Categoriearchief: Terug in de tijd.

Machtig mooi.

Foto door Laurens Aaij. Winnaar Zilveren Camera 2006.

Het stormt enorm in de nacht van 31 oktober op 1 november in 2006. Door de vele regen die valt, stijgt het water en raakt een groep van 227 paarden ingesloten op een klein eilandje in de kwelder bij Marrum in Friesland. Twintig paarden komen om door onderkoeling en verdrinking. De overgebleven paarden staan hutje op mutje op een klein stukje hoger gelegen land en kunnen geen kant meer op. Men hoopt dat het water zal zakken en de paarden naar de vaste wal kunnen lopen, maar het water zakt niet snel genoeg.

Het leger wordt ingezet om de paarden met behulp van twee pontons naar het vast land te brengen. Maar het water is inmiddels iets gezakt en het vlot komt meerdere malen vast te zitten waardoor de reddingspoging mislukt. Ondanks dat het water iets gezakt is, staat het nog steeds te hoog voor de paarden om zelf naar de wal te lopen. Ze worden met een boot voorzien van voer en een dierenarts vaart regelmatig naar het eilandje om hun gezondheid te controleren. Maar er zijn grote zorgen dat nog meer paarden om zullen komen door onderkoeling of longontsteking. 

Dan komt een groep jonge vrouwen op een briljant idee. Het water is nog iets verder gezakt en er wordt een route uitgestippeld tussen prikkeldraad, hekjes en slootjes door die nu, door het hoge water, niet zichtbaar zijn. De groep jonge vrouwen is van plan om te paard naar het eilandje te rijden en de leidende merrie van de opgesloten kudde een halster om te doen en haar mee te nemen naar het vaste land. Ze hopen dat de rest van de kudde haar zal volgen. 

Op 3 november 2006 gaan de amazones te paard het water in. Het halsteren van de leidende merrie is niet eens nodig. Als ze de paarden op het eiland bereiken, volgt de hele kudde hen, zonder problemen, naar het vaste land. Na 15 minuten staat de hele kudde paarden veilig op het droge.

Het is bijna 15 jaar later maar ik moet nog steeds een traantje wegpinken bij het zien van de beelden van die enorme kudde paarden die eindelijk de vaste wal bereikt. Als er één gebeurtenis is waar ik bij had willen zijn, dat is het deze: de redding van de paarden van Marrum.

Waar had jij graag bij willen zijn?

Een filmpje van de redding zonder muziek vind je hier.

 

Verpieterd.

Mei 1990: Mijn eigen stekkie 🙂

In 1990 ging ik op mezelf wonen. Ik was 20 lentes jong en had na mijn eerste dramatisch verlopen kalverliefde, behalve een deuk in mijn ego, ook geen rooie rotcent. Maar ik moest en ik zou op mezelf wonen, ongeduldig als ik was om volwassen te zijn. Ik had een mazzeltje met de flat die ik kreeg omdat de vorige bewoner zijn witgoed achterliet. Ik nam mijn tv-meubeltje en mijn tv mee uit mijn slaapkamer in het ouderlijk huis, kreeg her en der wat meubeltjes en kocht wat ik echt nodig had zo goedkoop mogelijk. De lege ruimtes die overbleven vulde ik met planten. En daar zat ik, hoor! Te shinen in mijn eigen paleisje.

Ik redde het prima in mijn eentje. Ik heb me nooit eenzaam gevoeld en ik vermaakte me prima. Doordeweeks werkte ik en elke zaterdagmorgen poetste ik vrolijk mijn huisje. En elke week, voordat ik aan mijn poetsrondje begon, sleepte ik ál mijn planten naar het balkon. Ik gaf ze water, haalde dode blaadjes weg en sproeide ze allemaal af. En dat werkte! Het leek wel een hortus botanicus bij mij thuis. En toen kwam mijn baby.

September 1992: Mijn moeder met kleinkind nr. 10. De mijne! ❤️ En kijk eens hoe mijn planten gegroeid zijn! 

Alle liefde en zorg die ik voorheen aan mijn planten gaf, gaf ik aan die kleine baby. Samen verhuisden we naar een echt huis waar ik mijn planten strategisch verdeelde over de veel grotere huiskamer. Ik gaf ze af en toe water. Maar ik vergat ze ook regelmatig. En ik geloof niet dat ik mijn planten ooit nog afgesproeid heb. Mijn hele hortus botanicus verpieterde.  Gelukkig was ik toen al een kei in prioriteiten stellen; mijn baby kreeg wél keurig op tijd eten, drinken en een douchebeurt en ze groeide voorspoedig op tot een leuke, lieve jongedame. Maar met die planten is het nooit meer goed gekomen.

