Categorie archief: Spike

Spike – de koning van de jungle

Best vermoeiend, koning van de jungle zijn.

Vorig jaar had Vrouwtje 2.0 maar twee stoeltjes op het balkon. En een paar bloempotten. Maar ze had de hele balustrade van het balkon volgehangen met bloempotten. Omdat ze bang is dat ik er op spring en naar beneden lazer. Ik ben niet zo handig, zegt ze. Tsss. Alleen omdat ik per ongeluk een keer door het ijs zakte toen ik nog bij Zankie en Vrouwtje 1.0 in Zaandam woonde. Tjonge. Ik was pas één! Dan doe je dat soort stomme dingen.

Oké. Dat ik onder een auto liep toen ik twee was, was inderdaad niet zo handig. Ik dacht dat het nog wel kon; effe snel oversteken. Man, wat een klap was dat! Pijn, jonguh! Maar een of andere dokter heeft me opgelapt en ik werd weer helemaal beter. En aangezien ik daarna nog maar zeven levens over had, kijk ik écht wel uit.

Ik ben dus best wel voorzichtig. Ik spring écht niet op de balustrade van het balkon. Kom op, zeg! Stel je voor! Dan heb je zeven jaar in Amsterdam gewoond, op vier hoog met heuse schietpartijen in de straat (ik vond het wel interessant overigens en zat constant voor het raam naar de plisie-auto’s te kijken) en dan zou je te pletter vallen vanaf één hoog op de Heemkerkse keien. Wat een afgang zou dát zijn!

Maar goed, Vrouwtje 2.0 denkt dat ze mijn leven redt met haar bloempotten en ik laat haar in die waan.  Maar dit jaar gebeurden er vreemde dingen op het balkon. Er kwam een grote doos en daar toverde ze uiteindelijk een bankje uit. Het duurde even maar toen hadden we ook wat! Er liggen lekker zachte kussens op en ik ga er graag liggen chillen.

Daarna vertrok Vrouwtje 2.0 naar Terheijden. Ze mompelde iets over haar roets. Geen idee, wat dat is. Iets met je afkomst of zo. Want ze bleef lang weg dus het was iets in het Zuiden. En daar komt ze vandaan, heb ik me laten vertellen. Toen ze terug kwam had ze allemaal groen spul met bloemetjes bij zich dat ze in potten met zand zette. Heel gek.

Eniwee. Nu staat ons balkon dus helemaal vol. Met een bankje, een tafeltje en twee stoelen. En heel veel potten met groen en bloemetjes. Daar mag ik overigens niet aan knagen want dan gaat Vrouwtje 2.0 boos kijken en dat wil ik niet. Ze was een beetje bezorgd dat ik nu niet genoeg ruimte meer had op het balkon. Maar ik vind het juist gaaf, jonguh!

Want ik sluip nu vaak naar buiten. Dan loop ik voorzichtig langs het bankje. Stilletjes voor het tafeltje langs en dan… Dan sla ik ineens onverwachts linksaf, om die grote pot met groene stengels. Dan weer rechtsaf, waar ik nét tussen die gele bloemen en het stoeltje door pas. Ik sluip rond en niemand ziet mij. Maar ik zie alles! En mijn staart zwiept gevaarlijk heen en weer.

Het lijkt wel een jungle! Geen idee wat dát is maar ik voel iets van binnen als ik zo rond sluip. Iets met terug naar je… Hoe heet het ook weer? Oh, ja! Je roets! Iets met mijn voorvaderen, die ook door de jungle slopen op jacht naar een prooi!

Ik moet alleen uitkijken dat ik geen tijgers tegen kom. Oh, wacht… mijn voorvaderen wáren toch juist de tijgers? Vroeger? Dus ehhh. Ik moet uitkijken dat ik geen.. ehhh.. olifanten tegen kom. Of slangen, of zo. Die zijn ook nie leuk, nie.

Hé! Kijk nou! Daar op die pot met paarse bloemetjes – Vrouwtje 2.0 zegt dat ze lekker ruiken – zit een heel dik vliegding. Dat heet een hommel, geloof ik. Zouden die lekker zijn? Kweenie. Ik kan ‘m natuurlijk ook gewoon pakken voor de lol.

