Categorie archief: Terug in de tijd.

Zee-stress.

Ooit had ik een badkuip. Geïnstalleerd door mijn toenmalige blinde vriendje. Het duurde allemaal wat langer voor het klaar was maar hij kreeg het wél voor elkaar. Terwijl hij, als finishing touch, nog wat spiegeltegeltjes plakte, ging ik de stad in. Mijn dochter, destijds een jaar of zes, liet ik met een gerust hart bij hem achter. Tenslotte was-ie alleen maar blind en niet stom. Hij zorgde altijd prima voor mijn uk.

Toen ik terug kwam, bleek dat dochterlief ‘geholpen had’. Rondom in de hele badkamer had ze de houten plint tussen het schuine dak en de muur ingesmeerd met glitter-gel. Ik zag voor me hoe het gegaan moest zijn. Die twee in de badkamer en Michelle zoekend naar een klusje. ‘Hé Berry! Zal ik glittertjes op dat randje doen? Dat vindt mama vast mooi!’. En Bernard, aandachtig bezig om op de tast de spiegeltegeltjes waterpas op te plakken, zal ongetwijfeld, zonder na te denken, zijn goedkeuring gegeven hebben. En zo had ik ineens een glitter-and-glamour-badkamer van heb-ik-jou-daar.

Ik heb heel veel plezier gehad van mijn badkuip. Uren dobberde ik rond. Met muziek, een boek of een tijdschrift en af en toe een glaasje wijn. Ook Michelle heeft urenlang gespeeld in bad. Alleen of met vriendinnetjes. Want de meeste logeerpartijtjes eindigden in bad. Met als hoogtepunt het draagbare tv’tje dat ik wel eens neerzette (op veilige afstand uiteraard; ik ben niet blind én niet stom) zodat er in bad tv gekeken kon worden.

Jaren later, toen mijn verkering met Berry allang uit was en Mich te groot werd om met vriendinnetjes te badderen, begonnen de kitranden rond de badkuip behoorlijk goor te worden. Ik probeerde de kit er tussen uit te krijgen en een nieuwe kitrand aan te brengen maar echt succesvol was dat niet. Bovendien kreeg ik last van bad-stress.

Want dat bad stond daar maar en ik had steeds minder tijd om te badderen. Steeds als ik dat bad zag, bedacht ik me dat ik er hoognodig weer eens gebruik van moest maken. Maar ik had er gewoon geen tijd meer voor. Het leverde een raar gevoel op dat zich het meest laat omschrijven als een soort schuldgevoel. ‘Oh ja! Ik moet ook nog in bad,’ 

Bad-stress dus. Dat, in combinatie met het onhandige in bad moeten douchen, maakte dat ik uiteindelijk het complete bad er uit gesloopt heb. Inclusief de spiegeltegeltjes. En de glitter-rand.

Zo’n zelfde soort stress had ik in mijn afgelopen vakantie ook. Maar dan met betrekking tot de zee. Ik ben dol op de zee en mijn grote wens wens was altijd om vlak bij de zee te wonen. Et voilà! Sinds een jaar woon ik vlak bij de zee. Oké; het is nog steeds twintig minuten fietsen maar dit is wel zo ongeveer as close as I can get zonder iedere dag uren onderweg te zijn naar mijn werk. En het afgelopen jaar zag ik de zee dan ook vaker dan in alle voorgaande jaren bij elkaar.

Ik nam me voor om in mijn zomervakantie zo vaak mogelijk naar het strand te fietsen. Stukje wandelen en misschien wel een middagje met een boekje op het strand. Maar het liep ietsjes anders. Ik had weinig tijd in mijn vakantie en vaak ook niet de puf om naar de zee te fietsen. Ik kwam niet verder dan een korte strandwandeling met Michelle bij Wij aan Zee. Zo zonde! Het deed me denken aan mijn bad-stress van vroeger. Ik had zee-stress!

Op mijn een-na-laatste vakantiedag vond ik dat ik móest. Ik móest naar de zee. Ik las een boek op het strand en ik nam zelfs nog even een duik in zee. Iets wat ik al jaren niet meer gedaan had. ‘Morgen moet ik nóg maar een keer gaan’ bedacht ik. ‘Dan kan het nog. Daarna moet ik weer werken.’ Ik piekerde hoe ik een bezoekje aan de zee in moest passen in mijn drukke schema van de volgende dag.

