Categorie archief: Voor Oma

Dag grote broer.

1995: ome Kees en Michelle

Mijn eerste herinnering aan jou is dat je uit je werk kwam, je chauffeurstas in een hoek gooide en mij de kieteldood gaf. Ik zal hooguit een jaar of vier geweest zijn. Want je trouwde en ging het huis uit toen ik vijf was. Je was mijn stoere, grote broer.

Toen ik op mezelf ging wonen, stond je altijd voor me klaar. Als mijn auto niet startte, kreeg jij ‘m weer aan de praat. Als er geklust moest worden, was je er. Je legde ontelbare vierkante meters laminaat. Je kluste zoveel voor ons dat Michelle, als dreumes, dacht dat jij álles kon maken. 

Toen ze op een bewolkte avond de maan niet zag, zei ze “Ome Kees maken” en vol vertrouwen ging ze slapen. De volgende avond was de maan er weer. “Ome Kees gemaakt” was haar tevreden conclusie. En toen ze groot was, verhuisde jij haar naar haar studentenkamer. Ome Kees regelde het wel. Altijd. Mijn grote, handige broer.

We maakten samen ontelbare uitstapjes. De Efteling, Phantasialand, Valkenburg. Speeltuinen, terrassen en Kerstmarkten. Overal nam je ons mee naar toe. Het liefst met zoveel mogelijk mensen. Want natuurlijk moest Ma altijd mee. En Michelle. En onze hond. Iedereen was altijd welkom. En jij vermaakte iedereen.

Met enorm flauwe grapjes die je zelf geweldig vond. ‘Mijn moeder mag niet achterin de auto zitten’ verkondigde je bij elk benzinestation ‘want dan knaagt ze aan de voorstoelen’. Mijn lieve, gekke broer.

Onvergetelijk was ook je eerste bezoekje aan ons in Amsterdam. Met de tram gingen we het centrum in. ‘In Brabant hoef ik nooit te betalen in het OV’ zei je. Frank en ik lachten. ‘Zo werkt dat niet in Amsterdam’. Maar jij stapte in, kletste met je Amsterdamse collega en natuurlijk mocht je gratis mee. Trots keek ik hoe je voor in de tram stond. Alsof je nooit anders gedaan had. Mijn grote, charmante broer.

Met je grote mond. En een heel klein hartje.

Jij, urenlang rondlopend met Michelle op je schouders toen ze nog een kleuter was.

Jij, die zolang je kon de tuin van Ma netjes hield en zorgde voor partytenten, tafels, stoelen en alles wat ze nodig had voor haar legendarische verjaardagsfeesten.

Jij die, samen met Gerda, zovaak ‘even’ heen en weer naar Amsterdam reed toen Frank in het revalidatiecentrum zat. Om stripboeken te brengen, zakken snoep, pakken koek en zelfs een hamburger van McDonalds.

Lieve Kees,
Ik zal aan je blijven denken zoals ik je soms zag op het station, stralend achter het stuur van je bus. Ik zal aan je blijven denken, zoals je danste met Gerda, de show stelend op de dansvloer.

Je was een geweldige grote broer.
Ik zal je missen.

Kerst 2018

 

“Wat doe je met Kerst, mam?” vroeg ik. Maar eigenlijk wist ik het antwoord al. Mijn moeder is 87, slecht ter been en sinds kort vaste klant bij Tafeltje-Dekje omdat dat toch wel heel makkelijk is. Dus Mam deed niks met Kerst, behalve visite krijgen en koffie met gebak serveren. Ineens bedacht ik dat het wel leuk zou zijn om toch bij mijn moeder te gaan eten. 

Een Kerstdiner met haar favoriete gerechten, door mij gekookt, in haar eigen keuken. Dus niks aparts want daar houdt ze niet van. Gewoon tomatensoep vooraf, daarna gekookte aardappeltjes en sperziebonen met spek, voor de liefhebbers nog wat broccoli en bloemkool met een sausje en – omdat het Kerst is – rollade. En als toetje het nagerecht dat mijn moeder vroeger altijd maakte. Elk jaar opnieuw: pudding-met-koekjes. Naar ons eigen, befaamde familierecept! 

