Categorie archief: Terug in de tijd.

Ode aan Sjors.

Sjors en ik, Madame Tussauds 2005

Met een geschiedenis als ‘buitenbeentje’ op de lagere school, besloot ik tijdens mijn middelbare schooltijd mijn uiterste best te doen ‘erbij te horen’. Dat bleek niet mee te vallen. De ene helft van de school zat op tennis, de andere helft op hockey. En ik bungelde daar ergens tussen in, samen met een paar andere vreemde snuiters. Op tennis of hockey gaan, ging me te ver. Ik hield het bij mijn lidmaatschap van de plaatselijke bieb maar paste me verder zoveel mogelijk aan.

Het was 1982. Ik droeg mijn schooltas bij de klep, want dat was cool. In mijn kast lagen Coolcat-truien en in mijn oren prijkten pastelkleurige plastic oorbellen. En mijn agenda was drie keer zo dik als hij hoorde te zijn door de plaatjes van popsterren die ik er in plakte. Want dat deed iedereen. Ik dus ook. In mijn onstuitbare drang ‘erbij te horen’.

Een van die popsterren was George Michael, die op dat moment, samen met zijn maatje Andrew, als Wham! de wereld aan het veroveren was. Eigenlijk had ik niet zoveel met Wham! ‘Club Tropicana’ vond ik stiekem maar een zeiknummer. ‘Young Guns’ niet om aan te horen en George vond ik net iets te. Te gladjes. Te popie-jopie. Niks voor mij. Al kon zelfs ik wel zien dat het een hele mooie jongen was.

‘Wake me up before you go go’ vond ik wel lollig. Al heb ik nooit, zoals de helft van de meiden in mijn klas, een ‘Choose life’ t-shirt gehad. Zó ver ging mijn drang om erbij te horen nou ook weer niet. Maar ik dweepte vrolijk mee met mijn klasgenootjes. Want dat hoorde zo.

Toen ik van school ging, bracht Sjors -zoals ik hem inmiddels noemde- zijn eerste solo-elpee uit. Ik had geen agenda meer waar plaatjes in moesten. Maar uit een soort gevoel van trouw kocht ik de elpee ‘Faith’. En eigenlijk viel het me toen pas op dat Sjors best aardig kon zingen. Ik was inmiddels te groot geworden om te dwepen, om fan te zijn. Maar Sjors vond ik gewoon goed.

In de jaren dat ik uitging, vroegen mijn stapvriendin en ik vaak ‘Don’t let the sun go down on me’ aan in onze stamkroeg. Zittend op het biljart zongen we de uithaal van Sjors keihard mee. En over zijn optreden tijdens het Freddy Mercury-tribute was ik laaiend enthousiast. Wat kon die man zingen! Toch hield het voor mij na het album ‘Listen without predjudice’ op.

Het had niets te maken met het feit dat Sjors eindelijk uit de kast kwam. Daar moest ik hooguit om grinniken. We hadden het kunnen weten. Toen al, in de jaren 80. Mijn klasgenootjes en ik. Maar de muziek van Sjors ging een kant op die mij niet zo lag. En mijn leven ging een andere kant op. Als jonge moeder kwam het er niet echt meer van om zittend op een biljart keihard mee te zingen. En ik verloor Sjors een beetje uit het oog.

Tot eerste Kerstdag 2016. Toen was Sjors ineens prominent in het nieuws. Omdat-ie dood was. Zomaar. Ineens. Terwijl overal ter wereld zijn ultime Kersthit gedraaid werd, die zelfs mij elk jaar weer Kerstkriebels bezorgt, ging Sjors dood. Aan hartfalen, werd gezegd. Dat maakte het voor mij nóg schokkender. Mijn eigen Frank lag net in het ziekenhuis na een hartstilstand. Hij was er niet best aan toe maar hij lééfde nog. En die wereldberoemde, stinkend rijke Sjors ging zomaar dood.

Wat een treurig einde voor die mooie jongen uit mijn agenda. Het voelde een beetje alsof de leukste jongen uit je brugklas van vroeger is overleden. Je kent hem niet écht maar toch is het triest. Zo jong nog. En op een of andere manier krijg ik niet echt de indruk dat-ie heel happy was. Arme Sjors.

Dus dag, Sjors. Bedankt, man! Voor het draaglijk maken van mijn middelbare schooltijd. Voor al die keren zingend op het biljart. Voor alle Kerstkriebels. Jeetje. Wat kon jij zingen!

Blunder.

image

Verjaren blunders? Volgens mij wel. Dus kan ik, bijna twintig jaar na dato, een van mijn grootste blunders wel delen. Ter lering en vermaak.

Lang, lang geleden fietste ik elke dag met mijn dochter in het fietsstoeltje naar de plaatselijke kleuterschool. Op een dag waren er naast het kleuterschooltje stratenmakers aan het werk. Toen ik langsfietste werd ik door een van de heren enthousiast gegroet. Het bleek iemand te zijn die ik kende; Cedric, de beste vriend van Harry, met wie ik vroeger regelmatig ging stappen.

