Categoriearchief: Terug in de tijd.

Duolingo-fan!

2014: Mangio insalata caprese a Rome

Ik nam me drie dingen voor als mijn kind uit huis zou gaan. 1. Ik zou haar de televisie mee geven en nooit meer tv kijken. Gewoon omdat ik geen tv-liefhebber ben. 2. Ik zou nooit meer koken. Want daar had ik een hekel aan. En 3. Ik zou Italiaans gaan leren. Gewoon voor de lol. Want hoewel ik absoluut niet reislustig ben, heb ik altijd al een zwak gehad voor Italië, zelfs al toen ik er nog nooit geweest was. Ik ben dol op pasta en pizza en ik vind de taal prachtig.

Maar het liep allemaal anders. Want toen mijn kind de deur uit ging, ging ik samenwonen. Met een man die in elke kamer zo’n schreeuwbak had staan waardoor punt 1. meteen sneuvelde. Punt 2. sneuvelde ook. Omdat hij het voor elkaar kreeg om mij te leren koken. Wat best bijzonder is omdat ik, in de jaren vóór ik hem kende, in grote mate verantwoordelijk was voor de stijgende omzetten van bedrijven zoals Knorr, Honig en Maggi. En punt 3. Italiaans leren… Tja, dat kwam er gewoon niet van. Ondanks mijn bezoek aan Rome in 2014,  dat de liefde voor Italië alleen maar aanwakkerde.

En toen kwam Corona. En zelfs voor mij, als rasechte huismus, leverde dat toch tijdswinst op. Al was het alleen maar door het vele thuiswerken, waardoor ik mijn reistijd ineens ‘over’ had. Ik had natuurlijk kunnen gaan Netflixen (Hahaha! Echt niet!) of nieuwe recepten kunnen gaan zoeken. Maar in plaats daarvan ging ik Italiaans leren! Want van dochterlief hoorde ik van het bestaan van Duolingo. Een app op je telefoon om een vreemde taal te leren.

En man, wat is dat leuk! Duolingo is een Engelstalige app. Dat maakt het een tikkie ingewikkeld. Want de vragen die je krijgt, moet je beantwoorden in het Engels. Win-win, vind ik persoonlijk. Want terwijl ik Italiaans leer, spijker ik mijn Engels een beetje bij. Duolingo werkt met hartjes. Elke dag krijg je vijf nieuwe hartjes. Als je een fout maakt, kost je dat één hartje. Als je hartjes op zijn, moet je wachten tot de volgende dag. Maar met iedere opdracht die je doet, verdien je edelstenen. En met die edelstenen kun je nieuwe hartjes kopen. Jippie!

Soms kun je de edelstenen die je verdient, verdubbelen door een advertentie te kijken. Want ja, ook bij Duolingo moet de kachel branden. Maar niemand verplicht je om die halve minuut ook echt te kijken. Je kunt ook even wat drinken. Of gaan plassen. Dan moet je wel heel snel zijn want zo’n advertentie duurt nog geen minuut. En daarna krijg je gewoon een hele schatkist vól met edelstenen!

De lessen zijn een soort eitjes. En je gaat steeds een eitje (un uovo, haha) verder. Soms komen er ineens barstjes in een eitje dat je eerder al gedaan hebt. Dan moet je even terug om dat lesje nog een keer te doen en de barstjes in het ei te repareren. Heel goed natuurlijk, want zo houd je wat je geleerd hebt op peil. Stap voor stap leer je woorden en zinnetjes lezen, luisteren, schrijven én spreken

Inmiddels ben ik helemaal verslaafd aan Duolingo. En ik ben verrukt over de dingen die ik leer. Ik val mijn omgeving constant lastig met mijn Italiaanse weetjes. Want weten jullie dat ‘lui taglia’ ‘hij snijdt’ betekent? Hé! Tagliatelle, weet je wel! Zo grappig! En wijsneuzerig vertel ik mijn omgeving dat een ‘panini’ helemaal geen broodje is. Het zijn er meer dan één! Want ‘il panino’ is ‘één boterham’ en ‘le panini’ is ‘de boterhammen’.