Momenteel geef ik mijn huis de schuld van het plantenleed. ‘Het is hier te donker’ roep ik als ik weer een slachtoffer in de vuilnisbak gooi. En vol weemoed denk ik aan mijn hortus botanicus van weleer. Ik kon het toen. Waarom lukt het me nu niet meer? Wanhopig probeer ik mijn planten in leven te houden, vooral het stekje van de bananenplant dat ik van mijn dochter kreeg. ‘Het is mijn eerste stekje’ jubelde ze terwijl ze mij plechtig haar bananenplantenkind overhandigde. Ik beloofde niets maar ik voelde de druk. En ik moet eerlijk zeggen dat haar stekje inmiddels op sterven na dood is. Zelfs mijn aloë Vera-planten, die toch wel wat kunnen hebben, zijn inmiddels hangplanten geworden. Op zich is dát natuurlijk een prestatie van formaat maar niet helemaal de bedoeling, toch? Dit kán zo niet langer. En ik besloot in actie te komen.

Allereerst heb ik eens uitgezocht wat voor planten ik nou eigenlijk heb. Briljant, vond ik zelf. Dat ik dát niet eerder bedacht heb!  Stap 2 was uitzoeken hoeveel water ze eigenlijk moeten hebben. Nóg zo’n geniale ingeving! En ik ontdekte dat ‘2x per week een beetje’ veel te veel van het goede is. Mijn aloë vera’s probeerden me dat al een tijdje duidelijk te maken maar ik dacht dat ze juist dorst hadden. Communicatie met aloë vera’s is schijnbaar niet echt mijn sterkste punt. Stap 3 was uitzoeken hoeveel licht mijn planten lekker vinden. Ik ruilde vervolgens strategisch wat potten om en zette als finishing touch een app op mijn telefoon die me een seintje geeft als een bepaalde plant water moet hebben. Daarna heb ik iedere plant persoonlijk toegesproken. Ik heb nederig mijn excuses aangeboden, beterschap beloofd en een peptalk gehouden. Het moet goed komen.

Ter lering ende vermaak plaats ik hieronder foto’s van mijn arme, verpieterde plantenkinderen (niet lachen). De foto van de baby-bananenplant durf ik niet te plaatsen. Die is te schokkend. Ik hoop jullie over een hele tijd te kunnen melden dat ze allemaal opgefleurd zijn. To be continued…

Iemand nog tips?

Een maand zonder kater.

Inmiddels zijn we een maand zonder kater. Zonder die rooie, bedoel ik. Want een kater van alcohol heb ik voor het laatst in 2008 gehad. En die kater was sneller voorbij dan het gemis van onze rode kater. Want wat missen we onze Spike! ‘Het is toch je kindje’ schreef iemand heel lief op mijn Facebook-pagina. Nou, nee. Niet echt. Ik heb me huilend om mijn kat wel eens afgevraagd hoe mensen dat doen die een kind verliezen. Want het is en blijft ‘maar’ een kat natuurlijk. Maar missen doen we hem zeker en dat zal nog wel een hele tijd zo blijven. Dank jullie wel voor alle lieve reacties, hier en op Facebook! Die deden me goed, hoor. 😘

Maar naast het gemis van de gezelligheid, de aanhankelijk, het gekroel en de kopjes die ik kreeg, heeft een huishouden zonder huisdieren ook voordelen. Eerlijk is eerlijk. Als eerste viel het me op dat ik tijd over heb. Ongelooflijk hoeveel tijd je eigenlijk kwijt bent aan een kat die je niet eens uit hoeft te laten!

Een extra rondje stofzuigen is niet meer nodig. Af en toe kom ik nog een incidentele kattenhaar tegen. Die pak ik tussen duim en wijsvinger op, ik zucht eens ‘Ach, mijn lieve Spike-jongetje’ en gooi de kattenhaar weg. Overigens kan dat stofzuigen nu op elk gewenst moment. Vanwege Spike’s angst voor de stofzuiger, sloeg ik de kamer waar hij op dat moment was over om die later te stofzuigen, als meneer op een ander plekje was gaan liggen. Nu kan ik in één keer het hele huis stofzuigen.

Het is nog steeds gek om thuis te komen uit mijn werk zonder dat mijn vriendje me komt begroeten. Maar het is wel relaxed dat ik gewoon kan beginnen met koken zonder eerst een grote drol uit de kattenbak te scheppen en kattenvoer met medicatie te serveren. En het is eerlijk gezegd wel handig dat ik gewoon kan koken zonder veertig keer bijna te struikelen over Spike die zijn dankbaarheid voor zijn avondeten toonde door mijn benen kopjes te geven. Bij voorkeur nét op het moment dat ik met een pan kokende aardappels naar het aanrecht liep om hem af te gieten.

