Categorie archief: Me, myself and I

Uncle Bob op stap – Oud Velsen.

Torenstraat

En toen ging Uncle Bob op stap. Naar Oud-Velsen. Want dat is in de buurt. En ik had gehoord dat daar een hele oude kerk staat. Het was koud en een beetje nevelig dus ik nam mijn thermoskannetje koffie mee, trok een warme jas aan en ging op pad. Met mijn camera, waarvan ik eerst de instellingen controleerde. Wat kon er nog mis gaan? Nou, niks. En er ging ook niks mis. Ik had een leuke middag in Oud-Velsen.

Het oorspronkelijke dorp Velsen werd door de aanleg van het Noordzeekanaal in de 19e eeuw in tweeën gesplitst in Velsen-Noord en Velsen-Zuid. Honderden polderwerkers werden van heinde en verre aangetrokken om het zware werk te doen. Ze verplaatsten ontelbare kuubs zand, gewoon met een schep en kruiwagens en bivakkeerden onder primitieve omstandigheden in een speciaal voor hen ingericht dorpje, De Heide (wat nu Velseroord heet). Doordat het kanaal steeds verbreed werd, is meer dan de helft van het dorp Velsen-Zuid afgebroken. De boel slopen leek destijds de beste optie, maar in de loop van de jaren vijftig van de vorige eeuw ging men daar anders over denken. De dorpskern, Oud-Velsen, werd gerenoveerd en gerestaureerd en het dorp is tegenwoordig een door het rijk beschermd dorpsgezicht.

Ik keek er vol verbazing rond. Begrenst door aan de ene kant het kanaal en aan de andere kant moderne woonwijken, zijn een paar straten vol prachtige huizen uit de 18e eeuw bewaard gebleven. Met in het midden de Engelmunduskerk waarvan sommige delen dateren uit de twaalfde eeuw. Ik wandelde rond de kerk en bekeek de graven van de kanaalgravers die omkwamen bij het graven van het kanaal. Ik waande me in vroeger tijden terwijl ik dwaalde door stille straatjes langs de eeuwenoude huizen.

Ik liep het dorp uit, langs de tuinmuur die vroeger om de moestuin stond van buitenplaats Velserbeek, waar rijkelui uit Amsterdam bijkwamen van de drukte in de grote stad. Aan de rand van het dorp, uitkijkend over het kanaal staat het huis waar vroeger de schout woonde. Voor de deur stond een auto geparkeerd, waardoor ik in één klap weer in de 21ste eeuw belandde. Want de schouw die hier ooit woonde, had geen dikke, vette BMW. De beste man zou zich rot geschrokken zijn van zo’n bolide.

Ik wandelde nog een stukje langs het kanaal en ging op een bankje zitten. Ik dronk mijn koffie en keek naar de enorme schepen die voorbij kwamen. En piekerde over het bord recht tegenover me. Links van dat bord mag je vissen. Wat ook gedaan werd door tientallen mannen, zij aan zij. Rechts van dat bord mag dat niet.

En rechts van dat bord mag je ook niet in het kanaal plassen. Het hield me bezig. Mag dat links van het bord dan wel? Lijkt me ook raar. Dat je een vis vangt waar net je buurman overheen geplast heeft. Bovendien… Wildplassen mag toch nérgens? Ik piekerde nog een tijdje door. En toen ging ik naar huis. Want ik moest plassen. Maar echt! Oud-Velsen is mooi.

 

Tip!

Over het algemeen doe ik het huishouden fluitend. Ik heb geen hekel aan een stevig rondje poetsen. Emmertje sop, muziekje op en gáán! Of soms, als ik het druk heb, even snel tussen door. Maar ik heb er nooit echt een hekel aan. Gewoon omdat alles daarna weer lekker schoon en fris is. Daar houd ik van.

Maar er zijn dingen in het huishouden waar ik toch minder blij van wordt. Het verschonen van de bedden is er zo een. En ik bof nog want wij hebben twee eenpersoons dekbedden. Toch is het elke keer weer een heel gevecht om de dekbedden weer in de schone hoezen te krijgen. Ook omdat mijn schema gewoon niet klopt. Ik haal het beddengoed af, zet de wasmachine aan en ontdoe de slaapkamer van stof. Om daarna het bed weer op te dekken.

