Categorie archief: Werk

Teer zieltje.

In alle vroegte kom ik aan op station Uitgeest om de trein naar mijn werk te nemen. Mijn trein staat er al. De sprinter van 7.33 uur. Maar alle lichten zijn uit. Het ziet er gek uit. Zo gek dat ik met mijn mobiel een foto maak van de donkere trein en die naar mijn collega app. ‘Hij is stuk. Ik ben later.’

Op het perron wacht ik op de volgende trein. Mijn trein is niet stuk, zo blijkt uit het omroepbericht dat even later klinkt. Wegens een aanrijding met een persoon rijden er minder treinen naar Amsterdam. Ik krijg altijd kippenvel bij zo’n bericht. Starend naar het donkere spoor, denk ik aan de mensen die nu het slechts denkbare nieuws krijgen. Dat hun geliefde nooit meer thuis komt.

Het blijft me ook verbazen dat de NS het nodig vindt om te melden dat het om een aanrijding met een persoon gaat. Waarom? Hopen ze op begrip? “Hé jongens! Jullie komen allemaal te laat op jullie bestemming. Maar er is ook goed nieuws: wíj kunnen er deze keer niets aan doen! En er is iemand aangereden dus vooral niet zeuren over jullie vertraging! Het kan altijd erger.”

De volgende trein naar Amsterdam is, door de uitvallende treinen, drukker dan normaal. Ik heb een zitplaats maar in de gangpaden en op de balkons staan de passagiers hutje op mutje. Het vergt een soort stoelendans om iedereen in- en uit te laten stappen. Vlak voor Zaandam meldt de conducteur zich. Hij roept om dat er op station Zaandam over vier minuten nóg een trein naar Amsterdam vertrekt. Als je drukte in deze trein beu bent, kun je op station Zaandam overstappen op die trein.

Heel attent om de passagiers daarop te wijzen. Echt. Maar het stoort mij enorm dat hij zijn bericht begint met ‘Vanwege een springer rijden er minder treinen…”. Een springer? Zegt-ie dat écht? Ik kijk geschokt op van mijn boek en zeg hardop “Nou! Moet dat nou zo?”

Maar om me heen zie ik alleen ongeïnteresseerde gezichten. Een enkeling kijkt me verbaasd aan. ‘Waar heeft dat mens het over?’ Stilletjes buig ik me weer over mijn boek. Schijnbaar ben ik het enige tere zieltje in de sprinter van Uitgeest naar Amsterdam.

Those were the days.

Zaterdag was ik bij een bijzonder feestje. De directeur én de bedrijfsleider van de Volvo-truckdealer waar ik ooit werkte, gaan beiden met pensioen. En ik plande het twee wekelijks bezoekje aan mijn geboortestadje zo dat ik even langs kon gaan om de pensionada’s de hand te schudden en een flesje lekkers te overhandigen.

Er was verrassing alom dat ik er was. Stralende gezichten van de feestvarkens. En ik werd als vanouds – als een van de jongens – op mijn schouders getimmerd door mijn voormalige collega’s. Ik kreeg hartelijke klapzoenen en schudde talloze handjes. Voor ik weer naar huis vertrok, sleurde ik – niet gehinderd door enige verlegenheid want tenslotte was dit jarenlang mijn thuis – mijn voormalige bazen uit de felicitatie-rij. Omdat ik met hen op de foto wilde. Dat was me, in de acht jaar dat ik er werkte, nog nooit gelukt,

Onderweg naar huis, in de auto, omringd door een wolk aftershave door alle kussen die ik had gekregen, dwaalden mijn gedachten af. Naar het gezelligste bedrijf waar ik ooit gewerkt heb. Het bedrijf waar ik regelmatig kramp in mijn kaken had van het lachen na de lunchpauze. Wat hebben we een lol gehad.

Ik dacht aan mijn sollicitatiegesprek, destijds in 1998, waarin gewaarschuwd werd voor het – als enige vrouw – werken tussen 30 vrachtwagenmonteurs. Onbehouwen. Vrouwonvriendelijk. Grote bekken. “Kun jij dat?” En of ik dat kon! In mijn eerste werkweek vlogen de vrouwonvriendelijke moppen over tafel. “Nu of nooit” dacht ik. En ik zette de chef van de werkplaats voor schut met een man-onvriendelijke mop. Sindsdien zat ik gebeiteld. Al die vrouwonvriendelijke praat bleek pure bluf. Schatjes waren het. Stuk voor stuk. Deuren werden voor me open gehouden. En als ik iets moest tillen dat zwaarder woog dan een pak printerpapier stond er 30 man klaar om het voor me te tillen.

