Categorie archief: Fotografie door Uncle Bob

Uncle Bob op stap – Een zee van staal.

Silhouette van de hoogovens

Al een hele tijd lagen er foto’s op de digitale plank om een logje over te schrijven. Al vanaf januari. Vandaag moest het er maar eens van komen. Ik bekeek de foto’s nog eens. Gemaakt in januari 2020. Op zo’n saaie koude januari-dag waar ik altijd zo’n hekel aan heb. De kerstlichtjes opgeborgen, de kerstboom weer in de doos. De natuur nog diep in slaap. In het donker naar mijn werk. Januari is steevast de maand waarin ik reikhalzend uitkijk naar de lente.

En nu is het lente. En terwijl ik kijk naar de foto’s die ik maakte in januari, bedenk ik me dat het op een zaterdag was en dat ik de hele week op kantoor had gezeten. Gezellig met mijn collega’s. En dat ik, toen ik thuis kwam na het maken van deze foto’s, boodschappen ben gaan doen.  Dat ik, zonder er over na te denken, gewoon de supermarkt binnen liep. En dat we de volgende dag met z’n allen op bezoek gingen bij mijn oude moedertje, die ik een dikke knuffel gaf en drie zoenen op haar gerimpelde wangetjes. Gek dat de wereld zo koud en kaal leek toen. We hadden nog geen idee hoe koud en kil en vooral raar de lente zou worden.

Maar goed, Uncle Bob ging op stap, dus. Toen, in januari. Toen alles nog ‘normaal’ was. Ik ging naar ‘Een zee van staal’, een beeldenpark onder de rook van Tata Steel, (de voormalige hoogovens) in Wijk aan Zee. Want in 1999 werd Wijk aan Zee uitgeroepen tot Cultureel dorp van Europa. En elf beeldhouders uit elf Europese landen kregen de opdracht een beeldenpark te maken. Sommigen waren schijnbaar niet te houden want er staan veertien stalen beelden. Zomaar in de duinen.

Nou ja, niet zómaar natuurlijk. Het materiaal en de werkruimte voor de kunstenaars werd ter beschikking gesteld door Tata Steel. Het is dus logisch dat de beelden in de duinen staan, in de achtertuin van Tata Steel. Ik heb niet zoveel met kunst. Dus ik zeg niet dat ik regelmatig de beeldentuin bezoek omdat het allemaal zo prachtig is. Maar het hád wel wat. Die enorme stalen constructies in de duinen. Met de staalindustrie als achtergrond. Er was zon, er waren wolken, en er was helaas ook regen. En ik kan je vertellen dat geen van de beelden een mogelijkheid tot uitgebreid schuilen bood. Maar toch heb ik me wel vermaakt.

Mijn favoriet is ‘White Rhythm’ van de Engelsman Robert S. Erskine. Schijnbaar stelt het de drukte van de stad voor, met zebrapaden en wapperende jassen van mensen die haastig oversteken. Gek genoeg zag ik er juist een van mijn geliefde Schotse Hooglanders in, rustig grazend boven op een duin. 

Ook favoriet is ‘Thalassa apo atsali’ van de Griek Apostolos Fanakidis. Het stelt water voor dat tegen de kust klotst. Het zonlicht op de zinken plaatjes lijkt op de spiegeling van de zon op het water. En het kunstwerk maakt muziek, als de zinken plaatjes bewegen in de wind.

En ‘Au delà des Vagues’? Ach, die was gewoon mooi met die strakblauwe lucht erboven.

En terugkijkend kan ik nóg een conclusie trekken. De beeldentuin in Wijk aan Zee is het perfecte Corona-uitje. Gratis, geen lange rijen en anderhalve meter afstand houden is er géén probleem. Dus mocht je ooit in de buurt zijn; neem een kijkje. Best leuk om een keer te zien!

Op de website van Een zee van Staal staan alle beelden en hun uitleg vermeld.

Een leeg nest.

Donderdag zag ik op Facebook een berichtje voorbij komen over de zwaan bij ons in de straat. Ze is de trotse moeder geworden van maar liefst tien zwanenbaby’s. Potverdikkie! Wat leuk! Daar wilde ik wel foto’s van maken. Dus toen het tijd was voor onze dagelijkse wandeling, joeg ik mijn verkering de straat op. ‘Kom! We gaan babyzwaantjes kijken!’

Frank ging mee. En we liepen en we liepen. Want onze straat is best lang. Maar toen Frank bijna op instorten stond, hadden we nog geen zwaan gezien. We namen een pauze en zaten even op een bankje. Ik durfde het niet aan om mijn schat nog verder af te matten dus stelde ik voor om terug naar huis te lopen.

