Categorie archief: Spike

My first podcast.

Met podcast en podcat op de bank.

Als echte boekenwurm nam ik me al een tijdje voor om eens een luisterboek te proberen. Gewoon. Voor de lol. En omdat ik me afvroeg of zo’n luisterboek iets zou zijn om lange autoriten op te leuken. Maar op een of andere manier kwam het er niet van.

De dag voor Hemelvaart kreeg ik een appje van Dochterlief. Met een linkje naar een Podcast-serie. Zij vond het weer eens wat anders dan een boek en vroeg zich af wat ik er van vond.

De volgende dag reed ik, door omstandigheden helemaal alleen, naar mijn moeder in Breda. Anderhalf uur heen en anderhalf uur terug. Een prima gelegenheid om een podcast te proberen, leek mij. Ik zette voor vertrek deel 1 op mijn telefoon en luisterde die van Heemskerk tot Utrecht. Daarna overwoog ik stoppen bij een tankstation om de overige delen te downloaden. Maar dat ging me nét iets te ver.

Maar eenmaal bij mijn moeder, terwijl ik nét binnen was en zij koffie zette, haalde ik snel de overige delen van de podcasts binnen. Voor op de terugweg. Terwijl ik naar huis reed, jaste ik in één keer deel 2, deel 3 en deel 4 er doorheen. Ik was zo thuis. De rit duurde nog steeds anderhalf uur, natuurlijk. Maar het leek korter.

Ik had me voorgenomen om nog te stofzuigen die dag. Niet mijn hobby, zeker niet na een halve dag in de auto. Maar met deel 5 van Bob in mijn oren was het een fluitje van een cent.

Ondertussen kwamen er Whatsappjes van Dochterlief binnen. ‘Sttt!’ maande ik haar tot stilte. ‘Ohhh!’ reageerde kind, snel van begrip. ‘Praat ik door Bob heen?’ En ze hield verder wijselijk haar mond.

Ik nam me voor deel 6 – het slot – ‘s avonds in bed te luisteren. Maar het werd te laat die dag. Ik begon aan deel 6 in de auto naar mijn werk. En toen ik daar aankwam, was Bob klaar.

Maar wat vond ik nou van Bob? En van podcasts in het algemeen?

Oké. Podcasts….

Het was even wennen. Mensen praten soms door elkaar heen. Je hoort achtergrondgeluiden, die – in het geval van een verbouwing, zoals in deze serie – niet altijd even prettig zijn. Ook de liedjes aan het eind van elke aflevering – met irritant hoge stemmetjes – hadden voor mij niet gehoeven. Maar het Vlaamse accent was slechts een kwestie van wennen. En omdat dit mijn eerste podcast-serie was, heb ik nog geen vergelijkingsmateriaal. Ik weet niet of alle podcasts zo zijn.

En Bob? Ahh. Wat vond ik het een mooie serie! Het verhaal gaat over Elisa, een oude dame in een rusthuis, die na een huwelijk van meer dan veertig jaar met Jules, die allang overleden is en met wie ze drie dochters kreeg, ineens begint te vertellen over haar jeugdliefde. ‘D’unne Bob.’ Niemand heeft ooit van Bob gehoord, zelfs haar dochters niet. En omdat Elisa dementerend is, weet niemand precies wat er waar is van haar verhaal over Bob. En van het kindje dat zij kreeg met Bob. Een jongetje, volgens Elisa. De radiomakers Mirke, Nele en Siona gaan, samen met de dochters van Elise op onderzoek uit. Op zoek naar Bob. En het kindje van Bob. Als dat er ooit echt was…

Ik vond het een mooi verhaal. Ergens op de A27 tussen Lexmond en Meerkerk stond het kippenvel huizenhoog op mijn armen omdat Bob gevonden leek. Het einde… Tja. Het einde leidde, ergens die vrijdag, tot druk app-verkeer met Dochterlief. ‘Wat denk jij?’

Maar goed, Bob is klaar nu. En deze podcast smaakte naar meer.

Dus downloadde ik ‘De brand in het landhuis’ en ik ontdekte dat je prima een cake kunt bakken of je badkamer kunt soppen terwijl je een podcast luistert. Op deze manier ben ik zó door mijn luistervoer heen.

Dus… Dringende vraag aan mijn lezers…

Luister jij podcasts? En zo ja; heb je nog tips?

Wil je de podcasts over Bob luisteren? Ze staan hier.

Afzien.

