Categorie archief: Voor Oma

Het meest verschrikkelijke moment van de dag.

Ik kan me niet herinneren hoe vaak we gingen douchen. Misschien maar één keer per week? Zo ging dat vroeger, toch? Maar het was een hele happening en ik was er als kind al dol op.

Ik ben gezegend met drie oudere zussen. En als zij gingen douchen, ging ik met alledrie om beurten mee. Als meisjes onder elkaar kon dat best. De een na de ander stapte onder de douchestraal en zo pikte ik drie douchebeurten mee, spelend met het water. Daarna kwam mijn moeder, die – heel praktisch – meteen de badkamer schoonmaakte. Tijdens die vierde douchebeurt van de avond, kreeg ik een oude tandenborstel waarmee ik de zwarte puntjes in het betonemaille mocht schoonpoetsen.

Maar zelfs na drie douchende zussen én een poetsende moeder wist ik nog van geen ophouden. Terwijl mijn zussen beneden naar de Partridge-family keken en mijn moeder zichzelf afdroogde, legde ik een washandje op het putje. In het kleine laagje water dat bleef staan, glibberde ik door de badkamer. Liggend op mijn buik, me afzettend tegen de muur met mijn voeten. Joehoe! Ik zwóm! Joehoe! Ik had mijn eigen zwembad. Dolle pret!

Mijn moeder kondigde vervolgens aan dat ik er uit moest komen, wat ik steevast weigerde. Na drie keer roepen, draaide ze dan de kraan dicht. Ik glibberde nog een beetje rond, terwijl mijn privé-zwembadje langzaam leeg liep. Maar ik weigerde nog steeds onder de douche vandaan te komen. Waarop mijn moeder resoluut ook het licht in de badkamer uit deed.

Dan zat ik, in het donker, op de vloer van de badkamer. Met mijn natte washandje op het putje, te luisteren naar de laatste druppels warm water die uit de douchekop vielen. In het donker was mijn privézwembad een stuk minder leuk. Bovendien kreeg ik het al snel koud. Dus gaf ik me gewonnen en kwam ik eindelijk onder de douche vandaan.

Inmiddels ben ik groot maar ik ben nog steeds dol op douchen. Oké, ik glibber niet meer op mijn buik over de douchevloer. Ik zou het dolgraag nog een keer proberen; maar ja… we hebben nu eenmaal antislip-tegels. Ondanks dat kan ik nog wel heerlijk genieten van mijn douchebeurten.

Hoewel het – in deze tijd van duurzaamheid – totaal not done is, blijf ik nadat ik mezelf gewassen heb, altijd even een minuutje staan. My guilty pleasure. Ik laat het water over mijn rug lopen, geniet van de warmte en spoel – als avond-doucher – de dag van me af. Even relaxen, even helemaal niks, alleen ik en het warme water. En dan komt altijd weer dat onvermijdelijke moment dat ik de kraan dicht moet draaien.

Ik vind het – met stip! – het meest verschrikkelijke moment van de dag. Het uitdraaien van de douchekraan. Het is een compleet wonder dat het me iedere keer weer lukt.

Wat vind jij het meest verschrikkelijke moment van de dag?

Naaimachine from hell.

Hoe het begon: broer kocht een dekbedovertrek met twee kussenslopen. Hij wilde extra kussenslopen dus kocht hij een extra dekbedovertrek om daar kussenslopen van te maken. Hij vroeg onze moeder de slopen te maken. ‘Dat lukt me niet meer’ zei mijn moeder tegen mij ‘Mijn handen willen niet meer’. Waarop ik aanbod ze te maken. Ik heb tenslotte nog maar één broer en die wil ik best een pleziertje doen. Vooral omdat er bij ons nog steeds twee lampen opgehangen moeten worden. Kan-ie mooi doen als-ie zijn kussenslopen komt halen.

‘Weet je wat?’ opperde mijn moeder. ‘Neem jij mijn naaimachine maar mee. Dan mag je die meteen houden’. Er zaten twee addertjes onder het gras. Addertje één was mijn moeders nieuwe badjas die korter gemaakt moest worden. Addertje twee is de naaimachine van mijn moeder. Ik háát dat ding. Ik kan er niet mee overweg. In het verleden, toen wij nog bij mijn moeder in de straat woonden, leende ik haar naaimachine wel eens. Voor simpele dingen. Een broek omzomen. Een kussentje maken. Maar ik had altijd ruzie met dat kreng. Met de naaimachine, hè. Niet met mijn moederke.

