Categorie archief: Terug in de tijd.

Moeder en kind.

Toen mijn vader overleed, bleef mijn moeder achter in een grote eengezinswoning. Veel te groot voor haar alleen. Via woningruil is het haar een jaar later gelukt om te verhuizen naar een kleinere woning. Bij ons in de straat! Ze woonde drie deuren verder op.

Het heeft eigenlijk nooit problemen opgeleverd dat we zo dicht bij elkaar woonden. Sterker nog; het was best handig. We aten wel eens samen, mijn moeder paste soms op Michelle en ze liet ons hondje uit als wij niet thuis waren. En als mijn koffie op was, kon ik altijd wat bij mijn moeder lenen.

Ooit, toen ik weer eens haar huisje binnen liep, had ze ineens een prachtig beeldje op haar kast staan. Een beeldje van een moeder die haar kind hoog in de lucht tilt. “Mam, wat een mooi beeldje!” riep ik en ik bekeek het eens van dichtbij. “Leuk, hè?” beaamde mijn moeder. Ze had het gekregen van een nichtje van me dat op visite was geweest.

“Maar het staat echt niet in jouw huis” grapte ik. “Het staat beter bij mij op de kast. Bovendien is een moeder met één kind. Jij hebt er zes. Ik heb er maar één! Het is toch overduidelijk dat dit beeldje míj voorstelt. Mét Michelle!” Mijn moeder moest er hartelijk om lachen maar het beeldje bleef op haar kast staan.

Een paar dagen later, was ik in haar huis terwijl zij niet huis was. Ongetwijfeld had ik weer iets nodig. Melk of een ei, of zo. Maar toen ik haar huisje verliet, nam ik behalve de levensmiddelen ook haar beeldje mee. Grinnikend zette ik het beeldje op mijn kast.

Het duurde een dag of twee voor ze op de stoep stond. “Ik was aan het stoffen en ik mis iets.” zei ze en ze keek zoekend de kamer rond. Al snel viel haar oog op het beeldje op mijn kast. “Aha!” zei ze. Ze pakte het beeldje op en verdween weer naar huis.

Het werd een terugkerend grapje. Eens in de zoveel tijd brak ik in in haar huis en jatte haar beeldje. En dan kwam ze weer binnen stormen, roepend dat er ingebroken was, pakte het beeldje van mijn kast en verdween weer naar huis. Of ik kwam er zelf na een paar dagen achter dat het beeldje weg was en dat mijn moeder dus bij mij ingebroken had. En zo stond het beeldje vaak bij bij haar maar soms ook bij mij thuis.

Bij het uitpakken van onze spullen, na de verhuizing, kwam ik het beeldje weer tegen. In ons vorige, kleine huisje stond het ergens weggemoffeld op een boekenplank. Maar nu heeft het een mooi plekje gekregen en staat het te stralen op mijn slaapkamer kast.

Ik weet niet meer hoe ik nu eigenlijk aan het beeldje kom. Heeft mijn moeder het aan mij gegeven? Omdat haar beeldje toch altijd gestolen werd? Of stond het toevallig bij mij toen ik mijn spullen destijds inpakte?

Eén ding weet ik wel. Binnenkort komt mijn moeder bij ons logeren. En voor ze weer naar huis vertrekt, ga ik eerst haar bagage controleren. Even checken of ze mijn beeldje niet gestolen heeft.

Kleine boodschap.

Hoe oud zal ik geweest zijn? Zeven? Acht? We waren op bezoek bij mijn tante Rietje en Ome Cor. Er was een verjaardagsfeestje en de hele huiskamer zat vol met ooms en tantes. Zo’n typisch jaren 70-feestje. Tantes strak in de Carmen-krul aan de ene kant van de kamer. Ooms die sigaretten rookten aan de andere kant en wij speelden daar tussendoor.

Een van mijn tantes verliet de woonkamer om even naar het toilet te gaan. Ze baande zich een weg door de visite en ging het toilet binnen. Het toilet bevond zich in het kleine halletje, pal naast de woonkamer. En om ruimte te besparen in hun kleine huisje had mijn ome Cor de deur tussen de woonkamer en de hal eruit gehaald.

Terwijl mijn tante, zich van geen kwaad bewust, haar kleine boodschap deed, schoten mijn ooms in de huiskamer in de lach om haar.. euh.. vrolijke geklater. Luid gelach. En een van mijn ooms die grapte dat het de watervallen van Schaffhauzen wel leek. Ik had geen idee wat Schaffhauzen was. Maar ik wist wél wat een waterval was. En ik snapte dondersgoed waarom mijn ooms zo lachten.