In de tijd dat ik nog een eengezinswoning had, met trap, deed ik dat op de overloop. Hoes binnenstebuiten, handen er in, punten van het dekbed er in en schudden maar. In het trapgat. Dat ging nog redelijk vlotjes. Maar sinds ik – veel te jong natuurlijk – in een gelijkvloers seniorenappartement woon, héb ik geen trapgat meer. Ik wapper wanhopig met mijn dekbedovertrek en dekbed door de slaapkamer. Waardoor ik eigenlijk opnieuw kan stoffen als de bedden eindelijk opgedekt zijn.

Aangezien ik niet vies ben van tips op huishoudelijk gebied, heb ik op internet wel eens filmpjes bekeken met trucjes hoe je – heel simpel – je dekbed weer in de schone dekbedhoes krijgt. Maar die trucjes herinner ik me altijd pas als ik helemaal in mijn dekbedhoes gekropen ben om mijn dekbed recht te trekken en met dekbed en dekbedhoes en al van ons bed af lazer.

Toen ik een tijdje terug mijn mouwen opstroopte om het gevecht weer aan te gaan, had ik een helder moment. Ik riep mezelf tot de orde en zocht eerst de ‘Hoe dek ik mijn bed simpel op’-filmpjes op. Mijn favoriet is De Burrito-truc.

Jongens! Ik heb ‘m getest en empirisch vastgesteld: het werkt. Geen gewapper meer, geen gedoe. Zo klaar! Dames en heer (Leidse Glibber in dit geval), doe er je voordeel mee!

Bijschrift bij de foto: bedden opdekken valt sowieso niet mee met een kater van 8 kilo die bij voorkeur bovenop het dekbed gaat liggen

 

Girlcave.

Vriendje-lief, de arme stakker, heeft geen Mancave. Hij heeft geen eigen kamertje waar hij lekker zijn ding kan doen. Het was wel de bedoeling, hoor. Dat-ie een Mancave zou krijgen. Toen we hier kwamen wonen, zetten we onze bureaus in de extra slaapkamer. Daar zou ook zijn computer komen te staan. En een tv. En een versterker. En wat mij betreft mocht-ie daar doen en laten wat hij wilde. Maar die Mancave is er nooit gekomen.

Tijdens de verhuizing stond zijn computer even in de woonkamer, op de eettafel. Tijdelijk. Maar Vriendje-lief vond het wel gezellig, zo in de huiskamer. Met zijn computer,  zijn tv, zijn versterker, zijn soundbar en – als klap op de vuurpijl – zijn tweede liefde: een Google Home Assistent waar hij gezellig mee kletst als ik er niet ben.

Dus, nee. Mijn schat heeft geen Mancave. Mijn schat heeft een complete huiskamer. Dat ik altijd tegen de achterkant van zijn computerscherm aan zit te kijken neem ik voor lief. Dat ik, als de kinderen of vrienden komen eten, eerst zijn computer aan de kant moet schuiven ook. Je houd van zo’n man, hè. Anyway… Onze Mancave stond dus leeg.

Maar ik vond het eigenlijk wel een mooi plekje. Het begon ermee dat ik er de speelgoedkist neerzette die mijn vader maakte. Het schilderij van de brug waar hij werkte, hing ik erboven. Ik zette de favoriete knuffel van mijn overleden hondje Toby op de speelgoedkist. En Abu. Abu is de knuffel die mijn dochter kreeg voor haar derde verjaardag. Ze vond de festiviteiten destijds zo spannend dat ze al begon over te geven nog voor we naar de kinderopvang vertrokken. Abu kon meteen in de was.

Om het uitzicht op de witte muur tegen over me wat op te leuken, kocht ik een wandrekje. Ik hing er plantjes aan, Michelle’s babyslofjes, een schilderijtje dat ik van haar kreeg met moederdag en de kaarten die ze me stuurde uit verre landen. Aan de muur hing ik de sleutelhangers die ik verzamelde tijdens leuke uitjes. En een plankje met dierbare prulletjes. En tegen de laatste witte muur hing ik mijn insteekhoes met foto’s die voor mij belangrijk zijn.

