Categorie archief: Terug in de tijd.

Hoi Pa,

1987 – Pa en ik

Hoi Pa,

Met mij! Ik wilde even iets tegen je zeggen… 

Aanstaande woensdag zijn de Provinciale Statenverkiezingen. Ik had het er met Frank over. “Ga jij stemmen?” vroeg ik. En hij zei dat-ie het nog niet wist. Dat-ie altijd gaat bij de verkiezing van de eerste kamer, of de tweede. Maar dit? Ik mopperde. “Nou ja! Je mag stémmen! Weet je wel wat een luxe dat is?” En natuurlijk weet-ie dat best wel. En woensdag gáát-ie ook gewoon. Ik ken hem; die gaat gewoon stemmen. Hij weet zelfs al op wie.

Maar het was alsof ik jou hoorde toen ik mopperde dat hij moet gaan stemmen. Jij hebt altijd tegen mij gezegd dat ik moet gaan stemmen. Dat er eeuwen gevochten is voor mijn stemrecht en dat ik daar gebruik van moet maken. Je had gelijk, zoals gewoonlijk. 

Michelle appte me vorige week. Ze heeft een stemwijzer ingevuld en haar keuze gemaakt. “Opa kijkt vast heel trots vanaf zijn wolkje” stuurde ze. Want ik heb jouw wijze les natuurlijk ook aan haar door gegeven.

 Toen ik zelf zat na te denken over op wie ik zal gaan stemmen, herinnerde ik me ineens dat ik altijd aan je vroeg op wie jíj ging stemmen. Maar dat wilde je nooit zeggen, al drong ik nog zo aan. Je was een man van weinig woorden dus ook hier maakte je weinig woorden aan vuil. “Principé” zei je dan. En je legde expres de klemtoon verkeerd. Ik vond het altijd zó vreemd dat ik niet mocht weten wat jij stemde. Alsof je je schaamde voor je keuze.

Vandaag viel ineens het kwartje. Vandaag wist ik ineens waarom jij nooit wilde zeggen op wie jij jouw stem uitbracht. Omdat je niet wilde dat ik je klakkeloos na deed! Omdat je wilde dat ik er zélf over na dacht.

Dat heb ik gedaan, Pa. Ik heb er goed over na gedacht en ik ga mijn wel overwogen stem uitbrengen. Omdat het mag. En nou ja… ook een beetje omdat het wel lollig is dat ik dan weer naar de brandweerkazerne mag.

Liefs en een dikke kus!

PS: ik weet écht wel op wie jij altijd stemde 

Cats- The musical

Michelle in haar Cats-outfit – met onze Toby

Zo’n twintig jaar geleden kreeg mijn – destijds zesjarige – dochter van haar tante Tina een videoband cadeau met daarop de Engelstalige versie van de musical Cats. Michelle, die altijd al dansend en springend door het leven ging, was stapelgek op die videoband. Fantastisch vond ze het. De muziek, de dans, de katten. 

Ze vond het zó fantastisch dat ze voor de tv mee danste met haar favoriet; de witte kat. En bij voorkeur deed ze dat in haar speciale Cats-outfit. Een witte broek, een wit shirt en een witte boa als staart om haar middel gebonden. Twee witte sokjes om haar handen maakten het geheel compleet. 

Ze was zó enthousiast dat ze iedereen die kwam spelen overhaalde om mee te doen. De videoband werd grijs gedraaid en ik zag neefjes, nichtjes en talloze vriendjes en vriendinnetjes door de kamer hupsen. Sommigen hadden talent, sommigen bakten er niks van. Maar ze deden allemaal mee. Met sokken aan hun handen en soms – als ultiem hoogtepunt – door mij geschminkt als kat.

Maar Michelle werd groter en de Cats-videoband raakte op de achtergrond. In plaats van dansen, ging ze turnen. Groot was de vreugde toen ze voor het eerst een vrije oefening op vloer moest doen en tussen de vloermuziekjes de tune van Cats ontdekte. De keuze was snel gemaakt en weer zat ik volop in de Cats-muziek. 

Daarna hield de Cats-periode echt op. Er kwamen nieuwe vloeroefeningen met andere muziek. Er kwam een studie, een vriend, een huis, een baan en een hondje. Dochterlief is groot geworden. Ze is 26 inmiddels. Maar toen we hoorden dat de Londense cast van Cats in Amsterdam op kwam treden, waren we er als de kippen bij. We reserveerden kaarten. Natuurlijk!

