Categorie archief: Terug in de tijd.

Groningen 2019.

De foto’s op de AirB&B-site waren niet veel belovend. Maar dat was misschien mijn eigen schuld. Ik had bij mijn dochter alleen gemeld dat ik  in ‘een oud, klein huisje’ wilde logeren. Zoiets als het huisje waar mijn vader woonde. Ik had niet gemeld dat het spic en span moest zijn. Voor de zekerheid – en omdat we toch met de auto waren – sleepte ik mijn dekbed en kussen mee. 

Tijdens de tien minuten lopen van de gratis parkeerplaats naar ons onderkomen voelde ik me redelijk belachelijk, zeulend met mijn beddengoed. Maar toen we bij aankomst in de huisregels het vriendelijke verzoek lazen om de naaktslak die de gewoonte had om ‘s nacht over het aanrecht te kruipen in de prullenbak te gooien, was ik blij met mijn dekbedje. Mich ook. Want zij deed de twee kussenslopen die klaarlagen voor ons allebei over haar kussen. 

Ze had ons onderkomen puur geboekt op basis van de locatie. En eerlijk is eerlijk; die was perfect! Tegenover een park, vlak bij het centrum. En – ook niet onbelangrijk – we hadden twee fietsen tot onze beschikking. Binnen een paar minuten stonden we in het centrum van Groningen.

De stad waar mijn vader geboren is. De stad waar we op bezoek gingen bij mijn oma. Met de trein. Waar toen nog een restauratiewagon in zat met grote tafels waaraan mijn vader en broers zaten te kaarten. De stad waar ik – eerlijk gezegd – als kind nooit vrolijk van werd. Mijn oma serveerde steevast lauwe druivensap in haar kleine huisje dat propvol stond met rotzooi. Dat hielp ook al niet. Of misschien pikte ik de stemming van mijn vader op die ook niet echt warm liep voor zijn geboortestad. Pas later hoorde ik dat mijn oma niet echt een liefhebbende moeder geweest was. En dat mijn vader in zijn kindertijd veel moederziel alleen door de stad dwaalde. Ik geloof niet dat hij er gelukkig was.

En nu was ik terug in Groningen. Voor het eerst sinds de crematie van mijn oma in 1980. Toen we met de hele familie in een praktisch busje achter de lijkwagen aanreden en mijn zus hartverscheurend huilde. Niet omdat onze oma dood was. Maar omdat ze het zo zielig vond voor Pa dat er niemand huilde om zijn moeder die dood was.

Michelle en ik dwaalden door de stad. We liepen de eerste dag elf kilometer. Dus mochten we veel taart, vonden wij. En pizza! We liepen en kletsten en aten en keken. En steeds moest ik aan mijn vader denken die hier ook rondgelopen heeft. Ondanks mijn eigen dekbedje en al die kilometers sliep ik natuurlijk amper, die nacht. De volgende ochtend liep ik om half zeven al foto’s te maken in het park.

We gingen ontbijten en daarna fietsten we naar het ouderlijk huis van mijn vader. Onderweg passeerden we het station. En daar stond – nog steeds – het Peerd van Ome Loeks. Ik was ‘m helemaal vergeten! Maar hij stond er nog steeds. Wild schreeuwend maande ik Michelle om te stoppen. Ik móest op de foto met het Peerd van Ome Loeks! Net zoals toen ik een jaar of zeven was. Uit mijn hoofd had ik geen idee meer hoe die foto er precies uit zag. Op de gok poseerde ik bij het hoofd van het paard. Die hele Ome Loeks kon me als kind waarschijnlijk gestolen worden. Maar dat paard, hè!

In het straatje waar mijn vader ooit woonde, belde ik met mijn moeder. Terwijl ik naar het piepkleine huisje keek, haalde zij herinneringen op. Over hoe ze daar inwoonde met Pa en twee kleine kinderen terwijl Pa in Den Bosch werkte. Omdat ze geen eigen huis konden krijgen en bij haar ouders in huis geen plaats was. Hoe ze – tot haar grote ongenoegen – bij haar schoonmoeder in de bedstee sliep. Tot ze een eigen slaapkamer kregen op de eerste verdieping. Hoe ze daar wakker lag en naar de treinen luisterde. Als de laatste trein uit Brabant binnen kwam, wachtte ze op het geluid van voetstappen. Want soms kwam mijn vader onverwachts naar huis met de laatste trein. Ook mijn moeder was niet gelukkig in Groningen.