Ik kan dat vliegding uit de lucht meppen met één haal van mijn machtige voorpoot. Ik kom tenslotte uit de jungle. Ik ben stoer! En sterk! Ik ben de koning van de jungle. Of, nou ja, de koning van de jungle op dit balkon.

Ik ga het gewoon doen. Ik ga dat dikke, vette vliegding pakken. Ik maak me klaar voor de sprong. Met ingehouden adem kijk ik naar die dikke, vette hommel. Mijn staart zwiept vervaarlijk heen en weer. In opperste concentratie schud ik met mijn billen, klaar om de sprong te wagen. Hij is van mij! Ik ga ‘m pakken!

Maar wacht!
Wacht even!
Ik hoor iets!

Hé! Dat geluid ken ik!
Ze doen nieuwe kattenbrokken in mijn etensbakkie!
Ik ga naar binnen. Naar de keuken.
Effe lekker eten. En dan een tukkie.
Want het is vermoeiend, hoor. Op jacht in de jungle.
Maar wel leuk. Morgen ga ik weer.

My first podcast.

Met podcast en podcat op de bank.

Als echte boekenwurm nam ik me al een tijdje voor om eens een luisterboek te proberen. Gewoon. Voor de lol. En omdat ik me afvroeg of zo’n luisterboek iets zou zijn om lange autoriten op te leuken. Maar op een of andere manier kwam het er niet van.

De dag voor Hemelvaart kreeg ik een appje van Dochterlief. Met een linkje naar een Podcast-serie. Zij vond het weer eens wat anders dan een boek en vroeg zich af wat ik er van vond.

De volgende dag reed ik, door omstandigheden helemaal alleen, naar mijn moeder in Breda. Anderhalf uur heen en anderhalf uur terug. Een prima gelegenheid om een podcast te proberen, leek mij. Ik zette voor vertrek deel 1 op mijn telefoon en luisterde die van Heemskerk tot Utrecht. Daarna overwoog ik stoppen bij een tankstation om de overige delen te downloaden. Maar dat ging me nét iets te ver.

Maar eenmaal bij mijn moeder, terwijl ik nét binnen was en zij koffie zette, haalde ik snel de overige delen van de podcasts binnen. Voor op de terugweg. Terwijl ik naar huis reed, jaste ik in één keer deel 2, deel 3 en deel 4 er doorheen. Ik was zo thuis. De rit duurde nog steeds anderhalf uur, natuurlijk. Maar het leek korter.

Ik had me voorgenomen om nog te stofzuigen die dag. Niet mijn hobby, zeker niet na een halve dag in de auto. Maar met deel 5 van Bob in mijn oren was het een fluitje van een cent.

Ondertussen kwamen er Whatsappjes van Dochterlief binnen. ‘Sttt!’ maande ik haar tot stilte. ‘Ohhh!’ reageerde kind, snel van begrip. ‘Praat ik door Bob heen?’ En ze hield verder wijselijk haar mond.

Ik nam me voor deel 6 – het slot – ‘s avonds in bed te luisteren. Maar het werd te laat die dag. Ik begon aan deel 6 in de auto naar mijn werk. En toen ik daar aankwam, was Bob klaar.

Maar wat vond ik nou van Bob? En van podcasts in het algemeen?

Oké. Podcasts….

Het was even wennen. Mensen praten soms door elkaar heen. Je hoort achtergrondgeluiden, die – in het geval van een verbouwing, zoals in deze serie – niet altijd even prettig zijn. Ook de liedjes aan het eind van elke aflevering – met irritant hoge stemmetjes – hadden voor mij niet gehoeven. Maar het Vlaamse accent was slechts een kwestie van wennen. En omdat dit mijn eerste podcast-serie was, heb ik nog geen vergelijkingsmateriaal. Ik weet niet of alle podcasts zo zijn.