En toen moest ík plassen. En ik was vastbesloten geen geluid te maken. Ik zou door de grond gaan als de ooms mij ook uit zouden lachen. Ik verzon een plan en sloop naar het toilet. Daar liet ik, heel zorgvuldig, velletjes toiletpapier in de wc-pot vallen. Ik bekleedde de complete binnenkant van de pot met wc-papier, deed geheel geruisloos mijn kinderplasje en trok de wc door. Toen ik woonkamer weer in kwam, lachte er niemand. Ik was in mijn nopjes!

Tot de volgende naar het toilet moest. En er een kreet uit het toilet kwam. ‘Cor! De wc zit verstopt!’ En mijn oom kon aan de slag om te zorgen dat het toilet weer doorliep. Om daarna te roepen ‘Wie is er als laatste geweest?’ Beschuldigende vingers wezen in mijn richting. Zij! Te midden van alle visite mopperde mijn ome Cor dat ik veel te veel wc-papier had gebruikt. En ik, verlegen kind, ging alsnog door de grond.

Ik heb altijd gedacht dat dit een waar jeugdtrauma was. Zo eentje die er voor zorgde dat ik altijd probeer te voorkomen om lawaai te maken op het toilet als er anderen in de buurt zijn. Zo jammer. Want, zeg nou eerlijk, als je héél hoognodig moet, is toch niets lekkerder dan gewoon te gaan zitten en, zonder na te denken… Nou ja, je weet wel.

Vandaag beklaagde een collega zich over de toiletten op ons werk. Met van die deuren die van onder en van boven open zijn. Ze kreeg er zo’n camping-gevoel van, zei ze. En ik dacht ‘Ha! Ik ben dus niet de enige!’ Het kan zijn dat zij ook zo’n jeugdtrauma heeft. Of misschien vinden we het gewoon allemaal vervelend.

Zeg eens eerlijk…
Houd jij je in op een openbaar toilet? Of kan het je niet schelen dat je klinkt als de watervallen van Schaffhauzen?

Gekookte aardappelen.

Bij mij thuis aten we vroeger typisch Hollands. Aardappelen, groente en vlees. Mijn vader kreeg zelfs standaard twee stukken vlees want hij was kostwinner. Zo ging dat vroeger. Tenminste, bij ons thuis wel. Dat tweede stuk vlees bewaarde mijn vader overigens om het, na de eeuwige vanillevla, als laatste, met smaak op te eten.

Het meest exotische gerecht dat mijn moeder kookte was nasi. Met Smac. En gebakken ei. Maar ze kookte vooral aardappelen. Er moeten dus talloze Hollandse maaltijden voorbij gekomen zijn maar ik kan ze me niet herinneren. Wat áten wij, in hemelsnaam? Spruitjes, denk ik. Spinazie? Boontjes? Bloemkool? Ik heb werkelijk geen idee.

Ik krijg het donkerbruine vermoeden dat ik als kind een moeilijke eter was. En dat mijn moeder me matste door me niks te voeren wat ik niet lustte. Op een of andere manier ben ik toch gezond groot geworden maar een liefhebber van de Hollandse pot ben ik nooit geworden. Ik houd nog steeds niet van aardappelen, groente en vlees. Op mijn menu prijkt vooral pasta, rijst en mie. Lekker makkelijk, lekker snel en – ook niet geheel onbelangrijk – maar twee vuile pannen. Wat wil een mens nog meer?

Frank schikte zich, zonder morren, altijd braaf in mijn aardappelloze menu-keuze. Dat hij die smakeloze knollen soms toch wel miste, bleek als ik weer eens zuchtte ‘Wat zullen we eten?’ ‘Nou’, grapte hij dan ‘Misschien een keer van die witte, ronde dingen? We eten ze zó weinig dat ik niet eens meer weet hoe ze heten.’

En toen belandde die arme jongen ineens in het ziekenhuis. En hij was er zo slecht aan toe dat hij afhankelijk was van sondevoeding. Eén van de eerste dingen die hij wilde toen hij weer een beetje in het land der levenden was, was eten. ‘Wat zou je willen eten dan?’ vroeg een verpleger. Luid en duidelijk kwam het antwoord. ‘Aardappelen!’ Helaas zat dat er nog even niet in. Hij kreeg een nieuw zakje sondevoeding en dat was dat.

En ik zat bij zijn bed. Me enorm schuldig te voelen. Die arme jongen! Die knaagde zich al jarenlang door al mijn pasta-, rijst-, en mie-gerechten. Terwijl hij zo graag aardappels eet! Ik nam me heilig voor om, als Frank thuis zou komen, minimaal twee keer per week aardappels te serveren.