Ik dacht aan de borrels op vrijdagmiddag, na een week hard werken. De mannen met een flesje Jupiler. En ik met een wijntje, dat ze speciaal voor mij gingen halen omdat ik geen bier lust. Tot groot plezier van de directeur die eigenlijk ook liever wijn dronk dan ‘juup’ en sinds die tijd graag een glaasje met mij mee dronk. Ik heb me overigens altijd keurig gedragen op de vrijdagmiddagborrel. Tot ik wegging. En op de allerlaatste werkdag alsnog vreselijk dronken een tikkie aangeschoten werd.

Ik dacht aan dat bedrijfsfeestje waarbij we een rondvaart maakten op de Biesbosch. Ongelukkigerwijs bleek het Nederlands elftal die avond een belangrijke wedstrijd te voetballen waardoor 30 man dreigde niet te komen en de directeur snel nog tv aan boord regelde. Het regende pijpenstelen die avond en de verbinding viel steeds weg, waardoor onze IT-specialist steeds naar buiten moest om de antenne goed te zetten. Zodra het beeld aan boord terugkwam werd hij, eenzaam aan dek in de stromende regen, luid toegezongen door alle collega’s. “Willem is oké, olé olé”. Ze waren de beroerdste niet. Jammer dat Nederland verloor van Tsjechië die avond.

Of dat bedrijfsfeest waar ‘s middags het Kabouter Plop-lied gedraaid werd voor de kinderen. ‘s Nacht om één uur werd-ie weer gedraaid. Tot groot plezier van 30 lichtelijk aangeschoten monteurs op de dansvloer, stampend met hun voeten en hun handjes in de lucht. De bedrijfsfeesten waren sowieso altijd geweldig. Met de hele werkplaats die gestoffeerd werd met tapijttegels en nepplanten. Met een band, een dansvloer en een cateringbedrijf. Ik ben voor het leven verpest. Als ik op mijn huidige werk in een ongezellig kantoor weer eens op een goedkope kaasstengel sta te knagen, denk ik met weemoed terug aan die grandioze feesten van toen.

Ik dacht aan die keer dat mijn moeder van de zoldertrap viel en belde om te vragen of ik naar haar toe kon komen. Ik brak in op een vergadering. “Ga maar gauw, meiske” zei de bedrijfsleider. Geen probleem. Ik dacht aan de directeur die aanbood de kinderopvang te betalen toen ik meer ging werken. Toen bleek dat ik die kosten – als alleenstaande ouder – terug kreeg via de gemeente, stond hij erop tóch te betalen. “Zie het maar als opslag. Je bent het waard”, zei hij. Toen Michelle’s knie uit de kom schoot en ze niet zelf naar school kon, mocht ik haar – onder werktijd – halen en brengen. Geen probleem. Op de lagere school kwam Mich soms lunchen tussen de middag. Of in vakanties helpen op kantoor. Kind aan huis. Ze mocht altijd mee als er proefritjes gemaakt moesten worden in die enorme vrachtwagens. Op de middelbare school heeft ze er zelfs nog een ‘snuffelstage’ gedaan. Ze was van harte welkom. Vanzelfsprekend.

Ik dacht aan al die keren dat er een vrachtwagen afgeleverd moest worden aan een klant en mijn collega’s van de afdeling verkoop achteloos de autosleutels van een Volvo die ik never-nooit-nie zou kunnen betalen op mijn bureau gooiden. “Rij jij even achter me aan?” Met klotsende oksels reed ik die eerste keren achter de vrachtwagen aan. In de dure wagen van de verkoper. Maar uiteindelijk kreeg ik er lol in om met zo’n dure bak rond te rijden.

Ik dacht aan de keren dat ik de oude Volvo V90 diesel kon lenen om mee naar Amsterdam te rijden. Het ding – door ons liefdevol ‘de Tank’ genoemd – trok voor geen meter. Maar als-ie eenmaal vaart had, dan reed-ie als een zonnetje. Ik dacht aan de collega die Michelle en mij – midden in de nacht – van Breda naar Schiphol bracht toen we op vakantie naar Spanje gingen. Met een auto van de zaak. Gratis. Dat we onze vlucht misten was niet zijn schuld, overigens.

