Categorie archief: Terug in de tijd.

Foutje.

Lang voordat ik Vriendjelief leerde kennen, had ik een ander vriendje. Ik leerde hem via een toenmalige collega kennen en al snel werden we een setje. Hij was een bijzonder vriendje. Niet alleen omdat hij meteen dikke vriendjes werd met mijn destijds vijfjarige dochter maar ook omdat hij – na een auto-ongeluk toen hij begin twintig was – volledig blind is.

Zijn blindheid was niet de reden dat we uiteindelijk na ruim vijf jaar uit elkaar gingen. Het was meer iets met zijn wilde haren en mijn voorkeur om met een boek op de bank te zitten. Een combinatie die niet echt wilde lukken. Dramatische ruzies hebben we gehad. Maar we hebben ook enorm veel lol gehad. 

Hilarisch waren de wandelingen op zondag. Michelle, een jaar of zes oud, die vrolijk riep: “Berry! Berry! Mag ik met je stok?” En zo wandelden we dan met z’n drieën door de stad. Bernard met zijn blindengeleidehond aan het tuigje en Michelle met zijn blindenstok, serieus voor zich uit tikkend. Geschrokken keken voorbijgangers naar ons! Je zág ze denken ‘Oh, jeetje. Het is vast erfelijk. Wat erg!’

Hilarisch was ook die ene avond dat Bernard en ik op stap waren geweest en we met de taxi naar zijn huis gingen. Bernard noemde zijn adres en de taxichauffeur merkte op dat Bernard om de hoek van de Bernard de Wildestraat woonde. De chauffeur vond dat erg grappig. Bernard de Wilde, haha.

Het zette Bernard aan het denken. Met een paar biertjes te veel op besloot hij dat het óntzettend lollig zou zijn om het straatnaambordje van de Bernard de Wildestraat te jatten om het vervolgens in zijn woonkamer aan de muur te hangen. Bernard die – ondanks zijn handicap – uit gaat, naar de sportschool gaat, klust en zelfs auto’s repareert, draaide zijn hand niet om voor het losschroeven van een lullig straatnamenbordje. Dus eenmaal thuis, stopte hij een steeksleutelsetje in zijn zak en ging hij fluitend op pad. Met zijn hond, want die moest toch uitgelaten worden.

Ik bleef binnen. Ten eerste omdat het koud was. Ten tweede omdat ik te braaf ben voor dat soort acties. Straatnaambordjes jatten mag niet. Zelfs niet als je eigen naam er op staat. Dus keek ik laf toe hoe Bernard met zijn hond en zijn steeksleutels in het donker verdween.

Zenuwachtig stond ik voor het raam te wachten. Ik wachtte tien minuten. Ik wachtte een kwartier. In gedachten zag ik al voor me hoe mijn arme blinde vriendje gearresteerd zou worden en in een koude cel zou belanden. Terwijl ik, na twintig lange minuten, net stond te bedenken wat in dat geval in hemelsnaam zou moeten doen, zag ik het illustere duo weer aan komen lopen. Goofy, Bernards hond, huppelde vrolijk met Bernard mee. 

Juichend kwam Bernard binnen. “Kijk dan! Ik heb ‘m! Ik heb ‘m!” riep hij. Trots draaide hij het bordje, zodat ik de letters kon lezen. In zijn handen hield hij een straatnamenbordje. Met daarop de tekst ‘Tilman Suysstraat’.

Later bleek dat op het betreffende paaltje, op de hoek van de Bernard de Wildestraat, twee straatnaambordjes zaten. Eén voor de Bernard de Wildestraat en één voor de Tilman Suysstraat. Bernard heeft nooit meer de moeite genomen om het juiste bordje te jatten.

Primeur!

Doelloos dwaal ik door de gangpaden van de supermarkt. Op zoek naar inspiratie voor het avondeten van morgen. Door omstandigheden, lange werkdagen en tijdgebrek hebben we de afgelopen dagen te makkelijk gedaan. Eten bestellen, diepvriespizza’s en kant-en-klaar-maaltijden. Morgen gaat er gekookt worden! Maar wat?

“Boerenkoolstamppot” denk ik ineens. Dat hebben we deze herfst nog niet gegeten. Aardappelen heb ik nog. Ik vis een chorizoworst uit het schap, want – dit is een gratis tip – chorizo door de boerenkool is lekker! En dan een beetje chilisaus er over. Geloof me; zalig!