Ondertussen deinde ik op de golven, die maar bleven komen. Oneindig. En ineens viel het kwartje. Hallo! Ik wóón hier! Ik kan altijd naar het strand. Ook als ik geen vakantie heb. Oké, ik kan misschien niet altijd in zee zwemmen. Maar wandelen langs het strand kan altijd. En het mooie is; de zee hoef ik niet te poetsen. De zee krijgt geen gore kitranden. Mijn zee-stress was meteen verdwenen.

Want de zee: die blijft gewoon. Met eb en met vloed. Met mooi weer en met storm. Met sneeuw en met regen. De zee is er altijd. Geduldig wachtend tot ik tijd heb om langs te komen. 

Bijschrift foto: met Michelle en Nanuk aan het strand bij Wijk aan Zee.❤️

49

Gisteren werd ik 49. De perfecte leeftijd voor een midlifecrisis, bedacht ik me ineens. Want jeetje! Ik begin toch wel mee te tellen. En eerlijk is eerlijk; een beetje melancholiek word ik wel als ik muziek hoor uit mijn jeugd. Al die dromen die ik had. Al die dingen die ik wilde, ‘later’ als ik groot zou zijn. En nu is het ineens later en zijn een paar dingetjes toch niet helemaal gelukt.

Natuurlijk kan er nog steeds van alles. Ik heb, mag ik hopen, nog een half leven voor me. En zoals mannen rond deze leeftijd soms een motor of een hippe sportwagen kopen, hun echtgenote inwisselen voor een jonger exemplaar en aan hun tweede leg beginnen, zou ik ook nog best het roer drastisch om kunnen gooien.

Ik zou Frank kunnen dumpen en een toyboy kunnen versieren. Zo eentje die net iets ouder is dan mijn dochter. Met een afzak-broek, wasbordje en hipsterbaard. Met een beetje hulp van Italiaanse dokters zou zelfs die tweede leg nog goed kunnen komen en zou ik nog twee baby’s kunnen krijgen zodat ik de drie kinderen zou hebben waar ik vroeger van droomde. 

En een nieuwe carrière natuurlijk! Ik kan me om laten scholen tot kraamverzorgster. Of makelaar. Of een beroemd schrijfster kunnen worden. Dat laatste zou dan weer mooi matchen met mijn toyboy. Kunnen we samen naar het Boekenbal. Als we tenminste oppas kunnen vinden voor de tweeling.

Maar eerlijk gezegd lijkt me dat niks. Zo’n toyboy, daar moet je dan weer mee naar de disco. En ik weet niet eens of dat nog wel bestaat, een discotheek. En met je toyboy naar het Boekenbal is trouwens ook best riskant want Heleen komt natuurlijk ook. Bovendien vind ik Frank nog steeds de liefste. Oké, hij heeft dan wel geen wasbordje maar daar staat dan weer tegenover dat ik mijn buikje niet in hoef te houden. 

En zo’n tweede leg. Ach, ik weet het niet. Weer vieze luiers, snotneuzen en een peuterpuberteit. Bovendien is dat ene kind dat ik nu heb zó goed gelukt dat ik niet weet of me dat nog een keer zou lukken. Het is de goden verzoeken, zo’n tweede leg.

En omscholen? Nee, ook maar niet. Ik heb echt heel erg leuk werk dat ik nog steeds met veel plezier doe. Samen met mijn collega’s die ik soms met liefde en plezier achter het behang zou willen plakken maar die ik meestal toch heel lief, leuk en gezellig vind. En een beroemd schrijfster? Ach, ik heb jullie toch? Mijn lezers hier? Dat Boekenbal schijnt trouwens best tegen te vallen, heb ik gehoord.

Kortom, mijmerend over de afgelopen 49 jaar, kan ik niet anders dan vaststellen dat ik heel tevreden ben. Dus proost! Op naar de 50!

Bijschrift bij de foto: 1973, toen ik nog met mijn kont in een emmer paste.

Held met terugwerkende kracht.

En toen had ik ineens een afspraak in het ziekenhuis met de arts van Frank. Ik alleen. Zonder Frank. En waarom? Omdat ik uitgerekend tegen déze arts ongelooflijk uit mijn dak was gegaan over de slechte communicatie met het ziekenhuis tijdens de bijna anderhalf jaar dat we er rond lopen. Geloof me; ik ben echt niet flauw. Waar gehakt wordt vallen spaanders en waar gewerkt wordt, worden fouten gemaakt. Maar echt, er is zoveel misgegaan. Wat precies, dat laat ik in het midden. Dat is niet van belang voor mijn verhaal.

