Categoriearchief: Amsterdam.

Uncle Bob op de boerderij.

Zo’n 16 jaar geleden kreeg ik, geboren en getogen in Breda, verkering met een rasechte Amsterdammer. En zoals de meeste Amsterdammers, beschouwde hij alles wat buiten de ring van Amsterdam ligt als platteland. Als hij mij en mijn mijn dochter destijds mee uit eten nam, noemde hij dat steevast ‘ontwikkelingshulp’. De grapjas. Het is een wonder dat we nog bij elkaar zijn.

Maar mijn wraak was zoet. Na tien jaar samenwonen in Amsterdam, was ik de drukte, de criminaliteit en de torenhoge huurprijzen zó beu dat ik hem mee sleepte naar Heemskerk, een dorp twintig kilometer verderop. Dus nu woont-ie zélf op het platteland. Haha. Want Amsterdam kreeg rond 1300 stadsrechten (Breda zelfs nog 50 jaar eerder!) maar Heemskerk is nog steeds een dorp. Een flink dorp weliswaar, maar met zijn 39.000 inwoners nog altijd een stuk kleiner dan Amsterdam waar de teller begin dit jaar op 872.922 stond.

Sinds we hier wonen, voel ik me stadser dan ooit. Want zelfs ik, volgens mijn verkering toch écht afkomstig van het platteland, kijk nog steeds mijn ogen uit hier. Al die schaapjes overal, de wilde paarden en de Schotse hooglanders in de duinen. De stalletjes met bloemen of eieren langs de weg. De akkers en de weilanden met koeien. Ik vind het allemaal prachtig!

Gisteren mochten, bij een boerderij hier in de buurt, de koeien na een lange winter op stal voor het eerst weer naar buiten. En deze Uncle Bob was erbij! En wat was het leuk om te zien! Zo grappig hoe de dames de stal uit kwamen rennen en blij de wei in sprongen.

Ze lieten zich het verse gras goed smaken. Nog steeds gebroederlijk – of liever gezegd gezusterlijk – naast elkaar alsof ze nog een beetje moesten wennen aan de ruimte begonnen ze meteen te grazen. En ik zag drie roddeltantes die duidelijk niet naast elkaar in de stal gestaan hadden afgelopen winter. Ze staken de koppen bij elkaar om de laatste ontwikkelingen in de kudde te bespreken.

En nu, na vier jaar op het échte platteland, heb ik iets belangrijks geleerd. Ik weet eindelijk hoe een koe een haas vangt…

Gewoon… Niet!


Romantisch.

We sms’ten en belden al een tijdje, mijn verkering en ik, toen hij mijn verkering nog niet was. We waren gewoon vrienden en we hadden allebei een gebroken hart. Dus probeerden we elkaar een beetje moed in te praten en elkaar uit de put te halen. ‘Laat die vent toch! Hij is knettergek’ zei hij. En ik zei: ‘Joh! Ze komt wel weer terug’ En we besloten de eenzame Kerst van 2004 dan maar samen te vieren.

In januari 2005 spraken we af in Amsterdam. Hij haalde me op van het Centraal Station en we wandelden samen door de stad naar zijn eeuwenoude huurappartement aan de Amstel. En vol enthousiasme vertelde mijn toen-nog-niet-verkering over zijn stad. ‘Hij is eigenlijk best wel leuk’ dacht ik terwijl hij vertelde over de bouw van de Noord-Zuidlijn die begonnen was in 2003.

Charmant probeerde Frank de deur van zijn appartement open te doen om mij voor te laten gaan. Maar het halletje voor zijn voordeur was zo klein dat hij daarvoor op de trap naar de bovenburen moest gaan staan en voor mij langs moest reiken om de deur van slot te doen.

