Categorie archief: Spike

Oud en nieuw 2016

image

Vandaag is het twee weken geleden dat Frank een hartstilstand kreeg. Twee weken pas. Of twee weken al. Dat weet ik eigenlijk niet. Ik ben het besef van tijd een beetje kwijt geraakt. Maar het is wel hoogste tijd voor een update. Om met het goede nieuws te beginnen: hij leeft nog! Het slechte nieuws is dat hij nog steeds niet helemaal ‘bij’ is.

Ik heb geen idee hoe ik dit op moet schrijven. Chronologisch dan maar. Alles! Voel je vooral niet verplicht om alles te lezen. Ik schrijf het gewoon op. Voor mezelf. Misschien voor Frank, ooit. Of voor die ene arme stakker, die internet afstruint op zoek naar informatie over hersenletsel na een reanimatie.

Op dinsdag 20 december, drie dagen na de hartstilstand, werd de slaapmedicatie stopgezet. Frank werd vrij snel wakker, reageerde op pijnprikkels, bewoog zijn armen en benen en deed af en toe zijn ogen open. Maar we hebben geen idee of we contact met hem hebben.

Woensdag 21 december haal ik mijn oude moedertje op, omdat ze zó graag op bezoek wil bij Frank. “Zou je niet een paar weken wachten?” zeggen sommige mensen. “Tot het wat beter gaat?” Ja, natuurlijk, joh! De ene is 85 en de andere ligt op de IC. Laten we fijn een paar weken wachten! Natuurlijk is het zwaar voor mijn moeder maar ik heb haar zo goed mogelijk voorbereid. En mocht ze niet goed worden, waar kan dat dan beter gebeuren dan op de IC van het VU?

Ik geniet, gek genoeg, enorm van het ritje naar Breda. Rustig op de weg. Alleen in de auto. Met de radio op 10, keihard meezingend. Mijn moeder heeft de Kerstboom staan. En de Kerststal. Met kindje Jezus, vastgelijmd in zijn kribbe. Omdat mijn hele wereld op zijn kop staat, vind ik tradities ineens érg belangrijk. Met grof geweld ruk ik kindje Jezus uit zijn kribbe en verstop hem in een krul van de lamp boven de eettafel. Net als altijd. Zo! Dát is tenminste weer hoe het hoort.

Onderweg terug naar Amsterdam belt Netty, de zus van Frank. Frank blijkt te reageren op vragen van de verpleging. Op de vraag of hij pijn had, antwoordde hij ‘nee’ en op de vraag of hij lekker lag antwoordde hij ‘ja’. Ik knijp, al rijdend, de knieprothese van mijn moedertje bijna fijn. Ik probeer me aan de maximum snelheid te houden en rijdt zo snel mogelijk terug naar Amsterdam. We halen Michelle op en rijden door naar het ziekenhuis. Daar laat ik Mich alleen achter met het logistieke probleem van een auto en haar 85-jarige oma. Ondertussen ren ik naar Frank. Even later arriveert Mich (topkind!) met oma in een rolstoel. En inderdaad! Frank lijkt ons duidelijk te herkennen en zegt ‘ja’ en ‘nee’. Mijn moedertje slaat zich dapper door het bezoek heen. Ze vertelt Frank dat ze gebak gaat kopen, zodra hij weer op de koffie komt. Frank lacht een grote glimlach.

Helaas heeft Frank erg veel last van slijm in zijn longen omdat hij een longkneuzing heeft opgelopen tijdens de reanimatie. Op een of andere manier kan hij niet hoesten. En het slijm met een slangetje wegzuigen lukt ook niet. Zorgelijk, want dat slijm kan een longontsteking veroorzaken. En dat is wel het laatste wat we willen. Hij lijkt ook steeds meer pijn te krijgen.

Donderdag 22 december krijgen we te horen dat Frank’s borstbeen gebroken is en ‘los ligt’ (dat wil zeggen dat de ribben waar het borstbeen aan vast zit gebroken zijn). Ook een gevolg van de reanimatie. Dat verklaart het probleem met het hoesten. Frank voert inmiddels opdrachten uit. Zo knijpt hij in je hand als je daarom vraagt. En hij laat weer los als je dat vraagt. Dat laatste is belangrijk. Knijpen kan een reflex zijn, loslaten is een bewuste handeling. Ik zit bij zijn bed en houd zijn hand vast. Hij beweegt zijn arm, brengt mijn hand naar zijn mond en geeft me een handkus. Ik ben er zó blij mee! En óf hij bewuste bewegingen maakt!

