Categorie archief: Me, myself and I

Those were the days.

Zaterdag was ik bij een bijzonder feestje. De directeur én de bedrijfsleider van de Volvo-truckdealer waar ik ooit werkte, gaan beiden met pensioen. En ik plande het twee wekelijks bezoekje aan mijn geboortestadje zo dat ik even langs kon gaan om de pensionada’s de hand te schudden en een flesje lekkers te overhandigen.

Er was verrassing alom dat ik er was. Stralende gezichten van de feestvarkens. En ik werd als vanouds – als een van de jongens – op mijn schouders getimmerd door mijn voormalige collega’s. Ik kreeg hartelijke klapzoenen en schudde talloze handjes. Voor ik weer naar huis vertrok, sleurde ik – niet gehinderd door enige verlegenheid want tenslotte was dit jarenlang mijn thuis – mijn voormalige bazen uit de felicitatie-rij. Omdat ik met hen op de foto wilde. Dat was me, in de acht jaar dat ik er werkte, nog nooit gelukt,

Onderweg naar huis, in de auto, omringd door een wolk aftershave door alle kussen die ik had gekregen, dwaalden mijn gedachten af. Naar het gezelligste bedrijf waar ik ooit gewerkt heb. Het bedrijf waar ik regelmatig kramp in mijn kaken had van het lachen na de lunchpauze. Wat hebben we een lol gehad.

Ik dacht aan mijn sollicitatiegesprek, destijds in 1998, waarin gewaarschuwd werd voor het – als enige vrouw – werken tussen 30 vrachtwagenmonteurs. Onbehouwen. Vrouwonvriendelijk. Grote bekken. “Kun jij dat?” En of ik dat kon! In mijn eerste werkweek vlogen de vrouwonvriendelijke moppen over tafel. “Nu of nooit” dacht ik. En ik zette de chef van de werkplaats voor schut met een man-onvriendelijke mop. Sindsdien zat ik gebeiteld. Al die vrouwonvriendelijke praat bleek pure bluf. Schatjes waren het. Stuk voor stuk. Deuren werden voor me open gehouden. En als ik iets moest tillen dat zwaarder woog dan een pak printerpapier stond er 30 man klaar om het voor me te tillen.

Ik dacht aan de borrels op vrijdagmiddag, na een week hard werken. De mannen met een flesje Jupiler. En ik met een wijntje, dat ze speciaal voor mij gingen halen omdat ik geen bier lust. Tot groot plezier van de directeur die eigenlijk ook liever wijn dronk dan ‘juup’ en sinds die tijd graag een glaasje met mij mee dronk. Ik heb me overigens altijd keurig gedragen op de vrijdagmiddagborrel. Tot ik wegging. En op de allerlaatste werkdag alsnog vreselijk dronken een tikkie aangeschoten werd.

Ik dacht aan dat bedrijfsfeestje waarbij we een rondvaart maakten op de Biesbosch. Ongelukkigerwijs bleek het Nederlands elftal die avond een belangrijke wedstrijd te voetballen waardoor 30 man dreigde niet te komen en de directeur snel nog tv aan boord regelde. Het regende pijpenstelen die avond en de verbinding viel steeds weg, waardoor onze IT-specialist steeds naar buiten moest om de antenne goed te zetten. Zodra het beeld aan boord terugkwam werd hij, eenzaam aan dek in de stromende regen, luid toegezongen door alle collega’s. “Willem is oké, olé olé”. Ze waren de beroerdste niet. Jammer dat Nederland verloor van Tsjechië die avond.

Of dat bedrijfsfeest waar ‘s middags het Kabouter Plop-lied gedraaid werd voor de kinderen. ‘s Nacht om één uur werd-ie weer gedraaid. Tot groot plezier van 30 lichtelijk aangeschoten monteurs op de dansvloer, stampend met hun voeten en hun handjes in de lucht. De bedrijfsfeesten waren sowieso altijd geweldig. Met de hele werkplaats die gestoffeerd werd met tapijttegels en nepplanten. Met een band, een dansvloer en een cateringbedrijf. Ik ben voor het leven verpest. Als ik op mijn huidige werk in een ongezellig kantoor weer eens op een goedkope kaasstengel sta te knagen, denk ik met weemoed terug aan die grandioze feesten van toen.