De hele Kerstavond stond ik in de keuken. Ik braadde de rollade terwijl ik tomaten-paprikasoep maakte en kerst-sterretjes van geitenkaas uitstak. Daarna maakt ik pudding-met-koekjes. Zonder recept; gewoon zoals ik het mijn moeder al mijn hele leven heb zien doen. Biscuitjes in een schaal, laagje custardpudding, laagje hagelslag en dat dan drie keer. Daarna opstijven in de koelkast en serveren met – volgens familietraditie – fruitcocktail uit blik en slagroom.

Eerste Kerstdag arriveerden we bij mijn moeder. Michelle en Robby, Frank en ik en – vrij last minute – schoof ook één van mijn broers nog aan. Ik was bepakt en bezakt, want ik weet dat mijn moeder – die dus amper meer kookt – een ieniemienie pannensetje heeft waar hooguit twee aardappeltjes in kunnen. Dus behalve mijn braadpan met rollade en mijn schaal met pudding met koekjes had ik ook drie pannen mee genomen. 

Na het uitdelen van de cadeautjes was het tijd om te gaan koken. Mijn moeder zag kans ongezien haar keukentje in de sluipen en een kilo aardappelen te schillen. Maar Mich dopte de boontjes zodat ik alleen nog maar de broccoli en bloemkool schoon hoefde te maken. Daarna kon ik aan de slag.

Het was lastig. Een klein keukentje met een elektrische kookplaat met vier pitten. Ik warmde de rollade op en kookte een pan aardappelen, een pan bloemkool/broccoli én een pan sperziebonen. Het fornuis was vol. Maar ik moest ook nog een sausje maken voor de bloemkool en de broccoli én de bonen in spek rollen en aanbakken. Help! 

Aardappelen afgieten en op die pit de saus maken maar. Mich assisteerde ondertussen met sperziebonen inpakken terwijl ik in etappes soep opwarmde in de magnetron. Toen we de boontjes met spek wilden aanbakken, ontdekten we dat mijn moeders koekenpan zo klein is dat ook dat in etappes moest.

Terwijl de aardappels koud werden, serveerden we soep in grote kop en schotels omdat mijn moeder geen soepkommen heeft en bakten we in drie keer de boontjes. De soep was inmiddels ook lauw en niemand zag dat de geitenkaas in de vorm van Kerststerretjes was. Maar alles ging op; het smaakte!

Bij gebrek aan sauskom gooide Michelle de groentensaus – die bijna aanbrandde want elektrische pitten blijven lang warm – snel in een beker.  We verdeelden de tweede gang van het diner over vier grote borden. Met een bot broodmes probeerde ik de rollade aan te snijden waardoor het ding compleet uit elkaar viel. Ik gooide op ieder bord een stuk rollade en diende op. Het zag en niet uit maar het smaakte prima. Of zoals mijn verstandige dochter opmerkte: “Daar waar het heen gaat, ligt geen kleedje.” Michelle en ik aten van ontbijtbordjes omdat we niet meer grote borden hadden. Ook deze gang ging schoon op.

Daarna zette ik vol trots mijn schaal pudding-met-koekjes op tafel. Het hele Kerstdiner was tot nu toe één grote ramp geweest en de keuken van mijn moeder zag eruit of er een bom ontploft was. Maar dit dessert was het hoogtepunt! De pudding-met-koekjes volgens jarenlange familie traditie! Iedere Kerst, iedere Pasen had ik gezien hoe mijn moeder pudding-met-koekjes voor ons maakte. Schalen vol! Trots dat ík nu het befaamde dessert gemaakt had, schepte ik zes gebaksbordjes vol en verdeelde er fruitcocktail over. Nog een toef slagroom et voila! Opgelucht ging ik zitten. Dit kón niet mis gaan!

