Categorie archief: Voor Oma

27 – Even opscheppen.

Ik was net 23 toen ik moeder werd. En nee, dat was niet de bedoeling dus de situatie was verre van ideaal. De vader in kwestie was, op zijn zachts gezegd, niet enthousiast. Dus ik wist dat ik er alleen voor stond. Mijn flatje, met maar één slaapkamer, was te klein. Mijn banksaldo niet riant. En ik had een baan in een andere stad die het onmogelijk maakte om een kind op tijd bij een opvang te dumpen om naar mijn werk te gaan.

Maar vanaf het allereerste moment dat ik wist dat ze op komst was, telde maar één ding. ‘Kan ik een kind een leuk leven geven?’ En ik had er het volste vertrouwen in dat ik dát kon. Dan maar alleen. Dan maar arm. Ik wist zeker dat het goed zou komen. Maar voor de zekerheid nam ik mijn voorbereiding zéér serieus. Ik nam een abonnement op ‘Kinderen’ en ‘Ouders van nu’ en ik las elk exemplaar van voor naar achter om me voor te bereiden op wat komen ging.

En toen werd mijn dochter geboren. En ik was zó enorm blij met haar dat ik dagenlang door mijn huis stuiterde en permanent op een roze wolk zat.  ‘s Morgensvroeg wachtte ik de kraamverzorgster op met vers gezette thee terwijl mijn baby – al fris gewassen en gevoed – tevreden in haar bedje lag. ’Doe eens rustig!’ maande mijn familie als ik weer eens niet naar bed wilde om te rusten. ‘Straks krijg je een terugslag’. Maar ik stuiterde vrolijk verder en die terugslag kwam nooit. Ik was niet van mijn roze wolk af te rammen. Sterker nog; 27 jaar later zit ik er nog steeds bóven op.

Nieuwe exemplaren van ‘Ouders van nu’ en ‘Kinderen’ mikte ik ongelezen in de papierbak. Ik deed alles op gevoel. Ik vond een groter huis. Een baan vlak bij huis. En het opvoeden van mijn dochter ging vanzelf. Omdat ze zo’n gigantisch makkelijk kind was. Zoals mijn dochter was, had ik er wel tien groot kunnen brengen. Met twee vingers in mijn neus. In mijn eentje. Van kleuter- naar lagere- naar middelbare school. Naar de universiteit. Geen enorme problemen.

We boften met lieve familie om ons heen. Mijn vader, broers en zwager die nooit te beroerd waren om te klussen bij ons. Mijn moeder die ons hondje tussen de middag uit liet en mijn zus die, tot vervelens toe, op mijn kind paste terwijl ik wanhopig probeerde mijn enige serieuze relatie in die tijd bij te benen terwijl hij nog volop in zijn uitgaansfase zat.

En natuurlijk was het niet altijd pais en vree. ‘Wat ben jij consequent!’ roemden vrienden. Maar de waarheid was dat ik vooral ongeduldig was. Ze moest gewoon luisteren. En bij gebrek aan ‘Van papa mag het wel’ was moeders wil altijd wet. Arm kind. En arme ik. Want hoe geweldig het ook ging, de schuldgevoelens stapelden zich op. Omdat ik volop fouten maakte.

Zoals die keer dat mijn zus mijn zes-jarige midden in de nacht onder de douche schoonpoetste. Omdat ze ziek werd tijdens de zoveelste logeerpartij en zichzelf gigantisch onder had gespuugd, terwijl ik in een of andere foute kroeg hing met eerder genoemd vriendje (‘Maar, tante Tina! Ik wilde niet op je vloerbedekking spugen dus ik was maar plat op bed blijven liggen’).

Of die keer dat mijn elf-jarige dochter, in volledige party-outfit, hartverscheurend huilend op bed lag omdat ze niet naar een bepaald feestje mocht. Ik heb nog een jaar lang met tegenzin het shirtje gestreken dat ze toen droeg. Omdat het me herinnerde aan die ene gigantische ruzie. (‘Oeh, mam!’ zegt ze nu ‘Dat was fout volk! Ze lieten die kinderen gewoon bier drinken!’).

