; ze was niet in de huiskamer. Ik keek de lege kamer rond. Zou ze onze afspraak vergeten zijn en met een van mijn broers of zussen op pad zijn? Nee, de deur zat niet dubbel op slot en erg mobiel is ze niet meer dus ze moest ergens in huis zijn.

Enigszins aarzelend liep ik verder naar de keuken. ‘Mam?’ Maar ook daar was ze niet. Het was te koud voor haar om buiten te zitten dus in de tuin kon ze niet zijn. Er zat niets anders op dan de slaapkamer te checken.

Zachtjes deed ik de slaapkamerdeur open deed terwijl ik voorzichtig nog een keer ‘Mam?’ fluisterde. Maar ik trof een geruststellend lege slaapkamer aan. Met haar bed keurig opgemaakt en het slaapkamerraam wijd open om te luchten. ‘Mama.’ riep ik nu wat harder terwijl ik door haar slaapkamer naar de badkamer annex toilet liep. De enige ruimte in huis waar ze nog kon zijn.

Ondertussen ging mijn blik naar het openstaande slaapkamerraam. En daarachter zag ik, helemaal achter in de tuin, bij het schuurtje, haar rollator staan. ‘Mam!’ riep ik. En ik stormde terug het huis door, door de lege woonkamer, door de keuken, de tuin door naar het schuurtjes.

In het schuurtje vond ik mijn moeder…
… terwijl ze de vloer aan het dweilen was.

Want, ja. Mijn moeder dweilt haar schuurtje omdat daar zeil op de grond ligt.
En als het schuurtje niet netjes is, is mijn moeder niet tevreden. Dus hebben we samen het schuurtje opgeruimd, heb ik de vloer verder gedweild en daarna hebben we gezellig wat gedronken.

En ja, natuurlijk ben ik blij dat ze nog zoveel kan. Maar jeetje. Het kost haar zó veel moeite. Soms zou ik willen dat ze gewoon achter de geraniums blijft zitten. Zodat we haar – punt 1 – altijd kunnen vinden. En omdat ze – punt 2 – in haar leven wel genoeg gepoetst heeft. Ik zou willen dat ze de boel eens de boel liet.

Maar aan de andere kant weet ik ook dat mijn moeder dood zou gaan van ergernis en verveling als ze stil moest blijven zitten. Ledigheid is des Duivels oorkussen en de aard van het beestje, en zo. Ik zie nog voor me voor ze, op sporadische uitjes, meegelokt door mijn broer, op een terras zat. Krampachtig genietend met haar handen om de leuning van de stoel geklemd. ‘Nou. Toch gezellig zo, hè?’. Het lieve mens kan gewoon niet relaxen.

Maar ik…
… Ik ga het compleet anders doen.

Note to self:
• Ruim vóór pensioengerechtigde leeftijd zorgen dat ik een schuur heb met zeil.
• Ná pensioengerechtigde leeftijd, dus op mijn 67ste 68ste 69ste op de bank zitten met een boek en kijken hoe mijn kind de schuur dweilt. Of iets anders totáál onzinnigs doet. Lijkt me héérlijk!

Wat gaan jullie doen als je later groot bent?

Zee-stress.

Ooit had ik een badkuip. Geïnstalleerd door mijn toenmalige blinde vriendje. Het duurde allemaal wat langer voor het klaar was maar hij kreeg het wél voor elkaar. Terwijl hij, als finishing touch, nog wat spiegeltegeltjes plakte, ging ik de stad in. Mijn dochter, destijds een jaar of zes, liet ik met een gerust hart bij hem achter. Tenslotte was-ie alleen maar blind en niet stom. Hij zorgde altijd prima voor mijn uk.

Toen ik terug kwam, bleek dat dochterlief ‘geholpen had’. Rondom in de hele badkamer had ze de houten plint tussen het schuine dak en de muur ingesmeerd met glitter-gel. Ik zag voor me hoe het gegaan moest zijn. Die twee in de badkamer en Michelle zoekend naar een klusje. ‘Hé Berry! Zal ik glittertjes op dat randje doen? Dat vindt mama vast mooi!’. En Bernard, aandachtig bezig om op de tast de spiegeltegeltjes waterpas op te plakken, zal ongetwijfeld, zonder na te denken, zijn goedkeuring gegeven hebben. En zo had ik ineens een glitter-and-glamour-badkamer van heb-ik-jou-daar.