Ik dacht aan die keer dat mijn moeder van de zoldertrap viel en belde om te vragen of ik naar haar toe kon komen. Ik brak in op een vergadering. “Ga maar gauw, meiske” zei de bedrijfsleider. Geen probleem. Ik dacht aan de directeur die aanbood de kinderopvang te betalen toen ik meer ging werken. Toen bleek dat ik die kosten – als alleenstaande ouder – terug kreeg via de gemeente, stond hij erop tóch te betalen. “Zie het maar als opslag. Je bent het waard”, zei hij. Toen Michelle’s knie uit de kom schoot en ze niet zelf naar school kon, mocht ik haar – onder werktijd – halen en brengen. Geen probleem. Op de lagere school kwam Mich soms lunchen tussen de middag. Of in vakanties helpen op kantoor. Kind aan huis. Ze mocht altijd mee als er proefritjes gemaakt moesten worden in die enorme vrachtwagens. Op de middelbare school heeft ze er zelfs nog een ‘snuffelstage’ gedaan. Ze was van harte welkom. Vanzelfsprekend.

Ik dacht aan al die keren dat er een vrachtwagen afgeleverd moest worden aan een klant en mijn collega’s van de afdeling verkoop achteloos de autosleutels van een Volvo die ik never-nooit-nie zou kunnen betalen op mijn bureau gooiden. “Rij jij even achter me aan?” Met klotsende oksels reed ik die eerste keren achter de vrachtwagen aan. In de dure wagen van de verkoper. Maar uiteindelijk kreeg ik er lol in om met zo’n dure bak rond te rijden.

Ik dacht aan de keren dat ik de oude Volvo V90 diesel kon lenen om mee naar Amsterdam te rijden. Het ding – door ons liefdevol ‘de Tank’ genoemd – trok voor geen meter. Maar als-ie eenmaal vaart had, dan reed-ie als een zonnetje. Ik dacht aan de collega die Michelle en mij – midden in de nacht – van Breda naar Schiphol bracht toen we op vakantie naar Spanje gingen. Met een auto van de zaak. Gratis. Dat we onze vlucht misten was niet zijn schuld, overigens.

Met het schaamrood op mijn kaken dacht ik terug aan mijn meesterlijke verspreking toen Michelle ooit belde – destijds nog op de vaste lijn – met de mededeling dat ze zou koken die dag. “Wat fijn!” riep ik uit “Dan staat het eten thuis als ik klaar kom!” Tot grote hilariteit van al mijn mannelijke collega’s achter de receptie natuurlijk.

Ik dacht aan de keren dat ‘mijn mannen’ overwerkten en in alle vroegte begonnen. Dan ging ik extra vroeg naar mijn werk en bracht ze koffie in de werkplaats. De blije gezichten onder zo’n truck als ik ze een bekertje warme koffie aangaf. Of die keer dat ze met de servicebus van de zaak naar mijn huis reden om mijn lekke autoband te fixen. Of deur van mijn oude autootje repareerden in de werkplaats. ‘Rijdt ‘m maar effe binnen, mop’. ‘Wat kost dat?’ vroeg ik dan. Niks. ‘Mijn mannen’ deden dat even in hun pauze. En dan sleepte ik weer een krat ‘juup’ mee naar mijn werk.

Ik dacht aan de warme zomers waarin ‘mijn mannen’ steeds zwarter werden omdat ze met hun vuile handen het zweet van hun gezicht veegden. En we ijsjes haalden bij de benzinepomp die we zittend op de stoep, voor het kantoor, opaten. Grappend en grollend.

