Categoriearchief: Voor Oma

Op tournee.

Dat mijn moeder ‘beter’ is geworden, is eigenlijk een misvatting. ‘Niet ziek meer’ is een betere omschrijving want écht beter wordt ze niet meer. Ze is niet ziek maar wel heel oud. En die ouderdom kwam met gebreken. Hoewel mijn moeder nog nooit gerookt heeft, heeft ze een lichte vorm van COPD. Haar ene hartklep is versleten, net als haar knieën, haar heupen, haar schouders en haar handen. Een paar kleine TIA-tjes deelden nog wat plaagstootjes uit in haar brein en voilá! Daar zit ze dan, aan een rolstoel gekluisterd. Niks te doen. En in niks doen was mijn moeder altijd al slecht. Ze was áltijd bezig. Altijd aan het poetsen. Ze was getrouwd met haar stofdoek, zegt ze zelf. De enige hobby die ze had was breien. Talloze truien en vesten breide ze voor ons want dan was haar hobby tenminste nog functioneel. Toen breien niet meer lukte, heeft ze nog een tijdje kaarten gemaakt. Want ook daar hád je nog wat aan.

Stilzitten heeft ze nooit gekund. Als mijn broer ons allemaal uitnodigde om ergens een terrasje te pakken, ging ze mee. Met een strakke glimlach op haar gezicht gezicht geplakt zat ze dan op het terras, stijf rechtop in haar stoel, met haar handen verkrampt op de leuning te verkondigen hoe leuk ze het vond. Maar wij wisten allemaal dat ze met haar hoofd bij de strijk was. Of bij de deuren die ze nog moest zemen. Maar nu is ze veroordeeld tot niets doen. Lopen kan ze niet meer, dus poetsen al helemaal niet. Breien lukt allang niet meer. Kaarten maken ook niet. En nog steeds kan ze zich niet overgeven aan in haar ogen nutteloze zaken. In het tehuis waar ze woont, zijn volop activiteiten. Muziekmiddagen, knutselmiddagen. De oudjes doen spelletjes samen of kijken samen tv. Maar mijn moeder weigert mee te doen. ‘Ikke niet!’ zegt ze met een verbeten trek om haar mond als we haar vragen of ze meegedaan heeft.

Maar soms halen de zorgmedewerkers haar toch over. Waarschijnlijk durft ze niet altijd te weigeren. Dan rijden ze haar in haar rolstoel naar een activiteit en dan lees ik later in haar dossier: ‘Mevrouw was vanmiddag bij de bingo en had het erg naar haar zin’. Hahaha! Echt niet! Mijn moeder zet gewoon acteerprestaties neer waar menig Oscar-winnaar een puntje aan kan zuigen. En ondertussen piekerde ik me suf om dingen te bedenken die mijn moeder wél kan en wél leuk vindt nu ze weer ‘beter’ is. En ik heb het gevonden, jongens! Ik heb de rolstoeltaxi ontdekt! Met haar pasjes van Valys en de deeltaxi kunnen we redelijk betaalbaar uitstapjes maken. Als proefrit zijn we laatst naar Rozenburg gegaan. Naar de kinderen van haar tweelingzus, voor wie ze een soort tweede moedertje is. En het was een groot succes!

De reis verliep zonder problemen. Gewoon hop! Met rolstoel en al het busje in. En ik mocht gratis mee. Alsof ze de koningin zelf was, zat mijn moeder prinsheerlijk in haar rolstoel uit het raam te kijken. Aangekomen in Rozenburg reden we haar zo bij mijn nichtje naar binnen waar ook een ander nichtje en neefje langs kwamen. We kletsen gezellig bij en bleven lunchen. Ik was bang dat het te vermoeiend zou zijn maar mijn moeder leek er juist energie van te krijgen. Andere mensen om zich heen, even er uit. We hebben er allebei van genoten! Ook de terugreis verliep voorspoedig. Mijn moeder bleef gezellig wakker onderweg en zonder problemen werden we weer bij haar thuis afgeleverd.

Dus onze proefrit is geslaagd! Deze week gaan we op bezoek bij de buren uit haar oude straat. En daarna staat er nog veel meer uitstapjes op de planning. Voor alle meelezende familieleden: berg je maar. We komen er aan! Mijn moeder gaat op tournee!

Vakantie 2021

Het zit er op, mijn vakantie. En ik moet zeggen; ik heb betere vakanties gehad.
En dat lag niet alleen aan het slechte weer.

Mijn moeder wilde, al sinds ze verhuisde naar het verzorgingstehuis, een nieuw behangetje op haar kamer. Maar door omstandigheden was dat er nog niet van gekomen. Op 24 juli zou ze 90 worden en ik beloofde haar dat ik zou zorgen dat haar kamer vóór die tijd behangen was. Op 10 juli was het zover. Ik voorzag de lange muur in haar kamer van een nieuw behangetje. Ik had niet genoeg tijd om alles te doen. Eén klein muurtje, aan het hoofdeinde van haar bed moest nog. Maar dat zou ik een andere keer doen. Mam was apetrots op haar nieuwe behang. We spaken af dat ze nog minstens drie maanden bij ons zou blijven om ervan te genieten. 