Uiteindelijk fietsten Michelle en ik terug en dwaalden we nog eens tien kilometer door de stad. Met taart-pauzes natuurlijk. Ondanks de treurige verhalen van mijn ouders, vind ik Groningen een mooie stad. Veel prachtige oude gebouwen, veel mooie hofjes en de prachtige watertorens. 

Tevreden sloten we uiteindelijk onze B&B af en reden we naar huis. Onderweg passeerden we Almere. Daar maakten we een tussenstop en wees Michelle de plaats aan waar – volgend jaar – hun huis gebouwd gaat worden. Gek om rond te rijden in de wijk in aanbouw die straks haar thuis gaat worden. Het wordt vast waanzinnig mooi.

Om zes uur was ik thuis. Ik waste mijn beddengoed en dekte mijn eigen bedje op. Die nacht sliep ik als een roosje. Omdat Grongen met dochterlief hartstikke leuk was. En vooral omdat het met Vriendjelief – alleen thuis – goed gegaan was. Ik zal ongetwijfeld weer nachten wakker liggen maar Mich en ik kunnen weer op pad. We beginnen met Dublin. Volgend jaar pas. Want Michelle en Robby gaan eerst nog naar Vietnam. 

Zij liever dan ik trouwens. Je kunt niet eens je eigen dekbed mee nemen. En nog erger; wie weet wat daar ‘s nachts over het aanrecht kruipt…

Stedentrip.

Rome 2014. Madam had 40 graden koorts.

Voor Michelle’s 21ste verjaardag nam ik haar mee naar de voorstelling van The Lion King. In Londen. Iedereen die mij ook maar een beetje kent, weet dat dat – voor mijn doen – een enorme stap is. Ik heb al heimwee zodra mijn voordeur uit zicht is. En volgens dochterlief – die ervoor geleerd heeft – heb ik OCD en gruwelijke afkeer van bedden, wc’s en douches die door 1000 mensen vóór mij gebruikt zijn. 

Gelukkig is dochterlief gezegend met een richtingsgevoel van heb ik jou daar. Gelukkig is zij een kei in uitzoeken, regelen en plannen. Zij regelt accommodaties, niet toevallig nét om de hoek van de bezienswaardigheden. Zij zoekt uit welke bus we moeten nemen, waar en hoe laat die vertrekt en waar we kaartjes moeten kopen. En ze stippelt uiterst vermoeiende wandelroutes uit waarin we in no time alle bezienswaardigheden zien. 

Het enige wat ik hoef te doen, is de knoop in mijn maag negeren – omdat ik ver van huis ben, snik – en mijn kind te volgen. En dat maakt dat ik er – ondanks mijn heimwee – toch steeds weer aan begin. Na Londen volgden Rome en Barcelona. Het was onvergetelijk. Want er is niets ter wereld mooier dan achter mijn kind aan rennen door vreemde steden. Die toen ze drie was, met haar handje stevig in de mijne, door de Efteling liep. Best spannend. Die achterop mijn fiets haar eerste ritje naar de kleuterschool maakte. Naar zwemles. Naar turnkamp. Het meiske dat ik verhuisde naar een studentenkamer. 

En dus volg ik haar blindelings. Naar The Towerbridge. De Big Ben. Naar Buckinghampalace. Naar de Brug der Engelen. Het Colosseum. Naar de Piazza de Popolo. Naar de Sagrada Familia. Ik kijk en kijk naar al die bezienswaardigheden. Maar ik kijk vooral naar mijn kind en naar de stoere bikkel die ze geworden is. Mijn kleine kleuter. Thuis. Overal ter wereld. Mijn globetrotter. Hoe is het mogelijk?

Ik accepteer het feit dat ik geen oog dicht doe in een vreemd bed. Lig wakker terwijl zij als een roosje naast me slaapt. Zij heeft nergens last van. Ik douche in badkamers waar minstens 1000 mensen mij voor gingen. En ik geniet van de dagen maar tel de nachtjes tot ik weer naar huis mag. En als we dan die laatste avond vermoeid op een vliegveld zitten en ik weet dat ik bijna thuis ben, komt het besef. Man! Wat wás het weer leuk. 

