Categorie archief: Terug in de tijd.

Jarig.

En toen was Vriendje-lief jarig. Nou zijn wij geen feestbeesten. Nooit geweest ook. Verjaardagen vierden we al jaren niet meer. Hooguit een etentje. Of een taartje bij de koffie. Maar dat was het wel. Sinds die dag in 2016. Sinds die dag vieren we weer feestjes. Omdat jarig zijn écht wel een reden is om een feestje te vieren. Dus nam ik vrij op de verjaardag van Frank en verzon een leuk dagje uit.

En er was één stad die al járen op mijn to-do-list stond. Leiden! Niet alleen omdat Leiden een leuke stad is, zoals ik ontdekte toen ik er ooit met Michelle was, toen zij daar studeerde. Maar ook omdat mijn oudste weblog-vriend er woont. Emile, alias Leidse Glibber.

Hij en ik begonnen ooit gelijktijdig een weblog en op een of andere manier kwamen we op elkaars weblog terecht. Het was in de tijd dat ik als een soort Harry Potter, in de kast onder de trap, vaak tot laat in de avond, weblogjes produceerde. Over Michelle’s turnwedstrijden, over onze hond, over de ontluikende liefde tussen mij en Frank, over mijn werk maar meestal over helemaal niks. En Emile, net zo’n nachtuil als ik, was vaak de eerste die reageerde.

Hij logde over Leiden, toen al. Maar ook over Lobbes, de enorme hond van Emile en zijn vrouw Hillies. Hij schreef zelfs ooit een Sinterklaas-log waar onze beiden honden in voorkwamen. En we bleven trouw lezen bij elkaar. Toen Lobbes in 2007 overleed, wist ik hoeveel verdriet Emile en Hillies daarvan hadden. Ik pluisde zijn hele weblog uit, verzamelde alle foto’s van Lobbes die ik kon vinden en maakte er een filmpje van dat ik per e-mail aan Emile verstuurde.

Een paar weken later was ik koffie aan het zetten voor de monteurs van de garage waar ik destijds werkte, toen gevraagd werd of ik even naar beneden wilde komen omdat er iemand voor me aan de balie stond. Het was Emile, die uitgevogeld had waar ik werkte (ik geef niet zo om mijn privacy weblogtechnisch) en me een grote bos bloemen kwam brengen als bedankje voor het filmpje. Sindsdien noem ik Emile een vriend.

We bleven bij elkaar lezen. En reageren. Vaak diep in de nacht. Mijn vriend de nachtuil en ik. Hij zag Michelle opgroeien, turnen en afstuderen. Hij leefde mee met blessures en schoolperikelen. Hij maakte alle doldwaze verhuizingen mee. Hij leefde mee toen Frank ziek werd.

Ik las bij hem over hun nieuwe hond Happy, over de vakanties naar Luxemburg, over hun kat Spotty. Ik lachte om zijn krankzinnige hoeveelheid Kerstversieringen en ik leerde veel, heel veel, over Leiden.

En al die tijd riepen we ‘We spreken een keer af!’ maar we deden het nooit. In 2018 werd Hillies, de vrouw van Emile, ziek. Ze overleed korte tijd later. Ik heb haar nooit ontmoet.

Je moet ook geen plannen uitstellen. Ik weet, als geen ander, dat het zomaar kan gebeuren dat je je plannen nooit meer uit kunt voeren. Dus spraken we op de verjaardag van Frank af met Emile. Ik mailde hem en hij mailde meteen terug. Met tips over de beste rederij om een rondvaart te boeken. Met tips over parkeerplaatsen en de waanzinnig handige shuttlebussen die je vervolgens (gratis, jawel!) overal brengen waar je wezen moet.

Toen we aankwamen bij de rederij, stond Emile al te wachten. Met een cadeautje voor Frank! Hij vertrok om snel even zijn kleinkinderen van school te halen, terwijl wij koffie dronken op het terras. Het had de hele ochtend geregend maar ‘s middags scheen de zon. Frank kreeg een cadeautje van de rederij en toen we vertrokken voor onze rondvaart, was Emile er weer. Op zijn scooter reed hij voor ons uit om foto’s van ons te maken vanaf de bruggen.