Speurend sta ik even later voor de diepvriesvitrine. Want boerenkool – en spinazie – haal ik altijd uit de diepvries. Vroeger had je diepvries-boerenkool in de vorm van een baksteen. Omdat ik altijd en eeuwig vergat de boerenkool de dag ervoor uit de vriezer te halen, stond ik een half uur boerenkool te ontdooien. Maar tegenwoordig heb je deelblokjes! Zo handig! Speciaal uitgevonden voor mensen met haast. Zoals ik. Even in de magnetron. Ping! Gekookte aardappeltjes er door stampen. Beetje boter. Chorizo erdoor. Klaar!

Ik tuur in de diepvriesvitrine maar ik zie alleen spinazie. Veertig soorten. Huismerk. A-merk. Met een bloepje room, zonder bloepje room, met Boursin, met feta. Maar geen boerenkool. De boerenkool is op. Koortsachtig denk ik na. Heb ik morgen tijd om een andere supermarkt in te lopen? Of deze? Waarschijnlijk vullen ze vanavond de voorraad diepvriesboerenkool weer aan.

Tot ik ineens een geniale ingeving krijg. Wacht eens… Boerenkool… Da’s toch groente? Van dat spul dat op het land groeit? Ergens. Iets met boeren. En akkers en zo. Of in een kas? Nee, niet in een kas. De vorst moet er overheen, toch?

Op de groente afdeling vind ik zowaar boerenkool. Groene frummels in een zak. Waarom koop ik eigenlijk nooit verse boerenkool? Geen idee. Nu ik er over nadenk, realiseer ik me dat mijn moeder altijd diepvries kocht. Geen idee waarom. Maar ik heb haar gewoonte klakkeloos overgenomen.

Even later sta ik bij de kassa. Primeur!
Ik ben Nicky, ik ben 49 en ik heb voor het eerst verse boerenkool gekocht.

Die komt er wel.

Het leuke aan het groter groeien van kinderen is dat je er soms ineens eigenschappen in terug ziet, waarvan je zou willen dat je ze zelf had. Zo ontdekte ik dat dochterlief ontzettend daadkrachtig kan zijn. Als iets moet, dan moet het. En dan doet ze het gewoon. Niks geen gemaar, geen gezeur. Gewoon doen.

De eerste keer dat die eigenschap aan het licht kwam, was toen ze – zo rond haar zesde – begon te wisselen. Een enorme mijlpaal natuurlijk, die vooraf gegaan werd door een ‘wiebeltand’; een voortandje dat steeds losser ging zitten. En in de haast om te wisselen en het melktandje onder haar kussen te kunnen leggen in afwachting van de Tandenfee, kon Michelle niet wachten tot die wiebeltand er uit was.

Er werd gewrikt, gedraaid, gewiebeld. Ze at appels bij de vleet maar haar voortand bleef zitten waar hij zat. Teleurstelling alom. Tot haar tante op de koffie kwam en mij er aan herinnerde dat we zo’n losse tand er vroeger uittrokken door er een touwtje aan te binden. Het andere eind van het touwtje werd aan de deurklink gebonden. En dan was het zaak om de deur keihard dicht te smijten, zodat de losse tand er uitgetrokken werd.

‘Jaaaa,’ riep Mich enthousiast. ‘Dat wil ik!’ ‘Weet je het zeker?’ vroeg ik een keer of drie. Maar ze wist het zeker. Die tand móest er uit. Nu. Met een touwtje. Dus zocht ik een touwtje, bond het ene eind om de wiebeltand van mijn dochter en het andere eind om de deurklink van de openstaande deur naar de hal. Daarna zette ik Mich op juiste afstand van de deur en telde af tot drie om de deur dicht te gooien.

‘Een! Twee!… ‘ telde ik. Met haar armpjes strak langs haar lichaam, haar mond wijd open en haar ogen stijf dicht geknepen, stond mijn kind op haar plekje bij de deur. ‘Drie!’ riep ik. Maar op een of andere manier weigerde mijn lijf dienst. In mijn hoofd maakte ik me klaar om de deur dicht te gooien en zo de tand van mijn kind er uit te rukken. Maar ik kon het niet voor elkaar krijgen om de deur ook daadwerkelijk dicht te smijten. Het lukte me gewoon niet.