En Bob? Ahh. Wat vond ik het een mooie serie! Het verhaal gaat over Elisa, een oude dame in een rusthuis, die na een huwelijk van meer dan veertig jaar met Jules, die allang overleden is en met wie ze drie dochters kreeg, ineens begint te vertellen over haar jeugdliefde. ‘D’unne Bob.’ Niemand heeft ooit van Bob gehoord, zelfs haar dochters niet. En omdat Elisa dementerend is, weet niemand precies wat er waar is van haar verhaal over Bob. En van het kindje dat zij kreeg met Bob. Een jongetje, volgens Elisa. De radiomakers Mirke, Nele en Siona gaan, samen met de dochters van Elise op onderzoek uit. Op zoek naar Bob. En het kindje van Bob. Als dat er ooit echt was…

Ik vond het een mooi verhaal. Ergens op de A27 tussen Lexmond en Meerkerk stond het kippenvel huizenhoog op mijn armen omdat Bob gevonden leek. Het einde… Tja. Het einde leidde, ergens die vrijdag, tot druk app-verkeer met Dochterlief. ‘Wat denk jij?’

Maar goed, Bob is klaar nu. En deze podcast smaakte naar meer.

Dus downloadde ik ‘De brand in het landhuis’ en ik ontdekte dat je prima een cake kunt bakken of je badkamer kunt soppen terwijl je een podcast luistert. Op deze manier ben ik zó door mijn luistervoer heen.

Dus… Dringende vraag aan mijn lezers…

Luister jij podcasts? En zo ja; heb je nog tips?

Wil je de podcasts over Bob luisteren? Ze staan hier.

Afzien.

Vanaf het moment dat ik hem leerde kennen (in 2010; toen ik nog een hondenmens was) was het me al duidelijk dat onze Spike een flinke jongen is. Iets met zware botten, fluister ik hem vaak geruststellend toe. Want hij ziet er prima uit. Sterker nog; ik houd er wel van! Mijn grote vent! Als-ie naast me gaat liggen als ik op de grond zit en zich behaaglijk tegen mijn been aan schurkt, kan ik dat wel waarderen. Eén meter rode kater. Acht kilo cuteness. Maar gezond is anders natuurlijk; dat weten wij ook wel.

Toen Spike in 2016 bij de dierenarts terecht kwam door verhuisstress, werd het tijd om in te grijpen. Dat vond ook de dierenarts, die geschokt opmerkte dat Spike zelfs vet rond zijn píemel had. Ze keek me aan alsof ze nog nooit zoiets vreselijks gezien had. Oh. Nou. Sorry, hoor.  Ik moet eerlijk zeggen dat ik de piemel van Spike nog nooit gezien heb dus ik had geen idee. Maar zij had Spike een katheter gegeven dus zij kon het weten en ik geloofde haar op haar woord.  En dus ging onze Spike op dieet. Aan het dieetvoer en ondertussen probeerden  wij om meneer een beetje te laten bewegen.

Maar ja, Spike is inmiddels bijna 17 en een binnenkater. We kochten ons suf aan balletjes, speelgoedmuizen en veertjes aan stokjes maar onze Spike gaf geen sjoege. Oh, hij vindt het machtig mooi als je door de kamer loopt terwijl je een speeltje achter je aansleept. Daar kan-ie uren naar kijken. En in een dolle bui wil-ie nog wel eens één enkel tikje geven tegen een speeltje. Waarna Michelle zucht ‘Joepie! Alweer drie calorieën verbruikt’.  Maar daarna kruipt-ie in zijn doos om een tukkie te doen.

En zo modderden we door. We gingen verhuizen en we kregen een nieuwe dierenarts. En toen ik daar laatst was, bleek onze Spike nog maar 7,1 kilo te wegen. Hoe gaaf is dat! Trots als een pauw stond ik in de spreekkamer. ‘Moet-ie dan nog wel dieetvoer?’ vroeg ik vrolijk aan de dierenarts. Maar de beste man keek me streng aan. ‘Mevrouw! Uw kat hoort vijf kilo te wegen.’ Dus behalve dieetvoer moet Spike nu ook op rantsoen. 