In het zonnetje, vanaf de boot – versierd met ‘happy birthday’-vlaggetjes! – genoten we van Leiden. Met twee vrolijke Canadese medepassagiers en de leuke schipper Julia. Die er door de interactie met de passagiers meer van maakte dan de standaard toeristen-info. Het was leuk!

En aan het einde van de tocht, stond Emile er weer. Samen zaten we op het terras van ‘Het praethuys’ waar ik al zo vaak over gelezen had. Te praten. Over Hillies, over Michelle, over Leiden, over Amsterdam en over Heemskerk. Over honden en katten. Over hoe je logjes het lekkerste ‘s nachts schrijft. En over het bizarre fenomeen internet.

Want, ja. Internet is niet altijd leuk. Mensen maken elkaar af in reacties op Facebook en Twitter. En ja, er is nepnieuws en er waren de trollen van Dotan. En ja, mensen zitten alleen nog maar op schermpjes te kijken. Maar soms, soms levert internet ook goede dingen op. Vriendschappen.

Rond etenstijd namen we afscheid. Terwijl wij uit eten gingen, ging Emile weer op pad. Om foto’s te maken van de avondvierdaagse in Leiden. Wij belden, na een voortreffelijke maaltijd, een shuttlebus die ons keurig netjes naar onze auto bracht. Tevreden vertrokken we uit Leiden.

Dank je wel, Emile!
Frank’s verjaardag was een geslaagd feestje.
Zo’n dag met een gouden randje.

Afzien.

Vanaf het moment dat ik hem leerde kennen (in 2010; toen ik nog een hondenmens was) was het me al duidelijk dat onze Spike een flinke jongen is. Iets met zware botten, fluister ik hem vaak geruststellend toe. Want hij ziet er prima uit. Sterker nog; ik houd er wel van! Mijn grote vent! Als-ie naast me gaat liggen als ik op de grond zit en zich behaaglijk tegen mijn been aan schurkt, kan ik dat wel waarderen. Eén meter rode kater. Acht kilo cuteness. Maar gezond is anders natuurlijk; dat weten wij ook wel.

Toen Spike in 2016 bij de dierenarts terecht kwam door verhuisstress, werd het tijd om in te grijpen. Dat vond ook de dierenarts, die geschokt opmerkte dat Spike zelfs vet rond zijn píemel had. Ze keek me aan alsof ze nog nooit zoiets vreselijks gezien had. Oh. Nou. Sorry, hoor.  Ik moet eerlijk zeggen dat ik de piemel van Spike nog nooit gezien heb dus ik had geen idee. Maar zij had Spike een katheter gegeven dus zij kon het weten en ik geloofde haar op haar woord.  En dus ging onze Spike op dieet. Aan het dieetvoer en ondertussen probeerden  wij om meneer een beetje te laten bewegen.

Maar ja, Spike is inmiddels bijna 17 en een binnenkater. We kochten ons suf aan balletjes, speelgoedmuizen en veertjes aan stokjes maar onze Spike gaf geen sjoege. Oh, hij vindt het machtig mooi als je door de kamer loopt terwijl je een speeltje achter je aansleept. Daar kan-ie uren naar kijken. En in een dolle bui wil-ie nog wel eens één enkel tikje geven tegen een speeltje. Waarna Michelle zucht ‘Joepie! Alweer drie calorieën verbruikt’.  Maar daarna kruipt-ie in zijn doos om een tukkie te doen.

En zo modderden we door. We gingen verhuizen en we kregen een nieuwe dierenarts. En toen ik daar laatst was, bleek onze Spike nog maar 7,1 kilo te wegen. Hoe gaaf is dat! Trots als een pauw stond ik in de spreekkamer. ‘Moet-ie dan nog wel dieetvoer?’ vroeg ik vrolijk aan de dierenarts. Maar de beste man keek me streng aan. ‘Mevrouw! Uw kat hoort vijf kilo te wegen.’ Dus behalve dieetvoer moet Spike nu ook op rantsoen. 

Inmiddels zijn we twee weken verder. En we hebben het alle drie enorm zwaar met het dieet van Spike. Spike zelf ziet er het nut totaal niet van in. Want waarom zou je op dieet gaan als je jas altijd past?