Vrijdag 23 december hebben we een gesprek met de behandelend arts. Het borstbeen van Frank zal, naar verwachting, niet vanzelf aan elkaar groeien omdat het te veel beweegt bij ademhalen. Hij zal geopereerd moeten worden, wat in zijn situatie een risico is. Er wordt gewacht op het ‘perfecte moment’. Mochten zijn klachten te erg worden, dan wordt er een zorgvuldige afweging gemaakt van de voors en tegens. Over het neurologische verloop is nog steeds niet te zeggen. Afwachten, afwachten, afwachten.

Omdat Frank geen beademing meer nodig heeft, wordt hij verplaatst naar de Medium Care (het enige verschil met de IC is dat zij kunnen beademen, op de medium care kan dat niet). Om Frank’s longen wat ‘lucht’ te geven, wordt hij een paar keer per dag in een stoel gezet. Hij lijkt het niet echt prettig te vinden; hij heeft erg veel pijn.

Zaterdag 24 december is het een week geleden dat het zo mis ging. Ik vind het een rare dag. Toevallig rijd ik over de A10, de route naar het VU, op hetzelfde tijdstip als vorige week. Alleen zat ik toen in een ambulance, met loeiende sirenes. Ik hoorde altijd al veel sirenes. Amsterdam is een grote stad en wij wonen vlak langs een ‘aanrij-route’. Dus ik ben het wel gewend; ik hoorde het amper. Sinds vorige week kan ik er niet zo goed meer tegen. Ik krijg een rare rilling in mijn nek en over mijn rug, zodra ik sirenes hoor.

Frank begint beter te praten. Hij zegt dat hij aardappelen wil eten. ‘Houd je zo van warm eten?’. ‘Ja!’ roept Frank. Helaas krijgt-ie alleen maar sondevoeding. Hij zegt dat hij wil douchen. Maar helaas zit dat er ook niet in. ‘s Avonds komt neef M. weer langs. Hij is al vaker geweest maar deze keer heeft hij zijn zoon S. meegenomen. Frank heeft S. al bijna een jaar niet gezien. Toch noemt Frank meteen zijn naam. Dat soort kleine dingetjes maakt ons heel erg blij. En Frank heeft ineens tv bij zijn bed! Heeft-ie iets om naar te kijken.

Zondag 25 december, eerste Kerstdag, rijd ik al vroeg met Michelle en Robby naar Breda. We drinken koffie en niemand heeft gezien dat kindje Jezus niet meer in kribbe ligt. We gaan na een uur alweer weg om op tijd weer in het ziekenhuis te zijn. Mijn nicht G. komt langs. Ze treft het niet. Frank heeft zoveel pijn dat ze de pijnmedicatie verhoogd hebben. We krijgen geen contact met hem. Toch is het fijn dat G. er is. Even iemand van mijn eigen familie om me heen. Terwijl ze het zelf ook niet makkelijk heeft.

Maandag 26 december, tweede Kerstdag, staat in het teken van George Michael, die op 53-jarige leeftijd is overleden. Aan hartfalen, schijnbaar. Ik ben verbaasd. George Michael? Maar die is rijk. En beroemd. ‘Tja’ zegt Mich nuchter ‘maar hij had niet zo’n sterk hart’. Eenmaal in het ziekenhuis vertel ik het Frank. ‘Weet je wie er dood is? George Michael!’ Frank kijkt me aan en knikt ‘ja’ alsof hij dat allang weet. Ik ben verbaasd en vraag aan de verpleging of Frank tv gekeken heeft. Ja, hij heeft zijn koptelefoon opgehad. Zou hij toch iets opgevangen hebben van het journaal? ‘s Avonds komen Netty en Ton op bezoek. ‘Heb je het gehoord van George Michael?’ zegt Netty. ‘George is dood’ zegt Frank. Het nieuws is blijven hangen! Hij heeft veel praatjes die avond. Sommige dingen verstaan we duidelijk. ‘s Middags heeft Frank een beetje vla op. ‘s Avonds nog een beetje koffie. Weer een klein stapje vooruit.