Of wat denk je van ‘farfalle’, de beroemde pasta-strikjes? Dat zijn mooi geen strikjes, hè! ‘La farfalla’ betekent namelijk ‘de vlinder’ en het meervoud is ‘le farfalle’. En kennen jullie die kleine autootjes, meestal rood? De Canta. ‘Canta’ betekent ‘Zingt’. Da’s toch geweldig? En dat ‘la balena’ ‘de walvis’ is, is toch logisch? Tenslotte heeft een walvis…. Juist! Baleinen!

Ik ben al zo ver dat ik niet meer vloek in het Nederlands. Ik vloek tegenwoordig in het Italiaans! Als iets tegenzit, roep ik gewoon keihard ’ La tartaruga mangia una mela!**’ Dat slaat helemaal nergens op maar het bekt zó lekker! En zo leer ik steeds meer.

Mocht je mee willen doen en een vreemde taal willen leren; je kunt ook vriendjes worden op Duolingo. Zoek me even op! Io sono Nicky0607***

* Ik eet salade caprese in Rome.
** De schildpad eet een appel.
*** Ik ben Nicky0607

28!

Lieve Michelle,

Toen jij nog klein was, hoorde ik andere moeders wel eens zeggen dat ze ‘beste vriendinnen’ waren met hun dochter. Dat zag ik persoonlijk niet zo zitten. ‘Beste vriendinnen zijn’ met jou zou mijn machtspositie alleen maar ondermijnen. Ha ha. Ik besloot gewoon je moeder te zijn. Dat scheelde een hoop oeverloos discussiëren. Je had maar gewoon naar mij te luisteren. Omdat ik je moeder ben. Punt uit. Arm kind.

En of het daaraan lag of aan het feit dat we de eerste dertien jaar van jouw leven maar met z’n tweetjes waren weet ik niet. Maar onze rolverdeling pakte goed uit, al zeg ik het zelf. Ik herinner me het afscheid bij school toen je op kamp ging met groep 8. Wat waren je klasgenootjes vreselijk onbeschoft tegen hun moeders! (Oeh! Herinner jij je die grote mond van M. nog?)

Tja, tegen je beste vriendin kun je alles zeggen, nietwaar? Maar tegen je moeder die maandelijks je kleedgeld op je Pennyrekening stort niet. Te midden van al het gezanik en gezeur van je vriendinnen hing jij om mijn nek. ‘Dag, mam! Ik zal je missen, hoor,’ Want ik was tenslotte maar ‘gewoon’ je moeder. Niet je beste vriendin.

Als kleuter fantaseerde je over groot groeien. ‘Later… als ik een méns ben…’ zei je dan. Nu bén je een mens. En wat een leuk mens ben je geworden! Want wat er altijd al was en nu nog steeds, is de lol die we samen hebben. Jij, met jouw droge gevoel voor humor, waardoor ik altijd weer de slappe lach krijg als we samen zijn.

Ik houd van je nuchtere kijk op dingen. En ik bewonder hoe je in het leven staat. Ik herken je gevoel voor rechtvaardigheid. Zo was je al als kind. Jij doet wat goed is. Altijd. Bewondering heb ik ook voor je vastberadenheid. Als jij iets wil, gá je ervoor. Voor de volle honderd procent. Man, daar kan ik nog iets van leren! En ik vind het knap hoe jij altijd weloverwogen keuzes maakt. Al ben je nog zo enthousiast over iets; de ‘voors’ en de ‘tegens’ lijk je altijd op een rijtje te hebben. Met je hoofd in de wolken maar met beide voeten stevig op de grond.

Meestal dan. Want als kind al stond je vaker op je handen dan op je voeten. Dat is zo gebleven. Je appt ons foto’s van jullie verre reizen. En of het nou in New York was, op Bali, in Berlijn of in Vietnam; er is altijd wel een foto bij waar jij weer eens op je handen staat.

