Categorie archief: Amsterdam.

Moving out.

Amsterdam. Ik vond het helemaal geweldig, twaalf jaar geleden, toen ik Frank leerde kennen. De grachten, de mooie oude panden, de rondvaartboten. De trams, de drukte, de winkels. De buurtkroegen en de Amsterdammers. Altijd in voor een praatje. Altijd in voor een gebbetje. Zeven jaar woon ik hier nu. En zelfs ik, als import-Amsterdamse, heb de stad zien veranderen.

Het wordt te druk. De niet aflatende stroom toeristen die de binnenstad verstopt zodat soms de Kalverstraat afgezet wordt. Koningsdag, Prinsengrachtconcert of de Gaypride hebben we al jaren niet meer gezien. We gaan de stad niet meer in omdat er geen doorkomen aan is. De stadsreiniging kan er niet meer tegen op vegen en het wordt steeds vuiler in de stad. Buurtkroegjes en kleine winkeltjes verdwijnen om plaats te maken voor wéér een belwinkel. En de echte Amsterdammer maakt allang geen praatje meer. Die baalt alleen maar omdat de ring om half drie ‘s middags al weer vast staat. Omdat het zo druk is overal. Bovendien tref ik weinig echte Amsterdammers meer. Die zijn uitgeweken naar Purmerend, naar Almere of Zaandam.

Bij mij begon het langzaam te kriebelen. Wat doe ik hier? Altijd die stoet toeterende auto’s voor de deur. Dag en nacht. Het zoeken naar een parkeerplaats. Het zwerfvuil op straat. Nooit eens rustig kunnen fietsen maar altijd op je hoede zijn. Opletten. Op verkeer dat door rood komt, voetgangers die zomaar de weg op lopen. Scooters die je loeihard rakelings passeren.

Op iedere plekje dat ‘over’ is, worden woningen gebouwd. Kleine appartementjes die voor grof geld verhuurd worden. Dus wordt het overal nog drukker. Want woningen bouwen is één ding. Maar al die mensen moeten boodschappen doen zodat ‘even snel’ een boodschap doen er niet meer bij is. Al die mensen moeten naar hun werk zodat je ‘s morgens de stad niet uit komt. Een bomvolle stad vol mensen die elkaar geen centimeter ruimte gunnen. Ongeduldig. En onbeleefd.

Maar ik hield wijselijk mijn mond. Mijn lieve vriendje is een rasechte Amsterdammer. Hier geboren en getogen en hij was dolblij na al zijn omzwervingen weer in Amsterdam te zijn. Dus zouden we op zoek gaan naar een woning in Amsterdam. Maar wáár precies, welke wijk nog leuk was om te wonen, dat wist hij ook niet. We zochten, keken en twijfelden maar we konden het niet vinden in Amsterdam.

Toen ik voorzichtig aan Frank vroeg of er niet een plaats was in de buurt van Amsterdam was waar hij wilde wonen, riep hij ‘Breda!’. Ook hij bleek helemaal klaar te zijn met Amsterdam. En even leek Breda heel aantrekkelijk. Even snel een bakkie koffie kunnen doen bij mijn broers en zussen. Een beetje mantelzorgen voor mijn moeder. En de Brabantse gemoedelijkheid. Want pas sinds ik in Amsterdam woon, weet ik wat daarmee bedoeld wordt.

Maar mijn kind woont in Amsterdam. En ik heb een geweldig leuke baan in Amsterdam. En met de beste wil van de wereld kon ik me mijn Amsterdammer niet voorstellen in Brabant. Het leek me beter om in de buurt van Amsterdam te blijven. We overwogen Ouderkerk aan de Amstel, Amstelveen, Abcoude. Diemen, Duivendrecht en Weesp.

Uiteindelijk werd het iets heel anders. Gewoon omdat we daar een leuk appartement tegen kwamen. En omdat ik altijd gezegd heb dat ik, later als ik groot ben, bij de zee wilde wonen. Eind juli gaan we verhuizen. Naar Heemskerk! Vlak bij Amsterdam. En twintig minuten fietsen van het strand vandaan.

Ode aan Sjors.