Dinsdag 27 december ga ik ‘s morgens met Michelle en Nanuk naar het bos. Even eruit. Lekker! Als we op het punt staan naar het ziekenhuis te vertrekken, belt de IC-arts. Frank heeft te weinig zuurstof in zijn bloed. Ze gaan hem terug brengen naar de IC. Het kan zijn dat hij weer aan de beademing moet. Ook wordt er die dag een scan gemaakt van Frank’s borst. Zijn borstbeen blijkt door midden gebroken te zijn en hij heeft inderdaad al zijn ribben gebroken waardoor het borstbeen los ligt. Ik kan ‘s avonds pas naar hem toe. Frank is erg suf. Hij heeft een vernevelkapje op (om te zorgen dat het slijm in zijn longen niet vast komt te zitten) en telt tot mijn verbazing moeiteloos van 1 tot 10. Geen idee waarom.

Woensdag 28 december is Frank erg onrustig. Hij heeft veel pijn maar ligt gelukkig nog niet aan de beademing. Hij praat veel. Helaas kunnen we het meeste niet verstaan. Frank’s beste vriend R. komt langs. Hij gaat binnenkort naar Zwitserland op vakantie, zoals elk jaar. Frank is ooit mee geweest maar vond het geen succes. We vragen Frank of hij mee wil naar Zwitserland. Daar komt een duidelijk antwoord op. ‘Nee’. ‘s Avonds krijgen we te horen dat Frank de volgende dag om tien uur geopereerd zal worden. De operatie is niet zonder risico en zal lang gaan duren. Pas eind van de middag wordt Frank terug verwacht op de IC.

Donderdag 29 december maken wij ons op voor een lange dag. Vol spanning wachten we. Als Netty toevallig om kwart over elf naar het ziekenhuis belt, krijgen we te horen dat de operatie niet door gaat. De benodigde materialen zijn niet binnen. Dat kan, alle begrip. Maar we zijn erg boos dat wij niet gebeld zijn. Boos bel ik het ziekenhuis. Excuses natuurlijk. En ja, ze begrijpen dat het voor ons heel spannend is. Maar de verpleging ging er vanuit dat de arts ons zou bellen. De arts ging er vanuit dat de verpleging ons zou bellen. Ik haast me naar het bezoekuur en check of Frank weer sondevoeding heeft. Die is gisteren stopgezet voor de operatie. Maar de boel loopt weer. ‘s Avonds komt neef M. weer langs. Hij schrikt enorm omdat Frank bijna niet meer aanspreekbaar is. Dat klopt omdat hij steeds meer pijnstillers krijgt. Het is echt tijd voor de operatie.

Vrijdag 30 december branden er overal kaarsjes voor Frank. Om 13.00 uur belt het ziekenhuis dat Frank naar de operatiekamer gaat. Ze hebben geen idee hoe lang het precies gaat duren. We mogen altijd bellen. Ik poets alle voegen van de badkamer. Ik presteer het om binnen een kwartier boodschappen te doen én een paar schoenen te kopen. Ik kook eten, drink liters koffie en om 18.30 uur houd ik het niet meer vol. Ik bel naar de IC. Daar staan ze nét op Frank te wachten. Hij kan ieder moment op de afdeling zijn. De operatie is goed gegaan! Ik Whatsapp me wezenloos en terwijl de felicitaties, vreugdekreten en duimpjes binnenstromen race ik naar het ziekenhuis om bij Frank te zijn als hij wakker wordt.

Als ik bij zijn bed zit, slaapt hij nog. Het is gek om hem zo stil te zien liggen. Het lijkt alsof ik een week terug in de tijd ga. De slaapmedicatie wordt stopgezet en binnen no time is Frank wakker. Helaas is hij akelig onrustig. Als een bezetene wringt hij zich in allerlei bochten om weg te komen van de beademingsbuis in zijn keel. Twee verpleegsters houden hem op het bed en ik probeer zijn hand omlaag te houden. Hij is verbazingwekkend sterk. De IC-arts wordt erbij gehaald en aangezien Frank zelf ademt, wordt besloten de beademingsslang weg te halen omdat Frank er zo onrustig van wordt. Ik wacht op de gang. Als ik weer bij Frank mag, ligt hij op zijn zij. Weer helemaal van de wereld. Ik blijf even bij hem zitten en ga naar huis. Laat hem maar slapen. ‘s Avonds laat belt de chirurg nog. De operatie is naar wens verlopen. De plaatjes waarmee de boel vastgezet is, moeten wel verwijderd worden over een tijdje. De chirurg legt nog uit dat de operatie uitgesteld werd omdat hij persé een bepaald materiaal wilde gebruiken waar hij veel vertrouwen in heeft.