Met het schaamrood op mijn kaken dacht ik terug aan mijn meesterlijke verspreking toen Michelle ooit belde – destijds nog op de vaste lijn – met de mededeling dat ze zou koken die dag. “Wat fijn!” riep ik uit “Dan staat het eten thuis als ik klaar kom!” Tot grote hilariteit van al mijn mannelijke collega’s achter de receptie natuurlijk.

Ik dacht aan de keren dat ‘mijn mannen’ overwerkten en in alle vroegte begonnen. Dan ging ik extra vroeg naar mijn werk en bracht ze koffie in de werkplaats. De blije gezichten onder zo’n truck als ik ze een bekertje warme koffie aangaf. Of die keer dat ze met de servicebus van de zaak naar mijn huis reden om mijn lekke autoband te fixen. Of deur van mijn oude autootje repareerden in de werkplaats. ‘Rijdt ‘m maar effe binnen, mop’. ‘Wat kost dat?’ vroeg ik dan. Niks. ‘Mijn mannen’ deden dat even in hun pauze. En dan sleepte ik weer een krat ‘juup’ mee naar mijn werk.

Ik dacht aan de warme zomers waarin ‘mijn mannen’ steeds zwarter werden omdat ze met hun vuile handen het zweet van hun gezicht veegden. En we ijsjes haalden bij de benzinepomp die we zittend op de stoep, voor het kantoor, opaten. Grappend en grollend.

Ik dacht aan de favoriete liedjes van de monteurs. Hoe ik, vanuit de kantine boven in de werkplaats naar beneden keek, en de een na de andere blauwe overall onder een vrachtwagen vandaan zag komen om een dansje te maken. ‘Als de morgen is gekomen’ van Jan Smit was er zo een. Of ‘Love generation’ van Bob Sinclair. Het volume gaat nog steeds op tien hier als ik die nummers hoor. Ik jaag ook, nu nog steeds, na al die jaren, mijn medepassagiers in de auto de stuipen op het lijf jaag door luidkeels te gaan schreeuwen als ik ergens op de snelweg een klant van ‘mijn garage’ zie rijden. Of een mooie Volvo-truck. Eens een Volvo-meisje, altijd een Volvo-meisje.

Ik dacht aan die keer dat ze me belden, nog niet zo heel lang geleden, om te checken of ik nog steeds in Amsterdam woonde. Ik was al járen weg maar ze hadden een nieuwe functie binnen het bedrijf en “en als iemand dat kan, ben jij het”. “Kom je terug?” hoorde ik ook gisteren weer vaak. Maar ik woon niet meer in de buurt. Het is wel heel ver fietsen nu. Ik begon er als telefoniste en koffiejuf. Maar uit verveling schooide ik op alle afdelingen om werk. Toen ik wegging, na precies acht jaar, omdat ik naar Amsterdam vertrok, was ik de vaste assistent van alle afdelingen. Ik kon bijna alles. Behalve sleutelen aan vrachtwagens. Ik deed een schat aan werkervaring op en mijn zelfvertrouwen kreeg een enorme boost door al die kerels om me heen.

Het was er altijd ijskoud in de winter, doordat de deuren in de werkplaats altijd open stonden. Vaak zat ik dan met een flesje warm water als kruik achter mijn bureau. “Mannen!” opperde ik dan “We moeten uitbreiden. We moeten een kantoor op Curacao. Waar het lekker warm is.”

Ik vind nog steeds dat ze moeten uitbreiden. Maar het hoeft geen Curacao te zijn. Ergens aan de Noord Hollandse kust is ook prima. Ondanks mijn lieve collega’s van nu, ondanks mijn leuke werk. Als ‘mijn mannen’ hier een vestiging openen, solliciteer ik. Meteen.

Jarig.

En toen was Vriendje-lief jarig. Nou zijn wij geen feestbeesten. Nooit geweest ook. Verjaardagen vierden we al jaren niet meer. Hooguit een etentje. Of een taartje bij de koffie. Maar dat was het wel. Sinds die dag in 2016. Sinds die dag vieren we weer feestjes. Omdat jarig zijn écht wel een reden is om een feestje te vieren. Dus nam ik vrij op de verjaardag van Frank en verzon een leuk dagje uit.

