Categoriearchief: Spike

Een maand zonder kater.

Inmiddels zijn we een maand zonder kater. Zonder die rooie, bedoel ik. Want een kater van alcohol heb ik voor het laatst in 2008 gehad. En die kater was sneller voorbij dan het gemis van onze rode kater. Want wat missen we onze Spike! ‘Het is toch je kindje’ schreef iemand heel lief op mijn Facebook-pagina. Nou, nee. Niet echt. Ik heb me huilend om mijn kat wel eens afgevraagd hoe mensen dat doen die een kind verliezen. Want het is en blijft ‘maar’ een kat natuurlijk. Maar missen doen we hem zeker en dat zal nog wel een hele tijd zo blijven. Dank jullie wel voor alle lieve reacties, hier en op Facebook! Die deden me goed, hoor. 😘

Maar naast het gemis van de gezelligheid, de aanhankelijk, het gekroel en de kopjes die ik kreeg, heeft een huishouden zonder huisdieren ook voordelen. Eerlijk is eerlijk. Als eerste viel het me op dat ik tijd over heb. Ongelooflijk hoeveel tijd je eigenlijk kwijt bent aan een kat die je niet eens uit hoeft te laten!

Een extra rondje stofzuigen is niet meer nodig. Af en toe kom ik nog een incidentele kattenhaar tegen. Die pak ik tussen duim en wijsvinger op, ik zucht eens ‘Ach, mijn lieve Spike-jongetje’ en gooi de kattenhaar weg. Overigens kan dat stofzuigen nu op elk gewenst moment. Vanwege Spike’s angst voor de stofzuiger, sloeg ik de kamer waar hij op dat moment was over om die later te stofzuigen, als meneer op een ander plekje was gaan liggen. Nu kan ik in één keer het hele huis stofzuigen.

Het is nog steeds gek om thuis te komen uit mijn werk zonder dat mijn vriendje me komt begroeten. Maar het is wel relaxed dat ik gewoon kan beginnen met koken zonder eerst een grote drol uit de kattenbak te scheppen en kattenvoer met medicatie te serveren. En het is eerlijk gezegd wel handig dat ik gewoon kan koken zonder veertig keer bijna te struikelen over Spike die zijn dankbaarheid voor zijn avondeten toonde door mijn benen kopjes te geven. Bij voorkeur nét op het moment dat ik met een pan kokende aardappels naar het aanrecht liep om hem af te gieten.

Ik sluip nog steeds iedere dag onze studeerkamer binnen. Heel zachtjes om Spike niet wakker te maken, die daar meestal lag te slapen in de doos onder mijn bureau. Er is nog steeds een ‘au’-momentje als ik zie dat Spike niet onder mijn bureau ligt. Daarentegen kan ik op mijn thuiswerkdagen eindelijk mijn voeten fatsoenlijk kwijt.

De nachten zijn rustiger en langer. Ik slaap op links. Maar dat werd niet gewaardeerd door Spike, die luid miauwend achter mijn rug ging zitten, mopperend dat ik om moest draaien. Voor de lieve vrede deed ik dat omdat ik wist dat Spike, na een tijdje tevreden bij me liggen, toch vertrok naar zijn eigen bed. Dan draaide ik me weer om op links om te gaan slapen. Het gebeurde regelmatig dat meneer zich na een kwartier toch weer meldde. ‘Miauw! Draai eens om! Ik wil weer bij jou!’ En we slapen uit nu. Zonder luid miauwende kater die om zeven uur ‘s morgens vond dat wij wel lang genoeg geslapen hadden. En zelf vervolgens de hele middag ging liggen pitten.

Maar het grootste voordeel is het balkon. Aan een drukke straat, met overburen, had ik altijd het idee dat ik in een etalage zat. En daar houd ik niet van. Aardig hoor, van die overburen die zwaaien. Maar voor mij hoeft dat niet. Maar ja, het balkon was Spike’s favoriete plekje en hij keek graag buiten. Uren kon-ie zitten kijken naar alles wat voorbij wandelde, fietste en reed dus het balkon dichtmaken was geen optie.