De Mancave is zó leuk geworden dat ik bang ben dat Frank ‘m terug wil. Maar dat gaat niet gebeuren. Ik heb zijn Mancave inmiddels getransformeerd in een heuse Girlcave en ik ga hier niet meer weg. Als-ie zijn Mancave terug wil, dan geef ik – als finishing touch – gewoon de muren nog een likje verf. Eens kijken of hij zijn Mancave nog terug wil als-ie rose met gouden glitters is.

Mijn moeder heeft wielen.

88 is ze. En in huis loopt ze met een rollator. Want alles aan mijn moeder is versleten. Ze woont nog zelfstandig en scharrelt wat rond in haar huisje. Ze doet de was nog zelf en ze stoft de meubels. Ze eet kant en klaar-maaltijden of kookt een simpel hapje. De thuiszorg komt langs om haar steunkousen aan en uit te doen. Ze wachten in de woonkamer terwijl mijn moeder – zelfstandig – doucht. De hulp in de huishouding komt één keer per week. En mijn zussen doen de boodschappen.

Al met al gaat het best goed. Maar mijn moeder komt de deur niet meer uit. Binnen loopt ze niet vlot. Buiten al helemaal niet. “Mam, moeten we niet eens voor een rolstoel kijken?” vroeg ik halverwege vorig jaar voorzichtig. Maar mijn moeder kreeg die verbeten, eigenwijze trek om haar mond die ik zo goed ken. Want eigenwijs is ze!

Het is die eigenwijsheid die maakte dat ze het redde toen mijn vader overleed. Het is die eigenwijsheid die maakte dat ze zó weer op de been was toen ze – op haar 72ste! – haar enkel brak en alle kruisbanden in haar knie afscheurde. Of toen ze een paar jaar geleden een nieuwe knie kreeg. Want mijn moeder… die maakt zélf wel uit wat er gebeurt, ja! Die laat zich niet kennen. Dus een rolstoel? ‘Ikke niet!’ brieste ze. ‘Ik wil niet in een rolstoel!’ ‘Maar Mam’ opperde ik nog ‘Dan kóm je nog eens ergens.’ Maar haar eigenwijsheid maakt ook dat er vaak niet met haar te praten valt. ‘Ik hoef nergens heen.’ zei ze. En ze kruiste demonstratief haar armen voor haar borst. En ik weet wat dát betekent. Discussie gesloten.

Afgelopen november kwam mijn moeder bij ons logeren. En ik had bij mijn bejaarde bovenburen een rolstoel geleend. Want ook ík ben zo eigenwijs als ik groot ben. Iets met een appel en een boom of zo. ‘Kijk, mam!’ wees ik. ‘Geleend van de buren. Kunnen we lekker naar de markt!’ Ik zag mijn moeder denken. Honderd kilometer van huis was de kans dat ze buren tegen zou komen die haar zielig zouden vinden heel klein. Dus nam ze voorzichtig plaats in de rolstoel.

Al na het passeren van twee marktkramen was ze om. Met een druk wapperend handje dirigeerde ze me. ‘Rijd eens daarheen.’ Haar handje wapperde de andere kant op. ‘Ik wil ook even daar kijken.’ En ik reed haar waar haar handje heen wees. We waren nog maar halverwege de straat toen ze vroeg: ‘Zeg! Verkopen jouw buren deze rolstoel niet?’ Die kans leek me klein. Maar omdat je ijzer moet smeden als het heet is, reed in haar meteen de thuiszorgwinkel in. Voor ze met haar ogen geknipperd had, had ik een rolstoel geregeld die een paar dagen later bij haar thuis afgeleverd werd.

Sindsdien heeft mijn moeder wielen. Als ik nu bij mijn moeder op viste ben, maken we een ommetje. Even naar het winkelcentrum. Even een boodschapje doen. Of zomaar een blokje om. De rolstoel is een succes. Mijn moeder krijgt regelmatig wat frisse lucht. En ik wat beweging. Want haar benen willen niet meer maar dat wapperende handje doet het nog prima. Daarheen! Die kant op! Daarheen! Daarheen!