Ik sluip nog steeds iedere dag onze studeerkamer binnen. Heel zachtjes om Spike niet wakker te maken, die daar meestal lag te slapen in de doos onder mijn bureau. Er is nog steeds een ‘au’-momentje als ik zie dat Spike niet onder mijn bureau ligt. Daarentegen kan ik op mijn thuiswerkdagen eindelijk mijn voeten fatsoenlijk kwijt.

De nachten zijn rustiger en langer. Ik slaap op links. Maar dat werd niet gewaardeerd door Spike, die luid miauwend achter mijn rug ging zitten, mopperend dat ik om moest draaien. Voor de lieve vrede deed ik dat omdat ik wist dat Spike, na een tijdje tevreden bij me liggen, toch vertrok naar zijn eigen bed. Dan draaide ik me weer om op links om te gaan slapen. Het gebeurde regelmatig dat meneer zich na een kwartier toch weer meldde. ‘Miauw! Draai eens om! Ik wil weer bij jou!’ En we slapen uit nu. Zonder luid miauwende kater die om zeven uur ‘s morgens vond dat wij wel lang genoeg geslapen hadden. En zelf vervolgens de hele middag ging liggen pitten.

Maar het grootste voordeel is het balkon. Aan een drukke straat, met overburen, had ik altijd het idee dat ik in een etalage zat. En daar houd ik niet van. Aardig hoor, van die overburen die zwaaien. Maar voor mij hoeft dat niet. Maar ja, het balkon was Spike’s favoriete plekje en hij keek graag buiten. Uren kon-ie zitten kijken naar alles wat voorbij wandelde, fietste en reed dus het balkon dichtmaken was geen optie.

Maar Spike is er niet meer. Dus kocht ik wat vrolijke strandmatjes en bevestigde die tegen de balustrade tegen de inkijk. Om het feest compleet te maken, gooi ik de kussens van de tuinbank meestal op de grond en kruip ik lekker in mijn hoekje. Het lijkt nu net of ik een tuintje heb! Niemand die me ziet! Deze zomer kan ik in mijn blote kont op het balkon zitten! Ik dóe het niet. Maar weten dat het kán is fijn. Dat verzacht het gemis toch een beetje.

Leermoment – het vervolg.

1975 – Ik als bijrijder in de Efteling, met ‘hoe heette hij ook al weer’

Ooit schreef ik een logje met de titel ‘Leermoment’. Over wat je moet als je met je auto te water raakt. Met wat handige tips erbij en een verslag van de oefensessie die mijn dochter en ik deden om via het raampje uit de auto te klimmen. En – heel verstandig – ik kocht een lifehammer voor het geval we ooit een kanaal in zouden rijden.

Die lifehammer was sowieso geen overbodige luxe. Want ik reed destijds in een Fordje Ka met een identiteitscrisis. Mijn Fordje Ka was er heilig van overtuigd dat ze Christine was, de rood-witte 1958 Plymouth Fury uit het boek van Stephen King. Ze deed precies wat ze zelf wilde. Zo liep het klokje op mijn dashboard achteruit en liet ze haar haar groeien. Of ze besloot zomaar ineens dat ik de ramen niet open mocht doen. Dat ik tijdens deze rit geen ruitje ingetikt heb, komt omdat ik met mijn haren vast zat tussen het raam en mijn lifehammer niet bij kon. Want die lag in het dashboardkastje.

En dat is stom, natuurlijk. Het zal je gebeuren, zeg. Dat je het kanaal inrijdt en eerst je dashboardkastje open moet zien te krijgen. En dan je lifehammer moet zoeken, tussen de zonnebrillen, pennen, tankbonnetjes en cd’s. En áls je hem dan eindelijk te pakken hebt, moet je hem nog uit de houder krijgen. Want niet mee zal vallen want inmiddels zal het water wel zo hoog staan dat je natte handen hebt. Maar toch is mijn lifehammer nooit verder gekomen dan het dashboardkastje. En toen we in 2012 een andere auto kochten verhuisde de lifehammer van het ene dashboardkastje naar het andere waar hij dus al jaren ligt te schuiven als ik de bocht om ga.

Gisteren stofzuigde ik mijn auto uit en gaf ik het interieur een sopje. In het dashboardkastje kwam ik hem weer tegen. Mijn lifehammer! En in een verstandige bui heb ik het ding vastgemaakt zoals het hoort. Mooi is anders maar na vijftien jaar zit-ie eindelijk waar-ie hoort. Binnen handbereik! Ik hoop opnieuw vurig dat ik hem nooit nodig zal hebben. Want ik heb geen idee of ik vijftien jaar later nog steeds door mijn autoraampje pas.