We aten drie minuten zwijgend ons dessert. Toen zei mijn broer: “Lekker, zeg! Ook zonder jam.” Boven mijn bordje met mijn lepel halverwege mijn mond staarde ik hem verbijsterd aan. “Jam?” stamelde ik. “Ja”, zei mijn broer. “Er moet jam tussen. Koekjes-jam-custard-hagelslag. En dan drie keer.” Vragend keek ik naar mijn moeder. “Ja. Er moet jam tussen.” bevestigde mijn moeder. “Maar zo is het ook lekker, hoor!”. “Ja, joh!” troostte mijn broer. “Met ook nog jam erbij is het wel heel erg zoet.” 

Ik heb de neiging weerstaan om kinderachtig stampvoetend naar mijn kamer te rennen. Vooral omdat ik me net op tijd realiseerde dat ik al een jaar of 30 geen eigen kamer meer heb daar. Ik heb alleen maar uitgeroepen “Jullie vertellen mij ook nóóit iets!”  Ik voelde me weer typisch de jongste van zes kinderen. De kleinste. Ik hoor het ze zeggen: “Ach.. Laat haar maar…”. En “Ach… Ons Nicoletje, ze is ook nog zo klein”. 

Kerst 2018. Nu al onvergetelijk. Omdat het zo vreselijk gezellig was. Omdat we tranen met tuiten gelachen hebben. Omdat het eten best smaakte. En omdat ik – eindelijk! – het complete familierecept van pudding-met-koekjes ken! Met jam, jongens. Met jam! 

Fijne feestdagen allemaal! 

 

Primeur!

Doelloos dwaal ik door de gangpaden van de supermarkt. Op zoek naar inspiratie voor het avondeten van morgen. Door omstandigheden, lange werkdagen en tijdgebrek hebben we de afgelopen dagen te makkelijk gedaan. Eten bestellen, diepvriespizza’s en kant-en-klaar-maaltijden. Morgen gaat er gekookt worden! Maar wat?

“Boerenkoolstamppot” denk ik ineens. Dat hebben we deze herfst nog niet gegeten. Aardappelen heb ik nog. Ik vis een chorizoworst uit het schap, want – dit is een gratis tip – chorizo door de boerenkool is lekker! En dan een beetje chilisaus er over. Geloof me; zalig!

Speurend sta ik even later voor de diepvriesvitrine. Want boerenkool – en spinazie – haal ik altijd uit de diepvries. Vroeger had je diepvries-boerenkool in de vorm van een baksteen. Omdat ik altijd en eeuwig vergat de boerenkool de dag ervoor uit de vriezer te halen, stond ik een half uur boerenkool te ontdooien. Maar tegenwoordig heb je deelblokjes! Zo handig! Speciaal uitgevonden voor mensen met haast. Zoals ik. Even in de magnetron. Ping! Gekookte aardappeltjes er door stampen. Beetje boter. Chorizo erdoor. Klaar!

Ik tuur in de diepvriesvitrine maar ik zie alleen spinazie. Veertig soorten. Huismerk. A-merk. Met een bloepje room, zonder bloepje room, met Boursin, met feta. Maar geen boerenkool. De boerenkool is op. Koortsachtig denk ik na. Heb ik morgen tijd om een andere supermarkt in te lopen? Of deze? Waarschijnlijk vullen ze vanavond de voorraad diepvriesboerenkool weer aan.

Tot ik ineens een geniale ingeving krijg. Wacht eens… Boerenkool… Da’s toch groente? Van dat spul dat op het land groeit? Ergens. Iets met boeren. En akkers en zo. Of in een kas? Nee, niet in een kas. De vorst moet er overheen, toch?

