Categorie archief: Dochterlief

Oude meuk.


Al tijdens de vakantie was ik van plan de berging op te ruimen. Er kwam een klein kinkje in de kabel en ik liet de boel de boel. Maar inmiddels heb ik toch door tactisch schuiven, stapelen en sorteren wat ruimte gecreëerd. Nu moet ik alleen nog een stuk of tien afsluitbare plastic bakken doorlopen die vol zitten met ‘dingen van vroeger’. 

Die dozen zijn al twee keer verhuisd in Breda, toen mee verhuisd naar Amsterdam en nu staan ze hier. En al die jaren heb ik er niet één keer in gekeken. “Dus ik gooi álles weg!” riep ik stoer. Want wat moet je tenslotte met al die oude troep? Alsof dochterlief, later als ik het loodje leg, blij zal zijn met mijn oude meuk van vroeger. Ze gaf zelf trouwens het goede voorbeeld. Ze gooide drie grote dozen met opschrift ‘persoonlijke spullen Mich’ in haar auto en bracht één doos terug. Kijk! Dat ruimt lekker op!

Gisterenavond nam ik zelf een doos mee naar boven vanuit de berging. Opschrift ‘persoonlijke spullen Nicky’. Zittend op de vloer maakte ik de doos open. Bovenop lag de knuffelbeer van onze Toby. Dicht tegen Beer aan lag onze Toob uren te snurken in zijn mandje. Twijfelend pakte ik de beer op. Wegdoen of houden? Ik drukte hem even dicht tegen me aan en liep er mee naar de studeerkamer. Daar zit Toby’s beer nu tussen de andere knuffels.

Verder zaten er twee spelletjes in de doos; een Zwarte Pietenspel en het Advertentiespel. Met het Zwarte Pietenspel hebben Michelle en ik vroeger veel lol gehad. Gezien de Zwarte Pietendiscussie zal dat spelletje wel niet meer in deze vorm in de winkels liggen. Dus legde ik het doosje, samen met mijn Advertentiespel van vroeger, op de plank met spelletjes boven mijn bureau.

De rest van de doos is gevuld met boeken. Een Engels boek over ABBA, dat mijn zussen ooit voor mijn verjaardag bestelden in Engeland. Man, wat was ik er blij mee! Ik was pas een jaar of tien maar ik vertaalde het hele boek woord voor woord met behulp van een Engels woordenboek.

Mijn sprookjesboeken van vroeger, met van die mooie pop up-pagina’s liggen netjes opgestapeld in de doos. En mijn knutselboeken, die nog van mijn grote zussen waren geweest. Ik knutselde er als kind zelf uit en later samen met Michelle en mijn oppaskindjes. En ach, mijn Dick Bruna-boekjes, helemaal stukgelezen, die mijn moeder voor me kocht op het station als we met de trein mee gingen. 

Er zit één boek in uit de enorme collectie van mijn vader. Een van zijn favorieten: ‘Een brug te ver’. Onderin de doos vind ik het telraam dat hij voor me maakte. Van een houten lat, de zijkanten zorgvuldig gladgeschuurd. 

Helemaal onderin ligt mijn dagboek uit 1982 vol met gedichtjes, plaatjes en beschrijvingen van mijn – in mijn ogen destijds – turbulente leven. Tussen de vergeelde bladzijden zit een brief van mijn buurmeisje die ze aan me schreef tijdens een Duitse les. Een enigszins hysterische beschrijving van de jongen waar ze stapel verliefd op was. Ik maak een foto van de brief en stuur hem naar haar via Messenger.

En weer maak ik door tactisch schuiven en stapelen ruimte. Maar deze keer in de boekenkast. En ik zet al mijn boeken op de lege plank.

Ja, ik weet het. Dit was niet de afspraak; ik heb niks weggegooid. Maar hé! Er is wel één doos minder in de berging. Dus! 

Nog negen te gaan…

Zee-stress.

Ooit had ik een badkuip. Geïnstalleerd door mijn toenmalige blinde vriendje. Het duurde allemaal wat langer voor het klaar was maar hij kreeg het wél voor elkaar. Terwijl hij, als finishing touch, nog wat spiegeltegeltjes plakte, ging ik de stad in. Mijn dochter, destijds een jaar of zes, liet ik met een gerust hart bij hem achter. Tenslotte was-ie alleen maar blind en niet stom. Hij zorgde altijd prima voor mijn uk.