Maar binnen staarde ik vol bewondering naar de eeuwenoude balken in het plafond terwijl Frank vertelde dat het huis zó scheef liep, dat hij elke ochtend zijn bank opnieuw tegen de muur moest schuiven. En terwijl hij dat vertelde, probeerde hij, aandoenlijk onhandig, een te groot doosje met theezakjes uit zijn te kleine jaszak te halen. Een beetje verlegen zei hij ‘Ik wist niet meer of je thee of koffie drinkt dus ik heb nog snel even thee gekocht’. Dat vond ik zó schattig dat ik als een blok voor hem viel.

De rest is geschiedenis. We kregen verkering, daar aan die Amstel. Ik verhuisde naar Amsterdam. Toen terug naar Breda. En wéér naar Amsterdam. Samen verhuisden we in 2016 naar een dorp in Noord Holland zodat ik nooit meemaakte dat de Noord Zuidlijn in Amsterdam echt af was. We maakten een hoop lol, we maakten een hoop ellende mee. Maar bijna zestien jaar later is hij nog steeds mijn verkering omdat er na de optelsom onderaan de streep nog steeds veel meer plussen dan minnen zijn.

En al die jaren al draait mijn verkering vaak keihard ‘ons’ liedje. Omdat het hem doet denken aan toen. Aan toen we elkaar net kenden. Lief, toch? Al moet ik eerlijk zeggen dat ik het niet helemaal eens ben met zijn keuze voor ‘ons’ liedje. Want om nou te zeggen dat het heel romantisch is…. Nee, niet echt.

En mocht je nog een kleine vier ton en wat los geld hebben liggen; het appartement van toen (50m2) staat te koop voor € 429.500,-.

De vrouw van de man met het hondje.

Maanden geleden zag ik hem voor het eerst. Bij het station Sloterdijk, in alle vroegte terwijl ik onderweg was naar mijn werk. Een man die zijn hondje uitliet. Het viel mij op omdat er niet veel huizen in de buurt zijn; ze moesten al best een flinke wandeling gemaakt hebben, zo ’s morgens in alle vroegte. Het hondje valt in de categorie ‘scharminkeltje’. Zo lelijk dat-ie leuk is om te zien. Ik moet er om glimlachen als ik het stel passeer. Maar de man kijkt stug voor zich uit en glimlacht niet terug.

Sindsdien kom ik de man met het hondje zeker twee of drie keer per week tegen. Dat schept een band natuurlijk. Dus glimlach ik elke keer als ik ‘m tegen kom vriendelijk. Maar de man glimlacht nooit terug. Hij groet niet, hij kijkt me niet aan. Hij loopt gewoon door, stug voor zich uit kijkend. Nou weet ik wel dat het in Amsterdam niet gebruikelijk is om passanten op straat te groeten. Maar ik ben verbaasd over zoveel onwilligheid. Dus houd ik vol. Ik blijf glimlachen en groeten. Maandenlang. Het wordt een soort persoonlijke kwestie. Ik moet en zal die man laten zien dat wereld zo slecht niet is.

Ondertussen bedenk ik me waarom de man met het hondje niet terug groet. Hij lijkt zo treurig. Misschien is-ie zijn baan verloren. Zit-ie al een tijdje werkeloos thuis en heeft-ie niets beters te doen dan rondjes lopen met zijn hond. Of misschien heeft-ie zijn vrouw niet verteld dat hij zijn baan kwijt is en loopt-ie de hele dag buiten terwijl zijn vrouw denkt dat-ie op zijn werk is. Maar dan zou hij de hond niet meenemen. Toch?

Of misschien heeft de man met het hondje wel helemaal geen vrouw. Maar om daar nou zo treurig van te worden? Nou ja, misschien is zijn vrouw er vandoor. Met zijn beste vriend. Dat zou wel iets verklaren. Of misschien is het nog veel erger.

In mijn gedachten wordt de reden van zijn stugheid steeds dramatischer. Misschien is zijn vrouw wel overleden. Is de man met het hondje een treurende weduwnaar die zijn vrouw verloren heeft bij een gruwelijk ongeluk. Of aan een slopende ziekte.