En de aller-ergste: ik sleepte dat arme kind als puber mee naar Amsterdam, weer mee terug naar Breda en wéér mee naar Amsterdam zodat ze drie keer van middelbare school wisselde. En als klap op de vuurpijl bracht ze haar eindexamentijd grotendeels alleen door omdat ik al een baan in Amsterdam had en zij nog in Breda naar school moest. Ik had inmiddels een berg schuldgevoelens van heb ik jou daar.

Maar dat arme kind heeft nooit geklaagd, nooit gezeurd. Met angst en beven wachtte ik op haar puberteit. Ooit moest dat voorbeeldige meiske toch ontsporen? Maar dat gebeurde niet. Ze dronk niet, rookte niet, kwam nooit te laat thuis en was een voorbeeldige leerlinge. Zo rond haar 24ste begon ik voorzichtig opgelucht adem te halen. Dochterlief was – al lang – financieel onafhankelijk. Had haar middelbare school en twee universitaire studies succesvol afgerond. Bovendien had ze een vaste relatie en woonde ze samen. Een hele geruststelling; mocht ze alsnog ontsporen dan was dat zíjn pakkie an.

Toch bleven de schuldgevoelens knagen. Tot ik 50 werd. En van mijn dochter het boekje ‘Lieve Mama’ kreeg. Helemaal vol geplakt met grappige, lieve en mooie foto’s. En nog mooier; helemaal volgeschreven met verhalen over hoe zij haar jeugd beleefd heeft.

Steeds opnieuw pak ik het boekje en bekijk ik de foto’s. Steeds opnieuw moet ik lachen om alle grappige herinneringen die we delen. En steeds opnieuw pink ik een traantje weg om de mooie dingen die ze over mij schrijft. Want wat blijkt? Ze heeft het léuk gehad vroeger! Ze is niets te kort gekomen. Alles kon, iedereen was altijd welkom. Dat vond ze fijn. Oké, mijn kookkunsten waren niet je-van-het, maar ze snapt wel dat ik weinig tijd had om te (leren) koken. En ze waardeert zelfs de 4.895 tentjes die ik in haar jeugd voor haar gebouwd heb!

Ergens aan de andere kant van de wereld, samen met haar Robby op reis in Vietnam, viert mijn dochter vandaag haar 27ste verjaardag. En ik ben oneindig trots op haar. En ook op mezelf. Ik moest er 50 voor worden maar ik heb het nu zwart op wit! Ik ben een leuke moeder! We hebben het geflikt samen, zij en ik. En niet in de laatste plaats omdat zij zo’n geweldig leuk kind is.

Lieve Michelle, gefeliciteerd met je verjaardag!
Het is – nog steeds – een feest om jouw moeder te zijn. ❤️

Gratis.

In mijn arme dagen was ik dol op de ophaaldag voor grof huisvuil. Spiedend fietste ik langs alle afgedankte meuk om te kijken of er iets bij zat dat ik kon gebruiken. Een leuk rieten stoeltje, Michelle’s nachtkastje, mijn schemerlamp en zelfs mijn grenen eethoek met vier stoelen kwam bij het grofvuil vandaan. Opgepimpt en schoongemaakt heb ik nog jarenlang plezier gehad van de afgedankte spullen van een ander.

Inmiddels zijn mijn arme dagen – gelukkig – voorbij. Maar old habbits die hard en ik ben nog steeds dol op gratis dus grofvuil blijft een magische aantrekkingskracht op mij uitoefenen. Toen ik een paar weken terug mijn afvalzak in de container in de gemeenschappelijke berging ging gooien, stond er een schattig mozaïektafeltje naast de container. Tenminste, het tafelblad stond tegen de muur. Maar de poten lagen er – keurig bijeengebonden – bij. Er ontbraken wat tegeltjes op het tafelblad. Maar toen ik nog eens goed keek, ontdekte ik dat er een zakje aan de tafelpoten geplakt zat met daarin – heel attent – de schroeven én de ontbrekende tegeltjes. Daar word ik als grofhuisvuilliefhebster dus helemaal gelukkig van!