Vanaf het moment dat ik hem leerde kennen (in 2010; toen ik nog een hondenmens was) was het me al duidelijk dat onze Spike een flinke jongen is. Iets met zware botten, fluister ik hem vaak geruststellend toe. Want hij ziet er prima uit. Sterker nog; ik houd er wel van! Mijn grote vent! Als-ie naast me gaat liggen als ik op de grond zit en zich behaaglijk tegen mijn been aan schurkt, kan ik dat wel waarderen. Eén meter rode kater. Acht kilo cuteness. Maar gezond is anders natuurlijk; dat weten wij ook wel.

Toen Spike in 2016 bij de dierenarts terecht kwam door verhuisstress, werd het tijd om in te grijpen. Dat vond ook de dierenarts, die geschokt opmerkte dat Spike zelfs vet rond zijn píemel had. Ze keek me aan alsof ze nog nooit zoiets vreselijks gezien had. Oh. Nou. Sorry, hoor.  Ik moet eerlijk zeggen dat ik de piemel van Spike nog nooit gezien heb dus ik had geen idee. Maar zij had Spike een katheter gegeven dus zij kon het weten en ik geloofde haar op haar woord.  En dus ging onze Spike op dieet. Aan het dieetvoer en ondertussen probeerden  wij om meneer een beetje te laten bewegen.

Maar ja, Spike is inmiddels bijna 17 en een binnenkater. We kochten ons suf aan balletjes, speelgoedmuizen en veertjes aan stokjes maar onze Spike gaf geen sjoege. Oh, hij vindt het machtig mooi als je door de kamer loopt terwijl je een speeltje achter je aansleept. Daar kan-ie uren naar kijken. En in een dolle bui wil-ie nog wel eens één enkel tikje geven tegen een speeltje. Waarna Michelle zucht ‘Joepie! Alweer drie calorieën verbruikt’.  Maar daarna kruipt-ie in zijn doos om een tukkie te doen.

En zo modderden we door. We gingen verhuizen en we kregen een nieuwe dierenarts. En toen ik daar laatst was, bleek onze Spike nog maar 7,1 kilo te wegen. Hoe gaaf is dat! Trots als een pauw stond ik in de spreekkamer. ‘Moet-ie dan nog wel dieetvoer?’ vroeg ik vrolijk aan de dierenarts. Maar de beste man keek me streng aan. ‘Mevrouw! Uw kat hoort vijf kilo te wegen.’ Dus behalve dieetvoer moet Spike nu ook op rantsoen. 

Inmiddels zijn we twee weken verder. En we hebben het alle drie enorm zwaar met het dieet van Spike. Spike zelf ziet er het nut totaal niet van in. Want waarom zou je op dieet gaan als je jas altijd past?

En wij vinden het vooral zwaar omdat we iedere morgen rond een uur of half zes wakker gekrijst worden door een uitgehongerde kater. Ook goedemorgen. Nog twee kilo te gaan.

Kat-technisch gestoord.

Misschien zijn we een tikkie doorgeschoten in onze kattenliefde. Het is er eigenlijk een beetje ingeslopen. Toen Spike weer bij Frank kwam wonen, bracht hij twee mandjes, een borstel en zijn kattenbak mee. Meer niet. Maar binnen no time was hij de meest verwende kater van Noord Holland. 

Dat je binnen een paar weken overal in huis struikelde over de kattenspeeltjes is mijn schuld. Het is ook allemaal zulk leuk spul. Gekleurde balletjes, pluchen muisjes, knuffeltjes met veertjes. Ik kon het – zeker in het begin – niet laten om cadeautjes te kopen voor Spike. Frank verpestte Spike vervolgens door na ieder poepje of plasje meteen de kattenbak schoon te maken. Inmiddels begint Spike na ieder bezoekje aan de bak luid te miauwen om te verkondigen dat de bak schoongemaakt moet worden. En of Frank dan ook meteen de kattenbakkorrels weer in de juiste volgorde wil leggen, ja! 

Dat het hele huis inmiddels bezaaid ligt met dekentjes en kussentjes voor Spike komt door ons allebei. Want als Spike een nieuw favoriet plekje heeft gevonden om te liggen, zijn wij er als de kippen bij om er een dekentje neer te leggen. Of een kussentje. En van alle nieuwe artikelen die we bestellen, wordt de doos uitgebreid bekeken om te bepalen of het iets voor Spike is. Uiteindelijk beslist meneer natuurlijk zélf of de doos voldoet. Door de doos kopjes te geven en er spinnend in de kruipen. Of door ons minachtend aan te kijken, terwijl je hem ziet denken ‘Wat is dit voor derderangs kartonnen gedrocht!’ en de doos verder geen blik waardig te keuren. 

