Categoriearchief: Werk

Social distancing – Week 1

Mijn werkplekkie

En toen had het Coronavirus ons zo in de greep dat ‘social distancing’ geadviseerd werd. Beperk je sociale contacten, blijf thuis. ‘Geen probleem!’ dacht ik stoer want ik was in de veronderstelling dat ik als huismus – het liefst op de bank met een boek – daar geen hinder van zou hebben. Maar zelfs bij mij viel de agenda leeg en verviel ik in een apathische lamlendigheid.

Ik werk veel thuis en ga af en toe met de auto naar kantoor. Dat bleek al meteen een valkuil. Want dan hoef ik niet zo vroeg op. Dus kan ik laat opblijven. Dus mocht ik ook best een wijntje. Dus ik deed wat huismussen doen: ik hing op de bank met een e-boek. En een wijntje. En toen we op een van mijn ‘kantoordagen’ een conference call hadden met alle collega’s, zag niemand dat ik in mijn oudste kloffie op kantoor zat.

Beweging had ik ook al  niet. Want tja, mijn pilateslessen gaan niet door. Het zwembad is dicht. Overmacht. Dat ik normaal gesproken ook veel fiets en wandel, vergat ik voor het gemak even. En ik had natuurlijk graag de hele week verantwoord en gezond gekookt (kuch). Maar om de plaatselijke horeca te steunen, bestelden wij donderdag een enorme avondmaaltijd bij ons favoriete restaurant. We zijn tenslotte de beroerdste niet en altijd bereid de zo getroffen horeca een handje te helpen. Volgevreten rolde ik donderdagavond – alweer veel te laat- mijn bed in.

Na slechts één week social distancing zat ik op vrijdagmorgen als een wrak achter mijn laptop om aan het werk te gaan. In mijn pyjama. Met mijn haar in een slordige knot en de slaapvouwen nog in mijn gezicht. En om negen uur ‘s morgens liep mijn buurvrouw van links voorbij mijn raam. Ze zwaaide vrolijk, met de krant onder haar arm, die ze iedere morgen op de mat legt bij mijn buren rechts. Ze is 83 en nog wat, geloof. Maar ze zag er een stuk fitter uit dan ik met mijn vijftig lentes jong.

Om half tien, terwijl ik me door het eerste rapport worstelde, kwamen de buren van rechts voorbij mijn raam. Ze zijn 85+ en hij is zwaar Parkinson-patiënt. Maar hij zag er keurig uit, achter zijn rollator, met zijn hoed op. Zij, ook 85+, had dus kans gezien haar man piekfijn aan te kleden om een wandeling te gaan maken. Zelf zag ze er ook uit om door een ringetje te halen. Keurig aangekleed en haartjes in de krul. Beschaamd zwaaide ik naar hen en nam een drastisch besluit.

Volgende week doe ik het anders. Volgende week ga ik op tijd naar bed. Zonder wijntje. Ik sta op tijd op. En ik kruip aangekleed, opgedoft en met mijn haartjes in de krul achter mijn laptop. Mijn Pilateslessen kan ik na drie jaar ook zelf wel. Ik ga wandelen in stille parken en fietsen in een stille polder of op de hometrainer. En gezond eten. Ik móet wel want deze rare tijd bewijst wat ik eigenlijk al wel wist; zonder de routine van mijn baan lig ik no time in de goot.

En? Hoe was jouw week?

Een andere wereld.

Afstand houden

Het begon nog best lollig. Twee weken geleden. Op mijn tijdlijn op Facebook deelden mijn Brabantse vrienden ‘Het Brabants Corona-lied’. En iemand versierde zijn profielfoto met de hashtag #prayforbrabant. Haha. Zo grappig. Maar het lachen verging toen het aantal besmettingen in rap tempo opliep. Evenals het aantal overleden patiënten.

Dus appte ik mijn familie in Brabant dat ik dit weekend niet op bezoek zou gaan bij ons hoogbejaarde moederke in Breda. Omdat ik haar niet wil besmetten, mocht ik het virus stiekem onder de leden hebben. En ook omdat ik niet het risico wil lopen het virus mee naar huis te nemen omdat Vriendje-lief, gezien zijn medische voorgeschiedenis, toch tot de risicogroep behoort.

Dus bleef ik afgelopen zaterdag boven de sloot. Maar zondag, terwijl het aantal besmettingen nog verder opliep, bekroop me een ‘nu of nooit’-gevoel. Ik sprong in de auto en reed de anderhalf uur naar Brabant. Zonder Vriendje-lief-in-de-risicogroep. Ik ontsmette mijn handen voor ik het huisje van mijn moeder-in-de-risicogroep binnen ging. Ze zat in de linkerhoek op de bank. Ik nam plaats in de rechterhoek.

We kletsen bij. Meters van elkaar vandaan. Dronken niet eens koffie. Michelle appte ‘Knuffel je Oma plat van mij?’ ‘Wat denk je zelf?’ antwoordde ik. ‘Oh ja’ kreeg ik terug, met een treurige smiley. Ondertussen belde mijn collega. Op verzoek van onze baas. Of we even samen wilden overleggen over onze werktijden. Zodat steeds maar één van ons op kantoor is. Om besmetting te voorkomen.