Ik zweer je; er huist een boze geest in die naaimachine. Mijn moeder zat dan aan mijn tafel. Achter haar naaimachine. Ze spande de draden op de machine en maakte een beginnetje. De naaimachine zoemde gezellig en naaide als een zonnetje. Tot mijn moeder het pand verliet. Zodra de naaimachine de voordeur in het slot hoorde vallen, begon het ding te klieren. Rijgen. De draad die vastliep. Noem maar op. Wanhopig belde ik dan naar mijn moeder. ‘Mam! Hij doet het weer! Hij plaagt mij!’ Mijn moeder, die maar twee deuren verder woonde, kwam meteen terug. En écht! Zodra zij binnenkwam en plaats nam achter de naaimachine, werkte alles weer perfect.

Maar goed, ik besloot een poging te wagen. Ik nam de naaimachine mee, mijn moeders badjas én het dekbedovertrek van mijn broer. Ik woon inmiddels 120 kilometer van mijn moeder vandaan. Ik zou het deze keer helemaal zelf moeten doen. Ik en de naaimachine-from-hell.

Ik installeerde het ding op tafel en begon met het opspoelen van garen op het spoeltje. Maar wat ik ook deed; het spoeltje draaide niet. Na een uur pielen, belde ik mijn moeder om te vragen hoe dat nou ook alweer moest. Zij vertelde precies wat ik al in de handleiding had gelezen. Dat dééd ik! Maar het werkte niet. Terwijl ik met mijn moeder belde, wikkelde ik – met de hand – machinegaren om het spoeltje. Ook een manier. Zucht.

Daarna was ik een half uur bezig om het spoeltje goed in de machine te krijgen. Maar hij viel er steeds weer uit. Bij poging 43 lukte het eindelijk. Vervolgens duurde het nog eens een half uur om de draad aan de bovenkant te spannen. Toen dat uiteindelijk gelukt was, bleken de draden in de knoop te raken omdat het spoeltje toch niet goed zat. Na nog eens 12 pogingen zat ook het spoeltje goed. Uiteindelijk was ik dus twee uur bezig geweest met het alleen al het opspannen van de machine. Ik zoomde in vijf minuten mijn moeders badjas om.

En verdorie! Die kussenslopen gingen ook als een speer. Sterker nog; het ging zo goed dat ik – als geintje – na de vier kussenslopen ook twee bijpassende pyjamabroeken maakte voor mijn vrijgezelle broer. Een voor hem en een voor haar. Als-ie nou geen vrouw versiert, weet ik het niet meer.

Het lijkt er op dat ik afgerekend heb met de spoken uit het verleden. Schijnbaar is de boze geest in de naaimachine-from-hell verbannen. Hopelijk voor altijd. Want het is toch wel handig, zo’n naaimachine. Alleen dat spoeltje, hè. Da’s nog even een dingetje.

De voortuin.

Met vriendinnetje Audrey in de achtertuin

Toen ik – als zesde kind – geboren werd, woonden we met z’n allen in een klein huisje in Tuinzicht*, een wijk vlak bij het centrum van Breda. Met z’n achten woonden we in een klein vooroorlogs huisje. Net zoals de buren. Grote gezinnen. De vaders werkten, de moeders waren huisvrouw. Keurig netjes. Met streeploos gezeemde ramen en geveegde stoepjes. 

Later verhuisden we naar een groter huis, in een wijk aan de rand van de stad. Een ruime nieuwbouw woning met,  in plaats van een binnenplaatsje achter het huis, een heuse voor- en achtertuin. Mijn moeder was er erg blij mee. Zeker omdat onze oude buurt flink verpauperde. Als een ware Hyacint Bouquet uit ‘Keeping up appearances’ kan ze haar neus ophalen voor haar oude buurt. ‘Tuinzicht!’ roept ze dan hoofdschuddend ‘Daar zitten ze met een krat bier in de voortuin’. 

Want in de voortuin zitten is – in haar ogen – not done. Dat dóe je niet. Dat is asociaal. Niet netjes. Het is niet zo vreemd dat ze zo denkt. In haar tijd ‘hing je de vuile was niet buiten’. Of wat te denken van de bouwstijl ‘Amsterdamse school’ van vroeger waarbij de architecten kleine, hooggeplaatste ramen bedachten zodat de huisvrouwen niet uit het raam konden leunen. Alles bleef binnenskamers.