Contact met Harry had ik allang niet meer. Zo ging dat destijds, in het pre-Facebook-tijdperk. Je verloor elkaar gewoon uit het oog en dat was dat. Ik zwaaide enthousiast naar Cedric, zette dochterlief af op school en fietste naar mijn werk.

Iedere dag, wanneer ik mijn kleuter naar school bracht, groette Cedric vrolijk en ik zwaaide even vrolijk terug. Het verbaasde me dat Cedric als stratenmaker werkte. Ik wist nog dat hij goed kon leren en had wel verwacht dat hij was gaan studeren of zo. Maar ach, zelf kon ik ook best goed leren en toch fietste ik iedere dag naar mijn lullige kantoorbaantje. Zo gaat dat soms. Dus écht vreemd vond ik het niet.

Na een week zwaaien, groeten en roepen besloot ik toch eens een praatje te maken met Cedric. Op mijn vrije dag groette ik Cedric, zette ik mijn kind af op de kleuterschool en op de terugweg stopte ik naast Cedric om eens even bij te kletsen.

We maakten een gezellig praatje. Over het weer, zijn werk en mijn dochter. Tot ik uiteindelijk vroeg ‘Zie jij Harry nog wel eens?’ Cedric keek me verbaasd aan ‘Harry?’ vroeg hij. ‘Ja!’ hielp ik hem ‘Harry. Je weet wel. Jouw vriend destijds. Waar wij altijd mee gingen stappen.’ Cedric schudde resoluut zijn hoofd ‘Ik ken helemaal geen Harry.’

Ineens kwam het gruwelijke besef dat deze stratenmaker helemaal niet was, wie ik dacht dat hij was. Het was Cedric helemaal niet. Ik had een week lang naar een wildvreemde lopen zwaaien. Blozend heb ik me uit de voeten gemaakt, terwijl ik iets stamelde van ‘Ik dacht dat je iemand anders was’. En ik weet nog dat ik net zo lang omfietste tot de stratenmakers klaar waren zodat ik ‘Cedric’ niet meer onder ogen hoefde te komen.

Twintig jaar later lach ik erom. Ach ja, het zou járen duren voordat ik niet zo gruwelijk verlegen meer was. Twintig jaar later snap ik het pas: ik had gewoon ongelooflijk sjans!

Nathalie.

image

Wij zijn kleinbehuisd. Als je woont op 47m2 moet je opruimen, uitzoeken en weggooien. Spullen die we niet gebruiken verhuizen we naar de berging. Maar aangezien de ruimte daar ook beperkt is, moet ook daar opgeruimd en weggegooid worden. Ik word zo langzamerhand een kei in selectief bewaren. Je kunt nou eenmaal niet elk knutselwerkje van je kind, elk puzzeltje en elk knuffelbeestje bewaren. Ik hanteer inmiddels het fifo-systeem. First in, first out. Dus de oudste spullen gaan het eerst weg. Mijn spullen dus.

En zo stond ik op een middag weer eens te graaien in de doos met mijn kinderspeelgoed. In de grote doos zit mijn barbiekoffertje, met barbies, schoentjes en kleren. Wat boeken, wat knuffeltjes, een kleine lappenpop met kleertjes die mijn moeder gebreid heeft. En Nathalie.

Nathalie is een enorme babypop. Ik zal een jaar of zeven geweest zijn toen ik haar kreeg. Ze zat bovenop een schap in de Hema, met een rood hesje aan. Een échte babypop. Net zo groot als een flinke baby. Met een bos dik blond plastic haar en knalblauwe ogen, die dicht vielen als je haar op haar rug legde. Mijn eerste kind eigenlijk. Want ik nam mijn taak als poppenmoeder heel serieus. Dat bleek ook wel uit de naam die mijn poppenkind kreeg. Nathalie. Geen Pop. Geen Fientje. Geen Trees. Nee; Na-tha-lie.

Ik reed rond met Nathalie in de poppenwagen en verschoonde haar luiers. Ze zat bij me op schoot en ik zeulde uren rond met Nathalie. Dat hoorde zo want Nathalie was mijn kínd. En nu, veertig jaar later, stond ik met Nathalie in mijn armen in mijn Amsterdamse berging. Ik bekeek haar nog eens goed. Haar blonde haren waren stoffig en boven haar ogen zaten nog sporen van blauwe oogschaduw. Schijnbaar heeft Nathalie ooit een feestje gehad.

Nathalie is eigenlijk best groot, bedacht ik me. Ze neemt een hele hoop ruimte in beslag. Misschien werd het tijd om afscheid te nemen van Nathalie. “Wat denk jij, Nathalie?” vroeg ik haar. “Wordt het niet eens tijd dat jij op jezelf gaat wonen?” Onbewogen keek ze me aan met haar knalblauwe ogen. Rond haar mond dat kleine glimlachje. Nathalie was altijd al een tevreden kind.