Maar goed, mijn huis én balkon zijn vol dus ik had niks aan het tafeltje. Ik appte een foto naar schoonzus. Of zij het wat vond. Maar ook bij schoonzus was geen ruimte voor het tafeltje. Wekenlang keek het tafeltje me aan als ik mijn vuil weg ging gooien. ‘Neem me mee’ fluisterde ze ‘Kijk dan hoe leuk ik ben!’ En steeds draaide ik me resoluut om. ‘Sorry. Er is geen ruimte voor jou.’ Maar na een middagje tuinieren en tuinmeubelen verplaatsen bij mijn moeder, bleek zíj ineens wel een hoekje over te hebben. ‘Ik heb nog wel een leuk tafeltje, Mam.’’ beloofde ik haar.

Eenmaal thuis checkte ik meteen in de berging of het tafeltje er nog stond. En jawel! Het stond er nog! Blij sleepte ik het loodzware geval naar mijn eigen berging. En kijkend naar de grijze tegeltjes viel ineens het kwartje. Want grijs! Net zoals mijn tuinmeubeltjes! Eigenlijk zou dat best leuk staan. Maar zou het passen op mijn propvolle balkon? Ik sjouwde het tafelblad mee naar boven en legde het bovenop mijn eigen tafeltje. Yep! Het paste! En het stond een partij leuk!

Het ruimtegebrek doordat ik nu twéé tafeltjes had, loste ik op door mijn eigen lage tafeltje onder een plant te zetten. Daarna schroefde ik de poten onder het mozaïektafeltje. Het is een stuk hoger dan mijn eigen tafeltje. Maar dat past eigenlijk wel weer bij mijn twee stoeltjes. Ineens zag ik mogelijkheden om buiten te eten!  Een loungebank én een bistro-setje! Hoe leuk is dat?

Ik plakte de losse tegeltjes vast en ik ontdekte dat er in de ruimte tussen de tafelpoten precies een bloempot past. Geweldig. En dus prijkt het tafeltje nu op mijn balkon. Ik ben er heel tevreden mee. Ondanks het knagende schuldgevoel.

Want hoe vertel ik mijn moeder dat háár tafeltje nu op mijn balkon staat?

Groningen 2019.

De foto’s op de AirB&B-site waren niet veel belovend. Maar dat was misschien mijn eigen schuld. Ik had bij mijn dochter alleen gemeld dat ik  in ‘een oud, klein huisje’ wilde logeren. Zoiets als het huisje waar mijn vader woonde. Ik had niet gemeld dat het spic en span moest zijn. Voor de zekerheid – en omdat we toch met de auto waren – sleepte ik mijn dekbed en kussen mee. 

Tijdens de tien minuten lopen van de gratis parkeerplaats naar ons onderkomen voelde ik me redelijk belachelijk, zeulend met mijn beddengoed. Maar toen we bij aankomst in de huisregels het vriendelijke verzoek lazen om de naaktslak die de gewoonte had om ‘s nacht over het aanrecht te kruipen in de prullenbak te gooien, was ik blij met mijn dekbedje. Mich ook. Want zij deed de twee kussenslopen die klaarlagen voor ons allebei over haar kussen. 

Ze had ons onderkomen puur geboekt op basis van de locatie. En eerlijk is eerlijk; die was perfect! Tegenover een park, vlak bij het centrum. En – ook niet onbelangrijk – we hadden twee fietsen tot onze beschikking. Binnen een paar minuten stonden we in het centrum van Groningen.

De stad waar mijn vader geboren is. De stad waar we op bezoek gingen bij mijn oma. Met de trein. Waar toen nog een restauratiewagon in zat met grote tafels waaraan mijn vader en broers zaten te kaarten. De stad waar ik – eerlijk gezegd – als kind nooit vrolijk van werd. Mijn oma serveerde steevast lauwe druivensap in haar kleine huisje dat propvol stond met rotzooi. Dat hielp ook al niet. Of misschien pikte ik de stemming van mijn vader op die ook niet echt warm liep voor zijn geboortestad. Pas later hoorde ik dat mijn oma niet echt een liefhebbende moeder geweest was. En dat mijn vader in zijn kindertijd veel moederziel alleen door de stad dwaalde. Ik geloof niet dat hij er gelukkig was.