Ik dacht aan de favoriete liedjes van de monteurs. Hoe ik, vanuit de kantine boven in de werkplaats naar beneden keek, en de een na de andere blauwe overall onder een vrachtwagen vandaan zag komen om een dansje te maken. ‘Als de morgen is gekomen’ van Jan Smit was er zo een. Of ‘Love generation’ van Bob Sinclair. Het volume gaat nog steeds op tien hier als ik die nummers hoor. Ik jaag ook, nu nog steeds, na al die jaren, mijn medepassagiers in de auto de stuipen op het lijf jaag door luidkeels te gaan schreeuwen als ik ergens op de snelweg een klant van ‘mijn garage’ zie rijden. Of een mooie Volvo-truck. Eens een Volvo-meisje, altijd een Volvo-meisje.

Ik dacht aan die keer dat ze me belden, nog niet zo heel lang geleden, om te checken of ik nog steeds in Amsterdam woonde. Ik was al járen weg maar ze hadden een nieuwe functie binnen het bedrijf en “en als iemand dat kan, ben jij het”. “Kom je terug?” hoorde ik ook gisteren weer vaak. Maar ik woon niet meer in de buurt. Het is wel heel ver fietsen nu. Ik begon er als telefoniste en koffiejuf. Maar uit verveling schooide ik op alle afdelingen om werk. Toen ik wegging, na precies acht jaar, omdat ik naar Amsterdam vertrok, was ik de vaste assistent van alle afdelingen. Ik kon bijna alles. Behalve sleutelen aan vrachtwagens. Ik deed een schat aan werkervaring op en mijn zelfvertrouwen kreeg een enorme boost door al die kerels om me heen.

Het was er altijd ijskoud in de winter, doordat de deuren in de werkplaats altijd open stonden. Vaak zat ik dan met een flesje warm water als kruik achter mijn bureau. “Mannen!” opperde ik dan “We moeten uitbreiden. We moeten een kantoor op Curacao. Waar het lekker warm is.”

Ik vind nog steeds dat ze moeten uitbreiden. Maar het hoeft geen Curacao te zijn. Ergens aan de Noord Hollandse kust is ook prima. Ondanks mijn lieve collega’s van nu, ondanks mijn leuke werk. Als ‘mijn mannen’ hier een vestiging openen, solliciteer ik. Meteen.

Meatloaf van Mathijs.

Toen ik Frank leerde kennen hield hij al van koken. Hij serveerde standaard heerlijke ontbijtjes en kon ook prima een avondmaaltijd in elkaar draaien. Hij had daar zoveel lol in dat hij,  zo rond 2006,  besloot een kookcursus te gaan volgen. En niet zo maar een. Frank volgde kooklessen bij (destijds) Kookstudio Amsterdam die in samenwerking met Elle Eten een kookworkshop organiseerde.

Het was een dure workshop maar het geld meer dan waard. Frank leerde er echt serieus koken. Vanaf de basis, zeg maar. Dus het begon met het snijden van een ui. Maar hij leerde echt van alles. Sauzen maken, vlees braden, productkennis, noem maar op. Daarnaast was het ook nog eens heel gezellig. Er werd gezellig samen gekookt en daarna samen gegeten. En gedronken. Dat ook. En wat Frank leerde op zijn kooklessen, gaf hij vervolgens door aan mij. Ik stak er aardig wat van op.

De kooklessen werden destijds gegeven door Mathijs. Het klikte wel tussen Frank en Mathijs. Mathijs was gescheiden en woonde net weer alleen. In een half leeg appartement waar in april nog kerstverlichting hing omdat hij dat zo gezellig vond. Dat zijn appartement half leeg was, kon hem niet schelen. Hij had bij de scheiding niets meegenomen omdat hij niet wilde dat zijn ex in een leeg huis zat. Zo was Mathijs. 

We spraken wel eens af met Mathijs, buiten de kooklessen om. Hij nam ons mee naar Huis te Vraag, dat we nog niet kenden. En als hij op visite kwam, kookten we samen. Zijn beroemde meatloaf bijvoorbeeld. Of hij het recept zelf bedacht had, weten we niet meer. Maar wij noemden het altijd Meatloaf van Mathijs. Simpel en toch lekker. Niet echt verantwoord maar ach, als je het niet te vaak eet, mag dat best.