Onderweg naar huis maakte ik plannen. Tenslotte was haast geboden; die zwanenkuikens zijn groot voor je het weet. En aangezien ik de volgende dag moest werken zou ik geen kans hebben de zwanenfamilie te zoeken. Maar de volgende dag zou ik thuis werken in plaats van op kantoor. Dus als ik extra vroeg op zou staan, kon ik ‘s morgens voor ik aan het werk ging, mijn fiets pakken en snel wat verder op in de straat de zwaantjes gaan zoeken.

Die vrijdagmorgen fietste ik om kwart over zeven ‘s morgens onze lange straat uit. Heen aan de ene kant van het water. Terug langs de andere kant. En ergens bijna aan het eind zag ik de dranghekken staan, die ter bescherming om het zwanennest geplaatst zijn. Blij sprong ik van mijn fiets. Gevonden!

Maar helaas, ondanks de oproep van premier Rutte om toch vooral thuis te blijven, was moeder Zwaan met al haar kuikens de hort op. Teleurgesteld keek ik naar het enorme nest, waar slechts een heleboel donsveertjes nog herinnerden aan de bewoners. ‘Kloink’ deed het in mijn brein toen het kwartje viel.

Ineens begreep ik waar de uitdrukking ‘vroeg uit de veren’ vandaan komt. Dat vond ik dan toch wel weer mooi. Geen zwaan gezien, maar wel iets wijzer geworden! Was ik die dag toch niet voor niks ehhhh… zo vroeg uit de veren.

Gelukkig kwam ik familie Zwaan een paar dagen later alsnog tegen.

Uncle Bob – Les 5.

Vorig weekend was ik, na twee weken binnen zitten, wel een beetje klaar met social distancing. Ik besloot er met mijn camera op uit te gaan en op zoek te gaan naar lammetjes. Want die wilde ik nog steeds op de foto zetten. Ik heb geen klachten dus zolang ik maar anderhalve meter uit de buurt van andere mensen bleef, kon dat best.

Het was stil op straat. Het was ijskoud en het waaide als een tielelier. Binnen no time liepen de tranen over mijn wangen. Maar het was zo lekker om even buiten te zijn! Dus fietste ik naar Chateau Marquette. En daar waren ze! Lammetjes! Ik maakte een omtrekkende beweging van twee meter om een eenzame wandelaar heen en zette mijn fiets aan de kant. Maar de lammetjes waren te ver weg om ze goed op de foto te krijgen. Dit werd helemaal niks.

Ik had koffie in mijn thermoskan. En nog geen zin om naar huis te gaan. Dus fietste ik zomaar een beetje doelloos rond. Door de polder. In mijn eentje. Tot ik ineens op de Noordermaatweg terecht kwam, waar ik laatst zulke leuke foto’s gemaakt had. En ergens halverwege stonden een heleboel koeien in de wei. Koeien zijn leuk! Dus blij sprong ik van mijn fiets, groette de dames vriendelijk en pakte mijn camera.

Maar de dames hadden minder zin in een fotosessie dan ik. Ze bleven stug door grazen en weigerden ook maar één moment mijn kant op te kijken. Al grazend liepen ze door, tot ze bij een hek kwamen en ze besloten eens een kijkje over het hek te nemen. Een vrij stomme actie natuurlijk, want het uitzicht is boven het hek precies hetzelfde als ernaast. Maar ik vond het leuk, die koeienkoppen boven dat hek uit. Dus ik volgde de koeien, stapte op het wildrooster over de sloot en liep naar het hek.

En toen gebeurde er iets in mijn brein. Ik bevroor. Ik stond echt wel veilig, hoor. Het wildrooster is stevig genoeg. Er loopt weliswaar een sloot onder maar je zakt er echt niet doorheen. Toch durfde ik me ineens niet meer te verroeren. Vóór me was het hek, met die enorme koeien erachter. Onder me was het wildrooster, waar ik wankelend opstond. En een koude Noordenwind – windkracht 6! – rukte aan mijn haren, aan mijn jas en aan mijn camera.

Iets in me zei dat ik om moest draaien en terug moest lopen naar het pad naast de sloot. Maar mijn benen weigerden dienst. Ik durfde niet. Totaal ongegrond was ik ineens bang dat ik met mijn voeten tussen het wildrooster zou schieten, zou vallen en – met camera en al – in de sloot zou belanden. “Stel je niet aan!” sprak ik mezelf streng toe, denkend aan al die kinderen die ik op wildroosters heb zien lopen. “Draai je gewoon om en loop terug!”. Maar het gíng gewoon niet. Voorzichtig draaide ik mijn hoofd een beetje links en een beetje rechts. Ik stond moederziel alleen in een verlaten winderige polder. Gevangen op een wildrooster, gadegeslagen door een stel koeien, die ineens wél volop aandacht voor me hadden.