En nu was ik terug in Groningen. Voor het eerst sinds de crematie van mijn oma in 1980. Toen we met de hele familie in een praktisch busje achter de lijkwagen aanreden en mijn zus hartverscheurend huilde. Niet omdat onze oma dood was. Maar omdat ze het zo zielig vond voor Pa dat er niemand huilde om zijn moeder die dood was.

Michelle en ik dwaalden door de stad. We liepen de eerste dag elf kilometer. Dus mochten we veel taart, vonden wij. En pizza! We liepen en kletsten en aten en keken. En steeds moest ik aan mijn vader denken die hier ook rondgelopen heeft. Ondanks mijn eigen dekbedje en al die kilometers sliep ik natuurlijk amper, die nacht. De volgende ochtend liep ik om half zeven al foto’s te maken in het park.

We gingen ontbijten en daarna fietsten we naar het ouderlijk huis van mijn vader. Onderweg passeerden we het station. En daar stond – nog steeds – het Peerd van Ome Loeks. Ik was ‘m helemaal vergeten! Maar hij stond er nog steeds. Wild schreeuwend maande ik Michelle om te stoppen. Ik móest op de foto met het Peerd van Ome Loeks! Net zoals toen ik een jaar of zeven was. Uit mijn hoofd had ik geen idee meer hoe die foto er precies uit zag. Op de gok poseerde ik bij het hoofd van het paard. Die hele Ome Loeks kon me als kind waarschijnlijk gestolen worden. Maar dat paard, hè!

In het straatje waar mijn vader ooit woonde, belde ik met mijn moeder. Terwijl ik naar het piepkleine huisje keek, haalde zij herinneringen op. Over hoe ze daar inwoonde met Pa en twee kleine kinderen terwijl Pa in Den Bosch werkte. Omdat ze geen eigen huis konden krijgen en bij haar ouders in huis geen plaats was. Hoe ze – tot haar grote ongenoegen – bij haar schoonmoeder in de bedstee sliep. Tot ze een eigen slaapkamer kregen op de eerste verdieping. Hoe ze daar wakker lag en naar de treinen luisterde. Als de laatste trein uit Brabant binnen kwam, wachtte ze op het geluid van voetstappen. Want soms kwam mijn vader onverwachts naar huis met de laatste trein. Ook mijn moeder was niet gelukkig in Groningen.

Uiteindelijk fietsten Michelle en ik terug en dwaalden we nog eens tien kilometer door de stad. Met taart-pauzes natuurlijk. Ondanks de treurige verhalen van mijn ouders, vind ik Groningen een mooie stad. Veel prachtige oude gebouwen, veel mooie hofjes en de prachtige watertorens. 

Tevreden sloten we uiteindelijk onze B&B af en reden we naar huis. Onderweg passeerden we Almere. Daar maakten we een tussenstop en wees Michelle de plaats aan waar – volgend jaar – hun huis gebouwd gaat worden. Gek om rond te rijden in de wijk in aanbouw die straks haar thuis gaat worden. Het wordt vast waanzinnig mooi.

Om zes uur was ik thuis. Ik waste mijn beddengoed en dekte mijn eigen bedje op. Die nacht sliep ik als een roosje. Omdat Grongen met dochterlief hartstikke leuk was. En vooral omdat het met Vriendjelief – alleen thuis – goed gegaan was. Ik zal ongetwijfeld weer nachten wakker liggen maar Mich en ik kunnen weer op pad. We beginnen met Dublin. Volgend jaar pas. Want Michelle en Robby gaan eerst nog naar Vietnam. 

Zij liever dan ik trouwens. Je kunt niet eens je eigen dekbed mee nemen. En nog erger; wie weet wat daar ‘s nachts over het aanrecht kruipt…

Stedentrip.

