Categorie archief: Voor Oma

Stedentrip.

Rome 2014. Madam had 40 graden koorts.

Voor Michelle’s 21ste verjaardag nam ik haar mee naar de voorstelling van The Lion King. In Londen. Iedereen die mij ook maar een beetje kent, weet dat dat – voor mijn doen – een enorme stap is. Ik heb al heimwee zodra mijn voordeur uit zicht is. En volgens dochterlief – die ervoor geleerd heeft – heb ik OCD en gruwelijke afkeer van bedden, wc’s en douches die door 1000 mensen vóór mij gebruikt zijn. 

Gelukkig is dochterlief gezegend met een richtingsgevoel van heb ik jou daar. Gelukkig is zij een kei in uitzoeken, regelen en plannen. Zij regelt accommodaties, niet toevallig nét om de hoek van de bezienswaardigheden. Zij zoekt uit welke bus we moeten nemen, waar en hoe laat die vertrekt en waar we kaartjes moeten kopen. En ze stippelt uiterst vermoeiende wandelroutes uit waarin we in no time alle bezienswaardigheden zien. 

Het enige wat ik hoef te doen, is de knoop in mijn maag negeren – omdat ik ver van huis ben, snik – en mijn kind te volgen. En dat maakt dat ik er – ondanks mijn heimwee – toch steeds weer aan begin. Na Londen volgden Rome en Barcelona. Het was onvergetelijk. Want er is niets ter wereld mooier dan achter mijn kind aan rennen door vreemde steden. Die toen ze drie was, met haar handje stevig in de mijne, door de Efteling liep. Best spannend. Die achterop mijn fiets haar eerste ritje naar de kleuterschool maakte. Naar zwemles. Naar turnkamp. Het meiske dat ik verhuisde naar een studentenkamer. 

En dus volg ik haar blindelings. Naar The Towerbridge. De Big Ben. Naar Buckinghampalace. Naar de Brug der Engelen. Het Colosseum. Naar de Piazza de Popolo. Naar de Sagrada Familia. Ik kijk en kijk naar al die bezienswaardigheden. Maar ik kijk vooral naar mijn kind en naar de stoere bikkel die ze geworden is. Mijn kleine kleuter. Thuis. Overal ter wereld. Mijn globetrotter. Hoe is het mogelijk?

Ik accepteer het feit dat ik geen oog dicht doe in een vreemd bed. Lig wakker terwijl zij als een roosje naast me slaapt. Zij heeft nergens last van. Ik douche in badkamers waar minstens 1000 mensen mij voor gingen. En ik geniet van de dagen maar tel de nachtjes tot ik weer naar huis mag. En als we dan die laatste avond vermoeid op een vliegveld zitten en ik weet dat ik bijna thuis ben, komt het besef. Man! Wat wás het weer leuk. 

Sinds Frank ziek werd, stonden de stedentrips met Michelle op de lijst ‘ooit’. En ooit is nú gekomen. We beginnen klein. Dit weekend gaan we één nachtje logeren in Groningen. Om te kijken hoe het gaat met Frank als ik niet thuis ben. Naar Groningen omdat mijn vader daar geboren is.

En ik plan mijn uitje alsof het een wereldreis is. Schrijf een complete handleiding voor Frank’s medicatie en welke voedingsmiddelen waar te vinden zijn in huis. In noodgevallen is onze schoonzoon – de schat – stand-by. 

En ik vind het rot dat Frank alleen is. Maar hij grapt ‘Lekker rustig!’ en zegt dat-ie de kroeg induikt. Wil niets weten van afspraken met vrienden die hij kan maken. Het komt vast goed. En dan kan ik verder met mijn lijstje van steden. Dublin. Lissabon. Praag. Berlijn. Steden waar ik naar toe wil met mijn globetrotter. Waar ik nachtenlang wakker zal liggen met mijn heimwee. En waar ik overdag trots achter mijn kind aan zal lopen. 

Maar eerst Groningen. 150 kilometer van huis. Een nachtje. Komt goed.

Een goed gesprek.

‘Heb je wel eens gekke vragen gehad tijdens een sollicitatiegesprek?’ vroeg Wieb. En mijn antwoord werd zo lang dat ik besloot er een logje van te maken. Gekke vragen heb ik eigenlijk nooit gehad. Wel een bizarre sollicitatie. Mijn eerste sollicitatie naar een administratieve functie was als telefoniste bij Staatsbosbeheer in Breda.