Feit is dat ik ongelooflijk uit mijn plaat ging, na de zoveelste misser, en tegen onze favoriete dokter brieste dat ik al mijn vertrouwen in het ziekenhuis verloren had. Hij vond dat heel erg om te horen maar pakte het goed op. Uiteraard; want de artsen zijn top daar. Het is de slechte communicatie waar ik zo kwaad om was. Het resultaat was in elk geval dat ik een week later tegenover deze dokter zat, gewapend met mijn lijst met klachten. In tweevoud, want míjn administratie is wél in orde natuurlijk.

Hij is de arts die destijds Frank’s ribben en borstbeen aan elkaar knutselde omdat die, na een reanimatie van een uur (!), compleet aan gruzelementen lagen. Hij belde me, de dag van de operatie, ‘s avonds om tien uur nog op om te vertellen dat de operatie goed verlopen was. Ik was al bij Frank geweest dus ik wist dat al. Maar hij wilde het me nog even persoonlijk vertellen. Dat vond ik erg aardig.

Ik ontmoette hem pas een paar weken later. Want hij was ook de arts die de bloeding achter Frank’s borstbeen verwijderde. Ik stond op de gang te wachten tot hij klaar was. Toen kwam hij naar buiten, schudde me vrolijk de hand en zei: “Frank doet het prima!”. Hij gaf me een schouderklopje, zei “U ook trouwens!” en liep weg. Ik keek hem na en voelde me oud. Want hij leek piepjong. Met zijn lange lijf, zijn fladderende witte jas en zijn nét iets te lange haar leek hij zo weggelopen uit Medisch Centrum West.

En nu nam hij alle tijd om naar me te luisteren. Naar al mijn klachten. Naar al mijn vragen. En ik was nog dagenlang onder de indruk van ons gesprek. Want ik heb nooit begrepen waarom Frank zolang gereanimeerd is. Sterker nog; ik ging er vanuit dat dat alleen voorbehouden was aan de prinsen van deze wereld. Maar nee, dat gebeurt ook bij ‘gewone’ mensen.

Ik dacht dat deze dokter pas in beeld kwam bij de operatie aan Frank’s borstbeen. Ik hoorde nu pas dat deze dokter al vanaf het allereerste begin contact had met de ambulancebroeders. Dat ze, bij ons thuis, zo lang doorgegaan zijn met reanimeren was op zíjn advies, ondanks alle botbreuken. Omdat deze dokter ervan overtuigd was dat hij het kon fixen.

Ik begreep nu pas waarom deze dokter ooit zei dat hij Frank liever ‘met de hand’ gereanimeerd had maar dat het daarvoor te laat was. Want ik hoorde nu pas dat hij de reanimatie overgenomen heeft toen Frank in het ziekenhuis aan kwam. “Man!” zei hij “Wat was-ie er slecht aan toe! Met zijn fladderthorax! Ik dacht een paar keer ‘we gaan het niet redden’ maar het is toch gelukt!”

Ik snap nu pas waarom hij vaak zomaar even binnen liep als wij voor wondcontrole in het ziekenhuis waren, toen Frank voor een infectie aan de wond vacuumtherapie kreeg. Hij vertelde hoe trots hij is op zijn werk maar dat hij niet koste wat kost wil reanimeren met alle mogelijke slechte gevolgen van dien.

Hij vertelde hoe blij hij steeds was om Frank te zien tijdens die wondcontroles. “Dat-ie daar zit en grapjes maakt en zit te lachen! Dat vind ik geweldig! Het is uitzonderlijk dat iemand zo’n reanimatie geestelijk zó goed doorstaat. Ik heb veel gezien maar dit… Een medisch wonder!” En hij vertelde hoe moeilijk hij het vindt dat Frank nog steeds zoveel pijn heeft en dat hij – chirurgisch gezien – niks meer voor Frank kan doen en hem over moet laten aan de pijnpoli.

Samen namen we mijn lijst met klachten door. Al lezend, hoorde ik hem af en toe diep zuchten. En uiteindelijk gaf hij me het advies de hele lijst gewoon zó in te sturen*. Waardoor ik bevestigd kreeg dat ik me niet aanstelde, dat onze klachten inderdaad reële klachten waren en geen gezeur van mijn kant.

Uiteindelijk hebben we nog even gezellig gebabbeld. Hij vertelde over zijn werk en wilde ook nog even weten hoe het nu met Frank gaat. Ik vertelde dat het -afgezien van de pijn – best goed gaat. Ik vertelde hoe blij we zijn dat Frank er nog is en ik vertelde hoe vreselijk veel lol Frank kan hebben om hele kleine dingen. We hebben elkaar hartelijk de hand geschud bij het afscheid. En hij vertelde me nogmaals hoe blij hij is om te horen dat Frank lol heeft in het leven.