Sinds Frank ziek werd, stonden de stedentrips met Michelle op de lijst ‘ooit’. En ooit is nú gekomen. We beginnen klein. Dit weekend gaan we één nachtje logeren in Groningen. Om te kijken hoe het gaat met Frank als ik niet thuis ben. Naar Groningen omdat mijn vader daar geboren is.

En ik plan mijn uitje alsof het een wereldreis is. Schrijf een complete handleiding voor Frank’s medicatie en welke voedingsmiddelen waar te vinden zijn in huis. In noodgevallen is onze schoonzoon – de schat – stand-by. 

En ik vind het rot dat Frank alleen is. Maar hij grapt ‘Lekker rustig!’ en zegt dat-ie de kroeg induikt. Wil niets weten van afspraken met vrienden die hij kan maken. Het komt vast goed. En dan kan ik verder met mijn lijstje van steden. Dublin. Lissabon. Praag. Berlijn. Steden waar ik naar toe wil met mijn globetrotter. Waar ik nachtenlang wakker zal liggen met mijn heimwee. En waar ik overdag trots achter mijn kind aan zal lopen. 

Maar eerst Groningen. 150 kilometer van huis. Een nachtje. Komt goed.

Twee jaar later.

In 2016 woonden wij in Frank’s appartement in Amsterdam Nieuw West, dat toen ik bij Frank introk nog gewoon Slotervaart heette. Geen beste buurt om te wonen. Ik herinner me de geschokte reactie van een collega die me ooit ‘s avonds met de auto naar huis bracht. ‘Zet me hier maar af. Dan kun jij zo doorrijden. Ik loop het laatste stukje wel’ zei ik. Verbijsterd keek de collega om zich heen. ‘Ik kan je hier toch niet alleen over straat laten gaan.’ stamelde hij, kijkend naar de muren vol graffiti, het huisvuil op de stoepen en de ongure types op elke straathoek. ‘Ik wóón hier’ antwoordde ik. ‘Ik ben het gewend.’ Maar leuk was anders.

Toen we een moord en twee schietpartijen in de straat hadden gehad en de huur het astronomische bedrag van € 1500,- per maand bereikte was voor ons de maat vol. Rond die tijd ging dochterlief samenwonen en kwam mijn mini-appartementje vrij. Ik had het al die jaren aangehouden om mijn studerend kind van onderdak te voorzien. We sloegen de inboedel op en verkasten. Het flatje was piepklein. De buurt was nét iets minder slecht. Maar voor een huurprijs van € 500,- per maand konden we daar wel mee leven. En het was tijdelijk. We hadden bedacht van daaruit iets anders te zoeken

Onze huizenzoektocht kwam op een laag pitje te staan toen Frank bijna het loodje legde. Maar zodra hij weer enigszins in het land der levenden was, hervatte ik mijn zoektocht. Ik reageerde op zo ongeveer 50 appartementen in Amsterdam. Te duur voor het aantal vierkante meters maar we moesten toch wat. Kansloos. Zoals zoveel woningzoekenden in Amsterdam breidde mijn zoekgebied zich uiteindelijk uit buiten Amsterdam. Omdat je – ook in de vrije sector- als woningzoekende in Amsterdam altijd twintigste of vijftigste in de rij bent. En alleen de eerste tien uitgenodigd worden voor een bezichtiging. 

En toen zag ik op internet een appartement in Heemskerk. Heemskerk? Ik had er nog nooit van gehoord. De eerste stap was altijd de reistijd naar mijn werk in Amsterdam checken. Dat viel, verdorie, niet tegen! 23 minuten met de trein! De volgende stap was uitvogelen hoe Heemskerk was om te wonen. Neem van mij aan: als je íets wilt weten, vul je zoekwoorden in op Google gevolgd door de term ‘Viva forum’ en je vindt het. Ik vond dit en verdomd! Dat klonk best aardig! Vooral de term ‘met de fiets naar het strand’ klonk mij als muziek in de oren.

