Categoriearchief: Voor Oma

28!

Lieve Michelle,

Toen jij nog klein was, hoorde ik andere moeders wel eens zeggen dat ze ‘beste vriendinnen’ waren met hun dochter. Dat zag ik persoonlijk niet zo zitten. ‘Beste vriendinnen zijn’ met jou zou mijn machtspositie alleen maar ondermijnen. Ha ha. Ik besloot gewoon je moeder te zijn. Dat scheelde een hoop oeverloos discussiëren. Je had maar gewoon naar mij te luisteren. Omdat ik je moeder ben. Punt uit. Arm kind.

En of het daaraan lag of aan het feit dat we de eerste dertien jaar van jouw leven maar met z’n tweetjes waren weet ik niet. Maar onze rolverdeling pakte goed uit, al zeg ik het zelf. Ik herinner me het afscheid bij school toen je op kamp ging met groep 8. Wat waren je klasgenootjes vreselijk onbeschoft tegen hun moeders! (Oeh! Herinner jij je die grote mond van M. nog?)

Tja, tegen je beste vriendin kun je alles zeggen, nietwaar? Maar tegen je moeder die maandelijks je kleedgeld op je Pennyrekening stort niet. Te midden van al het gezanik en gezeur van je vriendinnen hing jij om mijn nek. ‘Dag, mam! Ik zal je missen, hoor,’ Want ik was tenslotte maar ‘gewoon’ je moeder. Niet je beste vriendin.

Als kleuter fantaseerde je over groot groeien. ‘Later… als ik een méns ben…’ zei je dan. Nu bén je een mens. En wat een leuk mens ben je geworden! Want wat er altijd al was en nu nog steeds, is de lol die we samen hebben. Jij, met jouw droge gevoel voor humor, waardoor ik altijd weer de slappe lach krijg als we samen zijn.

Ik houd van je nuchtere kijk op dingen. En ik bewonder hoe je in het leven staat. Ik herken je gevoel voor rechtvaardigheid. Zo was je al als kind. Jij doet wat goed is. Altijd. Bewondering heb ik ook voor je vastberadenheid. Als jij iets wil, gá je ervoor. Voor de volle honderd procent. Man, daar kan ik nog iets van leren! En ik vind het knap hoe jij altijd weloverwogen keuzes maakt. Al ben je nog zo enthousiast over iets; de ‘voors’ en de ‘tegens’ lijk je altijd op een rijtje te hebben. Met je hoofd in de wolken maar met beide voeten stevig op de grond.

Meestal dan. Want als kind al stond je vaker op je handen dan op je voeten. Dat is zo gebleven. Je appt ons foto’s van jullie verre reizen. En of het nou in New York was, op Bali, in Berlijn of in Vietnam; er is altijd wel een foto bij waar jij weer eens op je handen staat.

Ik ken je voorliefde voor dingen die hard en snel gaan. Toen je drie was, kreeg ik je al met geen mogelijkheid uit de wildwaterbaan in Valkenburg. Keer op keer ging je. Met tante Gerda. Want ik ben niet zo’n held. Daar zat je, in zo’n uitgeholde boomstam, met je wijsvingertje omhoog. ‘Nog één keertje?’ Dappere Dodo!

Het verbaasde me dan ook niks dat ik afgelopen week een appje van je kreeg met de mededeling dat je ging paragliden tijdens jullie vakantie in Oostenrijk. Soms zou ik willen dat je gewoon met een boekje op het strand ging liggen. Maar zo ben jij niet. Jij gaat gewoon lekker van een berg af springen. Maar wat bewonder ik je lef! Ik zou willen dat ik zoiets durfde! 

We zijn inmiddels allebei volwassen. We hebben ‘verantwoordelijkheden’. Banen, huishoudens, vaste relaties en rekeningen die betaald moeten worden. We hebben het allebei druk en zien elkaar niet wekelijks maar we appen ons een slag in de rondte.

We kletsen tegen elkaar over onze mannen en ons Omaatje en we  sturen elkaar de liefste foto’s van onze diertjes. We roddelen over collega’s en sturen elkaar screenshots van de leukste dossiers op ons werk. Geanonimiseerd natuurlijk want we zijn allebei keurige meisjes. En haast elke dag sluiten we de dag af met een appje ‘Weltrusten! Slaap lekker. Luf joe’

Na 28 jaar ben ik nog steeds gewoon je moeder. En jij bent gewoon mijn dochter. Maar jij, mijn lieve schat, jij had zomaar mijn beste vriendin kunnen zijn. En als ik zélf mijn dochter uit had mogen kiezen, zou ik jou gekozen hebben.