En wij vinden het vooral zwaar omdat we iedere morgen rond een uur of half zes wakker gekrijst worden door een uitgehongerde kater. Ook goedemorgen. Nog twee kilo te gaan.

Schoonpapa.

De vader van Frank was de regelrechte tegenpool van mijn eigen vader. Mijn vader was een eenling, een Groninger van weinig woorden, die genoeg had aan zijn gezin en familie. Vrienden had-ie amper. Hij was graag alleen om te lezen, te vissen en te knutselen in zijn schuurtje.

De vader van Frank was een rasechte Amsterdammer. Charmant en met een vlotte babbel. Hij kende heel Amsterdam en heel Amsterdam kende hem. 

Terwijl mijn vader zijn hele werkzame leven bij ‘het spoor’ werkte, deed de vader van Frank aan wat nu ‘job hopping’ genoemd wordt. Overal zag hij kansen. En overal stortte hij zich vol overgave in. Sommige banen waren succesvol, anderen een stuk minder zodat de jeugd van Frank bestond uit rijke tijden maar ook uit tijden dat het minder ging en ze niet veel geld hadden.

De meest succesvolle periode was de tijd dat Frank’s vader musicals produceerde in de jaren zeventig. Vooral ‘Hair’ en ‘Oh! Calcutta!’ waren een groot succes. Frank herinnert zich nog goed hoe zijn vader hem op zijn schouders tilde en na een voorstelling van Hair met hem het podium op liep. Apetrots was Frank!

Hilarische verhalen uit die tijd doen de ronde. Zoals die keer dat er iemand van de cast van ‘Oh! Calcutta!’ ziek was. Geen probleem; Frank’s vader viel wel even in. Hij speelde de rol vol verve. Naakt. Want tja, dat was nou eenmaal zo in ‘Oh! Calcutta!’ Tot groot afgrijzen van Frank’s tante die nietsvermoedend in de zaal zat en ineens haar zwager in Adamskostuum op het podium zag staan.

Opgroeiend in Amsterdam werd Frank vaak herkend. ‘Jij bent de zoon van Ko, toch?’ werd hem gevraagd. En meestal betekende dat een voordeeltje. Ergens gratis binnenkomen, bijvoorbeeld. Bijna alle BN’ers uit die tijd kwamen bij Frank thuis over de vloer. En het oordeel van Frank’s vader komt nu nog steeds naar voren als Frank zijn mening geeft als diezelfde BN’ers – nu op leeftijd of met hun overlijdensbericht – in het nieuws komen. ‘Ik speelde altijd met zijn zoontje’ zegt Frank dan. Of ‘mijn vader mocht haar niet’.

Ronduit schattig is het verhaal van Frank’s zus Netty die,  als klein meisje, de hele buurt rond rende om aan iedereen die het wilde horen, te vertellen dat Pipo de Clown bij hen op visite was. Een complete kinderschare verzamelde zich voor de woning van Frank’s ouders. Wachtend tot Pipo naar buiten zou komen. Groot was de teleurstelling toen Cor Witschge de deur uit kwam, in het gewone leven onherkenbaar als Pipo.

Er waren banen bij de bioscoop als operateur, waardoor Frank altijd stapels bioscoopkaartjes had om met vriendjes naar de film te gaan. Frank’s ouders hadden een tijdje een restaurant  in de Damstraat in Amsterdam met de naam Kof Kof waarvan we de, door zijn vader met de hand getekende, menukaarten nog hebben liggen.

Er was een winkel met vuurwerk en een handel in fopartikelen. Twee hoog achter zat de hele familie dobbelstenen te maken die altijd zes gooiden, of bierschuim waarmee je water in bier kon veranderen. De doos met prototypes staat hier in de kast. Frank’s vader fotografeerde en ontwikkelde zijn eigen foto’s in een donkere kamer die hij in de badkamer gebouwd had. Want, oh ja, er was ook nog die fotozaak. En oh ja, hij ontwierp ook projectietafels. Die liet hij maken in zijn eigen fabriekje in Zwanenburg.