Maar Spike is er niet meer. Dus kocht ik wat vrolijke strandmatjes en bevestigde die tegen de balustrade tegen de inkijk. Om het feest compleet te maken, gooi ik de kussens van de tuinbank meestal op de grond en kruip ik lekker in mijn hoekje. Het lijkt nu net of ik een tuintje heb! Niemand die me ziet! Deze zomer kan ik in mijn blote kont op het balkon zitten! Ik dóe het niet. Maar weten dat het kán is fijn. Dat verzacht het gemis toch een beetje.

Up to the Heaviside Layer…

Afgelopen donderdag moesten we helaas afscheid nemen van onze Spike.

Als hondenmens had ik nooit veel op met katten. ‘Katten hechten zich aan hun huis in plaats van aan hun baasje. En ze komen niet knuffelen als je ze roept’ zei ik altijd. Nee, voor mij geen kat. Toch eindigde na één weekend met Spike de eerste blog die ik over hem schreef al met ‘Straks word ik nog een kattenliefhebster’. Zo ver is het nooit gekomen. Want ik hield niet van álle katten. Maar ik hield wel zielsveel van die ene; onze Spike.

En die liefde was geheel wederzijds. Al vanaf het begin. ‘Het is een kater. Die houdt van bollen’ grapte Frank als Spike zich weer eens pontificaal boven op mijn boezem installeerde als ik op de bank lag. In al die jaren moet ik úren zo gelegen hebben. Met die enorme rode kater boven op me. Dat ik niet eens een slokje drinken kon nemen, nam ik voor lief. Spike lag net zo lekker.

Het waren niet alleen mijn bollen die Spike wel kon waarderen. Maar ook onze vaste spelletjes. Zo liep ik elk weekend talloze rondjes door de woonkamer met de ceintuur van mijn badjas slepend over de grond en een kat achter me aan die mijn ceintuur probeerde te pakken. ‘Het monster onder de deken’ was ook al zo’n leuk spelletje. Dat Spike daarbij regelmatig (per ongeluk) mijn hand openhaalde met zijn nagels kon me niks schelen. Samen keken we naar Spike’s favoriete filmpje op mijn iPad. Spike hield me gezelschap tijdens de uren dat ik in bad lag te lezen. En tijdens de maanden die Frank in het ziekenhuis en het revalidatiecentrum doorbracht, als ik soms een instortmomentje had en moest huilen, dan was daar elke keer mijn grote vriend, die naast me kwam zitten en me kopjes gaf.

Misschien had Spike ook wel door dat ík degene was die de meeste kattenrommel mee naar huis sleepte. Toen we nog in Amsterdam woonden, was kattengras best moeilijk te krijgen. Dus fietste ik regelmatig de halve stad door op zoek naar verse voorraad. Ik kocht een idiote kattenren waardoor Spike toch naar buiten kon en kroop er gezellig bij als Spike daar in zat. Ik maakte huisjes van dozen, kocht een veel te grote kattentoren en ons hele huis lag vol kussentjes, mandjes en speelgoed. Iedere dierenwinkel ging ik binnen om te checken of ze daar het soort speelgoedmuis verkochten waar Spike zo dol op was. En meneer heeft zelfs een eigen categorie op mijn weblog gekregen.

Spike liet zijn waardering duidelijk merken. Ik had inmiddels door dat Spike écht wel kwam als ik hem riep. Sterker nog; als ik thuis kwam uit mijn werk, kwam Spike me blij tegemoet rennen. Als ik vanuit huis aan het werk was, lag Spike in zijn doos onder mijn bureau. Als ik ‘s avonds op de grond voor de bank tv zat te kijken, vleide Spike zich tevreden languit tegen mijn been. Als ik ‘s avonds in bed zat te lezen, gaf hij mijn iPad kopjes waardoor lezen nog een hele opgave werd om daarna tevreden te gaan slapen bij mij, aan mijn kant van het bed. En tijdens mijn nachtelijke muziek-luister-sessies op het balkon ging altijd de balkondeur zachtjes open, kwam Spike tevoorschijn en keken we samen naar de maan. Waar ik was, was Spike.

Maar Spike werd ouder (hij was bijna 19) en kreeg kwaaltjes. Onze altijd hongerige kater ging slechter eten. We wisten al dat Spike artrose had. Maar onderzoek bij de dierenarts wees uit dat ook Spike’s nieren niet goed meer werkten. We spendeerden maar weer een kapitaal aan speciaal dieetvoer maar het mocht niet meer baten. Spike werd mager en lag hele dagen te slapen. Als hij wakker was, dronk hij veel en lag hij wat te soezen in het zonnetje.