Sjors en ik, Madame Tussauds 2005

Met een geschiedenis als ‘buitenbeentje’ op de lagere school, besloot ik tijdens mijn middelbare schooltijd mijn uiterste best te doen ‘erbij te horen’. Dat bleek niet mee te vallen. De ene helft van de school zat op tennis, de andere helft op hockey. En ik bungelde daar ergens tussen in, samen met een paar andere vreemde snuiters. Op tennis of hockey gaan, ging me te ver. Ik hield het bij mijn lidmaatschap van de plaatselijke bieb maar paste me verder zoveel mogelijk aan.

Het was 1982. Ik droeg mijn schooltas bij de klep, want dat was cool. In mijn kast lagen Coolcat-truien en in mijn oren prijkten pastelkleurige plastic oorbellen. En mijn agenda was drie keer zo dik als hij hoorde te zijn door de plaatjes van popsterren die ik er in plakte. Want dat deed iedereen. Ik dus ook. In mijn onstuitbare drang ‘erbij te horen’.

Een van die popsterren was George Michael, die op dat moment, samen met zijn maatje Andrew, als Wham! de wereld aan het veroveren was. Eigenlijk had ik niet zoveel met Wham! ‘Club Tropicana’ vond ik stiekem maar een zeiknummer. ‘Young Guns’ niet om aan te horen en George vond ik net iets te. Te gladjes. Te popie-jopie. Niks voor mij. Al kon zelfs ik wel zien dat het een hele mooie jongen was.

‘Wake me up before you go go’ vond ik wel lollig. Al heb ik nooit, zoals de helft van de meiden in mijn klas, een ‘Choose life’ t-shirt gehad. Zó ver ging mijn drang om erbij te horen nou ook weer niet. Maar ik dweepte vrolijk mee met mijn klasgenootjes. Want dat hoorde zo.

Toen ik van school ging, bracht Sjors -zoals ik hem inmiddels noemde- zijn eerste solo-elpee uit. Ik had geen agenda meer waar plaatjes in moesten. Maar uit een soort gevoel van trouw kocht ik de elpee ‘Faith’. En eigenlijk viel het me toen pas op dat Sjors best aardig kon zingen. Ik was inmiddels te groot geworden om te dwepen, om fan te zijn. Maar Sjors vond ik gewoon goed.

In de jaren dat ik uitging, vroegen mijn stapvriendin en ik vaak ‘Don’t let the sun go down on me’ aan in onze stamkroeg. Zittend op het biljart zongen we de uithaal van Sjors keihard mee. En over zijn optreden tijdens het Freddy Mercury-tribute was ik laaiend enthousiast. Wat kon die man zingen! Toch hield het voor mij na het album ‘Listen without predjudice’ op.

Het had niets te maken met het feit dat Sjors eindelijk uit de kast kwam. Daar moest ik hooguit om grinniken. We hadden het kunnen weten. Toen al, in de jaren 80. Mijn klasgenootjes en ik. Maar de muziek van Sjors ging een kant op die mij niet zo lag. En mijn leven ging een andere kant op. Als jonge moeder kwam het er niet echt meer van om zittend op een biljart keihard mee te zingen. En ik verloor Sjors een beetje uit het oog.

Tot eerste Kerstdag 2016. Toen was Sjors ineens prominent in het nieuws. Omdat-ie dood was. Zomaar. Ineens. Terwijl overal ter wereld zijn ultime Kersthit gedraaid werd, die zelfs mij elk jaar weer Kerstkriebels bezorgt, ging Sjors dood. Aan hartfalen, werd gezegd. Dat maakte het voor mij nóg schokkender. Mijn eigen Frank lag net in het ziekenhuis na een hartstilstand. Hij was er niet best aan toe maar hij lééfde nog. En die wereldberoemde, stinkend rijke Sjors ging zomaar dood.

Wat een treurig einde voor die mooie jongen uit mijn agenda. Het voelde een beetje alsof de leukste jongen uit je brugklas van vroeger is overleden. Je kent hem niet écht maar toch is het triest. Zo jong nog. En op een of andere manier krijg ik niet echt de indruk dat-ie heel happy was. Arme Sjors.

Dus dag, Sjors. Bedankt, man! Voor het draaglijk maken van mijn middelbare schooltijd. Voor al die keren zingend op het biljart. Voor alle Kerstkriebels. Jeetje. Wat kon jij zingen!

Op de fiets.