Samen kijken Frank en ik oude foto’s. De prachtige oude foto’s van zijn moeder waarop ze wel een filmster lijkt. De trouwfoto van zijn ouders. Zijn vader met zijn charmante glimlach en zijn moeder verliefd naar hem opkijkend. We hebben een exemplaar ervan op de kast staan. God, wat hielden ze van elkaar. Zóveel dat Frank’s moeder de lol in het leven verloor toen haar man overleed. Ze stierf drie jaar later. Aan een gebroken hart.

En dan is er ineens die oude foto van Frank’s vader met een welpje. Ik heb foto’s van mijn vader met onze hond. Maar Frank heeft foto’s van zijn vader met een echte leeuwenwelp. Natuurlijk. ‘Hoe kwam hij dáár nou weer aan?’ vraag ik verbaasd. ‘Oh’ zegt Frank ‘Niks bijzonders. Geleend van Artis voor in de etalage van de fotozaak. Dat kon toen nog’. ‘Die foto moet in een lijstje, schat’, zeg ik. ‘En op mijn weblog.’

Bij deze. Een ode aan de vader van Frank. Te jong gestorven. Lang voor ik Frank leerde kennen. Een borreltje hier, een borreltje daar en vooral het kettingroken – niet ongewoon in de jaren 70 – werden hem fataal. Een warme persoonlijkheid, vaak te goed van vertrouwen maar door iedereen geliefd. Hij trok zich niets aan van de gevestigde orde. En dat in die tijd. De James Dean van Amsterdam. 

Nu had-ie waarschijnlijk het label ADHD gekregen maar dat bestond destijds nog niet. Hij was gewoon een druktemaker. Een creatieveling, een charmeur, een bon vivant, een kleurrijk figuur.  Ik had hem graag leren kennen. Ik denk dat we elkaar wel hadden gemogen.

 

Een goed gesprek.

‘Heb je wel eens gekke vragen gehad tijdens een sollicitatiegesprek?’ vroeg Wieb. En mijn antwoord werd zo lang dat ik besloot er een logje van te maken. Gekke vragen heb ik eigenlijk nooit gehad. Wel een bizarre sollicitatie. Mijn eerste sollicitatie naar een administratieve functie was als telefoniste bij Staatsbosbeheer in Breda.

Ik was 18 en de locatie waar het kantoor van de boswachters zich bevond was een grote villa, prachtig gelegen in het Mastbos in Breda. Maar door een wegafsluiting was die locatie op het tijdstip van mijn sollicitatiegesprek  lastig bereikbaar. Gelukkig was mijn vader zo lief me met de auto weg te brengen en op me te wachten zodat ik ook weer met hem mee naar huis kon, na het gesprek.

De eerste vraag die mij tijdens het gesprek gesteld werd was ‘Hoe ben je hier?’ Niet zo vreemd gezien de slechte bereikbaarheid. ‘Mijn vader heeft me gebracht’ antwoordde ik. ‘En waar is hij nu dan?’ was vraag twee. ‘Ehhh. Op de gang’ stamelde ik. Waarop de mannen met wie ik het gesprek had riepen: ‘Laat die man binnenkomen!’. 

Aarzelend stak ik mijn hoofd om de hoek van de deur en zei ‘Pap? Ze vragen of je binnen komt.’ Mijn vader had natuurlijk beleefd kunnen weigeren en kunnen zeggen ‘Ik wacht hier wel’. Maar zo was hij niet. Hij liep bij voorkeur plaatsen binnen waar kijkers niet gewenst waren om eens op zijn gemak rond te kijken. Keukens van Chinese restaurants bijvoorbeeld. Of fabriekshallen.  Meestal werd-ie weggestuurd dus hij liet de buitenkans om in deze prachtige villa rond te kijken niet onbenut. 

En zo had ik mijn eerste sollicitatiegesprek terwijl mijn vader naast me zat. Gezellig aan de koffie. Van het gesprek weet ik niets meer. Maar ik werd wél aangenomen. Ik heb nooit geweten of het kwam door mijn geweldige sollicitatie of door het feit dat mijn vader erbij was. Een beer van een kerel; twee meter lang, een meter breed en met handen als kolenschoppen. Die wil je niet boos maken natuurlijk.

Toch gok ik op het eerste. Al was het alleen maar omdat ik zo’n lief gedichtje kreeg toen ik daar weg ging.