Ik zwaaide mijn moeder gedag. Geen knuffel, geen kus, geen aai over haar grijze bolleke. Na nog geen drie kwartier qualitytime, ontsmette ik mijn handen en reed ik terug naar huis. Thuis logde ik op het systeem van mijn werk om de kandidaten van onze trainingen te mailen dat alle trainingen geannuleerd werden en dat alle afspraken omgezet werden in telefonische afspraken.

Ondertussen kreeg ik annuleringen binnen in mijn privé e-mail. De film waar Frank en ik heen zouden gaan. De workshop die ik met Michelle zou doen. Alles werd geannuleerd. Bij de sushi-zaak tegenover ons huis, die normaal gesproken pas sluit als ik naar bed ga, was om zeven uur alles al donker.

Vandaag ging ik naar mijn werk in een compleet andere wereld. Met de auto in plaats van de trein. Omdat er toch geen files zijn. En om geen virus op te lopen in de trein. Ik zat alleen op kantoor en kwam niet aan werken toe omdat er drie lieve collega’s belden om ‘even bij kletsen’ omdat ik daar in mijn eentje zat. Omdat onze klanten duidelijk om een praatje verlegen zaten, toen ik – voor de zekerheid – nogmaals belde om door te geven dat alle trainingen geannuleerd zijn. Ze hielden me allemaal aan de praat.

Ik vind het altijd best fijn om eens een dagje alleen op kantoor te zijn. Ik vind het ook best fijn om eens een dagje thuis te werken. Maar ik realiseerde me ineens dat ik mijn collega’s waarschijnlijk weken lang niet zal zien. En dat vind ik niet leuk.

Buiten scheen de zon. De eerste lekkere terrasdag. Maar een vriendin heeft gisteren haar horecazaak moeten sluiten. Er reden lege bussen voorbij. Met briefjes er op ‘Achteraan instappen a.u.b.’. Het kantoor naast ons, dat visa verstrekt voor de UK, en waar normaal gesproken mensen in en uit lopen, handelde hun zaken af via een klepraampje.

Om vijf uur sloot ik af. Morgen is het kantoor voor mijn collega en werk ik thuis. Ik was al om half zes thuis. ‘Elk nadeel heb zijn voordeel’. Geen files. Na het eten ging ik weer naar de supermarkt. Om de spullen te kopen die ik gisteren niet kon krijgen. Maar het wc-papier was weer op (Kappen, jongens! Echt!). Ik ben verwend, realiseer ik me. Ik weet niet wat ik mee maak. Om blij te zijn omdat er weer crackers zijn. Joehoe!

Het zal wel wennen. Maar ik werd er vandaag een beetje emotioneel wiebelig van. Dus toen ik op tv een filmpje voorbij zag komen van NAC-supporters in Breda die een spandoek ophingen op het Amphia-ziekenhuis met de tekst ‘Hier werken de helden van Breda’ heb ik even een traantje weggepinkt.

Heb jij dat nou ook?

De vrouw van de man met het hondje.

Maanden geleden zag ik hem voor het eerst. Bij het station Sloterdijk, in alle vroegte terwijl ik onderweg was naar mijn werk. Een man die zijn hondje uitliet. Het viel mij op omdat er niet veel huizen in de buurt zijn; ze moesten al best een flinke wandeling gemaakt hebben, zo ’s morgens in alle vroegte. Het hondje valt in de categorie ‘scharminkeltje’. Zo lelijk dat-ie leuk is om te zien. Ik moet er om glimlachen als ik het stel passeer. Maar de man kijkt stug voor zich uit en glimlacht niet terug.

Sindsdien kom ik de man met het hondje zeker twee of drie keer per week tegen. Dat schept een band natuurlijk. Dus glimlach ik elke keer als ik ‘m tegen kom vriendelijk. Maar de man glimlacht nooit terug. Hij groet niet, hij kijkt me niet aan. Hij loopt gewoon door, stug voor zich uit kijkend. Nou weet ik wel dat het in Amsterdam niet gebruikelijk is om passanten op straat te groeten. Maar ik ben verbaasd over zoveel onwilligheid. Dus houd ik vol. Ik blijf glimlachen en groeten. Maandenlang. Het wordt een soort persoonlijke kwestie. Ik moet en zal die man laten zien dat wereld zo slecht niet is.

Ondertussen bedenk ik me waarom de man met het hondje niet terug groet. Hij lijkt zo treurig. Misschien is-ie zijn baan verloren. Zit-ie al een tijdje werkeloos thuis en heeft-ie niets beters te doen dan rondjes lopen met zijn hond. Of misschien heeft-ie zijn vrouw niet verteld dat hij zijn baan kwijt is en loopt-ie de hele dag buiten terwijl zijn vrouw denkt dat-ie op zijn werk is. Maar dan zou hij de hond niet meenemen. Toch?