Ik ken je voorliefde voor dingen die hard en snel gaan. Toen je drie was, kreeg ik je al met geen mogelijkheid uit de wildwaterbaan in Valkenburg. Keer op keer ging je. Met tante Gerda. Want ik ben niet zo’n held. Daar zat je, in zo’n uitgeholde boomstam, met je wijsvingertje omhoog. ‘Nog één keertje?’ Dappere Dodo!

Het verbaasde me dan ook niks dat ik afgelopen week een appje van je kreeg met de mededeling dat je ging paragliden tijdens jullie vakantie in Oostenrijk. Soms zou ik willen dat je gewoon met een boekje op het strand ging liggen. Maar zo ben jij niet. Jij gaat gewoon lekker van een berg af springen. Maar wat bewonder ik je lef! Ik zou willen dat ik zoiets durfde! 

We zijn inmiddels allebei volwassen. We hebben ‘verantwoordelijkheden’. Banen, huishoudens, vaste relaties en rekeningen die betaald moeten worden. We hebben het allebei druk en zien elkaar niet wekelijks maar we appen ons een slag in de rondte.

We kletsen tegen elkaar over onze mannen en ons Omaatje en we  sturen elkaar de liefste foto’s van onze diertjes. We roddelen over collega’s en sturen elkaar screenshots van de leukste dossiers op ons werk. Geanonimiseerd natuurlijk want we zijn allebei keurige meisjes. En haast elke dag sluiten we de dag af met een appje ‘Weltrusten! Slaap lekker. Luf joe’

Na 28 jaar ben ik nog steeds gewoon je moeder. En jij bent gewoon mijn dochter. Maar jij, mijn lieve schat, jij had zomaar mijn beste vriendin kunnen zijn. En als ik zélf mijn dochter uit had mogen kiezen, zou ik jou gekozen hebben.

Gefeliciteerd met je verjaardag! Maak er een mooie dag van. Het is nog steeds een feest om jouw moeder te zijn! Luf joe! ❤️

Uncle Bob speelt vals.

Deze Uncle Bob had één grote wens. De wens om na al die Scottish highlanders, lammetjes, koeien, katten en honden eens een echte zeehond te fotograferen. Helaas weigeren de zeehonden tevoorschijn te komen als ik op het strand ben. Maar vorige week lukte het dan toch! Ik fotografeerde een echte zeehond. Sterker nog; ik fotografeerde er wel tien!

Maar ik speelde wel een beetje vals. Het waren de zeehondjes bij Ecomare op Texel. Koud kunstje natuurlijk om daar zeehondjes te fotograferen. We waren overigens niet alleen voor de zeehondjes naar Texel gegaan, hoor. Mijn verkering, die jarenlang als zakenman de hele wereld over reisde, was nog nóóit op een Waddeneiland geweest. Dat kán natuurlijk niet. Daar moest verandering in komen. Dus nam ik hem mee naar Texel.

Ik ging er jarenlang op vakantie, toen dochterlief nog klein was, met mijn zus en haar gezin. Vanuit het Brabantse land waren we altijd een halve dag onderweg om er te komen. Met de jaarlijkse vaste tussenstop bij het wegrestaurant bij Breukelen. Dat is zó lang geleden dat onze meiden nog Spice Girl-poses aannamen toen we foto’s maakten daar op de stoep. Die tussenstop bij Breukelen is niet meer nodig. Het zou technisch gezien zelfs heel onhandig zijn. Want vanuit onze huidige woonplaats sta je na een uurtje rijden al in Den Helder. Ik moet er nog steeds aan wennen dat Texel nu vlakbij is. 

Ik kan me niet herinneren dat het veel regende tijdens onze vakanties op Texel. Maar op de dag dat wij naar Texel gingen, viel de regen met bákken uit de lucht.  Dat was jammer. Jammer was ook dat we – vanwege corona – alles gereserveerd hadden en dus niet ‘even’ op een andere dag konden gaan. Jammer was ook dat we op de boot in de auto moesten blijven zitten. En dat we het in het Museum Kaap Skil te druk vonden en dus snel weer buiten stonden. 