Ik heb heel veel plezier gehad van mijn badkuip. Uren dobberde ik rond. Met muziek, een boek of een tijdschrift en af en toe een glaasje wijn. Ook Michelle heeft urenlang gespeeld in bad. Alleen of met vriendinnetjes. Want de meeste logeerpartijtjes eindigden in bad. Met als hoogtepunt het draagbare tv’tje dat ik wel eens neerzette (op veilige afstand uiteraard; ik ben niet blind én niet stom) zodat er in bad tv gekeken kon worden.

Jaren later, toen mijn verkering met Berry allang uit was en Mich te groot werd om met vriendinnetjes te badderen, begonnen de kitranden rond de badkuip behoorlijk goor te worden. Ik probeerde de kit er tussen uit te krijgen en een nieuwe kitrand aan te brengen maar echt succesvol was dat niet. Bovendien kreeg ik last van bad-stress.

Want dat bad stond daar maar en ik had steeds minder tijd om te badderen. Steeds als ik dat bad zag, bedacht ik me dat ik er hoognodig weer eens gebruik van moest maken. Maar ik had er gewoon geen tijd meer voor. Het leverde een raar gevoel op dat zich het meest laat omschrijven als een soort schuldgevoel. ‘Oh ja! Ik moet ook nog in bad,’ 

Bad-stress dus. Dat, in combinatie met het onhandige in bad moeten douchen, maakte dat ik uiteindelijk het complete bad er uit gesloopt heb. Inclusief de spiegeltegeltjes. En de glitter-rand.

Zo’n zelfde soort stress had ik in mijn afgelopen vakantie ook. Maar dan met betrekking tot de zee. Ik ben dol op de zee en mijn grote wens wens was altijd om vlak bij de zee te wonen. Et voilà! Sinds een jaar woon ik vlak bij de zee. Oké; het is nog steeds twintig minuten fietsen maar dit is wel zo ongeveer as close as I can get zonder iedere dag uren onderweg te zijn naar mijn werk. En het afgelopen jaar zag ik de zee dan ook vaker dan in alle voorgaande jaren bij elkaar.

Ik nam me voor om in mijn zomervakantie zo vaak mogelijk naar het strand te fietsen. Stukje wandelen en misschien wel een middagje met een boekje op het strand. Maar het liep ietsjes anders. Ik had weinig tijd in mijn vakantie en vaak ook niet de puf om naar de zee te fietsen. Ik kwam niet verder dan een korte strandwandeling met Michelle bij Wij aan Zee. Zo zonde! Het deed me denken aan mijn bad-stress van vroeger. Ik had zee-stress!

Op mijn een-na-laatste vakantiedag vond ik dat ik móest. Ik móest naar de zee. Ik las een boek op het strand en ik nam zelfs nog even een duik in zee. Iets wat ik al jaren niet meer gedaan had. ‘Morgen moet ik nóg maar een keer gaan’ bedacht ik. ‘Dan kan het nog. Daarna moet ik weer werken.’ Ik piekerde hoe ik een bezoekje aan de zee in moest passen in mijn drukke schema van de volgende dag.

Ondertussen deinde ik op de golven, die maar bleven komen. Oneindig. En ineens viel het kwartje. Hallo! Ik wóón hier! Ik kan altijd naar het strand. Ook als ik geen vakantie heb. Oké, ik kan misschien niet altijd in zee zwemmen. Maar wandelen langs het strand kan altijd. En het mooie is; de zee hoef ik niet te poetsen. De zee krijgt geen gore kitranden. Mijn zee-stress was meteen verdwenen.

Want de zee: die blijft gewoon. Met eb en met vloed. Met mooi weer en met storm. Met sneeuw en met regen. De zee is er altijd. Geduldig wachtend tot ik tijd heb om langs te komen. 

Bijschrift foto: met Michelle en Nanuk aan het strand bij Wijk aan Zee.❤️