En ondanks de ontelbare favoriete plekjes die Spike al heeft in huis, zijn we laatst toch weer bezweken. Tijdens een winkelrondje in het dorp zagen we een enorm hondenkussen, bekleed met superzacht pluche. “Kom, we kopen hem!” riep Frank meteen. “Nee!” zei ik streng. Om daarna te zuchten “Misschien op de terugweg…”. 

Ik had het zo kunnen laten. Er niet meer over kunnen praten. En op de terugweg een andere route kunnen nemen. Maar op de terugweg liepen we langs de dierenwinkel en flapte ik er uit “Wil je dat kussen nou nog halen?” Wat bezielde me? Want natuurlijk kochten we dat kussen.

Onderweg naar huis, met dat enorme kussen onder mijn arm, bedachten we argumenten om onze nieuwe aankoop goed te praten. “Spike is op dieet” zei Frank “dus we kopen nooit meer iets lekkers voor hem”. “Spike is al zo oud.” deed ik een duit in het zakje. “Hij speelt niet meer dus we kopen nooit meer speelgoed”. En zo overtuigde we onszelf dat het heel normaal is om een hondenkussen te kopen waar een flinke bouvier languit op kan liggen. Voor je kat. 

Thuis gekomen zochten we een plekje voor het kussen. Wegmoffelen in een hoekje of onder een tafel is er niet bij. Het  kussen ligt nu midden in de kamer, voor het dressoir. Spike vind ‘m helemaal geweldig. En wij zitten iedere avond met een tevreden glimlach te kijken hoe onze Spike rondjes loopt op het kussen, gelukzalig gaat liggen en vervolgens uren spinnend ligt te chillen.

Maar eerlijk is eerlijk; het is geen gezicht dat enorme kussen in de kamer. Het is nu officieel. Kattechnisch gezien zijn wij compleet gestoord.

 

 

 

Fetish.

Met mijn schoenentic gaat het best aardig. Ik koop tegenwoordig nieuwe schoenen als het nodig is, ik ga voor comfort en kwaliteit én – toch wel het grootste verbeterpunt – ik gooi oude schoenen weg. Ik laat ze niet meer in de kast staan onder het mom van ‘ze zitten zo lekker’, ‘je weet maar nooit’ of, nog erger: ‘maar op deze heb ik nog door Rome gelopen’. En dat ik mijn afgedragen schoenen nog even bedank voor alle fijne kilometers voordat ik ze weggooi, is geen afwijking maar gewoon erg lief, vind ik zelf. 

Ook mijn tassentic heb ik onder controle. Ik gebruik een lichtgewicht geval met veel vakjes voor mijn werk en heb een echt lederen exemplaar liggen voor als ik op sjiek ga. Dat echte lederen exemplaar ligt ergens veilig opgeborgen. Ver weggestopt in een kast.

Want ik ben niet de enige met een tassentic hier in huis. Onze Spike heeft de vreemde gewoonte mijn sjieke tas innig te liefkozen. Hij geeft kopjes, spint luidruchtig en likt mijn tas van boven tot onder af. Van mij mag-ie maar als je probeert te gaan slapen, is het geluid van een ruwe kattentong over een tas best storend. ‘Ahhh’, zei Frank ‘Hij doet dat omdat die tas naar jou ruikt. Hij houdt van je!’ Ik houd ook heel veel van Spike maar ook van slapen dus ging mijn tas onverbiddelijk achter slot en grendel.

Dat ik het weggooien van oude tassen nog niet helemaal onder controle heb, bleek toen ik – tijdens een zoektocht naar iets anders – ergens in een laatje, een oud rugtasje terug vond. Gekocht in de sjiekste kringloopwinkel die ik ooit gezien heb, in Amstelveen, toen Mich daar op kamers ging. Het vreselijk handige tasje kostte het luttele bedrag van één hele euro. In het kader van ‘wie wat bewaart, heeft wat’ was ik er blij mee. Ideaal voor standwandelingen! Ik gooide het tasje op bed en ging verder met waar ik mee bezig was.

Toen ik even later de slaapkamer in kwam, zat Spike op bed uitgebreid mijn rugzakje af te likken. 

Ik heb vandaag twee dingen geleerd:

  1. De tassenlikkerij van Spike is geen uiting van liefde naar mij toe. Onze rode je-weet-wel-kater heeft gewoon een fetish voor leer.
  2. Mijn goedkope kringlooptasje is dus van echt leer!