En nu is het zaterdag, 31 december. Vlak voor ik, eind van de middag naar Frank wilde gaan, belde de IC-arts. Frank kan, ondanks de operatie, nog steeds niet hoesten en het slijm in zijn longen wegzuigen blijft moeizaam gaan. Daarom gaan ze een buisje in zijn luchtpijp plaatsen. Gelukkig hoeft hij niet naar de operatiekamer, dit kunnen ze op de IC zelf. Frank krijgt plaatselijke verdoving en een roesje. Ik stel mijn bezoek een uurtje uit. Als ik bij Frank kom, ligt hij te slapen. Soms wordt hij een beetje wakker maar echt contact krijg ik niet met hem. Niet zo verwonderlijk na al die verdovingen. Ik zit even bij hem, houd zijn hand vast en praat tegen hem. Om 19.00 uur ben ik weer naar huis gegaan. Naar Spike, die bang is voor het vuurwerk. Morgen weer een dag. Hoe het verder gaat is afwachten. Ik denk niet te veel vooruit. Morgen zien we wel weer.

Spike lag onder het bed verstopt toen ik thuis kwam. Ik heb me in bed geïnstalleerd met de tv aan. Zijn Spike en ik toch een beetje samen. Onze dappere dodo liet zich even zien en keek verbaasd naar de tv in de slaapkamer die eigenlijk nooit aan staat. Daarna kroop hij weer onder het bed.

Ik kon van alles doen vanavond maar ik vind het fijn om alleen te zijn. Doen en laten wat ik wil. Ik heb heerlijk lang gedoucht en lig lekker warm in mijn bedje. En als het zo twaalf uur is, proost ik gewoon. Op Frank, op een voorspoedig herstel. Op mijn nichtje die het moeilijk heeft omdat zij haar man pas is verloren. Op mijn vriendin die de laatste oud en nieuw met een compleet gezin doorbrengt omdat zij en haar man gaan scheiden.

En ik proost op mijn familie, mijn vrienden, mijn collega’s en mijn weblogvriendjes. Dank jullie wel voor alle kaarsjes, schietgebedjes, kaarten, Whatsappjes en telefoontjes. Dank jullie wel voor alle bezoekjes in het ziekenhuis en de ontelbare koppen koffie die ik niet mocht betalen.

Proost! Count your blessings!
Op naar 2017! Het kan alleen maar beter gaan.

Bijschrift bij de foto, met de klok mee:
Kindje Jezus in de lamp
Spike op de bank, het rijk alleen
Oud en Nieuw 2016: samen op bed
Koud! Witte bomem bij het VU

Interieur-misser.

image

Onze opslag staat tjokvol en nog lagen er allerlei dingen in huis die we voorlopig even niet kwijt kunnen. Dus in het kader van ‘opgeruimd staat netjes’ kochten we afgelopen zomer een plastic opbergbox voor tuinkussens. Want er staat nergens dat er alleen maar tuinkussens in kunnen. Zo’n box leek ons perfect voor het veilig opbergen van allerlei spullen. En daarna zouden we die box, goed gevuld, beneden in de berging zetten. Strak plan!

Een zomer lang stond de opbergbox werkloos leeg te zijn in de berging tot we laatst ons geniale plan tot uitvoer brachten. We namen de box mee naar boven, zetten hem in elkaar in de slaapkamer en begonnen spullen te verzamelen die we tijdelijk kwijt wilden. Lampen, geluidsboxen, vazen. Gewikkeld in verhuisdekens borgen we allerlei spullen veilig op. En verdorie! De tuinkussens van ons balkonbankje pasten precies boven op de opbergbox.

Tevreden schoven wij de opbergbox zolang aan de kant. Eerst een bakkie koffie voor we de opbergbox naar de berging zouden slepen. Toen wij mentaal zover waren, bleek er nóg iemand erg tevreden met onze opbergbox. Onze Spike lag, heerlijk languit, te luieren bovenop de opbergbox.