Inmiddels zijn we twee weken verder. En we hebben het alle drie enorm zwaar met het dieet van Spike. Spike zelf ziet er het nut totaal niet van in. Want waarom zou je op dieet gaan als je jas altijd past?

En wij vinden het vooral zwaar omdat we iedere morgen rond een uur of half zes wakker gekrijst worden door een uitgehongerde kater. Ook goedemorgen. Nog twee kilo te gaan.

Kat-technisch gestoord.

Misschien zijn we een tikkie doorgeschoten in onze kattenliefde. Het is er eigenlijk een beetje ingeslopen. Toen Spike weer bij Frank kwam wonen, bracht hij twee mandjes, een borstel en zijn kattenbak mee. Meer niet. Maar binnen no time was hij de meest verwende kater van Noord Holland. 

Dat je binnen een paar weken overal in huis struikelde over de kattenspeeltjes is mijn schuld. Het is ook allemaal zulk leuk spul. Gekleurde balletjes, pluchen muisjes, knuffeltjes met veertjes. Ik kon het – zeker in het begin – niet laten om cadeautjes te kopen voor Spike. Frank verpestte Spike vervolgens door na ieder poepje of plasje meteen de kattenbak schoon te maken. Inmiddels begint Spike na ieder bezoekje aan de bak luid te miauwen om te verkondigen dat de bak schoongemaakt moet worden. En of Frank dan ook meteen de kattenbakkorrels weer in de juiste volgorde wil leggen, ja! 

Dat het hele huis inmiddels bezaaid ligt met dekentjes en kussentjes voor Spike komt door ons allebei. Want als Spike een nieuw favoriet plekje heeft gevonden om te liggen, zijn wij er als de kippen bij om er een dekentje neer te leggen. Of een kussentje. En van alle nieuwe artikelen die we bestellen, wordt de doos uitgebreid bekeken om te bepalen of het iets voor Spike is. Uiteindelijk beslist meneer natuurlijk zélf of de doos voldoet. Door de doos kopjes te geven en er spinnend in de kruipen. Of door ons minachtend aan te kijken, terwijl je hem ziet denken ‘Wat is dit voor derderangs kartonnen gedrocht!’ en de doos verder geen blik waardig te keuren. 

En ondanks de ontelbare favoriete plekjes die Spike al heeft in huis, zijn we laatst toch weer bezweken. Tijdens een winkelrondje in het dorp zagen we een enorm hondenkussen, bekleed met superzacht pluche. “Kom, we kopen hem!” riep Frank meteen. “Nee!” zei ik streng. Om daarna te zuchten “Misschien op de terugweg…”. 

Ik had het zo kunnen laten. Er niet meer over kunnen praten. En op de terugweg een andere route kunnen nemen. Maar op de terugweg liepen we langs de dierenwinkel en flapte ik er uit “Wil je dat kussen nou nog halen?” Wat bezielde me? Want natuurlijk kochten we dat kussen.

Onderweg naar huis, met dat enorme kussen onder mijn arm, bedachten we argumenten om onze nieuwe aankoop goed te praten. “Spike is op dieet” zei Frank “dus we kopen nooit meer iets lekkers voor hem”. “Spike is al zo oud.” deed ik een duit in het zakje. “Hij speelt niet meer dus we kopen nooit meer speelgoed”. En zo overtuigde we onszelf dat het heel normaal is om een hondenkussen te kopen waar een flinke bouvier languit op kan liggen. Voor je kat. 

Thuis gekomen zochten we een plekje voor het kussen. Wegmoffelen in een hoekje of onder een tafel is er niet bij. Het  kussen ligt nu midden in de kamer, voor het dressoir. Spike vind ‘m helemaal geweldig. En wij zitten iedere avond met een tevreden glimlach te kijken hoe onze Spike rondjes loopt op het kussen, gelukzalig gaat liggen en vervolgens uren spinnend ligt te chillen.

Maar eerlijk is eerlijk; het is geen gezicht dat enorme kussen in de kamer. Het is nu officieel. Kattechnisch gezien zijn wij compleet gestoord.