Ik zwéér het je! Ik zag ze denken. “Zo! Dus jij vond ons stom omdat we over het hek kijken! En wie staat hier nu voor lul op een wildrooster waar wij twee keer per dag gewoon overheen lopen? Hè?” Ik overwoog serieus de mogelijkheid om me te laten zakken en op handen en voeten terug te kruipen. Maar dan moest ik mijn camera loslaten die dan vervolgens aan de riem om mijn nek zou bungelen. Geen optie dus. Bovendien… zóveel lol gunde ik die koeien nou ook weer niet.

Uiteindelijk ben ik voetje voor voetje achteruit terug geschuifeld. Klein stapje naar achteren, gewicht verdelen, stevig staan. Weer een klein stapje naar achteren, gewicht verdelen enzovoorts. Ik heb er tien minuten over gedaan om veilig op de kant te komen. Zittend op een bankje pufte ik uit, terwijl ik mijn laatste restje koffie dronk.

Dus wat heeft Uncle Bob nu geleerd? Let altijd op je veiligheid als je aan het fotograferen bent! Je zult de eerste niet zijn die jammerlijk omkomt bij het maken van een te gekke selfie. En je zult ook niet de eerste zijn die voor schut staat voor een kudde domme koeien midden in de polder, want dat was ik. Geen idee wat dit nou ineens was. Waarom ik niet meer terug durfde. Het was de wind, jongens. Het was gewoon de wind. Want het waaide héél héél erg hard. Echt waar!

Uncle Bob op stap – Oud Velsen.

Torenstraat

En toen ging Uncle Bob op stap. Naar Oud-Velsen. Want dat is in de buurt. En ik had gehoord dat daar een hele oude kerk staat. Het was koud en een beetje nevelig dus ik nam mijn thermoskannetje koffie mee, trok een warme jas aan en ging op pad. Met mijn camera, waarvan ik eerst de instellingen controleerde. Wat kon er nog mis gaan? Nou, niks. En er ging ook niks mis. Ik had een leuke middag in Oud-Velsen.

Het oorspronkelijke dorp Velsen werd door de aanleg van het Noordzeekanaal in de 19e eeuw in tweeën gesplitst in Velsen-Noord en Velsen-Zuid. Honderden polderwerkers werden van heinde en verre aangetrokken om het zware werk te doen. Ze verplaatsten ontelbare kuubs zand, gewoon met een schep en kruiwagens en bivakkeerden onder primitieve omstandigheden in een speciaal voor hen ingericht dorpje, De Heide (wat nu Velseroord heet). Doordat het kanaal steeds verbreed werd, is meer dan de helft van het dorp Velsen-Zuid afgebroken. De boel slopen leek destijds de beste optie, maar in de loop van de jaren vijftig van de vorige eeuw ging men daar anders over denken. De dorpskern, Oud-Velsen, werd gerenoveerd en gerestaureerd en het dorp is tegenwoordig een door het rijk beschermd dorpsgezicht.

Ik keek er vol verbazing rond. Begrenst door aan de ene kant het kanaal en aan de andere kant moderne woonwijken, zijn een paar straten vol prachtige huizen uit de 18e eeuw bewaard gebleven. Met in het midden de Engelmunduskerk waarvan sommige delen dateren uit de twaalfde eeuw. Ik wandelde rond de kerk en bekeek de graven van de kanaalgravers die omkwamen bij het graven van het kanaal. Ik waande me in vroeger tijden terwijl ik dwaalde door stille straatjes langs de eeuwenoude huizen.

Ik liep het dorp uit, langs de tuinmuur die vroeger om de moestuin stond van buitenplaats Velserbeek, waar rijkelui uit Amsterdam bijkwamen van de drukte in de grote stad. Aan de rand van het dorp, uitkijkend over het kanaal staat het huis waar vroeger de schout woonde. Voor de deur stond een auto geparkeerd, waardoor ik in één klap weer in de 21ste eeuw belandde. Want de schouw die hier ooit woonde, had geen dikke, vette BMW. De beste man zou zich rot geschrokken zijn van zo’n bolide.

Ik wandelde nog een stukje langs het kanaal en ging op een bankje zitten. Ik dronk mijn koffie en keek naar de enorme schepen die voorbij kwamen. En piekerde over het bord recht tegenover me. Links van dat bord mag je vissen. Wat ook gedaan werd door tientallen mannen, zij aan zij. Rechts van dat bord mag dat niet.

En rechts van dat bord mag je ook niet in het kanaal plassen. Het hield me bezig. Mag dat links van het bord dan wel? Lijkt me ook raar. Dat je een vis vangt waar net je buurman overheen geplast heeft. Bovendien… Wildplassen mag toch nérgens? Ik piekerde nog een tijdje door. En toen ging ik naar huis. Want ik moest plassen. Maar echt! Oud-Velsen is mooi.