Gefeliciteerd met je verjaardag! Maak er een mooie dag van. Het is nog steeds een feest om jouw moeder te zijn! Luf joe! ❤️

Bal(kon)jurk.

Eind vorig jaar kreeg ik van mijn moeder haar oude naaimachine cadeau. Ik maakte er zo moeiteloos kussenslopen en pyjamabroeken mee dat ik me toen al voornam om het jaar daarop een zomerjurkje te maken. Maar het was november, de zomer was nog ver weg en de naaimachine verhuisde naar de berging. En uit mijn systeem. Tot het augustus werd en we een gigantische hittegolf kregen.

In een winkeltje in het dorp zag ik een zomerjurkje hangen. Zo’n heerlijk zonnejurkje van soepel vallende stof. Lekker luchtig. Precies wat je nodig hebt op hele warme dagen op je balkon. Een balkonjurk, zeg maar. Ineens herinnerde ik me mijn vage plan om een jurkje te maken. En ik kreeg een briljant idee! Als ik nou dat jurkje kocht en het na tekende op een lapje stof dan kon ik makkelijk zelf zo’n jurkje maken. En het originele jurkje zou ik weer terugbrengen naar de winkel. Dan was ik lekker een stuk goedkoper uit dan de € 20,- die ze durfden te vragen voor zo’n simpel jurkje.

Fluisterend bracht ik mijn verkering op de hoogte van mijn snode plannen voor we de winkel in stapten. ‘Ik ga dus niet passen, hè!’ siste ik hem toe. ‘Dat jurkje moet mee naar huis zodat ik ‘m na kan maken’. De verkoopster luisterde geduldig naar mijn gespeelde twijfels. ‘Hij is wel een beetje kort. En dat decolleté.. ik weet niet..’ mompelde ik. ‘Pas ‘m anders even’ opperde ze vriendelijk. Ik veegde theatraal over mijn voorhoofd en klaagde dat het veel te warm was om te passen. ‘We hebben hele ruime paskamers, hoor!’ meldde de verkoopster. Mijn verkering deed, met zijn slechte korte termijngeheugen, nog even een duit in het zakje. ‘Ja, joh! Pas ‘m nou even. Da’s toch zo gebeurd?’

Ik zette vervolgens een acteerprestatie neer waar menig Oscar-winnaar jaloers op zou zijn en wist beiden te overtuigen dat ik écht niet in staat was om het jurkje te passen. Zo warm! Poe! Zweet! Bah! Vijf minuten later stond ik buiten. Met jurkje. En de bon voor als ik wilde ruilen. En dat deed ik. Maar pas nadat ik het jurkje nagetekend had op een lapje stof van de markt.

Mijn naaimachine from hell werkte redelijk mee al moet ik het spoeltje nog steeds met de hand opwinden. Maar wie denkt dat dat veel tijd kostte, kan ik gerust stellen. Dat viel wel mee. De draad in de naald krijgen! Dat duurde pas lang! Maar ik prutste vastberaden door et voilá! Toen had ik een balkonjurk!

Ik was zo tevreden over het resultaat dat ik het aandurfde om in mijn balkonjurk boodschappen te gaan doen. Sterker nog; ik ging er zelfs mee naar een restaurant want met hoge hakken er onder leek het jurkje meer op een baljurk dan op een balkonjurk. Maar de échte goedkeuring moest nog komen. Die van mijn moeder. Want als er iemand is die verstand van heeft van kleding maken, is zij het.

Toen de hittegolf voorbij was, ging ik op bezoek bij mijn moeder. In mijn balkonjurk. Met een vestje er over. Mijn moeder voelde eens aan de stof, bekeek mijn broddelwerk uitvoerig van dichtbij en knikte toen goedkeurend. ‘Zo’n jurk had ik ook wel willen hebben toen het zo warm was’ zei ze.

Een groter compliment kun je niet krijgen! Dus kroop ik afgelopen week weer achter de naaimachine en stuurde een homemade balkonjurk naar haar op. Ik hoop dat ze ‘m op tijd ontvangt. Want dinsdag wordt het 32 graden in Brabant. Kan mijn moeder lekker in de tuin zitten. In haar balkonjurk.

My hometown.