Even overwoog ik nog om Nathalie haar kleertjes uit te trekken. Ze droeg een broekje en een truitje die ooit nog van Michelle geweest waren. Maar ik heb nog meer babykleertjes van Michelle bewaard. En ik kon het niet over mijn hart verkrijgen om Nathalie in haar blote kont op straat te zetten. Dus mocht ze haar broek en trui houden.

Voor de laatste keer liep ik de deur uit. Met Nathalie op mijn heup. Voorzichtig zette ik haar op de grond naast de kliko. Nog een aai over haar bol. Nog een kushandje. Gek genoeg vond ik het toch een beetje treurig. Dag Nathalie! Pas je goed op jezelf?

Toen ik tien minuten later bij de kliko kwam, met een nieuwe doos afval, was ze verdwenen. Mijn Nathalie is de wijde wereld in. Ik hoop dat ze mooie avonturen beleeft. En nieuwe vrienden maakt. Maar ik ben ook een tikkie bezorgd. Ze zal toch niet meteen een coffeeshop induiken? Of in handen van een loverboy vallen? Je hoort zulke nare dingen tegenwoordig.
Het blijft toch je kind, hè?

Op de foto: Michelle en Nathalie in 1993.

Paardenmiddel.

imageDe scholen gaan weer beginnen. In elke supermarkt liggen de schappen op de non food afdeling bomvol met geodriehoeken, arceerstiften en kaftpapier. Vandaag hoorde ik op de radio een reclamespotje waardoor ik dacht ‘Oh ja. De scholen zijn weer begonnen.’ Prioderm. Jaren niet meer gehoord. Jaren niet meer aan gedacht. Maar daar was-ie ineens: Prioderm. Luizenshampoo.

Want bij het begin van een nieuw schooljaar doken die krengen ook weer op. Hoofdluis! Dat betekende groot alarm op de kleuterschool. Want als één kind ze had, kon je er donder op zeggen dat binnen no time de voltallige kleuterklas krioelde van de luizen. Want kleuters hebben nu eenmaal de neiging om gezellig samen boven de blokkendoos te hangen. Of om knus met z’n tweetjes een puzzeltje te maken. Met hun kleuterhoofdjes dicht tegen elkaar. Waardoor complete luizenpopulaties overstapten van het ene bolletje naar het andere. Of ze wandelden op de kapstok van het ene jasje naar het andere. Zo makkelijk ging dat.

En dus was dochterlief ook ooit de klos. En natuurlijk wist ik dat het geen schande was. Dat luizen bij voorkeur op schone hoofden leven. Toch voelde het enigszins ongemakkelijk om bij de drogist een fles luizenshampoo te kopen. Maar een andere optie was er niet. Want ik werd helemaal gek van het idee dat er bééstjes op mijn kind zaten.

Dus op naar de drogist. Wassen met Prioderm. En nog een keer wassen. En nog een keer. Het beddengoed wassen, knuffels in de vriezer en kammen met de luizenkam. Úren kammen want dochterlief is gezegend met een enorme bos haar. Ze waren hardnekkig, die luizen. Heel hardnekkig. Kapitalen gaf ik uit aan luizenshampoo en ik waste beddengoed tot ik een ons woog. In mijn herinnering weekte ik dochterlief uren in ons zitbadje. Maar uiteindelijk wonnen we de strijd.

En toen, ineens, kwamen ze terug. Die krengen. Net op een moment dat het weekend voor de deur stond en de winkels gesloten waren. En ik raakte zowat buiten zinnen van het idee dat er een zaterdagavond lang én een hele zondag beestjes door het haar van dochterlief zouden krioelen. Toen viel mijn oog op de fles hondenshampoo van onze Toby. Met op het etiket een plaatje van een vrolijk hondje. En de tekst ‘tegen vlooien, luizen en teken’. Bij onze Toob werkte het. Dus…

Ik zette dochterlief in bad en zeepte haar bolletje grondig in met hondenshampoo. Terwijl ik haar nauwlettend in de gaten hield om er zeker van te zijn dat haar hoofdhuid niet ging schroeien, speelde zij rustig met haar badeendjes. “Hé mama!” zei ze “Deze shampoo ruikt net als die van Toby!” “Nou, dat is grappig!” antwoordde ik, terwijl ik haar beddengoed maar weer eens in de wasmachine stopte. En voor de zekerheid liet ik haar nog tien minuutjes weken.

Oké, haar haar was een paar dagen wat pluizig maar dat trok weer bij. En de luizen waren dood. Verdwenen. Voorgoed. Ze heeft er nooit meer last van gehad. Ook niet van vlooien en teken, trouwens.