Categorie archief: Terug in de tijd.

Kleine boodschap.

Hoe oud zal ik geweest zijn? Zeven? Acht? We waren op bezoek bij mijn tante Rietje en Ome Cor. Er was een verjaardagsfeestje en de hele huiskamer zat vol met ooms en tantes. Zo’n typisch jaren 70-feestje. Tantes strak in de Carmen-krul aan de ene kant van de kamer. Ooms die sigaretten rookten aan de andere kant en wij speelden daar tussendoor.

Een van mijn tantes verliet de woonkamer om even naar het toilet te gaan. Ze baande zich een weg door de visite en ging het toilet binnen. Het toilet bevond zich in het kleine halletje, pal naast de woonkamer. En om ruimte te besparen in hun kleine huisje had mijn ome Cor de deur tussen de woonkamer en de hal eruit gehaald.

Terwijl mijn tante, zich van geen kwaad bewust, haar kleine boodschap deed, schoten mijn ooms in de huiskamer in de lach om haar.. euh.. vrolijke geklater. Luid gelach. En een van mijn ooms die grapte dat het de watervallen van Schaffhauzen wel leek. Ik had geen idee wat Schaffhauzen was. Maar ik wist wél wat een waterval was. En ik snapte dondersgoed waarom mijn ooms zo lachten.

En toen moest ík plassen. En ik was vastbesloten geen geluid te maken. Ik zou door de grond gaan als de ooms mij ook uit zouden lachen. Ik verzon een plan en sloop naar het toilet. Daar liet ik, heel zorgvuldig, velletjes toiletpapier in de wc-pot vallen. Ik bekleedde de complete binnenkant van de pot met wc-papier, deed geheel geruisloos mijn kinderplasje en trok de wc door. Toen ik woonkamer weer in kwam, lachte er niemand. Ik was in mijn nopjes!

Tot de volgende naar het toilet moest. En er een kreet uit het toilet kwam. ‘Cor! De wc zit verstopt!’ En mijn oom kon aan de slag om te zorgen dat het toilet weer doorliep. Om daarna te roepen ‘Wie is er als laatste geweest?’ Beschuldigende vingers wezen in mijn richting. Zij! Te midden van alle visite mopperde mijn ome Cor dat ik veel te veel wc-papier had gebruikt. En ik, verlegen kind, ging alsnog door de grond.

Ik heb altijd gedacht dat dit een waar jeugdtrauma was. Zo eentje die er voor zorgde dat ik altijd probeer te voorkomen om lawaai te maken op het toilet als er anderen in de buurt zijn. Zo jammer. Want, zeg nou eerlijk, als je héél hoognodig moet, is toch niets lekkerder dan gewoon te gaan zitten en, zonder na te denken… Nou ja, je weet wel.

Vandaag beklaagde een collega zich over de toiletten op ons werk. Met van die deuren die van onder en van boven open zijn. Ze kreeg er zo’n camping-gevoel van, zei ze. En ik dacht ‘Ha! Ik ben dus niet de enige!’ Het kan zijn dat zij ook zo’n jeugdtrauma heeft. Of misschien vinden we het gewoon allemaal vervelend.

Zeg eens eerlijk…
Houd jij je in op een openbaar toilet? Of kan het je niet schelen dat je klinkt als de watervallen van Schaffhauzen?

Gekookte aardappelen.

Bij mij thuis aten we vroeger typisch Hollands. Aardappelen, groente en vlees. Mijn vader kreeg zelfs standaard twee stukken vlees want hij was kostwinner. Zo ging dat vroeger. Tenminste, bij ons thuis wel. Dat tweede stuk vlees bewaarde mijn vader overigens om het, na de eeuwige vanillevla, als laatste, met smaak op te eten.

Het meest exotische gerecht dat mijn moeder kookte was nasi. Met Smac. En gebakken ei. Maar ze kookte vooral aardappelen. Er moeten dus talloze Hollandse maaltijden voorbij gekomen zijn maar ik kan ze me niet herinneren. Wat áten wij, in hemelsnaam? Spruitjes, denk ik. Spinazie? Boontjes? Bloemkool? Ik heb werkelijk geen idee.

Ik krijg het donkerbruine vermoeden dat ik als kind een moeilijke eter was. En dat mijn moeder me matste door me niks te voeren wat ik niet lustte. Op een of andere manier ben ik toch gezond groot geworden maar een liefhebber van de Hollandse pot ben ik nooit geworden. Ik houd nog steeds niet van aardappelen, groente en vlees. Op mijn menu prijkt vooral pasta, rijst en mie. Lekker makkelijk, lekker snel en – ook niet geheel onbelangrijk – maar twee vuile pannen. Wat wil een mens nog meer?

Frank schikte zich, zonder morren, altijd braaf in mijn aardappelloze menu-keuze. Dat hij die smakeloze knollen soms toch wel miste, bleek als ik weer eens zuchtte ‘Wat zullen we eten?’ ‘Nou’, grapte hij dan ‘Misschien een keer van die witte, ronde dingen? We eten ze zó weinig dat ik niet eens meer weet hoe ze heten.’