Op de groente afdeling vind ik zowaar boerenkool. Groene frummels in een zak. Waarom koop ik eigenlijk nooit verse boerenkool? Geen idee. Nu ik er over nadenk, realiseer ik me dat mijn moeder altijd diepvries kocht. Geen idee waarom. Maar ik heb haar gewoonte klakkeloos overgenomen.

Even later sta ik bij de kassa. Primeur!
Ik ben Nicky, ik ben 49 en ik heb voor het eerst verse boerenkool gekocht.

Die komt er wel.

Het leuke aan het groter groeien van kinderen is dat je er soms ineens eigenschappen in terug ziet, waarvan je zou willen dat je ze zelf had. Zo ontdekte ik dat dochterlief ontzettend daadkrachtig kan zijn. Als iets moet, dan moet het. En dan doet ze het gewoon. Niks geen gemaar, geen gezeur. Gewoon doen.

De eerste keer dat die eigenschap aan het licht kwam, was toen ze – zo rond haar zesde – begon te wisselen. Een enorme mijlpaal natuurlijk, die vooraf gegaan werd door een ‘wiebeltand’; een voortandje dat steeds losser ging zitten. En in de haast om te wisselen en het melktandje onder haar kussen te kunnen leggen in afwachting van de Tandenfee, kon Michelle niet wachten tot die wiebeltand er uit was.

Er werd gewrikt, gedraaid, gewiebeld. Ze at appels bij de vleet maar haar voortand bleef zitten waar hij zat. Teleurstelling alom. Tot haar tante op de koffie kwam en mij er aan herinnerde dat we zo’n losse tand er vroeger uittrokken door er een touwtje aan te binden. Het andere eind van het touwtje werd aan de deurklink gebonden. En dan was het zaak om de deur keihard dicht te smijten, zodat de losse tand er uitgetrokken werd.

‘Jaaaa,’ riep Mich enthousiast. ‘Dat wil ik!’ ‘Weet je het zeker?’ vroeg ik een keer of drie. Maar ze wist het zeker. Die tand móest er uit. Nu. Met een touwtje. Dus zocht ik een touwtje, bond het ene eind om de wiebeltand van mijn dochter en het andere eind om de deurklink van de openstaande deur naar de hal. Daarna zette ik Mich op juiste afstand van de deur en telde af tot drie om de deur dicht te gooien.

‘Een! Twee!… ‘ telde ik. Met haar armpjes strak langs haar lichaam, haar mond wijd open en haar ogen stijf dicht geknepen, stond mijn kind op haar plekje bij de deur. ‘Drie!’ riep ik. Maar op een of andere manier weigerde mijn lijf dienst. In mijn hoofd maakte ik me klaar om de deur dicht te gooien en zo de tand van mijn kind er uit te rukken. Maar ik kon het niet voor elkaar krijgen om de deur ook daadwerkelijk dicht te smijten. Het lukte me gewoon niet.

Aan tafel kreeg mijn zus de slappe lach. Mich deed voorzichtig één oog open en keek me aan. Haar mond wagenwijd open, het touwtje in een slappe lus tussen haar tand en de deurklink. Ik kuchte eens. ‘Oké!’ riep ik vrolijk. ‘Dat was om te oefenen. Nu doen we het écht!’ Michelle kneep haar ogen weer dicht en ik telde opnieuw. ‘Éen! Twee!… Drie!’ Maar wéér weigerden mijn spieren dienst. Ik kón het gewoon niet.

En terwijl mijn zus opnieuw in een lachstuip schoot en ik zenuwachtig giechelde, tilde Michelle haar kleuterbeentje op. Met een welgemikte karatetrap stampte ze de deur keihard dicht. ‘BAM!’ deed de deur. ‘Toooiiing’ deed het touwtje.

Verbijsterd keken mijn zus en ik naar het touwtje dat zwaaiend aan de deurklink hing. Met aan het einde ervan het melktandje van Michelle. Die keek ons trots aan. Met een brede grijns. En een heus fietsenrek. En toen wist ik het. Dat kind van mij… die komt er wel.