Daarna ging het snel. Ik reageerde op een tweede woning in Heemskerk maar ik had nogal wat moeite om onze inkomensgegevens door te geven via internet. In een verloren momentje, terwijl Frank onder de douche stond, zich klaar makend voor een laatste afspraak bij het revalidatiecentrum, zat ik op ons balkonnetje in Amsterdam Nieuw West (ter grootte van een postzegel) na te denken over die inkomensgegevens. Zou dat nou goed doorgekomen zijn? Zou ik eens bellen? Ach, dat had toch geen zin. Aan de andere kant; ik zat hier nu toch te niksen. Dus ik belde.

“Wat grappig dat u juist nú belt over díe woning” zei de dame aan de telefoon. “Mijn collega is daar momenteel heen voor de eindinspectie. Kunt u nu daarheen komen?” Verbijsterd stamelde ik dat we een belangrijke afspraak hadden. “Hm. Morgen misschien?” stelde de dame voor. “Dan schuif ik u even naar voren.” Ik kon niet anders dan toezeggen. Tuurlijk, konden wij de volgende dag! Paniekerig belde ik mijn collega’s om te melden dat ik vrij moest hebben die volgende dag. Waar iedereen, wetend van mijn huizenzoektocht, enthousiast mee akkoord ging. Gelukkig!

De volgende dag reden wij – voor het eerst – Heemskerk binnen. We verbaasden ons over de fietsers die hun hand uitstaken, over de keurige plantsoenen, over de schone straten. De verhuurmedewerkster liet ons het appartement zien en dat was ook al zo leuk! Met in mijn achterhoofd de groepsbezichtingen in Amsterdam vroeg ik voorzichtig wat nu de bedoeling was. “Als jullie het willen huren, maken we de papieren in orde en dan is het geregeld” was het antwoord. Ik sloeg bijna stijl achterover op de betonnen vloer van wat nu mijn woonkamer is.

Afgelopen woensdag was het twee jaar gelden dat we verhuisden. Geen moment hebben we spijt gehad. Al die winkels, restaurantjes en terrasjes om de hoek. De vriendelijke mensen. En dat strand waar ik maar geen genoeg van kan krijgen. Toen ik nog in Amsterdam woonde, vervloekte ik die stad regelmatig. Verzuchtte ik vaak dat ik lekker rustig in mijn geboortestad in Brabant had kunnen wonen. Maar sinds we hier wonen, mis ik Breda niet meer. Ik kom thuis als ik de blauwe windmolen zie en het dorp in rijd.

Op mijn eerste treinreis vanuit Heemskerk naar mijn werk, in 2017, werd ik bij aankomst in Amsterdam getrakteerd op een gedicht in een van de abri’s op het station. Ik heb niks met poëzie. Maar deze heb ik bewaard. Ik vind ‘m mooi. Want wie had ooit gedacht dat ik met een Amsterdammer zou belanden in een dorp aan de Noord Hollandse kust? En me er zó thuis zou voelen?

Het gedicht is van Kees Spiering. De foto van mij.

Jarig.

En toen was Vriendje-lief jarig. Nou zijn wij geen feestbeesten. Nooit geweest ook. Verjaardagen vierden we al jaren niet meer. Hooguit een etentje. Of een taartje bij de koffie. Maar dat was het wel. Sinds die dag in 2016. Sinds die dag vieren we weer feestjes. Omdat jarig zijn écht wel een reden is om een feestje te vieren. Dus nam ik vrij op de verjaardag van Frank en verzon een leuk dagje uit.

En er was één stad die al járen op mijn to-do-list stond. Leiden! Niet alleen omdat Leiden een leuke stad is, zoals ik ontdekte toen ik er ooit met Michelle was, toen zij daar studeerde. Maar ook omdat mijn oudste weblog-vriend er woont. Emile, alias Leidse Glibber.

Hij en ik begonnen ooit gelijktijdig een weblog en op een of andere manier kwamen we op elkaars weblog terecht. Het was in de tijd dat ik als een soort Harry Potter, in de kast onder de trap, vaak tot laat in de avond, weblogjes produceerde. Over Michelle’s turnwedstrijden, over onze hond, over de ontluikende liefde tussen mij en Frank, over mijn werk maar meestal over helemaal niks. En Emile, net zo’n nachtuil als ik, was vaak de eerste die reageerde.