En daarna kreeg hij natuurlijk ruzie met zijn kinderen, die hun kindsdeel wilden hebben en wilden dat hij zijn huis verkocht. Het huis waar hij met zijn overleden vrouw zo gelukkig was. Wat een rotkinderen! En nu houden ze natuurlijk ook nog de kleinkinderen bij hem weg. En nu zit-ie daar. Moederziel alleen met zijn hondje. En daarom gaat de man iedere dag een hele lange wandeling maken met zijn hondje. Want dat hondje is het enige dat-ie nog heeft.

Zo iets treurigs moet het zijn. Het was zomer toen ik de man met het hondje voor het eerst zag lopen. Inmiddels is het winter. Ik heb een half jaar vriendelijk gegroet. Allerlei rampscenario’s die zouden kunnen verklaren waarom de beste man zo treurig kijkt, zijn in mijn gedachten de revue gepasseerd. Maar de man met het hondje geeft nog steeds geen sjoege. Geen glimlachje, nog geen knikje kan er van af.

Het zou zomaar kunnen, dat wat ik bedacht heb, waar is. Maar het zou ook zomaar kunnen dat de man met het hondje gewoon een ongelooflijk chagrijnige vent is. Met een verschrikkelijk ochtendhumeur. Misschien heeft-ie thuis wel een schat van een vrouw zitten. Kerngezond en springlevend. Die hem iedere morgen kordaat de deur uit stuurt. Met de hond.  “Ga jij maar even wandelen. Tot je humeur wat beter is. En neem meteen die hond mee.”  Omdat ze geen zin heeft om tegen zijn chagrijnige hoofd aan te kijken. Dat kan natuurlijk ook. 

Ik zie voor me hoe de vrouw van de man met het hondje, in alle rust, geniet van het eerste kopje koffie van de dag. Ergens in een warme keuken met vrolijke gebloemde gordijnen. Waar de radio zachtjes aanstaat en het naar vers gebakken broodjes ruikt. Terwijl ondertussen haar chagrijnige echtgenoot buiten loopt met de hond. In de kou.

En eigenlijk is dat in mijn hoofd het leukste scenario. Ik denk dat ik deze houd.

Twee jaar later.

In 2016 woonden wij in Frank’s appartement in Amsterdam Nieuw West, dat toen ik bij Frank introk nog gewoon Slotervaart heette. Geen beste buurt om te wonen. Ik herinner me de geschokte reactie van een collega die me ooit ‘s avonds met de auto naar huis bracht. ‘Zet me hier maar af. Dan kun jij zo doorrijden. Ik loop het laatste stukje wel’ zei ik. Verbijsterd keek de collega om zich heen. ‘Ik kan je hier toch niet alleen over straat laten gaan.’ stamelde hij, kijkend naar de muren vol graffiti, het huisvuil op de stoepen en de ongure types op elke straathoek. ‘Ik wóón hier’ antwoordde ik. ‘Ik ben het gewend.’ Maar leuk was anders.

Toen we een moord en twee schietpartijen in de straat hadden gehad en de huur het astronomische bedrag van € 1500,- per maand bereikte was voor ons de maat vol. Rond die tijd ging dochterlief samenwonen en kwam mijn mini-appartementje vrij. Ik had het al die jaren aangehouden om mijn studerend kind van onderdak te voorzien. We sloegen de inboedel op en verkasten. Het flatje was piepklein. De buurt was nét iets minder slecht. Maar voor een huurprijs van € 500,- per maand konden we daar wel mee leven. En het was tijdelijk. We hadden bedacht van daaruit iets anders te zoeken

Onze huizenzoektocht kwam op een laag pitje te staan toen Frank bijna het loodje legde. Maar zodra hij weer enigszins in het land der levenden was, hervatte ik mijn zoektocht. Ik reageerde op zo ongeveer 50 appartementen in Amsterdam. Te duur voor het aantal vierkante meters maar we moesten toch wat. Kansloos. Zoals zoveel woningzoekenden in Amsterdam breidde mijn zoekgebied zich uiteindelijk uit buiten Amsterdam. Omdat je – ook in de vrije sector- als woningzoekende in Amsterdam altijd twintigste of vijftigste in de rij bent. En alleen de eerste tien uitgenodigd worden voor een bezichtiging. 

