Categoriearchief: Terug in de tijd.

Het ei van Karin.

Al van kleins af aan, ben ik een moeilijke eter. Niet alleen lust ik veel dingen niet, mijn lichte vorm van smetvrees – zéker op het gebied van eten – maakt het er niet makkelijker op.

Mijn familie heeft daar iets minder last van. ‘Ze mogen op het randje van mijn bord schijten’ riep mijn ome Cor altijd vrolijk ‘als ze maar niet spetteren!’ En mijn vader had altijd een mes op zak waarmee hij van alles deed. Zijn appel schillen, touwtjes doorsnijden en vis schoonmaken. Soms bood-ie aan mijn appeltje ook te schillen. Met dat vieze mes. ‘Stel je niet aan’ grapte hij dan ‘ik heb er alleen maar een paar slakken mee doorgesneden’. Waarop ik gillend van tafel stoof.

Als enige in ons gezin at ik mijn toetje uit een schoon, glazen schaaltje. De rest van de familie goot zijn vanillevla of yoghurt gewoon uit het pak in hetzelfde bord waar ook hun aardappelen ingezeten hadden. Gruwelijk vond ik de mini-korreltjes aardappel in mijn vla. Vandaar dat schaaltje. Waar ik overigens ook weer mijn bedenkingen over had.

Want uit diezelfde glazen schaaltjes aten we ook wel eens ijs. En als het ijs op was, mocht onze hond de schaaltjes uitlikken. Uiteraard werden de schaaltjes afgewassen, maar toch… Afzien is het om zo met eten om te gaan. Dat ik niet doodga van de honger komt omdat ik mezelf verboden heb om na te denken over alles wat er in fabrieken, supermarkten en restaurants met mijn eten gebeurt. Of zou kunnen gebeuren.

Mijn allereerste vriendje was een apart geval. Zeer moeilijk opvoedbaar en thuis niet te handhaven waardoor hij al jong op zichzelf woonde in een begeleid wonen-project van een of andere jeugdinstelling. Samen met vier andere jongeren woonde hij in een huis waar iedere dag iemand even poolshoogte kwam nemen. Het was er vaak best gezellig. Met de meeste van zijn vaak wisselende huisgenootjes kon ik het prima vinden.

Zo stond ik ooit gezellig in de keuken te kletsen met Karin. Ze was spaghetti aan het koken en wilde daar een gekookt ei bij. Pan met water op het fornuis en toen het water kookte, gooide ze de pasta er in. En een ei. ‘Wat doe jij nou?’ riep ik geschokt. ‘Vind ik handig’ antwoordde Karin ‘Zo zijn mijn spaghetti én mijn ei allebei tegelijk klaar.’ Briljant gevonden natuurlijk. Maar ik keek naar de borrelende pan en kon alleen maar denken aan dat ei tussen die spaghetti. Dat ei dat zó uit de kont* van een kip gekomen was.

Ik weet het; ik ben een aanstelster. Na acht minuten waren de kippenkontbacillen vast dood. Maar ik ben niet blijven eten, destijds in 1985. En als ik nu, 35 jaar later, een ei kook, moet ik altijd nog even denken aan het ei van Karin.

* Ja, echt! De kont van een kip heet de cloaca. Daar komt niet alleen de poep maar ook het ei uit.

Klaar!

Dan ligt er ineens zo’n hummel in een ledikantje en ben je moeder. En moet je zo’n uk opvoeden. Ik heb nog gezocht naar de gebruiksaanwijzing maar die zat er niet bij. Dus ik deed zomaar wat eigenlijk. Op mijn, soms nogal onorthodoxe, eigen manier.

De eerste jeugdherinnering van mijn dochter is nogal traumatisch. ‘Je gooide mijn eten weg, mam’ zegt ze. Dat klopt. Ze had twintig minuten de tijd gekregen om haar eten op te eten. En drie waarschuwingen. ‘Het waren boontjes’ zegt ze. Dat klopt ook. Want ik zie nog voor me hoe ik haar boontjes in de vuilnisemmer schoof terwijl mijn driejarige dochter krijsend aan mijn been hing. ‘Mama! Ik wil eten!’ Jammer, joh. Kans voorbij.