Vraag me niet waarom, maar vaak noemde ik Spike liefkozend ‘Muis’. Maar ik gebruikte ook vaak troetelnaampjes met veel lettergrepen. Dat bekt zo lekker. Schatte-patatteke. Kroele-boele-kater. Grote knuffel-buffel. Maar toen ik Spike als vanzelf Scharminkeltje-Pinkeltje ging noemen, was het tijd om hem te laten gaan. We hebben nog een avond op het balkon gezeten samen. Ik heb Spike lang geborsteld, we hebben geknuffeld en gezellig gekletst en Spike heeft nog een vissoepje op.

De volgende dag, bij de dierenarts, is Spike met zijn koppie op mijn arm in slaap gevallen. Ik heb hem vast gehouden tot hij overleden was. We missen hem enorm. Maar in mijn gedachten springt Spike nu – ergens in de kattenhemel – vrolijk door het gras, jagend op hommels en vlinders. Het is goed zo.

The Heaviside Layer is officieel een laag in de bovenste atmosfeer rond de aarde. In de musical Cats, gebaseerd op een dichtbundel van T.S. Elliot, verwijst de naam Heaviside Layer naar de plaats waar katten na hun dood heen gaan om opnieuw geboren te worden. Ze hebben tenslotte negen levens. Dus voor de kattenliefhebbers onder jullie: mocht er binnenkort een kleine, rode kitten op je pad komen, met de mooiste kattenogen die je ooit gezien hebt; geef hem een extra knuffel van me!

Duur lesje.

Toen we in maart 2020 voor het eerst in lockdown gingen, besloot ik al die extra vrije tijd eens nuttig te besteden. Of nuttig? Liever gezegd: leuk! Ik verheugde me er op om eindelijk weer eens tijd te hebben voor een hobby die ik had laten versloffen. Tekenen! Want ik teken graag maar ik heb er te weinig tijd voor.

Ooit bestelde ik een tekencursus bij een of andere thuisstudie-organisatie. Wild enthousiast werd ik van de mooie tekenspulletjes die ik thuisgestuurd kreeg. Zulke mooie tekenspullen had ik nog nooit gehad! Ik bekeek alles uitgebreid en borg mijn nieuwe schatten vervolgens zorgvuldig op in een la. Om ze er nooit meer uit te halen. Ik heb niet één huiswerkopdracht ingestuurd.

Maar tijdens de lockdown zou ik echt weer gaan tekenen! Echt! Ik besloot het serieus aan te pakken en volgde, voor één euro, een proefles bij de Tekenclub. Voor de duidelijkheid: dat is geen club van vieze beestjes maar een site waar je online tekenlessen kunt volgen. Dus met een filmpje van een tekenles op de achtergrond zat ik, voor het eerst in jaren, weer eens te tekenen. Het filmpje bekeek ik eerlijk gezegd amper. Ik luisterde hoe de lerares haar kleuren bij elkaar zocht en deed gewoon hetzelfde. En daarna tekende ik. Zonder naar de les te kijken. Maar ik vond het wel heel zen om terwijl ik zelf zat te tekenen, te luisteren naar iemand anders die ook zat te tekenen.

Een abonnement bij de Tekenclub kost € 10,- per maand. Dan kun je inloggen wanneer je maar wil en allerlei online lessen bekijken. Ik was best bereid dat bedrag aan mezelf te besteden en sloot een lidmaatschap af. En, omdat ik mezelf ken, plande ik elke week een teken-avond in. Die eerste maandagavond volgde ik een online les. En ja, dat was leuk. Ik zat braaf weer een avond te tekenen met het geklets van de juf op de achtergrond. Heel gezellig, zo samen tekenen.

Maar tot mijn grote schande moet ik bekennen dat het daarbij bleef. Ik heb zelfs nooit meer ingelogd. De tekening waar ik mee bezig was, heb ik in mijn uppie afgemaakt in drie avonden. Met het geklets van de televisie op de achtergrond. Dat bleek ook te werken. En toen heb ik mijn abonnement bij de Tekenclub opgezegd. Na dertien maanden en twee lessen. Hopla! € 130,- down the drain.