Maar in de week daarna werd mijn moeder ziek. Het leek een simpel buikgriepje, maar ze had het écht flink te pakken. Ze kon niet meer eten, viel drie kilo af in één week en ze werd steeds zwakker. Het enige wat ze nog at, was griesmeelpap die drie keer per dag speciaal voor haar gekookt werd. En toen, ineens, gaf ze aan dat ze ‘er geen zin meer in had’. Ze wilde naar haar overleden tweelingzus en naar haar overleden zoon. Ik snapte dat. Ik snapte het helemaal. Maar ik vond het wel heel, heel erg verdrietig.

Ik worstelde me de de laatste werkweek voor mijn vakantie door en ging ‘s zondags weer bij haar op bezoek. Ze lag in bed, op haar zij, met haar gezicht naar de pas behangen muur. Zo mager en zo zwakjes. Ze had nauwelijks nog de kracht om te praten. “Zonde van het behang” mompelde ze. Maar ik stelde haar gerust. Als ze op haar favoriete zij lag, keek ze naar het behang. Dan had ze er toch plezier van? Veel meer dan bij haar zitten, tegen haar kletsen en over haar grijze krullen aaien kon ik niet doen. 

21 juli begon mijn vakantie met opnieuw een bezoekje aan mijn moeder. Samen met Frank. Ze lag nog steeds in bed, nog steeds heel zwak. Maar eigenlijk ging het beter dan die zondag daarvoor. Zo ziek als ze was, gaf ze me instructies voor haar verjaardag op de 24 juli. Er moesten gebakjes komen en traktaties voor de zorg en de medebewoners. En daarna was ze er wel klaar mee, zei ze.

Ondertussen hadden mijn broer en ik een Teams-vergadering met de arts van het zorgcentrum. Het ging slecht, heel slecht. Maar omdat mijn moeder zelf aangaf niet meer te willen; spraken we af dat ze geen behandelingen meer zou krijgen, mocht dat nodig zijn. We zouden inzetten op comfort. Zorgen dat ze geen pijn had, dat ze lekker lag en zich zo prettig mogelijk voelde.

“Neem elke keer als je bij haar bent, afscheid alsof het de laatste keer is” kregen we als advies en we deden een bel-rondje om neven en nichten en ooms en tantes in te lichten hoe slecht het ging. De server van het zorgcentrum moet bijna overbelast geraakt zijn doordat ik het dossier van mijn moeder vijftig keer per dag refreshde. En op mijn donkere balkon, toen ik niet kon slapen, schreef ik de tekst voor de uitvaart van mijn moeder.

Er kwam een stroom bezoekers op gang. De post bleef binnenstromen en mijn moeders kamer stond vol met bossen bloemen. Op 24 juli vierden we, samen met Michelle en Robby, haar 90ste verjaardag. We hingen ballonnen en slingers op. Mijn moeder was nog steeds heel zwak en lag in bed maar ze was erg tevreden met haar taartjes en traktaties, al at ze er zelf maar twee hapjes van. 

Maar toen iedereen bij haar langs geweest was, werd de griesmeelpap die ze at, vervangen door bouillon. De bouillon werd een eierkoek en zo ging ze steeds beter eten. De woensdag na haar verjaardag was ik weer bij haar. Tot mijn grote verbazing lag mijn moeder aangekleed in bed. Ze was uit bed geweest die ochtend en had twee uur in haar stoel gezeten. Ze kon weer een beetje praten en we kletsten bij.

‘s Avonds thuis ging de telefoon. In het scherm verscheen het nummer van mijn moeder. Mijn moeder! Ik nam een snoekduik naar de telefoon, belandde bijna op mijn buik op de tafel in mijn haast om op te nemen. Want ze had me al wéken niet meer gebeld. Maar nu belde ze. Om, zoals ze dat altijd doet, te controleren of ik veilig thuis gekomen was. Tot mijn grote verbijstering zei ze: “Het is wel mooi geweest, zeg. Ik ben hier niet gekomen om in bed te liggen. Morgen ga ik uit bed.”

En als mijn moeder iets wil, dan gebeurt het ook. Dus kwam ze elke dag een beetje langer uit bed. En dus at ze als een bootwerker en werd ze steeds een beetje sterker. Ik reed elke week twee keer naar haar toe en zag haar opknappen. Ze heeft er geen idee van dat ze zo ziek was. “Echt waar?” zei ze verbaasd. “Mam! Wij dachten dat je dood ging!” En ik vertelde dat het zó slecht ging dat ik al een tekst geschreven had voor haar crematie. Dat vond ze stiekem wel mooi, hoor. En fijntjes informeerde ze even wat er dan in stond. Wat er ook gebeurt; mijn speech is goedgekeurd. 