Hoewel het eigenlijk een moeder-dochterding was, bleek schoonzoon Robby ook mee te willen. Dus gingen we gisteren met z’n drieën op stap. Naar de musical Cats. 

Na het zien van de voorstelling kan ik een paar conclusies trekken:

Ik herkende de katten. Ik herkende de liedjes. Maar daar hield het wel mee op. Het verháál van Cats zag ik eigenlijk pas tijdens deze voorstelling. Daaruit maak ik op dat ik de videoband van destijds nooit bewust gekeken heb. Waarschijnlijk gebruikte ik die als een soort bezigheidstherapie voor mijn kind. Terwijl zij door de kamer danste, werkte ik waarschijnlijk een strijk weg. Of sopte ik de badkamer. Of ik deed een tukkie. Dat kan ook.

We mogen schoonzoon Robby erg graag. Maar dat-ie, geheel vrijwillig, met zijn vriendin én haar moeder mee ging naar Cats en het nog leuk vond ook levert hem extra bonuspunten op. Aansluitend had-ie met vrienden nog een of ander feestje met dj’s en bier en zo. Ik hoop dat het leuk was. Hij heeft het verdiend!

En last but not least: 

Hoe leuk is het dat je volwassen dochter – met vriend, baan, huis en hond – nog net zo blij naar deze voorstelling kijkt als naar Sneeuwwitje of Disney-on-Ice toen ze vijf was? Met nog steeds datzelfde blije snoetje. Alsof er geen twintig jaar voorbij gegaan zijn…

Foto-momentje bij de Cats-posters

Wij vonden het een geweldige voorstelling. Maar wij hebben natuurlijk mooie herinneringen aan Cats wat het voor ons extra speciaal maakte. Ik vroeg me wel af of de voorstelling goed te volgen is voor kinderen. De voorstelling is in best ingewikkeld Engels. De vertaling – op een scherm boven het toneel – was niet denderend. Aan de andere kant; mijn kind vond het ook prachtig destijds. En als je van zang en dans houdt, is het zeker een aanrader! Kattenliefhebber zijn is een pré, geen must.

Foutje.

Lang voordat ik Vriendjelief leerde kennen, had ik een ander vriendje. Ik leerde hem via een toenmalige collega kennen en al snel werden we een setje. Hij was een bijzonder vriendje. Niet alleen omdat hij meteen dikke vriendjes werd met mijn destijds vijfjarige dochter maar ook omdat hij – na een auto-ongeluk toen hij begin twintig was – volledig blind is.

Zijn blindheid was niet de reden dat we uiteindelijk na ruim vijf jaar uit elkaar gingen. Het was meer iets met zijn wilde haren en mijn voorkeur om met een boek op de bank te zitten. Een combinatie die niet echt wilde lukken. Dramatische ruzies hebben we gehad. Maar we hebben ook enorm veel lol gehad. 

Hilarisch waren de wandelingen op zondag. Michelle, een jaar of zes oud, die vrolijk riep: “Berry! Berry! Mag ik met je stok?” En zo wandelden we dan met z’n drieën door de stad. Bernard met zijn blindengeleidehond aan het tuigje en Michelle met zijn blindenstok, serieus voor zich uit tikkend. Geschrokken keken voorbijgangers naar ons! Je zág ze denken ‘Oh, jeetje. Het is vast erfelijk. Wat erg!’

Hilarisch was ook die ene avond dat Bernard en ik op stap waren geweest en we met de taxi naar zijn huis gingen. Bernard noemde zijn adres en de taxichauffeur merkte op dat Bernard om de hoek van de Bernard de Wildestraat woonde. De chauffeur vond dat erg grappig. Bernard de Wilde, haha.

Het zette Bernard aan het denken. Met een paar biertjes te veel op besloot hij dat het óntzettend lollig zou zijn om het straatnaambordje van de Bernard de Wildestraat te jatten om het vervolgens in zijn woonkamer aan de muur te hangen. Bernard die – ondanks zijn handicap – uit gaat, naar de sportschool gaat, klust en zelfs auto’s repareert, draaide zijn hand niet om voor het losschroeven van een lullig straatnamenbordje. Dus eenmaal thuis, stopte hij een steeksleutelsetje in zijn zak en ging hij fluitend op pad. Met zijn hond, want die moest toch uitgelaten worden.