Schuin tegenover ons appartement staat een rijtje eengezinswoningen. Met voor- en achtertuinen. En bij één van die woningen, zitten de bewoners de hele zomer in de voortuin. Bij de eerste zonnestralen wordt er een partytent in de voortuin gezet. De tuinmeubelen worden er onder gezet en het hele gezin leeft vervolgens in hun voortuin tot het herfst wordt. Van ‘s morgens vroeg tot ‘s avonds. Pal aan de drukke straat. 

Dat ik enigszins beïnvloed ben door de denkbeelden van mijn moeder, blijkt uit het feit dat ik het gezin steevast ‘De Flodders’ noem. En ik weet best dat dat nergens op slaat. Ik kén ze niet eens. Waarschijnlijk zijn het keurige mensen, die netjes hun belasting betalen en geen vlieg kwaad doen. Waarschijnlijk zijn het mensen die altijd klaar staan voor anderen. Ze houden in elk geval van gezelligheid. Want er staan regelmatig voorbijgangers bij hun tuinhek te kletsen. Ik heb overigens nog geen kratten bier gespot.

Een kopje koffie in de eerste ochtendzon in je voortuin kan ik me voorstellen. Maar dit gaat veel verder. Werkelijk geweldig vind ik het moment dat het avondeten geserveerd wordt. De onderzetters komen tevoorschijn (tja, anders smelt je tuintafel) en de pannen worden op tafel gezet. Compleet met van die grote knijpflessen ketchup en mayonaise. Terwijl voetgangers over de stoep vlak langs hun tuintje lopen, werken zij de gekookte piepers naar binnen. In de voortuin. 

Ikzelf moet er niet aan denken maar natuurlijk mogen ze in hun voortuin bivakkeren. Waarom niet? Het is tenslotte hún voortuin. We hebben er ook geen last van. Voor ons is het hooguit een tijdaanduiding. Het officiële begin van de lente. De aankondiging van mooi weer. “Schat!” roep ik vrolijk tegen Frank in het voorjaar “Het is nu écht lente! De Flodders hebben de tent gezet!” Of ik verzucht, aan het eind van het zomerseizoen dat het zulk slecht weer is, dat zelfs De Flodders binnen zitten. 

Echt. Van mij mogen ze. Maar toch… toch vind ik het een beetje apart.
Zit jij wel eens in je voortuin? Of vind je dat niet netjes?

* over de wijk Tuinzicht werd in 2018 een tv serie gemaakt door de EO, ‘Typisch Tuinzicht

27 – Even opscheppen.

Ik was net 23 toen ik moeder werd. En nee, dat was niet de bedoeling dus de situatie was verre van ideaal. De vader in kwestie was, op zijn zachts gezegd, niet enthousiast. Dus ik wist dat ik er alleen voor stond. Mijn flatje, met maar één slaapkamer, was te klein. Mijn banksaldo niet riant. En ik had een baan in een andere stad die het onmogelijk maakte om een kind op tijd bij een opvang te dumpen om naar mijn werk te gaan.

Maar vanaf het allereerste moment dat ik wist dat ze op komst was, telde maar één ding. ‘Kan ik een kind een leuk leven geven?’ En ik had er het volste vertrouwen in dat ik dát kon. Dan maar alleen. Dan maar arm. Ik wist zeker dat het goed zou komen. Maar voor de zekerheid nam ik mijn voorbereiding zéér serieus. Ik nam een abonnement op ‘Kinderen’ en ‘Ouders van nu’ en ik las elk exemplaar van voor naar achter om me voor te bereiden op wat komen ging.

En toen werd mijn dochter geboren. En ik was zó enorm blij met haar dat ik dagenlang door mijn huis stuiterde en permanent op een roze wolk zat.  ‘s Morgensvroeg wachtte ik de kraamverzorgster op met vers gezette thee terwijl mijn baby – al fris gewassen en gevoed – tevreden in haar bedje lag. ’Doe eens rustig!’ maande mijn familie als ik weer eens niet naar bed wilde om te rusten. ‘Straks krijg je een terugslag’. Maar ik stuiterde vrolijk verder en die terugslag kwam nooit. Ik was niet van mijn roze wolk af te rammen. Sterker nog; 27 jaar later zit ik er nog steeds bóven op.

Nieuwe exemplaren van ‘Ouders van nu’ en ‘Kinderen’ mikte ik ongelezen in de papierbak. Ik deed alles op gevoel. Ik vond een groter huis. Een baan vlak bij huis. En het opvoeden van mijn dochter ging vanzelf. Omdat ze zo’n gigantisch makkelijk kind was. Zoals mijn dochter was, had ik er wel tien groot kunnen brengen. Met twee vingers in mijn neus. In mijn eentje. Van kleuter- naar lagere- naar middelbare school. Naar de universiteit. Geen enorme problemen.