Verder loog ik tegen de klippen van de hel omhoog en deinsde ik er niet voor terug om de dingen om ons heen een beetje naar mijn hand te zetten. Als ik moe was en zij vervelend en jengelend, zette ik – als zij even niet oplette – de klok een uur vooruit. ‘Kijk, schat! Bedtijd!’ wees ik dan. Ze trapte er altijd in. Arm kind. Met dat ontroerende, grenzeloze vertrouwen in haar moeder.

En beetje bij beetje werd ze groot. Ze leerde lopen aan mijn hand. Als we, jaren later, weer eens samen door een of andere wereldstad liepen en de door haar uitgestippelde route volgden, dacht ik vaak terug aan dat kleine handje in de mijne. Check. Lopen kan ze! Waar ook ter wereld.

Vanaf haar tweede verjaardag sleepte ik haar mee naar de bibliotheek. We lazen samen. Elke dag. Op school leerde ze écht lezen. Ik herinner me haar verrukking toen de letters woorden werden. Alsof je geheimschrift ontcijfert. Spelend in bad, blijdschap alom. ‘Mama! Daar staat ‘shampoo!’ Zestien jaar later stuurde ze me stukken tekst die ze schreef voor haar studie klinische neuropsychologie. ‘Mam, wil jij dit even lezen?’ Ik las en ik las. En ik was blij dat ik nog enigszins kon volgen waar het over ging. Check. Ze kan lezen en schrijven.

We maakten samen sommetjes. Telden de hapjes eten die ze nog op moest eten af op mijn vingers toen ze vier was. Twaalf jaar later maakte ze wiskundesommen die mijn mijn petje te boven gingen. Ik kreeg standaard een drie voor wiskunde op de middelbare school. Alleen maar omdat ik mijn naam foutloos kon spellen op het proefwerkblad. Maar als ze iets niet snapte, riep ze toch mijn hulp in. ‘Mam? Mag ik jou mijn wiskunde uitleggen?’ En zo maakte ze het voor zichzelf begrijpbaar. Check. Ze kan rekenen.

Ze leerde fietsen zonder zijwieltjes toen ze vijf was. Rennend naast haar kleuter-fietsje doorkruisten we de wijk waar we woonden. Automobilisten, ook die van rechts, stopten om ons voor te laten gaan. Omdat het er zo schattig uitzag, gok ik. ‘Deze auto stopt’ zei ik dan ‘Maar auto’s van rechts hebben altijd voorrang’. Veertien jaar later fietste ik vaak achter haar aan door Amsterdam. Waar ik ‘fietsen door Amsterdam’ altijd een uitdaging bleef vinden, draaide zij haar hand er niet voor om. Luid bellend, met wapperende haren slalomde ze voor me uit. Tussen voetgangers en auto’s door. Over de tramrails. Alsof ze nooit anders gedaan had. Check. Fietsen kan ze!

Toen ze veertien was, leerde ik haar stiekem autorijden. Op een grote, stille parkeerplaats, ergens achteraf. Ze maakte drie keer een kameeltje bij het optrekken en toen wilde ze niet meer. Zes jaar later slaagde ze voor haar rijbewijs. Ik had maar liefst vier pogingen nodig. Zij slaagde de tweede keer. In Amsterdam, nota bene. Check. Ze kan auto rijden.

Er was nog één dingetje dat moest gebeuren. ‘Mam? Als Robby en ik de sleutels krijgen van ons nieuwe huis, leer jij mij dan behangen?’ En midden in de coronacrisis kregen Michelle en Robby die sleutels. En draaiden wij om elkaar heen in een soort anderhalve-meter-afstand-dans in hun nieuwe huis.

We knipten samen banen behang op lengte. Zij aan de ene kant. Ik aan de andere. Twee meter zevenenzestig behang tussen ons in. Dus dat mocht. In onze nieuwe ‘anderhalve-meter-afstand-maatschappij’. Want tenslotte zijn zij en ik geen gezin meer. Dus moeten we afstand houden. Michelle heeft haar eigen gezin. Met Robby. En Nanookje. In hun nieuwe eengezinswoning. Maar mama blijf je. Dus ik deed voor. Insmeren. Plakken. Schuiven. De banen tegen elkaar aan. Gladstrijken. En zij deed me na. Binnen no time had ze het onder de knie. Keurig en precies schoof ze banen behang tegen elkaar. Check! Jongens, mijn kind kan behangen!