Naast een kattentoren, twee mandjes, twee stoelen waar standaard kleedjes op liggen, een grote poef, een kleine poef, een speciaal kleedje op het voeteneind van het bed én een grote kartonnen doos heeft Spike er nu nóg een favoriet plekje bij.

Op de opbergbox, vlak onder het raam. Met uitzicht op een boom waarin vogels wonen en vlak naast de radiator. En wij, watjes, konden het niet over ons hart verkrijgen om de opbergbox naar beneden te brengen. Voorlopig staat er dus een joekel van een opbergbox in onze slaapkamer. Opgeruimd ligt lekker.

Boerenmeid-bloemen-blunder.

Het was weer tijd voor onze jaarlijkse familietraditie; plantjes kopen met mijn moeder bij de kwekerij in Terheijden waar we al zo’n dertig jaar onze plantjes kopen. Gewoon, omdat mijn vader er vroeger altijd zijn plantjes kocht en wij dat stug bleven doen, ook toen mijn vader er niet meer was. Meestal gaat Michelle mee maar die was dit jaar helaas verhinderd dus vergezelde Frank me op mijn rit naar het Zuiden omdat hij, als rasechte Amsterdammer, ‘dat boerendorp’ ook wel eens wilde zien.

We haalden mijn moeder op in Breda en reden door Terheijden naar de kwekerij. Ik rijd al zeker twintig jaar door dat dorp naar de kwekerij en vind het niks bijzonders maar Frank vond het erg leuk. Grappig hoe je je omgeving anders gaat zien als er iemand bij is, die het voor het eerst ziet. Het is ook eigenlijk best een leuk dorpje! We reden het dorp weer uit, voorbij de molen, linksaf naar de kwekerij, over smalle landweggetjes waar we af en toe aan de kant moesten voor een heuse tractor. En mijn Amsterdamse vriendje, die op een drukke A10 vol bumperklevers en afsnijders geen spier vertrekt, maande me nerveus om vooral rustig te rijden.

Eenmaal bij de kwekerij haalde ik een kruiwagen tevoorschijn alsof ik nooit anders gedaan had. Brabantse, hè? Het boerenland en zo. Vrolijk begon ik aan het jaarlijkse ritueel van de kas heen en weer rijden om de plantjes uit te zoeken voor mijn moeder. Frank keek zijn ogen uit. Hij zette me op de foto met kruiwagen en appte die meteen naar zijn zus om te vertellen dat-ie bij een of ander tuincentrum in the-middle-of-nowhere zat. Ik verbeterde hem resoluut. Niks tuincentrum! Dit was écht! Een heuse kwekerij! En trots op mijn Brabantse roots leerde ik hem meteen ook nog even de juiste uitspraak van de plaatsnaam Terheijden. “Trààie! Kom op! Zeg me na! Trààie!”

Met Frank, mijn moeder én haar rollator in de auto was er niet echt veel plaats over voor plantjes. Maar iedere centimeter die we over hadden, propten we vol met geraniums, ijsbloemetjes en vlijtige Liesjes voor in mijn moeders tuin. En natuurlijk het onvermijdelijke Moederdagcadeau: een mooie hanging basket. Voor mezelf kocht ik maar twee plantjes. We hebben maar een klein balkonnetje dus veel ruimte is er niet. Maar één grote bloempot kan best. En omdat ik uit ervaring weet hoe goed dat spul groeit, leek twee plantjes genoeg.

Eenmaal thuis wilde ik meteen aan de slag om de Brabantse plantjes op mijn Amsterdamse balkonnetje te zetten. Het balkonnetje dat vooral gebruikt wordt door onze grote rode-je-weet-wel-kater. Waar het kattenhuis van onze Spike een wel heel prominente plaats in neemt, zodat-ie lekker in het zonnetje buiten kan liggen. En in een opwelling besloot ik, voor ik aan het tuinieren sloeg, eens te Googlen of de plantjes die ik gekocht had wel kat-proof zijn. Of liever gezegd; of onze kat wel plantjes-proof is.

En ja, hoor! Natuurlijk!
Twéé plantjes koos ik uit. Twee. Uit een kas met dúizenden plantjes.
En laten nou net dié twee giftig zijn voor katten.

Geen bloemen op het balkon dit jaar.
Boerenmeid, hè? Ik heb er echt kijk op! Not.