Ik bleef binnen. Ten eerste omdat het koud was. Ten tweede omdat ik te braaf ben voor dat soort acties. Straatnaambordjes jatten mag niet. Zelfs niet als je eigen naam er op staat. Dus keek ik laf toe hoe Bernard met zijn hond en zijn steeksleutels in het donker verdween.

Zenuwachtig stond ik voor het raam te wachten. Ik wachtte tien minuten. Ik wachtte een kwartier. In gedachten zag ik al voor me hoe mijn arme blinde vriendje gearresteerd zou worden en in een koude cel zou belanden. Terwijl ik, na twintig lange minuten, net stond te bedenken wat in dat geval in hemelsnaam zou moeten doen, zag ik het illustere duo weer aan komen lopen. Goofy, Bernards hond, huppelde vrolijk met Bernard mee. 

Juichend kwam Bernard binnen. “Kijk dan! Ik heb ‘m! Ik heb ‘m!” riep hij. Trots draaide hij het bordje, zodat ik de letters kon lezen. In zijn handen hield hij een straatnamenbordje. Met daarop de tekst ‘Tilman Suysstraat’.

Later bleek dat op het betreffende paaltje, op de hoek van de Bernard de Wildestraat, twee straatnaambordjes zaten. Eén voor de Bernard de Wildestraat en één voor de Tilman Suysstraat. Bernard heeft nooit meer de moeite genomen om het juiste bordje te jatten.

Primeur!

Doelloos dwaal ik door de gangpaden van de supermarkt. Op zoek naar inspiratie voor het avondeten van morgen. Door omstandigheden, lange werkdagen en tijdgebrek hebben we de afgelopen dagen te makkelijk gedaan. Eten bestellen, diepvriespizza’s en kant-en-klaar-maaltijden. Morgen gaat er gekookt worden! Maar wat?

“Boerenkoolstamppot” denk ik ineens. Dat hebben we deze herfst nog niet gegeten. Aardappelen heb ik nog. Ik vis een chorizoworst uit het schap, want – dit is een gratis tip – chorizo door de boerenkool is lekker! En dan een beetje chilisaus er over. Geloof me; zalig!

Speurend sta ik even later voor de diepvriesvitrine. Want boerenkool – en spinazie – haal ik altijd uit de diepvries. Vroeger had je diepvries-boerenkool in de vorm van een baksteen. Omdat ik altijd en eeuwig vergat de boerenkool de dag ervoor uit de vriezer te halen, stond ik een half uur boerenkool te ontdooien. Maar tegenwoordig heb je deelblokjes! Zo handig! Speciaal uitgevonden voor mensen met haast. Zoals ik. Even in de magnetron. Ping! Gekookte aardappeltjes er door stampen. Beetje boter. Chorizo erdoor. Klaar!

Ik tuur in de diepvriesvitrine maar ik zie alleen spinazie. Veertig soorten. Huismerk. A-merk. Met een bloepje room, zonder bloepje room, met Boursin, met feta. Maar geen boerenkool. De boerenkool is op. Koortsachtig denk ik na. Heb ik morgen tijd om een andere supermarkt in te lopen? Of deze? Waarschijnlijk vullen ze vanavond de voorraad diepvriesboerenkool weer aan.

Tot ik ineens een geniale ingeving krijg. Wacht eens… Boerenkool… Da’s toch groente? Van dat spul dat op het land groeit? Ergens. Iets met boeren. En akkers en zo. Of in een kas? Nee, niet in een kas. De vorst moet er overheen, toch?

Op de groente afdeling vind ik zowaar boerenkool. Groene frummels in een zak. Waarom koop ik eigenlijk nooit verse boerenkool? Geen idee. Nu ik er over nadenk, realiseer ik me dat mijn moeder altijd diepvries kocht. Geen idee waarom. Maar ik heb haar gewoonte klakkeloos overgenomen.

Even later sta ik bij de kassa. Primeur!
Ik ben Nicky, ik ben 49 en ik heb voor het eerst verse boerenkool gekocht.