Eén dokter. Eén dokter heeft destijds een besluit genomen dat Frank’s leven gered heeft. Sterker nog; hij neemt iedere dag dat soort beslissingen. Daar heb ik diep respect voor. Ik keek hem na toen hij wegliep. Met zijn lange lijf, zijn fladderende witte jas en zijn nét iets te lange haren. Met terugwerkende kracht is hij mijn held.

* mijn lijst met klachten is inmiddels keurig in behandeling genomen door het ziekenhuis.

Zo kom je nog eens ergens. Alweer.

En toen mochten we dus gaan stemmen. Voor de gemeenteraad. Of nou ja… ‘Mochten’… Ik móet gaan stemmen. Dat moet van mijn vader, die er al een kwart eeuw niet meer is, maar die mij tijdens onze 24 jaren samen steevast, bij iedere verkiezing, vertelde hoe enorm hard er gevochten is voor stemrecht voor vrouwen. En dat ik daar dus écht gebruik van moet maken. Dat doe ik dus braaf. Elke keer weer.

Dit jaar vond ik het best lastig. Ik woon net in een nieuwe gemeente en ik heb geen idee wat er speelt in ons dorp. Op de dag zelf las ik dus nog snel even de verkiezingsprogramma’s door en maakte mijn keuze. Daarna scheurde ik de envelop met mijn stempas open om te kijken waar ik mocht stemmen. Op mijn stembiljet prijkte, heel simpel, de locatie: De Brandweer.

Ik moest er een beetje om grinniken. De Brandweer! Hoe gaaf is dat! Want tijdens de jaren dat ik als secretaresse/koffiejuf bij een Volvo-vrachtwagendealer werkte, ontwikkelde ik een lichte fascinatie voor ‘De Brandweer’. De glimmend rode auto’s met al hun toeters en bellen, die bij ons in onderhoud waren, vond ik prachtig.

En oké, de bijbehorende stoere brandweermannen vond ik ook best interessant. Destijds nog vrijgezel en enorm gehecht aan mijn privacy, leek een brandweerman mij de ideale partner. 24-uurs diensten, hè! Tegen de tijd dat je zo’n kerel beu bent, vertrekt-ie weer naar de kazerne en tegen de tijd dat je ‘m gaat missen, komt-ie weer thuis. Ideaal leek me dat! Op een of andere manier is die brandweerman er nooit gekomen. Maar mijn liefde voor glimmend rode brandweerauto’s is gebleven.

Dus met mijn rijbewijs en mijn stembiljet in de aanslag, zocht ik de brandweerkazerne op die zich vlak bij ons om de hoek bleek te bevinden. Het was donker en ik ben nachtblind dus de eerste deur die ik zag, duwde ik open en stapte ik binnen. In de veronderstelling dat ik het stembureau gevonden had.

En toen stond ik dus ineens in de garage van de brandweer. Met rechts van mij minstens zes geweldig mooie, glimmende, rode brandweerauto’s. En, ja! Ook een Volvo! En een Magirus! En oh wauw! Toen ik naar links keek, stonden daar minstens tien stoere, echte brandweermannen mij verbaasd aan te kijken.

‘Ehhh’ stamelde ik, terwijl ik het gevoel had dat ik in een Coca-Cola-light-break-reclame terecht gekomen was. ‘Pardon. Ik zoek het stembureau.’ Een van de brandweermannen kwam naar me toe. ‘Dan moet je de volgende deur hebben. Kom maar, dan loop ik even mee.’ Ik had inmiddels mijn stem terug gevonden. ‘Eigenlijk weet ik best wel waar dat is’ grapte ik ‘maar ik wilde gewoon even hier binnen kijken!’ Alle brandweermannen moesten lachen en ik vond het vreselijk stoer van mezelf dat ik zomaar een grapje durfde te maken temidden van zoveel mannelijk schoon.

Galant begeleidde de brandweerman mij naar het stembureau waar ik mijn stem uitbracht. Daarna ging ik braaf naar huis. Naar vriendje-lief. Want die is natuurlijk toch de allerliefste. Daar kan geen brandweerman tegen op. Maar het is toch een fijn idee dat er hier, pal om de hoek, tien hele stoere mannen waken over mijn veiligheid.