Categoriearchief: Spike

Genetisch bepaald.

Zaterdagavond, 12 uur. Ik zat rechtop in bed. De tijd dat ik rond dit tijdstip in een of andere foute kroeg rond hing, ligt ver achter me. Ik ben tenslotte geen twintig meer. Maar slapen wilde ook nog niet lukken. Mijn verkering was al in dromenland. En zelfs onze kat, een nachtdier notabene, lag luidruchtig te snurken. Met de kussens in mijn rug keek ik eens om me heen.

We wonen hier inmiddels drie jaar. Destijds hebben we het oude behang van de muren gehaald, opnieuw behangen en alles gewit. Daarna hebben we de meubels die we hadden binnen gezet en dat was het wel. Niets voor mij eigenlijk. Ik ben dingen snel beu. Ik heb snel genoeg van de kleur van de muren, van de meubels, van de indeling van het huis. Vandaar dat ik zo dol op verhuizen ben!

Nou is verhuizen nog niet echt nodig. Maar de boel een beetje pimpen kan natuurlijk altijd! En hoe doe je dat? Gewoon beginnen met één kamer! Ik zat rechtop in bed, keek om me heen in de slaapkamer en in mijn hoofd begonnen allerlei plannen te borrelen.

Ik keek naar de opberg box die voor het raam staat. Ja, zo’n plastic geval voor tuinkussens. Die staat bij de meeste mensen in de schuur. Bij ons staat-ie in de slaapkamer. Omdat onze Spike er altijd op ligt. Door dat ding kan ik de ladekast naast ons bed bijna niet open maken. En dat idiote raam in de deur van de slaapkamer naar de woonkamer irriteert me mateloos. Al vanaf het begin. Trouwens… de opbergmanden op onze boekenkast zijn ook niet naar mijn zin.

Een half uur later had ik voor alles een oplossing bedacht. De ladekast kan ik verplaatsen naar de studeerkamer. De opbergmanden uit de studeerkamer kan ik omwisselen met die uit de slaapkamer. En de plastic opbergbox moet weg. In plaats daarvan kan ik de dekenkist uit mijn ouderlijk huis opknappen. Die staat nu weg te rotten in de schuur bij mijn moeder en dat vind ik zonde. Bovendien had ik – briljant al zeg ik het zelf – uitgevogeld welke raamloze deur uit ons huis ik om kon wisselen met de deur mét raam in de slaapkamer.

Inmiddels was half een ‘s nachts en ik moest en zou mijn geweldige plannen delen met iemand. Maar mijn mannen waren diep in slaap. Mijn 89-jarige moeder wakker bellen was ook geen optie. Dus zat er maar één ding op: mijn dochter appen!

Ze zou vast al slapen. Maar ik weet dat ze haar telefoon dan op stil zet, dus ik kon haar gerust een appje sturen. Dus om half één ‘s nachts stelde ik een hysterisch appje op waarin ik een opsomming maakte van al mijn wilde plannen en drukte op verzenden. Tot mijn grote verbazing kreeg ik meteen antwoord. Dochterlief stuurde een foto van een soort werktekening. Zij en haar verkering willen op zolder inbouwkasten maken. En mijn kind was doodleuk haar zolder aan het opmeten. Om half één ‘s nachts.

Ik vrees dat ik iets meer aan haar heb doorgegeven dan alleen het gen voor donkere ogen.

Uncle Bob maakt het laat.

Ik ben een avondmens. Of liever gezegd: een nachtmens. Ik ben dol op de nacht. Als alle andere mensen slapen, begint mijn favoriete moment van de dag: de nacht.

Als de televisie uit is. Als mijn vriendje slaapt. Als het buiten donker is. En stil. Soms lees ik een boek in bed. Of weblogjes. Maar ik luister vooral muziek. Met mijn koptelefoontje op. En dat doe ik, als het niet te koud is, het liefst buiten op het balkon. In het donker. Zelfs bij regen en vooral bij harde wind.

Dan kruip ik stilletjes met de tuinkussens in een beschut hoekje waar niemand me ziet. Met een dekentje om en mijn playlist van favoriete nummers in mijn oren mijmer ik een beetje. Ik kijk de eenzame fietser na die nog voorbij komt. Of een kat die op zoek naar avontuur door onze stille straat trippelt.

Soms voel ik ineens een kopje tegen mijn been. Dan krijg ik gezelschap van die andere nachtbraker bij ons thuis, onze Spike. We steken allebei onze neus in de wind en snuffelen eens. En zeggen tegen elkaar: ‘Ruik jij het ook? Ik ruik de zee!’ En dan kijken we samen nog een poosje naar de maan die ik altijd zo prachtig vind. Tot het écht bedtijd is. En ik weer te laat op bed lig.

Aansteller.

Met Pinksteren viel het me op dat onze Spike zijn eten van de dag ervoor niet op had. Dat kan natuurlijk; ik heb ook wel eens geen honger. Nou ja, niet echt. Maar het zou kunnen, toch? Dat een kat een keer geen honger heeft. Dus ik besteedde er niet veel aandacht aan en gaf Spike ‘s avonds een nieuw bakje natvoer. Meneer snuffelde een keer aan de inhoud en sjokte terug naar zijn kussen. Dat was gek want onze Spike is nogal een vreetzak, die meestal keihard miauwend aangeeft dat wij hem echt te weinig eten geven. 

