Categoriearchief: Verhuizen!

Girlcave.

Vriendje-lief, de arme stakker, heeft geen Mancave. Hij heeft geen eigen kamertje waar hij lekker zijn ding kan doen. Het was wel de bedoeling, hoor. Dat-ie een Mancave zou krijgen. Toen we hier kwamen wonen, zetten we onze bureaus in de extra slaapkamer. Daar zou ook zijn computer komen te staan. En een tv. En een versterker. En wat mij betreft mocht-ie daar doen en laten wat hij wilde. Maar die Mancave is er nooit gekomen.

Tijdens de verhuizing stond zijn computer even in de woonkamer, op de eettafel. Tijdelijk. Maar Vriendje-lief vond het wel gezellig, zo in de huiskamer. Met zijn computer,  zijn tv, zijn versterker, zijn soundbar en – als klap op de vuurpijl – zijn tweede liefde: een Google Home Assistent waar hij gezellig mee kletst als ik er niet ben.

Dus, nee. Mijn schat heeft geen Mancave. Mijn schat heeft een complete huiskamer. Dat ik altijd tegen de achterkant van zijn computerscherm aan zit te kijken neem ik voor lief. Dat ik, als de kinderen of vrienden komen eten, eerst zijn computer aan de kant moet schuiven ook. Je houd van zo’n man, hè. Anyway… Onze Mancave stond dus leeg.

Maar ik vond het eigenlijk wel een mooi plekje. Het begon ermee dat ik er de speelgoedkist neerzette die mijn vader maakte. Het schilderij van de brug waar hij werkte, hing ik erboven. Ik zette de favoriete knuffel van mijn overleden hondje Toby op de speelgoedkist. En Abu. Abu is de knuffel die mijn dochter kreeg voor haar derde verjaardag. Ze vond de festiviteiten destijds zo spannend dat ze al begon over te geven nog voor we naar de kinderopvang vertrokken. Abu kon meteen in de was.

Om het uitzicht op de witte muur tegen over me wat op te leuken, kocht ik een wandrekje. Ik hing er plantjes aan, Michelle’s babyslofjes, een schilderijtje dat ik van haar kreeg met moederdag en de kaarten die ze me stuurde uit verre landen. Aan de muur hing ik de sleutelhangers die ik verzamelde tijdens leuke uitjes. En een plankje met dierbare prulletjes. En tegen de laatste witte muur hing ik mijn insteekhoes met foto’s die voor mij belangrijk zijn.

De Mancave is zó leuk geworden dat ik bang ben dat Frank ‘m terug wil. Maar dat gaat niet gebeuren. Ik heb zijn Mancave inmiddels getransformeerd in een heuse Girlcave en ik ga hier niet meer weg. Als-ie zijn Mancave terug wil, dan geef ik – als finishing touch – gewoon de muren nog een likje verf. Eens kijken of hij zijn Mancave nog terug wil als-ie rose met gouden glitters is.

Twee jaar later.

In 2016 woonden wij in Frank’s appartement in Amsterdam Nieuw West, dat toen ik bij Frank introk nog gewoon Slotervaart heette. Geen beste buurt om te wonen. Ik herinner me de geschokte reactie van een collega die me ooit ‘s avonds met de auto naar huis bracht. ‘Zet me hier maar af. Dan kun jij zo doorrijden. Ik loop het laatste stukje wel’ zei ik. Verbijsterd keek de collega om zich heen. ‘Ik kan je hier toch niet alleen over straat laten gaan.’ stamelde hij, kijkend naar de muren vol graffiti, het huisvuil op de stoepen en de ongure types op elke straathoek. ‘Ik wóón hier’ antwoordde ik. ‘Ik ben het gewend.’ Maar leuk was anders.