En toen zag ik op internet een appartement in Heemskerk. Heemskerk? Ik had er nog nooit van gehoord. De eerste stap was altijd de reistijd naar mijn werk in Amsterdam checken. Dat viel, verdorie, niet tegen! 23 minuten met de trein! De volgende stap was uitvogelen hoe Heemskerk was om te wonen. Neem van mij aan: als je íets wilt weten, vul je zoekwoorden in op Google gevolgd door de term ‘Viva forum’ en je vindt het. Ik vond dit en verdomd! Dat klonk best aardig! Vooral de term ‘met de fiets naar het strand’ klonk mij als muziek in de oren.

Daarna ging het snel. Ik reageerde op een tweede woning in Heemskerk maar ik had nogal wat moeite om onze inkomensgegevens door te geven via internet. In een verloren momentje, terwijl Frank onder de douche stond, zich klaar makend voor een laatste afspraak bij het revalidatiecentrum, zat ik op ons balkonnetje in Amsterdam Nieuw West (ter grootte van een postzegel) na te denken over die inkomensgegevens. Zou dat nou goed doorgekomen zijn? Zou ik eens bellen? Ach, dat had toch geen zin. Aan de andere kant; ik zat hier nu toch te niksen. Dus ik belde.

“Wat grappig dat u juist nú belt over díe woning” zei de dame aan de telefoon. “Mijn collega is daar momenteel heen voor de eindinspectie. Kunt u nu daarheen komen?” Verbijsterd stamelde ik dat we een belangrijke afspraak hadden. “Hm. Morgen misschien?” stelde de dame voor. “Dan schuif ik u even naar voren.” Ik kon niet anders dan toezeggen. Tuurlijk, konden wij de volgende dag! Paniekerig belde ik mijn collega’s om te melden dat ik vrij moest hebben die volgende dag. Waar iedereen, wetend van mijn huizenzoektocht, enthousiast mee akkoord ging. Gelukkig!

De volgende dag reden wij – voor het eerst – Heemskerk binnen. We verbaasden ons over de fietsers die hun hand uitstaken, over de keurige plantsoenen, over de schone straten. De verhuurmedewerkster liet ons het appartement zien en dat was ook al zo leuk! Met in mijn achterhoofd de groepsbezichtingen in Amsterdam vroeg ik voorzichtig wat nu de bedoeling was. “Als jullie het willen huren, maken we de papieren in orde en dan is het geregeld” was het antwoord. Ik sloeg bijna stijl achterover op de betonnen vloer van wat nu mijn woonkamer is.

Afgelopen woensdag was het twee jaar gelden dat we verhuisden. Geen moment hebben we spijt gehad. Al die winkels, restaurantjes en terrasjes om de hoek. De vriendelijke mensen. En dat strand waar ik maar geen genoeg van kan krijgen. Toen ik nog in Amsterdam woonde, vervloekte ik die stad regelmatig. Verzuchtte ik vaak dat ik lekker rustig in mijn geboortestad in Brabant had kunnen wonen. Maar sinds we hier wonen, mis ik Breda niet meer. Ik kom thuis als ik de blauwe windmolen zie en het dorp in rijd.

Op mijn eerste treinreis vanuit Heemskerk naar mijn werk, in 2017, werd ik bij aankomst in Amsterdam getrakteerd op een gedicht in een van de abri’s op het station. Ik heb niks met poëzie. Maar deze heb ik bewaard. Ik vind ‘m mooi. Want wie had ooit gedacht dat ik met een Amsterdammer zou belanden in een dorp aan de Noord Hollandse kust? En me er zó thuis zou voelen?

Het gedicht is van Kees Spiering. De foto van mij.