Een duur lesje. Maar wat heb ik nu geleerd? Dat ik geen tekencursus nodig heb. Want ik kan al tekenen. Ik moet er alleen even voor gaan zitten. Want daar gaat het mis bij mij: Er Voor Gaan Zitten. Ik vraag me af of daar niet een online cursus voor is. Dan meld ik me aan. Meteen!

Over het hondenspeeltje en moeilijke woorden.

De opzichter

Voor zover ik weet, lezen er hier geen kindertjes mee. Maar voor de zekerheid zeg ik het toch maar in kleine lettertjes: Sinterklaas bestaat niet. En het was ondergetekende die er een jaarlijkse traditie van heeft gemaakt om de kinderen te verrassen met een Sinterklaasgedicht. Hoewel van een verrassing nauwelijks meer sprake zal zijn. Het is inmiddels een terugkerend item geworden om een terugblik op het afgelopen jaar in rijm samen te vatten. Met een klein cadeautje erbij. Voor Michelle en voor Robby.

En meestal doe ik er ook een kluifje of iets anders lekkers bij voor hun hondje Nanook. Nou is die laatste een beetje van de leg op het moment. Soms eet ze dagenlang niet en ze moet regelmatig spugen. Op advies van de dierenarts krijgt Nanook nu speciaal voer om te bekijken of er misschien sprake is van een of andere allergie. En ze mag dus niets anders eten. Geen kluifjes, geen snoepjes. Helemaal niks. Ze mag echt alleen haar dieetvoer eten. Dus besloot ik dan maar een speeltje te maken voor haar.

Voor een ander projectje ben ik momenteel aan het breien met repen stof die ik knipte van een fleecedeken en dat bracht me eigenlijk op het idee om een hondenspeeltje te maken van fleecestof. Maar hoe dan? Internet bracht uitkomst natuurlijk. Typ “hondenspeeltje” en “fleece” in op Google et voilá! De keuze was snel gemaakt. Het zou een floskoord worden.

Onder toeziend oog van onze Spike knipte ik drie stroken fleece van zo’n vier centimeter breed van verschillende kleuren en legde in het uiteinde een knoop. Op Youtube vond ik vervolgens filmpjes waarin voorgedaan wordt, hoe je zo’n touw maakt. Hoewel ik best wel handig ben, kreeg ik het niet voor elkaar om die filmpjes na te doen. Ik snapte er geen bal van.

Tot ik me ineens de Scoubydou-touwtjes herinnerde die Michelle als kind had. Ik ben altijd al dol geweest op knutselen dus ik was zo’n moeder die vrolijk mee papiermachéde, knipte, plakte en vouwde. En ook scoubydouen had ik wel gedaan. Dit was het zelfde principe natuurlijk.

Met een Scoubydou-plaatje naast me ging ik aan de slag. Ik plakte de knoop van de fleecestroken met plakband aan mijn bureau vast en legde de stroken elk een andere kant op. Daarna was het even wennen want het is zeker twintig jaar geleden dat ik voor het laatst scoubydoude. Maar ik had al snel de slag weer te pakken en de kleur van de fleecestroken en de volgorde waarin ik ze knoopte werden een soort rustgevende mantra in mijn hoofd.

Groen over grijs, grijs over groen, oranje over grijs en onder groen door. Knoopje voorzichtig aantrekken. Zennnn…. En weer: groen over grijs, grijs over groen, oranje over grijs en onder groen door. Zennnnn…

En zo scoubydoude ik verder, tot het touw de gewenste lengte had. Ik legde een knoop in de onderkant en daar was-ie dan! Had ik toch maar mooi even een hondenspeeltje gescoubydoud!

Achteraf snapte ik niet dat het me in eerste instantie niet lukte om zo’n touwtje te knopen. Toen ik eenmaal de slag te pakken had, was het eigenlijk reuze simpel. Simpeler in elk geval dan het vervoegen van het werkwoord Scoubydouen. Ik ben blij dat ik niet aan macrameeën doe. Je zal daar toch een blog over moeten schrijven, zeg…

Dank u, Sinterklaasje!