En er was één stad die al járen op mijn to-do-list stond. Leiden! Niet alleen omdat Leiden een leuke stad is, zoals ik ontdekte toen ik er ooit met Michelle was, toen zij daar studeerde. Maar ook omdat mijn oudste weblog-vriend er woont. Emile, alias Leidse Glibber.

Hij en ik begonnen ooit gelijktijdig een weblog en op een of andere manier kwamen we op elkaars weblog terecht. Het was in de tijd dat ik als een soort Harry Potter, in de kast onder de trap, vaak tot laat in de avond, weblogjes produceerde. Over Michelle’s turnwedstrijden, over onze hond, over de ontluikende liefde tussen mij en Frank, over mijn werk maar meestal over helemaal niks. En Emile, net zo’n nachtuil als ik, was vaak de eerste die reageerde.

Hij logde over Leiden, toen al. Maar ook over Lobbes, de enorme hond van Emile en zijn vrouw Hillies. Hij schreef zelfs ooit een Sinterklaas-log waar onze beiden honden in voorkwamen. En we bleven trouw lezen bij elkaar. Toen Lobbes in 2007 overleed, wist ik hoeveel verdriet Emile en Hillies daarvan hadden. Ik pluisde zijn hele weblog uit, verzamelde alle foto’s van Lobbes die ik kon vinden en maakte er een filmpje van dat ik per e-mail aan Emile verstuurde.

Een paar weken later was ik koffie aan het zetten voor de monteurs van de garage waar ik destijds werkte, toen gevraagd werd of ik even naar beneden wilde komen omdat er iemand voor me aan de balie stond. Het was Emile, die uitgevogeld had waar ik werkte (ik geef niet zo om mijn privacy weblogtechnisch) en me een grote bos bloemen kwam brengen als bedankje voor het filmpje. Sindsdien noem ik Emile een vriend.

We bleven bij elkaar lezen. En reageren. Vaak diep in de nacht. Mijn vriend de nachtuil en ik. Hij zag Michelle opgroeien, turnen en afstuderen. Hij leefde mee met blessures en schoolperikelen. Hij maakte alle doldwaze verhuizingen mee. Hij leefde mee toen Frank ziek werd.

Ik las bij hem over hun nieuwe hond Happy, over de vakanties naar Luxemburg, over hun kat Spotty. Ik lachte om zijn krankzinnige hoeveelheid Kerstversieringen en ik leerde veel, heel veel, over Leiden.

En al die tijd riepen we ‘We spreken een keer af!’ maar we deden het nooit. In 2018 werd Hillies, de vrouw van Emile, ziek. Ze overleed korte tijd later. Ik heb haar nooit ontmoet.

Je moet ook geen plannen uitstellen. Ik weet, als geen ander, dat het zomaar kan gebeuren dat je je plannen nooit meer uit kunt voeren. Dus spraken we op de verjaardag van Frank af met Emile. Ik mailde hem en hij mailde meteen terug. Met tips over de beste rederij om een rondvaart te boeken. Met tips over parkeerplaatsen en de waanzinnig handige shuttlebussen die je vervolgens (gratis, jawel!) overal brengen waar je wezen moet.

Toen we aankwamen bij de rederij, stond Emile al te wachten. Met een cadeautje voor Frank! Hij vertrok om snel even zijn kleinkinderen van school te halen, terwijl wij koffie dronken op het terras. Het had de hele ochtend geregend maar ‘s middags scheen de zon. Frank kreeg een cadeautje van de rederij en toen we vertrokken voor onze rondvaart, was Emile er weer. Op zijn scooter reed hij voor ons uit om foto’s van ons te maken vanaf de bruggen.

In het zonnetje, vanaf de boot – versierd met ‘happy birthday’-vlaggetjes! – genoten we van Leiden. Met twee vrolijke Canadese medepassagiers en de leuke schipper Julia. Die er door de interactie met de passagiers meer van maakte dan de standaard toeristen-info. Het was leuk!

En aan het einde van de tocht, stond Emile er weer. Samen zaten we op het terras van ‘Het praethuys’ waar ik al zo vaak over gelezen had. Te praten. Over Hillies, over Michelle, over Leiden, over Amsterdam en over Heemskerk. Over honden en katten. Over hoe je logjes het lekkerste ‘s nachts schrijft. En over het bizarre fenomeen internet.