Maar toch was Texel leuk. Omdat Texel nog steeds maar één stoplicht heeft. Omdat de regen niet zo heel erg was omdat we met de auto waren. Omdat Frank vanuit de auto toch een beetje een idee van Texel kreeg en het heel mooi vond. Omdat we het lekkerste Broodje Gezond ooit haalden bij  Restaurant De Robbenjager en dat vervolgens in de auto op aten omdat het restaurant vol was. Maar met de ramen die gezellig besloegen, de regen kletterend op het autodak en wij lekker knoeiend met onze broodjes in de auto was dat eigenlijk helemaal niet erg.

Omdat Frank daarna gewoon lekker een tukkie deed in de auto terwijl ik bijna verzoop terwijl ik snel naar de vuurtoren rende om een foto te maken. En voor de automobilist die het leuk vond om vol door de plas naast mij te rijden: jij had heel veel mazzel dat ik geen baksteen in mijn jaszak had!

 

Maar Texel was vooral leuk omdat de regen spontaan ophield toen wij bij Ecomare aankwamen. En ik eindelijk, eindelijk, eindelijk zeehondjes kon fotograferen. Ik ben verliefd.

My hometown.

Zo is je agenda leeg. En zo heb je ineens drie afspraken achter elkaar. Allemaal in Breda, de stad waar ik vandaan kom. Nou vind ik het niet zo’n punt om een keertje heen en weer naar Breda te rijden. Ik doe dat sowieso om de week – met veel plezier – om mijn moeder te bezoeken. Anderhalf uur rijden heen en anderhalf uur terug. En ik vermaak me onderweg kostelijk omdat ik mijn auto met behulp van diverse playlists verander in een mobiele disco. Een soort Carpool Karaoke dus. Als je lekker hard meezingt, ben je er zo.

Een keer heen en weer rijden vind ik geen probleem. Twee keer heen en weer nog niet echt. Maar drie dagen achter elkaar vind ik nét te veel. Ik zou mezelf poliepen op mijn stembanden zingen, zeg! En natuurlijk heb ik familie en vrienden in Breda. Ik kan zo tien adressen op noemen waar ik welkom zou zijn om een nachtje te logeren. Maar ik en mijn extreme behoefte aan privacy houden niet van logeren. Mijn verkering, die vroeger de hele wereld rondreisde als echte zakenman, zag het punt niet. ‘Dan neem je toch een hotelletje?’ opperde hij. En dat vond ik een briljant idee!

Dus boekte ik voor de nacht tussen afspraak 2 en 3 een De Luxe-kamer mét bad in het hotel op steenworp afstand van het huis waar ik 12 jaar lang met Michelle woonde. Vlak bij mijn moeders huis. Het hotel waar ik tienduizenden keren voorbij moet zijn gereden toen ik nog in Breda woonde. Voorbij gereden, ja. Want tot mijn schande moet ik bekennen dat ik er blindelings naar toe kon rijden maar Google Maps aan moest zetten om de ingang van het hotel te vinden.

Ik checkte in en kreeg zo’n cool sleutelpasje van een kamer op de vijfde verdieping. De kamer zag er prima uit. Ruim, van alle gemakken voorzien en schoon. Het was wel slordig dat het licht het niet deed, vond ik. Maar ik – doorgewinterde wereldreiziger (NOT) – bespaarde mezelf vervolgens een gênant klaagmoment bij de receptie door net op tijd te ontdekken dat je met je sleutelpasje ook het licht aan moest doen. Duh.

Ik nam een bak koffie op mijn kamer – Nespresso! Top! – appte het thuisfront dat ik veilig aangekomen was en stuurde wat foto’s van de kamer en het uitzicht mee. Ik mocht dan wel in mijn geboortestad zijn, ik was wel toerist, ja! Terwijl ik koffie dronk, bedacht ik wat ik zou gaan doen die avond. In bad met een boek, dat zeker. Maar verder?