Ik was 18 en de locatie waar het kantoor van de boswachters zich bevond was een grote villa, prachtig gelegen in het Mastbos in Breda. Maar door een wegafsluiting was die locatie op het tijdstip van mijn sollicitatiegesprek  lastig bereikbaar. Gelukkig was mijn vader zo lief me met de auto weg te brengen en op me te wachten zodat ik ook weer met hem mee naar huis kon, na het gesprek.

De eerste vraag die mij tijdens het gesprek gesteld werd was ‘Hoe ben je hier?’ Niet zo vreemd gezien de slechte bereikbaarheid. ‘Mijn vader heeft me gebracht’ antwoordde ik. ‘En waar is hij nu dan?’ was vraag twee. ‘Ehhh. Op de gang’ stamelde ik. Waarop de mannen met wie ik het gesprek had riepen: ‘Laat die man binnenkomen!’. 

Aarzelend stak ik mijn hoofd om de hoek van de deur en zei ‘Pap? Ze vragen of je binnen komt.’ Mijn vader had natuurlijk beleefd kunnen weigeren en kunnen zeggen ‘Ik wacht hier wel’. Maar zo was hij niet. Hij liep bij voorkeur plaatsen binnen waar kijkers niet gewenst waren om eens op zijn gemak rond te kijken. Keukens van Chinese restaurants bijvoorbeeld. Of fabriekshallen.  Meestal werd-ie weggestuurd dus hij liet de buitenkans om in deze prachtige villa rond te kijken niet onbenut. 

En zo had ik mijn eerste sollicitatiegesprek terwijl mijn vader naast me zat. Gezellig aan de koffie. Van het gesprek weet ik niets meer. Maar ik werd wél aangenomen. Ik heb nooit geweten of het kwam door mijn geweldige sollicitatie of door het feit dat mijn vader erbij was. Een beer van een kerel; twee meter lang, een meter breed en met handen als kolenschoppen. Die wil je niet boos maken natuurlijk.

Toch gok ik op het eerste. Al was het alleen maar omdat ik zo’n lief gedichtje kreeg toen ik daar weg ging.

Hoi Pa,

1987 – Pa en ik

Hoi Pa,

Met mij! Ik wilde even iets tegen je zeggen… 

Aanstaande woensdag zijn de Provinciale Statenverkiezingen. Ik had het er met Frank over. “Ga jij stemmen?” vroeg ik. En hij zei dat-ie het nog niet wist. Dat-ie altijd gaat bij de verkiezing van de eerste kamer, of de tweede. Maar dit? Ik mopperde. “Nou ja! Je mag stémmen! Weet je wel wat een luxe dat is?” En natuurlijk weet-ie dat best wel. En woensdag gáát-ie ook gewoon. Ik ken hem; die gaat gewoon stemmen. Hij weet zelfs al op wie.

Maar het was alsof ik jou hoorde toen ik mopperde dat hij moet gaan stemmen. Jij hebt altijd tegen mij gezegd dat ik moet gaan stemmen. Dat er eeuwen gevochten is voor mijn stemrecht en dat ik daar gebruik van moet maken. Je had gelijk, zoals gewoonlijk. 

Michelle appte me vorige week. Ze heeft een stemwijzer ingevuld en haar keuze gemaakt. “Opa kijkt vast heel trots vanaf zijn wolkje” stuurde ze. Want ik heb jouw wijze les natuurlijk ook aan haar door gegeven.

 Toen ik zelf zat na te denken over op wie ik zal gaan stemmen, herinnerde ik me ineens dat ik altijd aan je vroeg op wie jíj ging stemmen. Maar dat wilde je nooit zeggen, al drong ik nog zo aan. Je was een man van weinig woorden dus ook hier maakte je weinig woorden aan vuil. “Principé” zei je dan. En je legde expres de klemtoon verkeerd. Ik vond het altijd zó vreemd dat ik niet mocht weten wat jij stemde. Alsof je je schaamde voor je keuze.

Vandaag viel ineens het kwartje. Vandaag wist ik ineens waarom jij nooit wilde zeggen op wie jij jouw stem uitbracht. Omdat je niet wilde dat ik je klakkeloos na deed! Omdat je wilde dat ik er zélf over na dacht.