Want, ja. Internet is niet altijd leuk. Mensen maken elkaar af in reacties op Facebook en Twitter. En ja, er is nepnieuws en er waren de trollen van Dotan. En ja, mensen zitten alleen nog maar op schermpjes te kijken. Maar soms, soms levert internet ook goede dingen op. Vriendschappen.

Rond etenstijd namen we afscheid. Terwijl wij uit eten gingen, ging Emile weer op pad. Om foto’s te maken van de avondvierdaagse in Leiden. Wij belden, na een voortreffelijke maaltijd, een shuttlebus die ons keurig netjes naar onze auto bracht. Tevreden vertrokken we uit Leiden.

Dank je wel, Emile!
Frank’s verjaardag was een geslaagd feestje.
Zo’n dag met een gouden randje.

In de soep gelopen.

Soepje uit het archief

Omdat het werk het toe liet, kon ik lekker op tijd naar huis. Maar natuurlijk vertrok ik toch net iets te laat van kantoor en moest ik rennen om de trein van 16.48 uur naar huis te halen. Als dat zou lukken, zou ik lekker al om 17.30 uur thuis zijn! Op een holletje naar het station dus. Ik gooide nog snel wat post in de brievenbus en sprintte de poortjes van het station door. Terwijl ik de trap af rende, zag ik dat er nog een trein stond. Snel checkte ik het informatiebord op het perron. Yep! De trein naar Uitgeest! Als een van de laatsten, sprong ik de trein in, net voor het fluitje van de conducteur klonk. Het was 16.49 uur en ik verheugde me op een keertje ‘vroeg thuis’.

Ik zocht een plekje en ging zitten. Wat een mazzel dat mijn trein te laat was nu ik zelf ook zo laat was! Ik pakte mijn ereader om een stukje te lezen toen mijn oog op het informatiebord in de trein viel. “Enkhuizen” stond er. Ik ken zo ongeveer het hele spoorboekje uit mijn hoofd. Om 16.43 uur vertrekt de trein naar Enkhuizen. En om 16.48 uur mijn trein naar Uitgeest. Ik stapte om 16.49 uur in. In de trein die onder het bord “Uitgeest” stond. Maar ik zat dus in de trein naar Enkhuizen. Geweldig.

Nog fijner was het dat ik weet dat de trein naar Enkhuizen pas een eerste stop maakt in Hoorn. Voorlopig kon ik dus nergens heen en zat er niks anders op dat mee te rijden naar Hoorn. In de NS-app checkte ik hoe ik vanuit Hoorn zo efficiënt – en zo snel – mogelijk weer terug naar Uitgeest kon. Er reed een trein terug naar Zaandam die ik net kon halen. Als ik dat zou doen, zou ik, met één overstap, om 18.24 uur in Uitgeest zijn, waar mijn fiets staat. Mijn lekker-op-tijd-naar-huis-plan was zojuist in duigen gevallen. 

Als ik de eerste rechtstreekse trein van Hoorn naar Uitgeest zou nemen, zou ik om 18.35 uur aankomen. Maar met die optie zou ik genoeg overstap-tijd hebben om, ergens in Hoorn, een blik soep en stokbrood te scoren. Want koken*? Dat ging ‘m niet meer worden die dag.

Dus ik installeerde me eens lekker in de trein. Ik las weblogjes, plaatsre reacties bij Jan-en-allemaal en eenmaal in Hoorn bleek er een supermarkt naast het station te zitten. Top! Gewapend met een afbakstokbrood en een blik soep zat ik even later in de rechtstreekse trein naar Uitgeest. Ik kon niet meer doen dan geduldig mijn tijd uitzitten. Ik las wat en keek uit het raam hoe het Noord-Hollandse landschap aan me voorbij trok terwijl de trein me terug bracht naar waar ik moest zijn. 

Helemaal relaxt kwam ik om 18.45 uur thuis aan. Om 19.00 uur serveerde ik het avondeten. ‘Lekker! Soep!’ riep Frank, die nou eenmaal dol is op soep. En ik kreeg een geweldig idee!

Als ik weer geen zin heb om te koken, neem ik gewoon de trein naar Enkhuizen.

* Ja, Frank kan koken. Heel goed zelfs. Helaas lukt ‘t hem nog even niet i.v.m. zijn pijnklachten.