Of misschien heeft de man met het hondje wel helemaal geen vrouw. Maar om daar nou zo treurig van te worden? Nou ja, misschien is zijn vrouw er vandoor. Met zijn beste vriend. Dat zou wel iets verklaren. Of misschien is het nog veel erger.

In mijn gedachten wordt de reden van zijn stugheid steeds dramatischer. Misschien is zijn vrouw wel overleden. Is de man met het hondje een treurende weduwnaar die zijn vrouw verloren heeft bij een gruwelijk ongeluk. Of aan een slopende ziekte.

En daarna kreeg hij natuurlijk ruzie met zijn kinderen, die hun kindsdeel wilden hebben en wilden dat hij zijn huis verkocht. Het huis waar hij met zijn overleden vrouw zo gelukkig was. Wat een rotkinderen! En nu houden ze natuurlijk ook nog de kleinkinderen bij hem weg. En nu zit-ie daar. Moederziel alleen met zijn hondje. En daarom gaat de man iedere dag een hele lange wandeling maken met zijn hondje. Want dat hondje is het enige dat-ie nog heeft.

Zo iets treurigs moet het zijn. Het was zomer toen ik de man met het hondje voor het eerst zag lopen. Inmiddels is het winter. Ik heb een half jaar vriendelijk gegroet. Allerlei rampscenario’s die zouden kunnen verklaren waarom de beste man zo treurig kijkt, zijn in mijn gedachten de revue gepasseerd. Maar de man met het hondje geeft nog steeds geen sjoege. Geen glimlachje, nog geen knikje kan er van af.

Het zou zomaar kunnen, dat wat ik bedacht heb, waar is. Maar het zou ook zomaar kunnen dat de man met het hondje gewoon een ongelooflijk chagrijnige vent is. Met een verschrikkelijk ochtendhumeur. Misschien heeft-ie thuis wel een schat van een vrouw zitten. Kerngezond en springlevend. Die hem iedere morgen kordaat de deur uit stuurt. Met de hond.  “Ga jij maar even wandelen. Tot je humeur wat beter is. En neem meteen die hond mee.”  Omdat ze geen zin heeft om tegen zijn chagrijnige hoofd aan te kijken. Dat kan natuurlijk ook. 

Ik zie voor me hoe de vrouw van de man met het hondje, in alle rust, geniet van het eerste kopje koffie van de dag. Ergens in een warme keuken met vrolijke gebloemde gordijnen. Waar de radio zachtjes aanstaat en het naar vers gebakken broodjes ruikt. Terwijl ondertussen haar chagrijnige echtgenoot buiten loopt met de hond. In de kou.

En eigenlijk is dat in mijn hoofd het leukste scenario. Ik denk dat ik deze houd.

Teer zieltje.

In alle vroegte kom ik aan op station Uitgeest om de trein naar mijn werk te nemen. Mijn trein staat er al. De sprinter van 7.33 uur. Maar alle lichten zijn uit. Het ziet er gek uit. Zo gek dat ik met mijn mobiel een foto maak van de donkere trein en die naar mijn collega app. ‘Hij is stuk. Ik ben later.’

Op het perron wacht ik op de volgende trein. Mijn trein is niet stuk, zo blijkt uit het omroepbericht dat even later klinkt. Wegens een aanrijding met een persoon rijden er minder treinen naar Amsterdam. Ik krijg altijd kippenvel bij zo’n bericht. Starend naar het donkere spoor, denk ik aan de mensen die nu het slechts denkbare nieuws krijgen. Dat hun geliefde nooit meer thuis komt.

Het blijft me ook verbazen dat de NS het nodig vindt om te melden dat het om een aanrijding met een persoon gaat. Waarom? Hopen ze op begrip? “Hé jongens! Jullie komen allemaal te laat op jullie bestemming. Maar er is ook goed nieuws: wíj kunnen er deze keer niets aan doen! En er is iemand aangereden dus vooral niet zeuren over jullie vertraging! Het kan altijd erger.”

De volgende trein naar Amsterdam is, door de uitvallende treinen, drukker dan normaal. Ik heb een zitplaats maar in de gangpaden en op de balkons staan de passagiers hutje op mutje. Het vergt een soort stoelendans om iedereen in- en uit te laten stappen. Vlak voor Zaandam meldt de conducteur zich. Hij roept om dat er op station Zaandam over vier minuten nóg een trein naar Amsterdam vertrekt. Als je drukte in deze trein beu bent, kun je op station Zaandam overstappen op die trein.

Heel attent om de passagiers daarop te wijzen. Echt. Maar het stoort mij enorm dat hij zijn bericht begint met ‘Vanwege een springer rijden er minder treinen…”. Een springer? Zegt-ie dat écht? Ik kijk geschokt op van mijn boek en zeg hardop “Nou! Moet dat nou zo?”

Maar om me heen zie ik alleen ongeïnteresseerde gezichten. Een enkeling kijkt me verbaasd aan. ‘Waar heeft dat mens het over?’ Stilletjes buig ik me weer over mijn boek. Schijnbaar ben ik het enige tere zieltje in de sprinter van Uitgeest naar Amsterdam.