Toen we een moord en twee schietpartijen in de straat hadden gehad en de huur het astronomische bedrag van € 1500,- per maand bereikte was voor ons de maat vol. Rond die tijd ging dochterlief samenwonen en kwam mijn mini-appartementje vrij. Ik had het al die jaren aangehouden om mijn studerend kind van onderdak te voorzien. We sloegen de inboedel op en verkasten. Het flatje was piepklein. De buurt was nét iets minder slecht. Maar voor een huurprijs van € 500,- per maand konden we daar wel mee leven. En het was tijdelijk. We hadden bedacht van daaruit iets anders te zoeken

Onze huizenzoektocht kwam op een laag pitje te staan toen Frank bijna het loodje legde. Maar zodra hij weer enigszins in het land der levenden was, hervatte ik mijn zoektocht. Ik reageerde op zo ongeveer 50 appartementen in Amsterdam. Te duur voor het aantal vierkante meters maar we moesten toch wat. Kansloos. Zoals zoveel woningzoekenden in Amsterdam breidde mijn zoekgebied zich uiteindelijk uit buiten Amsterdam. Omdat je – ook in de vrije sector- als woningzoekende in Amsterdam altijd twintigste of vijftigste in de rij bent. En alleen de eerste tien uitgenodigd worden voor een bezichtiging. 

En toen zag ik op internet een appartement in Heemskerk. Heemskerk? Ik had er nog nooit van gehoord. De eerste stap was altijd de reistijd naar mijn werk in Amsterdam checken. Dat viel, verdorie, niet tegen! 23 minuten met de trein! De volgende stap was uitvogelen hoe Heemskerk was om te wonen. Neem van mij aan: als je íets wilt weten, vul je zoekwoorden in op Google gevolgd door de term ‘Viva forum’ en je vindt het. Ik vond dit en verdomd! Dat klonk best aardig! Vooral de term ‘met de fiets naar het strand’ klonk mij als muziek in de oren.

Daarna ging het snel. Ik reageerde op een tweede woning in Heemskerk maar ik had nogal wat moeite om onze inkomensgegevens door te geven via internet. In een verloren momentje, terwijl Frank onder de douche stond, zich klaar makend voor een laatste afspraak bij het revalidatiecentrum, zat ik op ons balkonnetje in Amsterdam Nieuw West (ter grootte van een postzegel) na te denken over die inkomensgegevens. Zou dat nou goed doorgekomen zijn? Zou ik eens bellen? Ach, dat had toch geen zin. Aan de andere kant; ik zat hier nu toch te niksen. Dus ik belde.

“Wat grappig dat u juist nú belt over díe woning” zei de dame aan de telefoon. “Mijn collega is daar momenteel heen voor de eindinspectie. Kunt u nu daarheen komen?” Verbijsterd stamelde ik dat we een belangrijke afspraak hadden. “Hm. Morgen misschien?” stelde de dame voor. “Dan schuif ik u even naar voren.” Ik kon niet anders dan toezeggen. Tuurlijk, konden wij de volgende dag! Paniekerig belde ik mijn collega’s om te melden dat ik vrij moest hebben die volgende dag. Waar iedereen, wetend van mijn huizenzoektocht, enthousiast mee akkoord ging. Gelukkig!

De volgende dag reden wij – voor het eerst – Heemskerk binnen. We verbaasden ons over de fietsers die hun hand uitstaken, over de keurige plantsoenen, over de schone straten. De verhuurmedewerkster liet ons het appartement zien en dat was ook al zo leuk! Met in mijn achterhoofd de groepsbezichtingen in Amsterdam vroeg ik voorzichtig wat nu de bedoeling was. “Als jullie het willen huren, maken we de papieren in orde en dan is het geregeld” was het antwoord. Ik sloeg bijna stijl achterover op de betonnen vloer van wat nu mijn woonkamer is.

Afgelopen woensdag was het twee jaar gelden dat we verhuisden. Geen moment hebben we spijt gehad. Al die winkels, restaurantjes en terrasjes om de hoek. De vriendelijke mensen. En dat strand waar ik maar geen genoeg van kan krijgen. Toen ik nog in Amsterdam woonde, vervloekte ik die stad regelmatig. Verzuchtte ik vaak dat ik lekker rustig in mijn geboortestad in Brabant had kunnen wonen. Maar sinds we hier wonen, mis ik Breda niet meer. Ik kom thuis als ik de blauwe windmolen zie en het dorp in rijd.