Ruim zeven weken pendelde ik heen en weer tussen ons huis en het VU Medisch Centrum om zoveel mogelijk bij Frank te zijn. Minimaal één keer per dag, vaak twee. Ik had het er maar druk mee dus probeerde ik zo efficiënt mogelijk te reizen. Met de auto was ik er razendsnel maar het parkeertarief van het VU schrok me nogal af. Bij de ingang van de parkeergarage hangt een bord waarop staat dat parkeren één euro kost. Per 17 minuten. Dat klinkt tenslotte een stuk vriendelijker dan € 3,50 per uur. Tel daar de kopjes bij op à € 2,30 per stuk en je begrijpt dat het een dure grap werd.

Dus nam ik de metro. Ook snel! En om zo snel mogelijk op het station te komen pakte ik de fiets. Dat werkte prima tot vandalen het nodig vonden mijn arme fietsje in elkaar te trappen. Het kapje van mijn achterlicht lag op de stoep, die kon ik er nog op zetten. Maar het binnenwerk van mijn koplamp spotte ik op de bodem van het water naast ons huis. En mijn spatbord was zo verbogen dat mijn fiets niet meer voor of achteruit reed. Sinds die tijd pakte ik tóch de auto om naar het VU te gaan. Gelukkig vond ik een goedkopere parkeerplaats vlak bij het ziekenhuis. Ik had simpelweg geen tijd om mijn fiets te (laten) maken. En mijn eigen privé-fietsenmaker lag in het VU. Dus bleef mijn gehavende fietsje zielig staan.

Inmiddels zit Frank in een revalidatiecentrum hier vlakbij. Vier tramhaltes verderop. Dus ging ik met de tram naar hem toe. Dat gaat prima maar met de fiets zou ik nóg sneller zijn. Tijd is een schaars goed en met temperaturen rond de tien graden besloot ik toch mijn stalen ros eens te bekijken. Ik kocht een fietslampje dat je vast kunt maken aan je stuur, veegde het vuil van het zadel en schepte wat dode bladeren uit mijn fietstassen. Daarna trapte ik mijn spatbord weer in het gareel en toen reed mijn fietsje weer!

Het eerste ritje naar het revalidatiecentrum was ik nog even bang dat mijn conditie het loodje had gelegd. Maar toen ik mijn banden had opgepompt, bleek dat ook mee te vallen. Dus ik fiets weer! Zoals iedereen hier fietst. Omdat dat gewoon de snelste vorm van vervoer is door een drukke stad. Supersnel, goedkoop en van niets of niemand afhankelijk. Ik voel me zó op en top Amsterdams als ik op mijn fietsje over de Overtoom fiets! Tot het stoplicht op rood springt. Dan val ik genadeloos door de mand. Want terwijl heel Amsterdam gewoon doorfietst, stop ik netjes voor rood. Ik ben en blijf toch gewoon import uit Brabant*.

* and proud of it!

Bijschrift bij de foto: hard bewijs! Mijn fiets (met grijze fietstas) op de Overtoom!

Dat dus.

image

Dat je het kantoor uit stapt en ziet dat de avondlucht zo mooi rood is.
Dat je, met gevaar voor eigen leven, zo snel als je kunt door Amsterdam racet op je fietsje omdat je denkt dat dat bij de Sloterplas vast een prachtig gezicht is. Dat je onderweg baalt dat je je goede camera niet bij je je hebt. En dat je hijgend de Sloterplas bereikt, terwijl de zon net onder gaat.

Dat je je fiets neer gooit en je mobieltje pakt om daar dan maar wat foto’s mee te maken. Dat je je cameraatje aanzet je en je oude iPhoontje zegt ‘U kunt geen foto’s maken. Er is niet genoeg opslagruimte’ En dat je verwoede pogingen doet om snel opslagruimte vrij te maken terwijl de zon steeds verder ondergaat.

Dat je Whatsappjes weggooit van mensen die je niet aardig vindt. Je Endomundo-app verwijdert. En de Appie-app. En dat je uiteindelijk, want je moet toch wat, al je muziek van je telefoon gooit. En dat je dan net te laat bent om echt mooie foto’s te maken.

En dat dan ‘s avonds de Facebookpagina van AT5 vol staat met mooie foto’s.
Van die foto’s die jij had willen maken. Dat dus.