En toen belandde die arme jongen ineens in het ziekenhuis. En hij was er zo slecht aan toe dat hij afhankelijk was van sondevoeding. Eén van de eerste dingen die hij wilde toen hij weer een beetje in het land der levenden was, was eten. ‘Wat zou je willen eten dan?’ vroeg een verpleger. Luid en duidelijk kwam het antwoord. ‘Aardappelen!’ Helaas zat dat er nog even niet in. Hij kreeg een nieuw zakje sondevoeding en dat was dat.

En ik zat bij zijn bed. Me enorm schuldig te voelen. Die arme jongen! Die knaagde zich al jarenlang door al mijn pasta-, rijst-, en mie-gerechten. Terwijl hij zo graag aardappels eet! Ik nam me heilig voor om, als Frank thuis zou komen, minimaal twee keer per week aardappels te serveren.

En nu heb ik dus een probleem. Want wat eet je in godsnaam bij aardappelen? Tot mijn grote schande kom ik niet verder dan sperziebonen, witlofsalade (of de ham en kaas-variant uit de oven) en spinazie met een ei. Help! Wat eten jullie bij gekookte aardappelen?

Bijschrift bij de foto:
1975 – ik in de keuken met mijn moeder die spruitjes schoonmaakt.

 

Bevrijdingsdag.

Als kind woonde ik in wat nu een Vinex wijk genoemd zou worden. Een enorme nieuwbouwwijk aan de rand van Breda. En bijna elke zaterdag mocht ik met mijn moeder mee naar ‘de stad’. We gingen met de bus. Ik bij mijn moeder op schoot, omdat alleen grote mensen op een stoel mochten zitten. Kleine kindjes moesten staan. Of bij hun moeder op schoot. Dus zat ik bij mijn moeder op schoot. Met haar handen om me een gevouwen als een soort veiligheidsgordel. En ongetwijfeld met mijn duim in mijn mond.

We gingen naar Slagerij Van Kouwenberg, op de Haagweg, waar mijn moeder vlees kocht en ik steevast een worstje kreeg. We liepen over de markt op de Nieuwe Haagdijk en in de stad kreeg ik, als ik lief was, vaak een cadeautje. Als laatste gingen op de koffie bij tante Til, die helemaal geen echte tante was maar een vriendin van mijn moeder. Nog uit de tijd dat wij ook ‘in de stad’ woonden.

Terwijl mijn moeder en tante Til koffie dronken, speelde ik met de kinderen van tante Til in het piepkleine achtertuintje. In dat kleine tuintje stond een schommel en als je hard genoeg schommelde, kon je nét over de schutting kijken en de soldaten zien marcheren in de Seeligkazerne, vlak achter hun huis. Ik vond dat heel erg grappig en schommelde zo hard ik kon. Zó zag je de soldaten. En zo weer niet.

Als we weer naar huis gingen en naar de bushalte liepen, kwamen we langs het politiebureau op de Markendaalseweg. Op het pleintje voor het politiebureau stond een standbeeld. Een beeld van een moeder die haar onwillige kind met zich trok. Op die zaterdagen in mijn kindertijd, veilig aan de hand van mijn moeder, blij met mijn cadeautje, vond ik dat standbeeld altijd een beetje raar. Waarom wilde dat kindje niet met die moeder mee? Ik vond het juist leuk om met mijn moeder naar de stad te gaan!

Pas jaren later, toen het oude politiebureau allang gesloopt was en ik me afvroeg waar dat rare beeld uit mijn kindertijd gebleven was, ontdekte ik het verhaal achter het standbeeld. De moeder met dat onwillige kind was niet onderweg naar de stad. Ze was op de vlucht.

Het beeld stelt een moeder voor die haar kind met zich meetrok, tijdens de massale evacuatie van Breda op 12 mei 1940. Want toen het Duitse leger op 10 mei 1940 ons land binnenviel, kreeg het Nederlandse leger hulp van Franse troepen die via België richting Breda trokken met de bedoeling de oprukkende Duitse troepen te verslaan. Breda lag precies in de vuurlinie en zou zwaar getroffen zou worden. De Franse legerleiding adviseerde de burgemeester van Breda om de inwoners te evacueren. Dat gebeurde op 12 mei 1940. Achteraf gezien, was deze massale evacuatie, waarbij tientallen doden vielen, en vele anderen maanden dakloos rondtrokken, totaal zinloos. Breda werd ingenomen door de Duitsers zonder dat er één schot gelost werd.

Ik had daar als kind allemaal geen weet van. Ik zag alleen een beeld van een kindje dat niet met zijn moeder mee wilde. Ik was nog nooit gevlucht voor wat dan ook. Ik had nog nooit gehoord van oorlog. De enige soldaten die ik kende; waren de soldaten die ik zag als ik heel hoog schommelde in de tuin van tante Til.