Rome 2014. Madam had 40 graden koorts.

Voor Michelle’s 21ste verjaardag nam ik haar mee naar de voorstelling van The Lion King. In Londen. Iedereen die mij ook maar een beetje kent, weet dat dat – voor mijn doen – een enorme stap is. Ik heb al heimwee zodra mijn voordeur uit zicht is. En volgens dochterlief – die ervoor geleerd heeft – heb ik OCD en gruwelijke afkeer van bedden, wc’s en douches die door 1000 mensen vóór mij gebruikt zijn. 

Gelukkig is dochterlief gezegend met een richtingsgevoel van heb ik jou daar. Gelukkig is zij een kei in uitzoeken, regelen en plannen. Zij regelt accommodaties, niet toevallig nét om de hoek van de bezienswaardigheden. Zij zoekt uit welke bus we moeten nemen, waar en hoe laat die vertrekt en waar we kaartjes moeten kopen. En ze stippelt uiterst vermoeiende wandelroutes uit waarin we in no time alle bezienswaardigheden zien. 

Het enige wat ik hoef te doen, is de knoop in mijn maag negeren – omdat ik ver van huis ben, snik – en mijn kind te volgen. En dat maakt dat ik er – ondanks mijn heimwee – toch steeds weer aan begin. Na Londen volgden Rome en Barcelona. Het was onvergetelijk. Want er is niets ter wereld mooier dan achter mijn kind aan rennen door vreemde steden. Die toen ze drie was, met haar handje stevig in de mijne, door de Efteling liep. Best spannend. Die achterop mijn fiets haar eerste ritje naar de kleuterschool maakte. Naar zwemles. Naar turnkamp. Het meiske dat ik verhuisde naar een studentenkamer. 

En dus volg ik haar blindelings. Naar The Towerbridge. De Big Ben. Naar Buckinghampalace. Naar de Brug der Engelen. Het Colosseum. Naar de Piazza de Popolo. Naar de Sagrada Familia. Ik kijk en kijk naar al die bezienswaardigheden. Maar ik kijk vooral naar mijn kind en naar de stoere bikkel die ze geworden is. Mijn kleine kleuter. Thuis. Overal ter wereld. Mijn globetrotter. Hoe is het mogelijk?

Ik accepteer het feit dat ik geen oog dicht doe in een vreemd bed. Lig wakker terwijl zij als een roosje naast me slaapt. Zij heeft nergens last van. Ik douche in badkamers waar minstens 1000 mensen mij voor gingen. En ik geniet van de dagen maar tel de nachtjes tot ik weer naar huis mag. En als we dan die laatste avond vermoeid op een vliegveld zitten en ik weet dat ik bijna thuis ben, komt het besef. Man! Wat wás het weer leuk. 

Sinds Frank ziek werd, stonden de stedentrips met Michelle op de lijst ‘ooit’. En ooit is nú gekomen. We beginnen klein. Dit weekend gaan we één nachtje logeren in Groningen. Om te kijken hoe het gaat met Frank als ik niet thuis ben. Naar Groningen omdat mijn vader daar geboren is.

En ik plan mijn uitje alsof het een wereldreis is. Schrijf een complete handleiding voor Frank’s medicatie en welke voedingsmiddelen waar te vinden zijn in huis. In noodgevallen is onze schoonzoon – de schat – stand-by. 

En ik vind het rot dat Frank alleen is. Maar hij grapt ‘Lekker rustig!’ en zegt dat-ie de kroeg induikt. Wil niets weten van afspraken met vrienden die hij kan maken. Het komt vast goed. En dan kan ik verder met mijn lijstje van steden. Dublin. Lissabon. Praag. Berlijn. Steden waar ik naar toe wil met mijn globetrotter. Waar ik nachtenlang wakker zal liggen met mijn heimwee. En waar ik overdag trots achter mijn kind aan zal lopen. 

Maar eerst Groningen. 150 kilometer van huis. Een nachtje. Komt goed.