Dat heb ik gedaan, Pa. Ik heb er goed over na gedacht en ik ga mijn wel overwogen stem uitbrengen. Omdat het mag. En nou ja… ook een beetje omdat het wel lollig is dat ik dan weer naar de brandweerkazerne mag.

Liefs en een dikke kus!

PS: ik weet écht wel op wie jij altijd stemde 

Geen twintig meer…

1993: fietsen met Michelle

Toen Nanook vorig weekend bij ons logeerde, was het stralend weer. Het zonnetje scheen, er stond amper wind en het was een graad of 15. Heel vreemd in februari. Een beetje eng, ook. Maar van binnen zitten, verbetert het klimaat niet. Dus besloot ik van het mooie weer te genieten en met Nanook naar het strand te fietsen.

Ooit kreeg ik – op mijn eigen verzoek – een speciale houder cadeau van Michelle. Een houder voor aan het stuur van mijn fiets waar de fietsmand van Nanook aan past. Leuk cadeau, maar in de praktijk is van samen fietsen nog niet veel terecht gekomen. Dus toen de vroege lente zich aandiende, greep ik mijn kans en ging ik met Nook op pad.

Ik bevestigde de mand op de fiets en checkte of-ie goed vast. Ik checkte nog een keer. Voor de zekerheid checkte ik nog een keer. En daarna nog een keer. De mand zat vast. Na een snelle plas – van Nook welteverstaan – zette ik haar in de mand en maakte haar riempje vast. Ik checkte of ze goed vast zat. Ik checkte nog een keer. Voor de zekerheid checkte ik nog een keer. En daarna nog een keer. Ze zat goed vast. Daar gingen we.

Ik had zaterdag uitgekozen om de grote wandelaarsdrukte op zondag te vermijden. Maar ik was even vergeten hoe druk ons dorp op zaterdag is. Ik lette op auto’s van rechts. En ook op auto’s van links. Ik lette op auto’s die weg wilden rijden uit parkeerhavens. Ik lette op kinderen op de stoep die eventueel de weg op konden rennen. Ik lette op alles. Ondertussen keek Nook nieuwsgierig om zich heen, draaiend in haar mandje. Nog geen drie kilo hond maar wel heel beweeglijk. Als dat aan je stuur hangt, fietst dat toch nét even anders.

Zonder ongelukken bereikten we de duinen. Het zweet dat ondanks die ‘maar’ vijftien graden over mijn rug droop, droogde langzaam op. ‘Leuk, hè, Nook!’ riep ik en zo arriveerden we veilig op het strand. Het was heerlijk en we maakte een lekkere wandeling. Met Nanook aan de lijn want ik durfde haar niet los te laten. Ik zou het mezelf nooit vergeven als ik Michelle’s hondje kwijt zou raken. Al wandelend voelde ik de spieren in mijn nek en mijn rug ontspannen. Schijnbaar had ik de volle drie kilometer naar het strand mijn stuur enorm krampachtig vast gehouden.

Wandelend over het strand, kijkend naar dat kleine, vrolijke pluizebolletje, bedacht ik me dat het eigenlijk heel logisch is dat ik fietsen met Nanook zo spannend vind. Het hondje van mijn kind. Op Robby na een van de meest dierbare dingen in haar leven. En met de geschiedenis van Boef in mijn achterhoofd ben ik extra voorzichtig met Nook. In gedachten hoor ik Michelle nog huilen toen ik haar belde terwijl ze op vakantie was in Italië. Om te vertellen dat haar hondenvriendje bij de oppas was overleden.

Nook en ik fietsten terug naar huis. Veilig thuis belde ik mijn moeder om even bij te kletsen. Ik vertelde haar hoe spannend ik het vond om met Nanook te fietsen. Door Boef enzo. ‘Goh, mam!’ zei ik nog. ‘En dan te bedenken dat ik vroeger met Mich voorop, een doos boodschappen achterop en twee tassen aan het stuur gewoon naar huis fietste,’

Mijn moeder, duidelijk minder sentimenteel dan ik, had een heel andere verklaring. Niks Boef. Niks traumatische ervaring. ‘Tja’ constateerde ze keihard en meedogenloos ‘Jij bent ook geen twintig meer.’ 

Bedankt, mam. Ik ook van jou. ❤️