Uiteindelijk verwaterde het contact met Mathijs. Gewoon. Wij hadden het druk, Mathijs had het druk en het contact werd gewoon minder tot we elkaar uiteindelijk nooit meer spraken. Maar we aten nog steeds weleens de meatloaf van Mathijs. Bij een van die keren hadden we het over Mathijs. ‘Goh’ zeiden we tegen elkaar ‘Hoe zou het toch met Mathijs gaan?’. ‘Kijk eens op Facebook!’ opperde ik. ‘Misschien zit-ie op Facebook’. We vonden Mathijs inderdaad op Facebook. Maar uit de berichten maakten we, tot onze grote schrik, op dat hij een jaar daarvoor was overleden.

Straks krijgen we vrienden op bezoek. We eten de meatloaf van Mathijs, die je prima van te voren klaar kunt maken. Bij het sluiten van de ovendeur, dacht ik aan Mathijs. ‘Ik moet eigenlijk zijn recept eens op mijn weblog zetten.’ zei ik tegen Frank. ‘Dat zou hij mooi gevonden hebben.’ antwoordde Frank. Dus bij deze.

Bedankt lieve Mathijs!
Bedankt voor alles wat we van je geleerd hebben.
En voor het recept van je meatloaf. 

Meatloaf met ketchupsaus

Ingrediënten:

  • 1 kg gehakt, half om half of rundergehakt
  • 1 ui, gesnipperd
  • 1 teentje knoflook, uit de knijper
  • 1 teentje knoflook om schaal mee in te smeren
  • 3 eieren (of minder, naar keuze)
  • 250 ml Heinz tomatenketchup
  • Tabasco
  • 100 gram bruine bastaardsuiker
  • zout en peper
  • nootmuskaat
  • paneermeel

Bereiding:

Meng het gehakt in een ruime kom met de gesnipperde ui,de rauwe eieren, de uitgeperste knoflook, nootmuskaat, zout en peper en een beetje paneermeel. Eventueel rauw proeven of een beetje bakken.

Ovenschaal inwrijven met een teentje knoflook.

Vul de ovenschaal met het gehaktmengsel en zorg dat je een soort platte koek krijgt door alle hoekjes goed aan te drukken. Dit is van essentieel belang zodat de saus goed verspreidt over het gehakt.

Maak in dezelfde kom de saus door de ketchup, de bruine suiker, wat tabasco (of chilisaus) en eventueel wat water (50 ml) goed met elkaar te vermengen en giet dit over het vlees.

Zet de meatloaf 40 minuten in de oven op 190 graden.

TIP: Als de bovenkant te bruin wordt oven lager zetten en de schaal afdekken met aluminiumfolie.

Bijschrift bij de foto: Mathijs (rechts) en Frank in de keuken in 2006.

Een klein beginnetje.

Ooit, lang lang geleden, kocht ik een echte camera. Twijfelend, dubbend of ik zoveel geld uit zou geven aan iets wat je niet écht nodig hebt. Want ik heb een mobieltje waarmee ik er lustig op los klikte. Niks mis mee. Maar ik droomde al zólang van een échte camera.

‘Doe het nou gewoon!’ moedigde Vriendje-lief aan. ‘Je fotografeert zo graag! Gun dat jezelf nou eens.’ Dus die camera kwam er en om er mee om te kunnen gaan, trakteerde ik mezelf ook nog eens op een heuse fotografie-workshop. Laaiend enthousiast kwam ik thuis. Maar vrijwel meteen kwam de klad in mijn fotografie-hobby.

Iets met een gebrek aan onderwerpen. Als je het liefst op de bank zit met een boek valt er niet veel te fotograferen. En er is ook zo iets als je ongemakkelijk voelen met zo’n camera om je nek. Dus belandde mijn camera in de kast. Om daar stof te vergaren en alleen af en toe tevoorschijn te komen om de 3476-ste foto van onze kat te maken.

Tot ik, voor mijn weblog, foto’s nodig had van de dorpskerk. Ik nam mijn camera mee en merkte – tot mijn verrassing – dat ik het ongemakkelijke gevoel om met een camera rond te lopen vergat terwijl ik over de oude begraafplaats rondstruinde op zoek naar mooie beelden.