Zo is je agenda leeg. En zo heb je ineens drie afspraken achter elkaar. Allemaal in Breda, de stad waar ik vandaan kom. Nou vind ik het niet zo’n punt om een keertje heen en weer naar Breda te rijden. Ik doe dat sowieso om de week – met veel plezier – om mijn moeder te bezoeken. Anderhalf uur rijden heen en anderhalf uur terug. En ik vermaak me onderweg kostelijk omdat ik mijn auto met behulp van diverse playlists verander in een mobiele disco. Een soort Carpool Karaoke dus. Als je lekker hard meezingt, ben je er zo.

Een keer heen en weer rijden vind ik geen probleem. Twee keer heen en weer nog niet echt. Maar drie dagen achter elkaar vind ik nét te veel. Ik zou mezelf poliepen op mijn stembanden zingen, zeg! En natuurlijk heb ik familie en vrienden in Breda. Ik kan zo tien adressen op noemen waar ik welkom zou zijn om een nachtje te logeren. Maar ik en mijn extreme behoefte aan privacy houden niet van logeren. Mijn verkering, die vroeger de hele wereld rondreisde als echte zakenman, zag het punt niet. ‘Dan neem je toch een hotelletje?’ opperde hij. En dat vond ik een briljant idee!

Dus boekte ik voor de nacht tussen afspraak 2 en 3 een De Luxe-kamer mét bad in het hotel op steenworp afstand van het huis waar ik 12 jaar lang met Michelle woonde. Vlak bij mijn moeders huis. Het hotel waar ik tienduizenden keren voorbij moet zijn gereden toen ik nog in Breda woonde. Voorbij gereden, ja. Want tot mijn schande moet ik bekennen dat ik er blindelings naar toe kon rijden maar Google Maps aan moest zetten om de ingang van het hotel te vinden.

Ik checkte in en kreeg zo’n cool sleutelpasje van een kamer op de vijfde verdieping. De kamer zag er prima uit. Ruim, van alle gemakken voorzien en schoon. Het was wel slordig dat het licht het niet deed, vond ik. Maar ik – doorgewinterde wereldreiziger (NOT) – bespaarde mezelf vervolgens een gênant klaagmoment bij de receptie door net op tijd te ontdekken dat je met je sleutelpasje ook het licht aan moest doen. Duh.

Ik nam een bak koffie op mijn kamer – Nespresso! Top! – appte het thuisfront dat ik veilig aangekomen was en stuurde wat foto’s van de kamer en het uitzicht mee. Ik mocht dan wel in mijn geboortestad zijn, ik was wel toerist, ja! Terwijl ik koffie dronk, bedacht ik wat ik zou gaan doen die avond. In bad met een boek, dat zeker. Maar verder?

Ik overwoog een kroegentocht, langs alle cafés waar ik vroeger aan de bar hing. Ik had twee bedden op mijn kamer! Dus – grapte ik tegen het thuisfront – technisch gezien zou ik ook nog een Bredase kerel kunnen versieren! (Om de grapjassen voor te zijn: nee, die heb ik niet allemaal al gehad.) Maar zo zijn mijn verkering en ik niet getrouwd. Bovendien mijdt ik de horeca nog steeds in deze coronatijd dus dat plan veegde ik resoluut van mijn hoteltafel.

Ik besloot een wandeling te gaan maken in de buurt waar ik opgegroeid ben. Ik reed naar de straat waar ik als kind woonde. En ik was verbaasd dat ik mijn auto niet kwijt kon. Vroeger was er plaats genoeg omdat niet iedereen een auto had. Ik parkeerde een straat verderop en liep terug. De keurige straat van vroeger was het niet meer. Het onkruid tierde welig tussen de stoeptegels. De voortuinen waren verwaarloosd en vol rommel. Ik maakte foto’s. Vooral voor mijn moeder. Omdat ik wist hoe geschokt ze zou zijn.

Ik wandelde naar mijn basisschooltje. Dezelfde route die ik vroeger elke dag met Audrey liep. Mijn oude schooltje staat leeg. Nou ja, leeg? Het gebouwd wordt schijnbaar beheerd door een of andere anti-kraak organisatie, bleek uit het bord op een van de ramen. Dat ze hun taak niet echt serieus nemen, bleek uit de kapotte lamellen en zonweringen voor de ramen, de puinhoop op het schoolplein en – ook hier- het metershoge onkruid.