Ik heb gedaan wat ik kon en mijn dochter zoveel mogelijk bijgebracht. Het eindresultaat is best goed gelukt, al zeg ik het zelf. Wat betreft opvoeden én wat betreft behangen. Sterker nog; eigenlijk kan ze alles wat ik haar leerde inmiddels beter dan ik zelf. Check! Opvoedkundig ben ik klaar.

Project afgerond.

Lang, lang geleden kregen mijn moeder en ik een bijzonder cadeau van Michelle. Ze gaf ons allebei een boek om in te vullen. Met herinneringen en leuke verhalen over het gezin waarin we opgroeiden, onze schooltijd, eerste vriendje en noem maar op. Ik was laaiend enthousiast en popelde  om er aan te beginnen. Maar toen werd Frank ziek. En ik had geen tijd om aan mijn boek te beginnen.

Toen Frank weer een beetje op de been was,  begon ik eerst aan het boek van mijn moeder. Ze is tenslotte een mensje-van-alledag. Op een leeftijd waarop je geen dingen meer uit moet stellen. We spraken af dat we steeds als ik op bezoek kwam, samen een hoofdstuk in zouden vullen. Maar in de praktijk bleek dat niet te werken. Vaak hadden we geen tijd door klusjes die gedaan moesten worden. Of er was nog andere visite.

Uiteindelijk vulden we het hele boek telefonisch in. Ik belde ‘s middags mijn moeder om aan te kondigen dat ik haar ‘s avonds zou bellen om de vragen uit het boek voor te lezen en haar antwoorden op te schrijven. Het was een groot succes. Als ik haar ‘s avonds belde, zat ze klaar. Met kussens en onder een dekentje op de bank. Of op haar praatstoel, eigenlijk.

Het waren hele gezellige uurtjes. Zij praatte en praatte. Ik maakte notities en werkte die later uit in het boek. Ik hoorde dingen die ik niet wist. Soms moest ik vreselijk lachen. Soms pinkte ik een traantje weg. Samen zochten we later foto’s uit, die ik afdrukte en in het boek plakte. Op Moederdag 2019 konden we het boek eindelijk aan Michelle geven.

En toen was het eindelijk tijd voor mijn eigen boek. Vooral omdat Michelle mij – op haar beurt – ook zo’n leuk boek cadeau had gegeven. Dus ik ging he-le-maal los. Ik begon als in een nieuwe agenda. Met het voornemen netjes te schrijven. Maar mijn gedachten gingen gaandeweg sneller dan mijn pen. Er schoten me steeds meer dingen te binnen die ik op wilde schrijven. Ik hoop dat Mich alles kan lezen. Ik schreef over vroeger thuis. Over mijn lievelingseten als kind, mijn vriendinnetje Audrey en mijn hond Rigo. Ik was openhartig over mijn ex-vriendjes en deed hier en daar een kleine onthulling.

Ik plakte foto’s. Steeds kleiner omdat er dan meer in het boek pasten. Ik vond een foto van het interieur van de kroeg waar ik Michelle’s vader tegen kwam en ontdekte dat onze krukken nog stonden hoe ze toen stonden. En in het kader van ‘als ik dood ga, erft ze het tóch’ plakte ik zelfs het briefje in het boek dat hij een dag na onze ontmoeting bij mij in de brievenbus stopte. Jammer dat ik de rode roos niet meer heb, die erbij zat.

Ik tekende mijn handomtrek en niette het bandje in het boek dat ik om kreeg in het ziekenhuis toen ik – vier jaar oud – buisjes in mijn oren kreeg. Ik verzamelde theelabels met vragen er op, plakte ze in het boek en schreef de antwoorden erbij. Als klapstuk maakte ik een plattegrond van het park waar ik vroeger rondhing. Met een heuse legenda, waar op vermeld staat waar ik mijn eerste zoentje kreeg. En waar hij-van-dat-eerste-zoentje een hartje in een boom kerfde met onze initialen erbij.