Tot ik, op de verjaardag van mijn moeder, zomaar wat kiekjes maakte van mijn achternichtje dat speelde met een ballon. En haar moeder me vervolgens appte. ‘Kun je me uit de foto’s uit familie-app sturen in de originele resolutie? Ik vind ze zo mooi!’ 

En ondertussen kijk ik, vol bewondering, naar de foto’s van Liesbeth, wiens log ik al een tijdje volg. Regelmatig plaatst ze fotografie-tips die ik van voor naar achter en van achter naar voren lees. 

Op een van de laatste mooie dagen van deze zomer, besloot ik naar het strand te fietsen. Ik pakte mijn telefoon, mijn sleutels en gaf Vriendje-lief een kus. ‘Tot straks!’ En met de deurklink al in mijn hand, hoorde ik de laatste tip van Liesbeth in mijn hoofd. ‘Neem altijd je camera mee’. Ik ging terug en nam mijn camera mee.

Een even simpele als waardevolle tip. Op het strand bleek het te wemelen van de zeemeeuwen. Wat een mazzel dat ik mijn camera bij me had! Ik klikte er op los. Kiekjes. Niks bijzonders. Mijn missie was om een vliegende zeemeeuw te fotograferen. En bij thuiskomst bleken er toch wel leuke plaatjes tussen te zitten.

Dus het begin is (weer) gemaakt. Ik neem voortaan mijn camera mee. Bedankt, Liesbeth!

 

 

Boekenwurm.

Het valt meteen op, in zo’n trein vol slaperige forenzen, als er een vrolijk kinderstemmetje klinkt. ‘Mama, gaan we hier zitten?’ Er zitten nooit kleine kinderen in mijn trein. Alleen mensen die naar hun werk gaan. Kleine kinderen gaan nooit met de trein naar school. Dacht ik. 

Maar dit kleutertje dus wel. Elke morgen stapt ze met haar mama in de trein. Een kleutertje dat nog echt opgevoed wordt. Ze moet zachtjes praten, zo ‘s morgens vroeg in de trein. Ze moet stilzitten. En als het druk is, moet ze bij haar moeder op schoot. 

Ik vind het wel gezellig, die kleuter in de coupé. Bungelend met haar korte beentjes, zingt ze zachtjes kleuterliedjes. Of ze kijkt uit het raam en noemt de dieren op die ze buiten ziet. Koetje-koetje. Paard. Maar meestal leest ze.

Want ze heeft elke dag een leesboek bij zich. Waarschijnlijk kan ze nog niet echt lezen maar ze brengt het heel serieus. Met het boek op schoot, volgt ze de woorden met haar vinger, terwijl ze een verhaal fluistert. Ze vraagt nooit om haar moeders telefoon. Ik zie haar nooit swipen. Ze leest boeken. Echte. 

Vorige week was ze er weer, de treinkleuter. Samen met haar moeder ging ze schuin tegenover me zitten. ‘Doe je rugzak maar even af’ zei haar moeder. Maar hoe ze ook wurmde en draaide, kleuter kreeg de rugzak niet van haar rug. Toen haar moeder haar vervolgens hielp, bleek al snel waarom. Tussen de rugzak en haar rug zat een enorm boek verstopt. ‘Oh nee’ zuchtte haar moeder ‘Heb je nou toch dat grote boek mee gesmokkeld?’

Kleuter is blijkbaar zo’n kind dat de hele kinderafdeling van de bieb uitgelezen zal hebben tegen de tijd dat ze twaalf is. Zo’n kind dat stiekem met een zaklamp onder de dekens ligt te lezen als het allang bedtijd is geweest. Zo’n kind dat alle etiketten leest aan tafel,  omdat een boek tijdens het eten niet mag.

Ik glimlachte even naar kleuter. Want er was herkenning alom. Kleuter is een echte boekenwurm. Net als ik! Wat heerlijk voor haar. Ze hoeft zich in elk geval nooit te vervelen!