Hij logde over Leiden, toen al. Maar ook over Lobbes, de enorme hond van Emile en zijn vrouw Hillies. Hij schreef zelfs ooit een Sinterklaas-log waar onze beiden honden in voorkwamen. En we bleven trouw lezen bij elkaar. Toen Lobbes in 2007 overleed, wist ik hoeveel verdriet Emile en Hillies daarvan hadden. Ik pluisde zijn hele weblog uit, verzamelde alle foto’s van Lobbes die ik kon vinden en maakte er een filmpje van dat ik per e-mail aan Emile verstuurde.

Een paar weken later was ik koffie aan het zetten voor de monteurs van de garage waar ik destijds werkte, toen gevraagd werd of ik even naar beneden wilde komen omdat er iemand voor me aan de balie stond. Het was Emile, die uitgevogeld had waar ik werkte (ik geef niet zo om mijn privacy weblogtechnisch) en me een grote bos bloemen kwam brengen als bedankje voor het filmpje. Sindsdien noem ik Emile een vriend.

We bleven bij elkaar lezen. En reageren. Vaak diep in de nacht. Mijn vriend de nachtuil en ik. Hij zag Michelle opgroeien, turnen en afstuderen. Hij leefde mee met blessures en schoolperikelen. Hij maakte alle doldwaze verhuizingen mee. Hij leefde mee toen Frank ziek werd.

Ik las bij hem over hun nieuwe hond Happy, over de vakanties naar Luxemburg, over hun kat Spotty. Ik lachte om zijn krankzinnige hoeveelheid Kerstversieringen en ik leerde veel, heel veel, over Leiden.

En al die tijd riepen we ‘We spreken een keer af!’ maar we deden het nooit. In 2018 werd Hillies, de vrouw van Emile, ziek. Ze overleed korte tijd later. Ik heb haar nooit ontmoet.

Je moet ook geen plannen uitstellen. Ik weet, als geen ander, dat het zomaar kan gebeuren dat je je plannen nooit meer uit kunt voeren. Dus spraken we op de verjaardag van Frank af met Emile. Ik mailde hem en hij mailde meteen terug. Met tips over de beste rederij om een rondvaart te boeken. Met tips over parkeerplaatsen en de waanzinnig handige shuttlebussen die je vervolgens (gratis, jawel!) overal brengen waar je wezen moet.

Toen we aankwamen bij de rederij, stond Emile al te wachten. Met een cadeautje voor Frank! Hij vertrok om snel even zijn kleinkinderen van school te halen, terwijl wij koffie dronken op het terras. Het had de hele ochtend geregend maar ‘s middags scheen de zon. Frank kreeg een cadeautje van de rederij en toen we vertrokken voor onze rondvaart, was Emile er weer. Op zijn scooter reed hij voor ons uit om foto’s van ons te maken vanaf de bruggen.

In het zonnetje, vanaf de boot – versierd met ‘happy birthday’-vlaggetjes! – genoten we van Leiden. Met twee vrolijke Canadese medepassagiers en de leuke schipper Julia. Die er door de interactie met de passagiers meer van maakte dan de standaard toeristen-info. Het was leuk!

En aan het einde van de tocht, stond Emile er weer. Samen zaten we op het terras van ‘Het praethuys’ waar ik al zo vaak over gelezen had. Te praten. Over Hillies, over Michelle, over Leiden, over Amsterdam en over Heemskerk. Over honden en katten. Over hoe je logjes het lekkerste ‘s nachts schrijft. En over het bizarre fenomeen internet.

Want, ja. Internet is niet altijd leuk. Mensen maken elkaar af in reacties op Facebook en Twitter. En ja, er is nepnieuws en er waren de trollen van Dotan. En ja, mensen zitten alleen nog maar op schermpjes te kijken. Maar soms, soms levert internet ook goede dingen op. Vriendschappen.

Rond etenstijd namen we afscheid. Terwijl wij uit eten gingen, ging Emile weer op pad. Om foto’s te maken van de avondvierdaagse in Leiden. Wij belden, na een voortreffelijke maaltijd, een shuttlebus die ons keurig netjes naar onze auto bracht. Tevreden vertrokken we uit Leiden.

Dank je wel, Emile!
Frank’s verjaardag was een geslaagd feestje.
Zo’n dag met een gouden randje.