Toen ik terug kwam, bleek dat dochterlief ‘geholpen had’. Rondom in de hele badkamer had ze de houten plint tussen het schuine dak en de muur ingesmeerd met glitter-gel. Ik zag voor me hoe het gegaan moest zijn. Die twee in de badkamer en Michelle zoekend naar een klusje. ‘Hé Berry! Zal ik glittertjes op dat randje doen? Dat vindt mama vast mooi!’. En Bernard, aandachtig bezig om op de tast de spiegeltegeltjes waterpas op te plakken, zal ongetwijfeld, zonder na te denken, zijn goedkeuring gegeven hebben. En zo had ik ineens een glitter-and-glamour-badkamer van heb-ik-jou-daar.

Ik heb heel veel plezier gehad van mijn badkuip. Uren dobberde ik rond. Met muziek, een boek of een tijdschrift en af en toe een glaasje wijn. Ook Michelle heeft urenlang gespeeld in bad. Alleen of met vriendinnetjes. Want de meeste logeerpartijtjes eindigden in bad. Met als hoogtepunt het draagbare tv’tje dat ik wel eens neerzette (op veilige afstand uiteraard; ik ben niet blind én niet stom) zodat er in bad tv gekeken kon worden.

Jaren later, toen mijn verkering met Berry allang uit was en Mich te groot werd om met vriendinnetjes te badderen, begonnen de kitranden rond de badkuip behoorlijk goor te worden. Ik probeerde de kit er tussen uit te krijgen en een nieuwe kitrand aan te brengen maar echt succesvol was dat niet. Bovendien kreeg ik last van bad-stress.

Want dat bad stond daar maar en ik had steeds minder tijd om te badderen. Steeds als ik dat bad zag, bedacht ik me dat ik er hoognodig weer eens gebruik van moest maken. Maar ik had er gewoon geen tijd meer voor. Het leverde een raar gevoel op dat zich het meest laat omschrijven als een soort schuldgevoel. ‘Oh ja! Ik moet ook nog in bad,’ 

Bad-stress dus. Dat, in combinatie met het onhandige in bad moeten douchen, maakte dat ik uiteindelijk het complete bad er uit gesloopt heb. Inclusief de spiegeltegeltjes. En de glitter-rand.

Zo’n zelfde soort stress had ik in mijn afgelopen vakantie ook. Maar dan met betrekking tot de zee. Ik ben dol op de zee en mijn grote wens wens was altijd om vlak bij de zee te wonen. Et voilà! Sinds een jaar woon ik vlak bij de zee. Oké; het is nog steeds twintig minuten fietsen maar dit is wel zo ongeveer as close as I can get zonder iedere dag uren onderweg te zijn naar mijn werk. En het afgelopen jaar zag ik de zee dan ook vaker dan in alle voorgaande jaren bij elkaar.

Ik nam me voor om in mijn zomervakantie zo vaak mogelijk naar het strand te fietsen. Stukje wandelen en misschien wel een middagje met een boekje op het strand. Maar het liep ietsjes anders. Ik had weinig tijd in mijn vakantie en vaak ook niet de puf om naar de zee te fietsen. Ik kwam niet verder dan een korte strandwandeling met Michelle bij Wij aan Zee. Zo zonde! Het deed me denken aan mijn bad-stress van vroeger. Ik had zee-stress!

Op mijn een-na-laatste vakantiedag vond ik dat ik móest. Ik móest naar de zee. Ik las een boek op het strand en ik nam zelfs nog even een duik in zee. Iets wat ik al jaren niet meer gedaan had. ‘Morgen moet ik nóg maar een keer gaan’ bedacht ik. ‘Dan kan het nog. Daarna moet ik weer werken.’ Ik piekerde hoe ik een bezoekje aan de zee in moest passen in mijn drukke schema van de volgende dag.

Ondertussen deinde ik op de golven, die maar bleven komen. Oneindig. En ineens viel het kwartje. Hallo! Ik wóón hier! Ik kan altijd naar het strand. Ook als ik geen vakantie heb. Oké, ik kan misschien niet altijd in zee zwemmen. Maar wandelen langs het strand kan altijd. En het mooie is; de zee hoef ik niet te poetsen. De zee krijgt geen gore kitranden. Mijn zee-stress was meteen verdwenen.

Want de zee: die blijft gewoon. Met eb en met vloed. Met mooi weer en met storm. Met sneeuw en met regen. De zee is er altijd. Geduldig wachtend tot ik tijd heb om langs te komen. 