Vandaag ben ik weer naar mijn moeder toe gegaan. Ze is zo opgeknapt dat ik het wel aan durfde: ik heb het laatste muurtje in haar kamer behangen. En we hebben wederom afgesproken dat ze nog minimaal drie maanden blijft om ervan te genieten.

Maandag ga ik weer werken. Na twee en een halve week vakantie. Ik had iedere dag regen, ik reed bijna 950 kilometer en verder deed ik helemaal niks. Maar hé! Ik had géén crematie in mijn vakantie! I count my blessings.

 

Deceptie.

Toen ik elf was, waren mijn ouders 25 jaar getrouwd. Mijn oudere broers en zussen werkten allemaal al en hebben destijds een tijd lang gespaard om cadeau’s voor mijn ouders te kopen. Ik was pas elf dus ik kon niet mee sparen. Ik hoefde alleen mijn mond maar te houden. En dat deed ik.

Toen de grote dag aanbrak, had iemand – buiten mijn moeder om – geregeld dat ik niet naar school hoefde. Braaf volgde ik de instructies van mijn grote zussen; net doen alsof ik naar school ging want mijn vader en moeder wisten van niets. Dus ik vertrok naar school.  Mét een mandarijn voor in de pauze. Om de hoek wachtte mijn broers en zussen me op om met zijn allen terug te rijden naar huis. Tevreden at ik in de auto mijn mandarijn op. Beretrots op mijn acteerprestatie.

We belden aan. Mijn moeder deed open. Mijn vader lag nog in bed. Ze waren totaal verrast! Door een rekenfoutje hadden mijn broers en zussen een jaar extra kunnen sparen dus ze pakten flink uit.

Er stond een vrachtwagen in de straat waar mijn broers en zwagers de cadeaus uitlaadden. Een drie-in-een stereo-installatie, een nieuwe kleurentelevisie en een compleet nieuwe inrichting voor de slaapkamer. Een nieuw bed, nachtkastjes, een kaptafel en twee linnenkasten.

Uiteraard werd alles voor mijn ouders geïnstalleerd en in elkaar gezet. En zelfs aan eten was gedacht. Via de ouders van mijn schoonzus, die een restaurant hadden, werden er salades en broodjes gebracht. En uiteraard dekten we de tafel met het zondagse servies. Dat lelijke, met die roze rozen. Kortom; het was een geslaagd feest. Zeer geslaagd.

Veertig jaar later ruimden we mijn moeders huis leeg omdat ze verhuisde naar een zorgcentrum. De tv en de stereo waren allang vervangen maar de meubels in de slaapkamer stonden er nog. We maakten iemand blij met het bed en de kaptafel maar de linnenkasten bleven over. Die werden uiteindelijk gesloopt en afgevoerd. Toen mijn broer en ik de planken van de kasten in de container gooiden, trok ik in een opwelling een sleutel uit de deur van de linnenkast en stopte die in mijn zak. Als herinnering. En hoe of wat; dat zou ik ooit nog wel eens verzinnen.

Mijn moeder kreeg bij de sleutel van haar kamer in het zorgcentrum een keycord. Handig. Zonder meer. Maar mijn moeder vond het niks. ‘Ik ga niet met mijn sleutel om mijn nek lopen’ zei ze. En ze sloopte het keycord eraf. ‘Ik moet een sleutelhanger hebben’ mopperde ze. Ik kreeg een geweldig idee en ging aan de slag. Ik zaagde de baard van de sleutel van de linnenkast en boorde een gaatje in het gedeelte dat overbleef. En zo werd de sleutel van de linnenkast een sleutelhanger. Voor mijn moeder.

En eindelijk was het moment daar dat ik haar de sleutelhanger kon overhandigen. Zelf was ik zó enthousiast over mijn creatie dat ik al een week door mijn huis gestuiterd had. Blij stopte ik de sleutelhanger in mijn moeders hand. ‘Zie je wat dat is?’ vroeg ik, haast springend voor haar neus. En mijn moeder herkende een klavertje vier. ‘Ja, maar… zie je wát voor klavertje vier het is?’ drong ik aan. Het zei haar helemaal niets. ‘Het is het klavertje vier van de sleutel van je linnenkast!’ gilde ik.

Verbaasd keek mijn moeder naar de sleutelhanger in haar hand. ‘Van de sleutel van mijn linnenkast?’ vroeg ze voorzichtig. ‘Ja!’ jubelde ik. Mijn moeder keek nog eens goed naar de sleutelhanger. ‘Oh?’ zei ze. Om vervolgens verbaasd te vragen ‘Zat daar een klavertje vier op?’

Veertig jaar heeft ze haar linnenkast open en dicht gedaan. Met de sleutel. Veertig jaar lang. Elke dag. Maar ze heeft nooit gezien dat er een klavertje vier op de sleutel zat. Goed. Mijn oog voor detail heb ik duidelijk niet van mijn moeder. Nou, ja. Ze heeft een sleutelhanger nu. Daar gaat het om.