Aan tafel kreeg mijn zus de slappe lach. Mich deed voorzichtig één oog open en keek me aan. Haar mond wagenwijd open, het touwtje in een slappe lus tussen haar tand en de deurklink. Ik kuchte eens. ‘Oké!’ riep ik vrolijk. ‘Dat was om te oefenen. Nu doen we het écht!’ Michelle kneep haar ogen weer dicht en ik telde opnieuw. ‘Éen! Twee!… Drie!’ Maar wéér weigerden mijn spieren dienst. Ik kón het gewoon niet.

En terwijl mijn zus opnieuw in een lachstuip schoot en ik zenuwachtig giechelde, tilde Michelle haar kleuterbeentje op. Met een welgemikte karatetrap stampte ze de deur keihard dicht. ‘BAM!’ deed de deur. ‘Toooiiing’ deed het touwtje.

Verbijsterd keken mijn zus en ik naar het touwtje dat zwaaiend aan de deurklink hing. Met aan het einde ervan het melktandje van Michelle. Die keek ons trots aan. Met een brede grijns. En een heus fietsenrek. En toen wist ik het. Dat kind van mij… die komt er wel.

Het zusje van de toneelmeester.

Al zolang ik me kan herinneren, werkte een van mijn broers in het theater in Breda. Eerst in de oude Concordia schouwburg, later in het Chassétheater. Wat-ie precies deed, is me nooit helemaal duidelijk geworden. Toneelmeester, lichttechnicus, geluidstechnicus; hij deed van alles. Het is leuk, een broer in het theater. Ik kreeg rondleidingen, vrijkaartjes en ik dronk wel eens een drankje in het artiestencafé. En als ik zelf een voorstelling bezocht, was ik altijd supertrots als mijn broer achter de knoppen zat van een of ander enorm mengpaneel.

Het zal rond 1990 geweest zijn, dat op een avond de telefoon ging. Mijn broer aan de lijn. ‘Hé sis! Ik ben aan het werk en er is een figurant ziek. Kun jij komen? Ik wacht op je bij de artiesteningang. Je mag iemand mee brengen.’ Ik aarzelde geen moment. Je laat je broer tenslotte, na al die vrijkaartjes, toch niet in de steek? ‘Ik ben er zo!’ riep ik maar terwijl ik ophing, raakte ik lichtelijk in paniek. Figureren? Ik? Op het toneel? Voor een volle zaal? Ondanks dat belde ik mijn beste vriend en samen vertrokken we naar het theater.

Mijn broer wachtte ons op bij de artiesteningang van de schouwburg. Hij stelde me voor aan het Portugese toneelgezelschap dat die avond speelde en legde uit wat er van me verwacht werd. Ik zou in de zaal zitten. De theatergroep speelde een groep gevangenen die in de bak een tijdschrift bekeken met daarin een poster-met-nietje van een mooie vrouw. Daarna zouden ze ontdekken dat die zelfde vrouw in het publiek zat en me op het podium vragen. Oh, mijn God! Waar was ik aan begonnen?

Ik herinner me dat de voorstelling begon. Het tijdschrift wat tevoorschijn kwam en de blikken van de mannen op het toneel die mij vonden in het publiek. De volgspot die op mij gericht werd in het publiek – deed mijn broer dat? – en de zenuwen die door mijn lijf gierden. Ik herinner me hoe ik het trapje naar het podium op liep. Maar verder weet ik niets meer.

Ik zag geen volle zaal. Ik zag geen mensen. Ik speelde gewoon mee. Ik kan me niets meer van het verhaal herinneren. Ik weet alleen nog dat ik met een van die mannen romantisch over het podium danste terwijl hij in mijn oor fluisterde ‘You’re doing great’. En ik vond het fantastisch!

Na de voorstelling dronken we nog wat. In het artiestencafé natuurlijk. En we hebben vreselijk veel lol gehad. Die gasten uit Portugal hadden humor. En ik was helemaal hieperdepiep en beretrots op mezelf dat ik meegedaan had en het er schijnbaar goed vanaf gebracht had. Het was een geweldige avond. Wat een ervaring was het!

Maar ook eentje die mij, theater-technisch, voor altijd verpest heeft. Want sinds die bewuste avond geloof ik niet meer in het spontaan op het toneel roepen van nietsvermoedende bezoekers. Als er tijdens een voorstelling weer eens een meisje uit het publiek geplukt wordt, roep ik – na al die jaren – nog steeds:
‘Ach, wat leuk! Het zusje van de toneelmeester!’

Bijschrift bij de foto: van mijn optreden zijn geen foto’s gemaakt. Daarom hierbij een van internet geplukte foto van het oude Concordia-theater waar ik mijn debuut maakte.