Op mijn eerste treinreis vanuit Heemskerk naar mijn werk, in 2017, werd ik bij aankomst in Amsterdam getrakteerd op een gedicht in een van de abri’s op het station. Ik heb niks met poëzie. Maar deze heb ik bewaard. Ik vind ‘m mooi. Want wie had ooit gedacht dat ik met een Amsterdammer zou belanden in een dorp aan de Noord Hollandse kust? En me er zó thuis zou voelen?

Het gedicht is van Kees Spiering. De foto van mij.

Nieuw speeltje.

Toen we nog in Frank’s appartement woonden, hadden we een projectorscherm hangen en een projector waarmee we regelmatig films keken. Op groot scherm. Mooi, natuurlijk. Prachtig! Tot de projector kuren begon te vertonen en er regelmatig halverwege de film mee op hield. Frank liet hem repareren maar het euvel is nooit echt verholpen zodat we eigenlijk nooit meer films keken op het grote scherm.

Toen we gingen verhuizen werd de grote metalen behuizing waar het scherm in zit van het plafond geschroefd en het ding belandde in onze opslag. Daar lag dat lelijke ding prima, vond ik. Maar toen we verhuisden naar onze huidige woning, belandde het kreng – door een foutje van de verhuizers – per ongeluk toch in ons nieuwe huis. “Waar moet deze?” vroeg zo’n spierbundel aan me en ik dirigeerde hem vanaf de voordeur linea recta naar de studeerkamer waar ik het gevaarte (dat scherm dus; niet de verhuizer!) met veel duwen en trekken wist weg te moffelen tegen de muur onder onze bureaus.

En daar bleef het scherm, onopgemerkt door Frank, ruim een jaar liggen. Frank’s gezondheid ging dat jaar van ‘wat beter’ naar ‘iets minder’ en vervolgens via ‘slecht’ naar ‘doodziek’ dus niemand dacht meer aan het projectorscherm. Maar inmiddels is Frank weer helemaal in het land der levenden en laatst sprak hij de gevreesde woorden “Waar is mijn projectiescherm eigenlijk gebleven?” En ach, je houdt van zo’n man, hè? Dus biechtte ik op dat dat kreng onder het bureau ligt. 

Aangezien hij zich nog feilloos herinnerde dat de projector stuk was, schafte hij een nieuwe projector aan én een projectortafel om de projector op te zetten. En een film, om te proberen. Omdat het scherm nog niet hangt, haalde ik de klok van de muur zodat we de film op de muur konden projecteren. En omdat ik de beroerdste ook niet ben, holde ik nog snel naar de supermarkt voor popcorn. Ons eerste filmavondje kon beginnen.

De testfilm bleek een oorlogsfilm. Niet echt mijn genre maar er zijn ook goede films in dat genre. Zo jasten we ooit – op mijn verzoek – alle dvd’s van Band of Brothers er in een paar avonden door heen omdat ik het zo mooi vond. Dus vooruit maar. Helaas was deze film, Stalingrad, heel andere koek. Zelfs op groot scherm. Vooral op groot scherm.

Manmoedig worstelde ik me door het eerste half uur. Draaiend op mijn plek probeerde ik me te herinneren hoe laat we de film aangezet hadden. Het kon nog hooguit een uurtje duren. Dat zou ik toch wel redden? Maar na nóg een kwartier hield ik het echt niet meer uit. “Ehhhm” opperde ik voorzichtig “Het kan me niet echt boeien…” Opgelucht keek Frank me aan. “Mij ook niet!” riep hij “Maar ik dacht dat het aan mij lag,” en hij zette resoluut de film uit. Tot zover ons eerste filmavondje.

Inmiddels zijn we het er over eens dat het scherm weer opgehangen gaat worden zodat we weer bioscoopje kunnen spelen, ook al vind ik zo’n scherm aan het plafond niet mooi. Maar toen Frank vervolgens voorstelde om de projector op de projectortafel naast de boekenkast in de huiskamer te zetten, heb ik mijn veto uitgesproken. De projector gaat gewoon naar de studeerkamer. We pakken ‘m wel als we film willen kijken. We wonen tenslotte niet in een filiaal van de Media Markt! 