En nu heb ik dus een probleem. Want wat eet je in godsnaam bij aardappelen? Tot mijn grote schande kom ik niet verder dan sperziebonen, witlofsalade (of de ham en kaas-variant uit de oven) en spinazie met een ei. Help! Wat eten jullie bij gekookte aardappelen?

Bijschrift bij de foto:
1975 – ik in de keuken met mijn moeder die spruitjes schoonmaakt.

 

Bevrijdingsdag.

Als kind woonde ik in wat nu een Vinex wijk genoemd zou worden. Een enorme nieuwbouwwijk aan de rand van Breda. En bijna elke zaterdag mocht ik met mijn moeder mee naar ‘de stad’. We gingen met de bus. Ik bij mijn moeder op schoot, omdat alleen grote mensen op een stoel mochten zitten. Kleine kindjes moesten staan. Of bij hun moeder op schoot. Dus zat ik bij mijn moeder op schoot. Met haar handen om me een gevouwen als een soort veiligheidsgordel. En ongetwijfeld met mijn duim in mijn mond.

We gingen naar Slagerij Van Kouwenberg, op de Haagweg, waar mijn moeder vlees kocht en ik steevast een worstje kreeg. We liepen over de markt op de Nieuwe Haagdijk en in de stad kreeg ik, als ik lief was, vaak een cadeautje. Als laatste gingen op de koffie bij tante Til, die helemaal geen echte tante was maar een vriendin van mijn moeder. Nog uit de tijd dat wij ook ‘in de stad’ woonden.

Terwijl mijn moeder en tante Til koffie dronken, speelde ik met de kinderen van tante Til in het piepkleine achtertuintje. In dat kleine tuintje stond een schommel en als je hard genoeg schommelde, kon je nét over de schutting kijken en de soldaten zien marcheren in de Seeligkazerne, vlak achter hun huis. Ik vond dat heel erg grappig en schommelde zo hard ik kon. Zó zag je de soldaten. En zo weer niet.

Als we weer naar huis gingen en naar de bushalte liepen, kwamen we langs het politiebureau op de Markendaalseweg. Op het pleintje voor het politiebureau stond een standbeeld. Een beeld van een moeder die haar onwillige kind met zich trok. Op die zaterdagen in mijn kindertijd, veilig aan de hand van mijn moeder, blij met mijn cadeautje, vond ik dat standbeeld altijd een beetje raar. Waarom wilde dat kindje niet met die moeder mee? Ik vond het juist leuk om met mijn moeder naar de stad te gaan!

Pas jaren later, toen het oude politiebureau allang gesloopt was en ik me afvroeg waar dat rare beeld uit mijn kindertijd gebleven was, ontdekte ik het verhaal achter het standbeeld. De moeder met dat onwillige kind was niet onderweg naar de stad. Ze was op de vlucht.

Het beeld stelt een moeder voor die haar kind met zich meetrok, tijdens de massale evacuatie van Breda op 12 mei 1940. Want toen het Duitse leger op 10 mei 1940 ons land binnenviel, kreeg het Nederlandse leger hulp van Franse troepen die via België richting Breda trokken met de bedoeling de oprukkende Duitse troepen te verslaan. Breda lag precies in de vuurlinie en zou zwaar getroffen zou worden. De Franse legerleiding adviseerde de burgemeester van Breda om de inwoners te evacueren. Dat gebeurde op 12 mei 1940. Achteraf gezien, was deze massale evacuatie, waarbij tientallen doden vielen, en vele anderen maanden dakloos rondtrokken, totaal zinloos. Breda werd ingenomen door de Duitsers zonder dat er één schot gelost werd.

Ik had daar als kind allemaal geen weet van. Ik zag alleen een beeld van een kindje dat niet met zijn moeder mee wilde. Ik was nog nooit gevlucht voor wat dan ook. Ik had nog nooit gehoord van oorlog. De enige soldaten die ik kende; waren de soldaten die ik zag als ik heel hoog schommelde in de tuin van tante Til.

Pas later, als je groot bent, realiseer je je hoe je boft dat je opgegroeid bent in vrijheid. Zonder oorlog. Pas later, als je moeder bent, besef je hoe waardevol het is dat je nooit hebt hoeven vluchten met een onwillig kind aan je hand. Hoe belangrijk vrijheid is. En dat al die vlaggen vandaag niet voor niets wapperden. Vrijheid moet je inderdaad vieren.

Bijschrift bij de foto: het beeld ‘De vlucht’, gemaakt door Hein Koreman staat op deze foto nog aan de Markendaalseweg. Sinds 1999 staat het in het Valkenberg in Breda. (foto: Loek Tangel)