Ik overwoog een kroegentocht, langs alle cafés waar ik vroeger aan de bar hing. Ik had twee bedden op mijn kamer! Dus – grapte ik tegen het thuisfront – technisch gezien zou ik ook nog een Bredase kerel kunnen versieren! (Om de grapjassen voor te zijn: nee, die heb ik niet allemaal al gehad.) Maar zo zijn mijn verkering en ik niet getrouwd. Bovendien mijdt ik de horeca nog steeds in deze coronatijd dus dat plan veegde ik resoluut van mijn hoteltafel.

Ik besloot een wandeling te gaan maken in de buurt waar ik opgegroeid ben. Ik reed naar de straat waar ik als kind woonde. En ik was verbaasd dat ik mijn auto niet kwijt kon. Vroeger was er plaats genoeg omdat niet iedereen een auto had. Ik parkeerde een straat verderop en liep terug. De keurige straat van vroeger was het niet meer. Het onkruid tierde welig tussen de stoeptegels. De voortuinen waren verwaarloosd en vol rommel. Ik maakte foto’s. Vooral voor mijn moeder. Omdat ik wist hoe geschokt ze zou zijn.

Ik wandelde naar mijn basisschooltje. Dezelfde route die ik vroeger elke dag met Audrey liep. Mijn oude schooltje staat leeg. Nou ja, leeg? Het gebouwd wordt schijnbaar beheerd door een of andere anti-kraak organisatie, bleek uit het bord op een van de ramen. Dat ze hun taak niet echt serieus nemen, bleek uit de kapotte lamellen en zonweringen voor de ramen, de puinhoop op het schoolplein en – ook hier- het metershoge onkruid.

Daarna wandelde ik terug. Naar het park waar ik als kind speelde en als puber rond hing. Chillen avant la lettre. Want het woord ‘chillen’ bestond toen nog niet. Wij gingen gewoon ‘naar buiten’. Ik wandelde door het park naar de vijver waar we in de winter op schaatsten. En waar we in de zomer gingen pootje baden, tot onze enkels wegzakkend in de modder. Ooit kerfde mijn allereerste vriendje de letters A en N in een boom. Met een hartje erbij. Ik liep om elke boom heen die het zou kunnen zijn maar ik kon niets vinden. Misschien staat de bewuste boom er niet meer. Of zijn de letters na 35 jaar dicht gegroeid. Ik hoop het laatste. We hadden nog geen idee van zuinig zijn op groen toen. Sorry, boom.

Vroeger liep je hooguit vijf minuten in je eentje door het park. Er was altijd wel iemand die je zag lopen en ook naar buiten kwam en binnen no time was de vriendengroep compleet. Ik kuierde die avond een half uur rond maar er kwam niemand natuurlijk. Mijn vrienden zijn, net als ik, groot geworden. We zijn verhuisd, hebben banen, huizen en kinderen. Verantwoordelijke mensen zijn we geworden. Chillen in het park (lees: fikkie stoken, stiekem roken en verlegen zoenen) is er niet meer bij.

Ik liep langs mijn oude huis terug naar mijn auto en reed naar mijn hotel. Ik kon zowaar in één keer de ingang naar de parkeerplaats vinden! Ik deed het licht aan op mijn kamer en liet het bad vol lopen. Met mijn boek dobberde ik een paar uur in het schuim om daarna, verrimpeld als een oud besje, tussen de hotellakens te kruipen.

Tijdens elke stedentrip die ik de afgelopen jaren maakte, presteerde ik het om nachten achter elkaar te wakker te liggen. Een vreemd bed, vreemde geluiden, een vreemde stad. Maar hier, in mijn eigen stadje, met – net als vroeger – het slaapwekkende geruis van het verkeer op de A16 in de verte, sliep ik als een roosje. De hele nacht. Ik zou er niet meer willen wonen. Maar Breda voelt blijkbaar nog steeds als thuis.