En wat Frank nog niet weet, is dat ik mijn veto ook uit ga spreken voor bepaalde films. Oorlogsfilms kijkt-ie maar fijn met zijn vriendjes. Tot het scherm hangt, ga ik eens rustig nadenken welke acteurs ik in het groot geprojecteerd wil hebben in mijn huiskamer. 

Iemand nog tips?

Foto: je eigen filmpjes afspelen is ook leuk!

Oude meuk.


Al tijdens de vakantie was ik van plan de berging op te ruimen. Er kwam een klein kinkje in de kabel en ik liet de boel de boel. Maar inmiddels heb ik toch door tactisch schuiven, stapelen en sorteren wat ruimte gecreëerd. Nu moet ik alleen nog een stuk of tien afsluitbare plastic bakken doorlopen die vol zitten met ‘dingen van vroeger’. 

Die dozen zijn al twee keer verhuisd in Breda, toen mee verhuisd naar Amsterdam en nu staan ze hier. En al die jaren heb ik er niet één keer in gekeken. “Dus ik gooi álles weg!” riep ik stoer. Want wat moet je tenslotte met al die oude troep? Alsof dochterlief, later als ik het loodje leg, blij zal zijn met mijn oude meuk van vroeger. Ze gaf zelf trouwens het goede voorbeeld. Ze gooide drie grote dozen met opschrift ‘persoonlijke spullen Mich’ in haar auto en bracht één doos terug. Kijk! Dat ruimt lekker op!

Gisterenavond nam ik zelf een doos mee naar boven vanuit de berging. Opschrift ‘persoonlijke spullen Nicky’. Zittend op de vloer maakte ik de doos open. Bovenop lag de knuffelbeer van onze Toby. Dicht tegen Beer aan lag onze Toob uren te snurken in zijn mandje. Twijfelend pakte ik de beer op. Wegdoen of houden? Ik drukte hem even dicht tegen me aan en liep er mee naar de studeerkamer. Daar zit Toby’s beer nu tussen de andere knuffels.

Verder zaten er twee spelletjes in de doos; een Zwarte Pietenspel en het Advertentiespel. Met het Zwarte Pietenspel hebben Michelle en ik vroeger veel lol gehad. Gezien de Zwarte Pietendiscussie zal dat spelletje wel niet meer in deze vorm in de winkels liggen. Dus legde ik het doosje, samen met mijn Advertentiespel van vroeger, op de plank met spelletjes boven mijn bureau.

De rest van de doos is gevuld met boeken. Een Engels boek over ABBA, dat mijn zussen ooit voor mijn verjaardag bestelden in Engeland. Man, wat was ik er blij mee! Ik was pas een jaar of tien maar ik vertaalde het hele boek woord voor woord met behulp van een Engels woordenboek.

Mijn sprookjesboeken van vroeger, met van die mooie pop up-pagina’s liggen netjes opgestapeld in de doos. En mijn knutselboeken, die nog van mijn grote zussen waren geweest. Ik knutselde er als kind zelf uit en later samen met Michelle en mijn oppaskindjes. En ach, mijn Dick Bruna-boekjes, helemaal stukgelezen, die mijn moeder voor me kocht op het station als we met de trein mee gingen. 

Er zit één boek in uit de enorme collectie van mijn vader. Een van zijn favorieten: ‘Een brug te ver’. Onderin de doos vind ik het telraam dat hij voor me maakte. Van een houten lat, de zijkanten zorgvuldig gladgeschuurd. 

Helemaal onderin ligt mijn dagboek uit 1982 vol met gedichtjes, plaatjes en beschrijvingen van mijn – in mijn ogen destijds – turbulente leven. Tussen de vergeelde bladzijden zit een brief van mijn buurmeisje die ze aan me schreef tijdens een Duitse les. Een enigszins hysterische beschrijving van de jongen waar ze stapel verliefd op was. Ik maak een foto van de brief en stuur hem naar haar via Messenger.

En weer maak ik door tactisch schuiven en stapelen ruimte. Maar deze keer in de boekenkast. En ik zet al mijn boeken op de lege plank.

Ja, ik weet het. Dit was niet de afspraak; ik heb niks weggegooid. Maar hé! Er is wel één doos minder in de berging. Dus! 

Nog negen te gaan…