De ochtend van tweede Pinksterdag bleek dat meneer weer niet gegeten had. Nou is Spike niet zomaar een kat. Spike is de kat waar Frank wekenlang naast sliep op een matje nadat Spike na een aanrijding met een gebroken poot in een bench moest slapen. Spike is de kat waar Frank tijdens zijn scheiding een aparte rechtszaak voor aanspande. Hij verloor de rechtszaak maar toen zijn ex Spike jaren later weg deed, kwam hij toch bij ons. En daardoor maakte Spike dat ik, die vroeger jacht maakte op de katten in mijn achtertuin, van ‘Team Hond’ overstapte naar ‘Team Ik Kan Niet Kiezen’.

Toen Frank op de IC belandde was het aller-eerste wat ik deed een uitgeprinte foto van Spike boven zijn bed hangen. Ondertussen waren Spike en ik samen, zonder Frank. Spike hield me gezelschap als ik ‘s nachts lag te piekeren. Geruststellend spinnend lag-ie dicht tegen me aan. En als ik huilde kwam Spike me kopjes geven waardoor ik voor het eerst van mijn leven mijn hart verloor aan een kat. En als die kat vervolgens niet wil eten is het hier thuis Grote Paniek!

We sukkelden die tweede Pinsterdag door. Ik haalde extra sjiek kattenvoer bij de supermarkt en Spike at een paar hapjes. Van zijn dagelijkse portie van vier snoepjes at hij er maar twee. En van het droogvoer dat ik hem uit mijn hand liet eten, nam hij een paar kleine muizehapjes. Hij lag de hele dag treurig op zijn kleedje. En hoe ik ook kriebelde of aaide, spinnen was er niet bij.

Dus die dinsdag zat ik bij de dierenarts met ons troetelkind. ‘Hij drinkt wel, maar hij eet nauwelijks. En hij ligt de hele dag stilletjes op zijn kussen’ klaagde ik. ‘We zullen eens kijken’, zei de dierenarts en hij tilde Spike uit zijn reismand. Die keek kwaad om zich heen en wrong zich in duizend bochten. ‘Nou, d’r zit nog leven genoeg in’ vond de dierenarts terwijl hij een woest blazende Spike onderzocht en bloed en urine afnam.

En ja, hoor. Toen het onderzoek afgerond was, vleide Spike zich spinnend en wel tegen de assistente aan die hem met moeite in bedwang gehouden had. De dierenarts trok ondertussen een blikje kattenvoer open, schepte er wat uit met zijn vingers en hield dat Spike voor. Spike begon gemoedelijk het kattenvoer van zijn vingers te likken.

Tien minuten later stond ik weer buiten. Met – zo bleek uit de uitslagen – een gezonde oude kater, een factuur van € 200,- én het gevoel dat ik een enorme aansteller ben. Maar eigenlijk val ík nog best mee. Moet je mijn kat zien! Da’s pas een aansteller!

Tip!

Over het algemeen doe ik het huishouden fluitend. Ik heb geen hekel aan een stevig rondje poetsen. Emmertje sop, muziekje op en gáán! Of soms, als ik het druk heb, even snel tussen door. Maar ik heb er nooit echt een hekel aan. Gewoon omdat alles daarna weer lekker schoon en fris is. Daar houd ik van.

Maar er zijn dingen in het huishouden waar ik toch minder blij van wordt. Het verschonen van de bedden is er zo een. En ik bof nog want wij hebben twee eenpersoons dekbedden. Toch is het elke keer weer een heel gevecht om de dekbedden weer in de schone hoezen te krijgen. Ook omdat mijn schema gewoon niet klopt. Ik haal het beddengoed af, zet de wasmachine aan en ontdoe de slaapkamer van stof. Om daarna het bed weer op te dekken.

In de tijd dat ik nog een eengezinswoning had, met trap, deed ik dat op de overloop. Hoes binnenstebuiten, handen er in, punten van het dekbed er in en schudden maar. In het trapgat. Dat ging nog redelijk vlotjes. Maar sinds ik – veel te jong natuurlijk – in een gelijkvloers seniorenappartement woon, héb ik geen trapgat meer. Ik wapper wanhopig met mijn dekbedovertrek en dekbed door de slaapkamer. Waardoor ik eigenlijk opnieuw kan stoffen als de bedden eindelijk opgedekt zijn.

Aangezien ik niet vies ben van tips op huishoudelijk gebied, heb ik op internet wel eens filmpjes bekeken met trucjes hoe je – heel simpel – je dekbed weer in de schone dekbedhoes krijgt. Maar die trucjes herinner ik me altijd pas als ik helemaal in mijn dekbedhoes gekropen ben om mijn dekbed recht te trekken en met dekbed en dekbedhoes en al van ons bed af lazer.

Toen ik een tijdje terug mijn mouwen opstroopte om het gevecht weer aan te gaan, had ik een helder moment. Ik riep mezelf tot de orde en zocht eerst de ‘Hoe dek ik mijn bed simpel op’-filmpjes op. Mijn favoriet is De Burrito-truc.

Jongens! Ik heb ‘m getest en empirisch vastgesteld: het werkt. Geen gewapper meer, geen gedoe. Zo klaar! Dames en heer (Leidse Glibber in dit geval), doe er je voordeel mee!

Bijschrift bij de foto: bedden opdekken valt sowieso niet mee met een kater van 8 kilo die bij voorkeur bovenop het dekbed gaat liggen