We boften met lieve familie om ons heen. Mijn vader, broers en zwager die nooit te beroerd waren om te klussen bij ons. Mijn moeder die ons hondje tussen de middag uit liet en mijn zus die, tot vervelens toe, op mijn kind paste terwijl ik wanhopig probeerde mijn enige serieuze relatie in die tijd bij te benen terwijl hij nog volop in zijn uitgaansfase zat.

En natuurlijk was het niet altijd pais en vree. ‘Wat ben jij consequent!’ roemden vrienden. Maar de waarheid was dat ik vooral ongeduldig was. Ze moest gewoon luisteren. En bij gebrek aan ‘Van papa mag het wel’ was moeders wil altijd wet. Arm kind. En arme ik. Want hoe geweldig het ook ging, de schuldgevoelens stapelden zich op. Omdat ik volop fouten maakte.

Zoals die keer dat mijn zus mijn zes-jarige midden in de nacht onder de douche schoonpoetste. Omdat ze ziek werd tijdens de zoveelste logeerpartij en zichzelf gigantisch onder had gespuugd, terwijl ik in een of andere foute kroeg hing met eerder genoemd vriendje (‘Maar, tante Tina! Ik wilde niet op je vloerbedekking spugen dus ik was maar plat op bed blijven liggen’).

Of die keer dat mijn elf-jarige dochter, in volledige party-outfit, hartverscheurend huilend op bed lag omdat ze niet naar een bepaald feestje mocht. Ik heb nog een jaar lang met tegenzin het shirtje gestreken dat ze toen droeg. Omdat het me herinnerde aan die ene gigantische ruzie. (‘Oeh, mam!’ zegt ze nu ‘Dat was fout volk! Ze lieten die kinderen gewoon bier drinken!’).

En de aller-ergste: ik sleepte dat arme kind als puber mee naar Amsterdam, weer mee terug naar Breda en wéér mee naar Amsterdam zodat ze drie keer van middelbare school wisselde. En als klap op de vuurpijl bracht ze haar eindexamentijd grotendeels alleen door omdat ik al een baan in Amsterdam had en zij nog in Breda naar school moest. Ik had inmiddels een berg schuldgevoelens van heb ik jou daar.

Maar dat arme kind heeft nooit geklaagd, nooit gezeurd. Met angst en beven wachtte ik op haar puberteit. Ooit moest dat voorbeeldige meiske toch ontsporen? Maar dat gebeurde niet. Ze dronk niet, rookte niet, kwam nooit te laat thuis en was een voorbeeldige leerlinge. Zo rond haar 24ste begon ik voorzichtig opgelucht adem te halen. Dochterlief was – al lang – financieel onafhankelijk. Had haar middelbare school en twee universitaire studies succesvol afgerond. Bovendien had ze een vaste relatie en woonde ze samen. Een hele geruststelling; mocht ze alsnog ontsporen dan was dat zíjn pakkie an.

Toch bleven de schuldgevoelens knagen. Tot ik 50 werd. En van mijn dochter het boekje ‘Lieve Mama’ kreeg. Helemaal vol geplakt met grappige, lieve en mooie foto’s. En nog mooier; helemaal volgeschreven met verhalen over hoe zij haar jeugd beleefd heeft.

Steeds opnieuw pak ik het boekje en bekijk ik de foto’s. Steeds opnieuw moet ik lachen om alle grappige herinneringen die we delen. En steeds opnieuw pink ik een traantje weg om de mooie dingen die ze over mij schrijft. Want wat blijkt? Ze heeft het léuk gehad vroeger! Ze is niets te kort gekomen. Alles kon, iedereen was altijd welkom. Dat vond ze fijn. Oké, mijn kookkunsten waren niet je-van-het, maar ze snapt wel dat ik weinig tijd had om te (leren) koken. En ze waardeert zelfs de 4.895 tentjes die ik in haar jeugd voor haar gebouwd heb!

Ergens aan de andere kant van de wereld, samen met haar Robby op reis in Vietnam, viert mijn dochter vandaag haar 27ste verjaardag. En ik ben oneindig trots op haar. En ook op mezelf. Ik moest er 50 voor worden maar ik heb het nu zwart op wit! Ik ben een leuke moeder! We hebben het geflikt samen, zij en ik. En niet in de laatste plaats omdat zij zo’n geweldig leuk kind is.

Lieve Michelle, gefeliciteerd met je verjaardag!
Het is – nog steeds – een feest om jouw moeder te zijn. ❤️