En toen was het boek hartstikke vol. Dacht ik. Toen ik het inpakte om het de volgende dag aan Michelle te geven, bleek dat ik één bladzijde over geslagen had. Dat kon natuurlijk écht niet. Maar ik was leeg. Mijn inspiratie was op. Helemaal. Er zat maar één ding op.

Ik pakte een schaar. En knipte ergens in mijn nek een pluk haar af, deed die in een zakje en niette dat in het boek. Met een zucht sloot ik het boek en pakte het in. Mission completed. Project afgerond.

Michelle was erg blij met het boek. Maar ik viel in een zwart gat nu het boek klaar is. Niks meer te plakken, te schrijven of te kleuren. Soms friemel ik nog even aan de korte pluk haar in mijn nek en denk met plezier terug.  Man, wat was dit een leuk project!

Uncle Bob op stap – Oud Velsen.

Torenstraat

En toen ging Uncle Bob op stap. Naar Oud-Velsen. Want dat is in de buurt. En ik had gehoord dat daar een hele oude kerk staat. Het was koud en een beetje nevelig dus ik nam mijn thermoskannetje koffie mee, trok een warme jas aan en ging op pad. Met mijn camera, waarvan ik eerst de instellingen controleerde. Wat kon er nog mis gaan? Nou, niks. En er ging ook niks mis. Ik had een leuke middag in Oud-Velsen.

Het oorspronkelijke dorp Velsen werd door de aanleg van het Noordzeekanaal in de 19e eeuw in tweeën gesplitst in Velsen-Noord en Velsen-Zuid. Honderden polderwerkers werden van heinde en verre aangetrokken om het zware werk te doen. Ze verplaatsten ontelbare kuubs zand, gewoon met een schep en kruiwagens en bivakkeerden onder primitieve omstandigheden in een speciaal voor hen ingericht dorpje, De Heide (wat nu Velseroord heet). Doordat het kanaal steeds verbreed werd, is meer dan de helft van het dorp Velsen-Zuid afgebroken. De boel slopen leek destijds de beste optie, maar in de loop van de jaren vijftig van de vorige eeuw ging men daar anders over denken. De dorpskern, Oud-Velsen, werd gerenoveerd en gerestaureerd en het dorp is tegenwoordig een door het rijk beschermd dorpsgezicht.

Ik keek er vol verbazing rond. Begrenst door aan de ene kant het kanaal en aan de andere kant moderne woonwijken, zijn een paar straten vol prachtige huizen uit de 18e eeuw bewaard gebleven. Met in het midden de Engelmunduskerk waarvan sommige delen dateren uit de twaalfde eeuw. Ik wandelde rond de kerk en bekeek de graven van de kanaalgravers die omkwamen bij het graven van het kanaal. Ik waande me in vroeger tijden terwijl ik dwaalde door stille straatjes langs de eeuwenoude huizen.

Ik liep het dorp uit, langs de tuinmuur die vroeger om de moestuin stond van buitenplaats Velserbeek, waar rijkelui uit Amsterdam bijkwamen van de drukte in de grote stad. Aan de rand van het dorp, uitkijkend over het kanaal staat het huis waar vroeger de schout woonde. Voor de deur stond een auto geparkeerd, waardoor ik in één klap weer in de 21ste eeuw belandde. Want de schouw die hier ooit woonde, had geen dikke, vette BMW. De beste man zou zich rot geschrokken zijn van zo’n bolide.

Ik wandelde nog een stukje langs het kanaal en ging op een bankje zitten. Ik dronk mijn koffie en keek naar de enorme schepen die voorbij kwamen. En piekerde over het bord recht tegenover me. Links van dat bord mag je vissen. Wat ook gedaan werd door tientallen mannen, zij aan zij. Rechts van dat bord mag dat niet.

En rechts van dat bord mag je ook niet in het kanaal plassen. Het hield me bezig. Mag dat links van het bord dan wel? Lijkt me ook raar. Dat je een vis vangt waar net je buurman overheen geplast heeft. Bovendien… Wildplassen mag toch nérgens? Ik piekerde nog een tijdje door. En toen ging ik naar huis. Want ik moest plassen. Maar echt! Oud-Velsen is mooi.