Pas later, als je groot bent, realiseer je je hoe je boft dat je opgegroeid bent in vrijheid. Zonder oorlog. Pas later, als je moeder bent, besef je hoe waardevol het is dat je nooit hebt hoeven vluchten met een onwillig kind aan je hand. Hoe belangrijk vrijheid is. En dat al die vlaggen vandaag niet voor niets wapperden. Vrijheid moet je inderdaad vieren.

Bijschrift bij de foto: het beeld ‘De vlucht’, gemaakt door Hein Koreman staat op deze foto nog aan de Markendaalseweg. Sinds 1999 staat het in het Valkenberg in Breda. (foto: Loek Tangel)

Ode aan Sjors.

Sjors en ik, Madame Tussauds 2005

Met een geschiedenis als ‘buitenbeentje’ op de lagere school, besloot ik tijdens mijn middelbare schooltijd mijn uiterste best te doen ‘erbij te horen’. Dat bleek niet mee te vallen. De ene helft van de school zat op tennis, de andere helft op hockey. En ik bungelde daar ergens tussen in, samen met een paar andere vreemde snuiters. Op tennis of hockey gaan, ging me te ver. Ik hield het bij mijn lidmaatschap van de plaatselijke bieb maar paste me verder zoveel mogelijk aan.

Het was 1982. Ik droeg mijn schooltas bij de klep, want dat was cool. In mijn kast lagen Coolcat-truien en in mijn oren prijkten pastelkleurige plastic oorbellen. En mijn agenda was drie keer zo dik als hij hoorde te zijn door de plaatjes van popsterren die ik er in plakte. Want dat deed iedereen. Ik dus ook. In mijn onstuitbare drang ‘erbij te horen’.

Een van die popsterren was George Michael, die op dat moment, samen met zijn maatje Andrew, als Wham! de wereld aan het veroveren was. Eigenlijk had ik niet zoveel met Wham! ‘Club Tropicana’ vond ik stiekem maar een zeiknummer. ‘Young Guns’ niet om aan te horen en George vond ik net iets te. Te gladjes. Te popie-jopie. Niks voor mij. Al kon zelfs ik wel zien dat het een hele mooie jongen was.

‘Wake me up before you go go’ vond ik wel lollig. Al heb ik nooit, zoals de helft van de meiden in mijn klas, een ‘Choose life’ t-shirt gehad. Zó ver ging mijn drang om erbij te horen nou ook weer niet. Maar ik dweepte vrolijk mee met mijn klasgenootjes. Want dat hoorde zo.

Toen ik van school ging, bracht Sjors -zoals ik hem inmiddels noemde- zijn eerste solo-elpee uit. Ik had geen agenda meer waar plaatjes in moesten. Maar uit een soort gevoel van trouw kocht ik de elpee ‘Faith’. En eigenlijk viel het me toen pas op dat Sjors best aardig kon zingen. Ik was inmiddels te groot geworden om te dwepen, om fan te zijn. Maar Sjors vond ik gewoon goed.

In de jaren dat ik uitging, vroegen mijn stapvriendin en ik vaak ‘Don’t let the sun go down on me’ aan in onze stamkroeg. Zittend op het biljart zongen we de uithaal van Sjors keihard mee. En over zijn optreden tijdens het Freddy Mercury-tribute was ik laaiend enthousiast. Wat kon die man zingen! Toch hield het voor mij na het album ‘Listen without predjudice’ op.

Het had niets te maken met het feit dat Sjors eindelijk uit de kast kwam. Daar moest ik hooguit om grinniken. We hadden het kunnen weten. Toen al, in de jaren 80. Mijn klasgenootjes en ik. Maar de muziek van Sjors ging een kant op die mij niet zo lag. En mijn leven ging een andere kant op. Als jonge moeder kwam het er niet echt meer van om zittend op een biljart keihard mee te zingen. En ik verloor Sjors een beetje uit het oog.

Tot eerste Kerstdag 2016. Toen was Sjors ineens prominent in het nieuws. Omdat-ie dood was. Zomaar. Ineens. Terwijl overal ter wereld zijn ultime Kersthit gedraaid werd, die zelfs mij elk jaar weer Kerstkriebels bezorgt, ging Sjors dood. Aan hartfalen, werd gezegd. Dat maakte het voor mij nóg schokkender. Mijn eigen Frank lag net in het ziekenhuis na een hartstilstand. Hij was er niet best aan toe maar hij lééfde nog. En die wereldberoemde, stinkend rijke Sjors ging zomaar dood.

Wat een treurig einde voor die mooie jongen uit mijn agenda. Het voelde een beetje alsof de leukste jongen uit je brugklas van vroeger is overleden. Je kent hem niet écht maar toch is het triest. Zo jong nog. En op een of andere manier krijg ik niet echt de indruk dat-ie heel happy was. Arme Sjors.

Dus dag, Sjors. Bedankt, man! Voor het draaglijk maken van mijn middelbare schooltijd. Voor al die keren zingend op het biljart. Voor alle Kerstkriebels. Jeetje. Wat kon jij zingen!