Daarna wandelde ik terug. Naar het park waar ik als kind speelde en als puber rond hing. Chillen avant la lettre. Want het woord ‘chillen’ bestond toen nog niet. Wij gingen gewoon ‘naar buiten’. Ik wandelde door het park naar de vijver waar we in de winter op schaatsten. En waar we in de zomer gingen pootje baden, tot onze enkels wegzakkend in de modder. Ooit kerfde mijn allereerste vriendje de letters A en N in een boom. Met een hartje erbij. Ik liep om elke boom heen die het zou kunnen zijn maar ik kon niets vinden. Misschien staat de bewuste boom er niet meer. Of zijn de letters na 35 jaar dicht gegroeid. Ik hoop het laatste. We hadden nog geen idee van zuinig zijn op groen toen. Sorry, boom.

Vroeger liep je hooguit vijf minuten in je eentje door het park. Er was altijd wel iemand die je zag lopen en ook naar buiten kwam en binnen no time was de vriendengroep compleet. Ik kuierde die avond een half uur rond maar er kwam niemand natuurlijk. Mijn vrienden zijn, net als ik, groot geworden. We zijn verhuisd, hebben banen, huizen en kinderen. Verantwoordelijke mensen zijn we geworden. Chillen in het park (lees: fikkie stoken, stiekem roken en verlegen zoenen) is er niet meer bij.

Ik liep langs mijn oude huis terug naar mijn auto en reed naar mijn hotel. Ik kon zowaar in één keer de ingang naar de parkeerplaats vinden! Ik deed het licht aan op mijn kamer en liet het bad vol lopen. Met mijn boek dobberde ik een paar uur in het schuim om daarna, verrimpeld als een oud besje, tussen de hotellakens te kruipen.

Tijdens elke stedentrip die ik de afgelopen jaren maakte, presteerde ik het om nachten achter elkaar te wakker te liggen. Een vreemd bed, vreemde geluiden, een vreemde stad. Maar hier, in mijn eigen stadje, met – net als vroeger – het slaapwekkende geruis van het verkeer op de A16 in de verte, sliep ik als een roosje. De hele nacht. Ik zou er niet meer willen wonen. Maar Breda voelt blijkbaar nog steeds als thuis.

Lichtgroen.

Zondagmiddag. Op bezoek bij mijn moeder. Na een bak koffie stroop ik alvast mijn mouwen op. ‘Mam? Moet er nog iets gebeuren?’ Want ze heeft de gewoonte om met klusjes op de proppen te komen als wij al met onze jassen aan in de gang staan om weg te gaan. ‘Ja!’ antwoordde ze resoluut. ‘In de achtertuin staan twee flessen azijn. Als jij nou even azijn op het onkruid in de voortuin gooit, dan kan ik dat van de week zelf wel weghalen’.

Toevallig las ik afgelopen week nog bij Nicole hoe slecht azijn voor het milieu is. En ik weet hoe mijn moeder het onkruid in haar achtertuin de nek om draait door er kwistig liters azijn over te kieperen. Aangezien ze een enorme tuin heeft, slecht uit de voeten kan en geen tuinman heeft, besloot ik mijn mond te houden. Bovendien vind ik het hele ‘doe eens groen’-gedoe een tikkie vermoeiend worden. Maar toen mijn moeder me vroeg de azijn te pakken, flapte ik het er toch uit. ‘Da’s heel slecht voor het milieu, hè Mam!’

‘Ammehoela!’ antwoordde mijn moeder. En het is dat haar handen niet zo goed meer werken maar ze keek alsof ze het liefst haar middelvinger opgestoken had. Aangezien mijn moeder de helft van haar leven geleefd heeft zonder wasmachine, droger, vaatwasser en stofzuiger, vergeef ik haar haar azijnstrooierij met liefde. Ook omdat ze nooit auto gereden heeft en – op een reisje naar Lourdes na – nog nooit gevlogen heeft. Dus ik haalde de fles azijn en liep de voortuin in.

Nou ja… voortuin? Twee rijtjes tegels onder het raam, een perkje kunstgras en een tuinpaadje van twee bij één. Ik zette de fles azijn neer en liep terug naar de schuur om het versleten aardappelschilmesje halen dat ze vroeger gebruikte om onkruid te krabben.

Kwartiertje werk. En toen was ik klaar. De fles azijn heb ik ongebruikt terug op zijn plaats gezet. Zo was ik geheel per ongeluk tóch een klein beetje groen bezig. Lichtgroen, zeg maar.