Spike in de stress.

Dat de verhuizing voor ons een berg stress opleverde, vonden we niet zo’n punt. Wij wisten dat, ooit, alles goed zou komen. Dat de meubels weer op hun plaats zouden komen te staan en de dozen uitgepakt zouden worden. Maar we maakten ons ernstig zorgen over het stress-level van ons poete-kind, onze Spike. Natuurlijk namen we de voorbereiding heel serieus. Wekenlang vertelden we hem over alle ramen mét vensterbanken in het nieuwe huis, over de vele vogels rond het huis en over het privé-balkon dat Spike zou krijgen. Maar meneer leek niet onder de indruk en ging zich stoïcijns liggen wassen.

Toen we eenmaal aan het verhuizen waren, was het nieuwe huis een puinhoop met een slaapkamer vol dozen en een woonkamer met meubels die niet stonden waar ze hoorden. Het welzijn van Spike was belangrijker dan die van onszelf dus bleven we zo lang mogelijk in het oude huis. We sliepen op matrassen op de grond, en hadden twee campingstoeltjes en een tafeltje staan. En een kattenbak, een krabpaal, een kattenpoef, een kattenkussen en twee kattenmandjes. Maar op zaterdag werd het toch echt tijd om te gaan.

We stopten Spike in zijn reismandje en lieten hem vol verwachting los in het nieuwe huis. Waar we in de woonkamer op de grond sliepen omdat de slaapkamer nog vol dozen stond. En waar niks stond waar het hoorde. Maar Spike keek rond, liep over onze matrassen en gaf alle deuren kopjes. Dat leek ons een goed teken! En inderdaad; het uitzicht vond-ie fantastisch! Spike zat vaak voor het raam en keek zijn ogen uit. Naar de bomen, de vogels en de voorbijrijdende trams. Er was één maar: meneer wilde niet plassen.

Op maandag was de kattenbak nog steeds droog. Met Spike’s medische geschiedenis in ons achterhoofd rammelden bij ons alle alarmbellen en besloten we meteen actie te ondernemen. Die avond zaten we met Spike bij de dierenarts. Die keek zorgelijk en besloot Spike een nachtje te houden om hem een katheter te geven. De verhuizing leverde schijnbaar toch te veel stress op. Triest vertrokken we naar huis met een leeg kattenmandje. Die dinsdag leek er weinig te veranderen. Sterker nog; Spike plaste wel maar kon nu niet meer poepen en moest nóg een nachtje blijven.

Verdrietig zaten wij tussen de onuitgepakte dozen. En op woensdag kregen we een briljante ingeving. We belden naar de dierenarts en boden aan Spike’s eigen kattenbak te komen brengen. Het leek ons ineens vrij logisch dat Spike niet kon poepen want Spike en zijn kattenbak; da’s een verhaal apart. De dierenarts zuchtte eens diep en zei dat we Spike mochten komen halen. Het verblijf bij de dierenarts leverde ook stress voor Spike op en meneer krijste regelmatig de hele boel bij elkaar. Dat werkte dus ook niet echt. “Maar dan moeten jullie wel zorgen voor rust in huis.” zei de dierenarts streng.

Jubelend renden we door het huis. Als kippen zonder kop. Binnen no time hadden we meubels op z’n plaats gezet en massa’s dozen uitgepakt. We sleepten het oude vloerkleed, dat nog in het oude huis klaar lag om weggegooid te worden, mee naar het nieuwe huis om te zorgen dat Spike’s eigen luchtje in huis zou hangen en we schroefden snel de kattentoren in elkaar. Daarna telden we de uren tot we Spike op mochten halen. Ongeduldig. Alsof we kersverse ouders waren die hun pasgeboren baby mochten ophalen.

En toen was er een hernieuwde kennismaking met Spike’s nieuwe huis. Hij besnuffelde de meubels en alle kattenmandjes. Voorzichtig inspecteerde hij het balkon. Hij klom op z’n kattentoren, deed een tukkie op het oude vloerkleed en bekeek het uitzicht vanuit alle kamers. Of het aan het oude, vertrouwde kleed lag of dat Spike ons gemist had zullen we nooit weten. Maar de volgende dag produceerde hij een enorme kattendrol die wij onder luid feestgejoel uit de bak schepten. Spike is weer thuis. Want oost, west, thuis poept het toch het best.