Bijschrift foto: met Michelle en Nanuk aan het strand bij Wijk aan Zee.❤️

Schiphol – alweer.

Michelle en Robby vertrokken voor een weekendje Wales. Zondagavond om half negen zouden ze weer landen op Schiphol. ‘Wat doe je met Nanuk?’ voeg ik en Michelle vertelde dat Nanuk, haar mini-hondje, bij de moeder van Robby in IJmuiden mocht logeren. Robby’s moeder heeft een grote Husky, waar Nanuk dikke vrienden mee is dus Nanuk zou het prima naar haar zin hebben daar.

‘Haal je haar dan zondagavond nog op?’ vroeg ik. Maar Mich twijfelde. Robby’s moeder had aangeboden ook maandag nog op te passen, zodat Michelle Nanuk ook maandagavond op kon halen, na haar werk. Dan hoefde ze niet, zondagavond laat, na een vermoeiend weekend, ook nog van Amsterdam naar IJmuiden om haar hondje op te halen. Lastig. Want hoewel dat allemaal veel praktischer zou zijn, wist ik ook dat Mich Nanuk dat weekend best zou missen en haar dus graag weer bij zich zou hebben. Maar ze zou wel zien.

Op zondagmiddag appte ik met mijn kind. Ja, Wales was mooi. Ja, slecht weer maar het was toch heel leuk. Maar ze miste Nanuk wel. Ik dacht aan Nanuk, die zich op maar twaalf minuten autorijden bij mij vandaan bevond. En aan Schiphol, dat eigenlijk ook vlak bij is. Terwijl mijn vingers boven de toetsen zweefden, rinkelden er al alarmbellen in mijn hoofd. ‘Doe dat nou niet!’. Maar voor ik het wist had ik het bericht al verstuurd. “Zal ik Nook ophalen en haar naar Schiphol brengen?”

Hartjes kwamen mijn kant op via de app. Veel hartjes. Mijn kind was blij. Robby’s moeder werd geappt en die vond het prima dat ik haar logée kwam halen. En zo stapte ik ‘s avonds in mijn auto om Nook op te halen in IJmuiden. Terwijl ik de A9 op reed, dwarrelden mistflarden vanuit de weilanden de snelweg op. En was de A22 eigenlijk wel verlicht? Want ik ben zo nachtblind als een mol met oogkleppen. Ik zuchtte. Waar was ik weer aan begonnen?

Maar ik bereikte IJmuiden zonder kleerscheuren en Nook was enorm blij me te zien! En ook erg moe. Want ze had het hele weekend de baas gespeeld over een enorme husky. Poepoe. Daar word je moe van. Ik dronk een kop koffie met Robby’s moeder en zette Nanuk in de auto.

Zorgvuldig maakte ik haar riempje vast aan de voorstoel en reed naar Schiphol. Tijdens de rit viel me op dat Nanuk amper bewoog. Terwijl ze anders zo hyper is. Was ze nou zó moe? Ik had toch niet dat riempje te strak…. Met het vakantiedrama van Boef in mijn achterhoofd, porde ik Nanuk regelmatig wakker. Waarna zij in opperste aanbidding keer op keer mijn hand likte en ik gerustgesteld verder reed.

Keurig op tijd stond ik met Nanuk in de aankomsthal van Schiphol. Te wachten. En te wachten. Want door de mist had de vlucht van Michelle en Robby flinke vertraging. Nanuk keek een tijdje nieuwsgierig om zich heen en legde zich er toen letterlijk bij neer dat er op Schiphol niks te beleven viel.

Ik verveelde me ook. De enige afleiding was Jaap Jongbloed, die aankwam en opgewacht werd door een klein meisje met een spandoek waarop stond ‘Welkom thuis Mama en Jaap!’ (Oeh! Heb ik een scoop? Heb ik een scoop?) Ondertussen had ik al drie keer uitgerekend hoe laat ik die avond in bed zou liggen. En de uitkomst was steeds hetzelfde: laat!

Mompelend tegen mezelf stond ik daar. ‘Ze is vijfentwintig! Come on! Vijf-en-twin-tig! Knip die navelstreng eens door! Wáárom doe je dit?’ En ik nam me heilig voor: dit is de laatste keer! Echt! Ik doe het niet meer. Nooit meer! Maar toen Michelle en Robby eindelijk arriveerden, wist ik weer waarvoor ik dit deed. Hiervoor.

En erger nog…
Ik weet het nu al; volgende keer sta ik daar gewoon weer.

Cadeau.

Ergens eind 2016, in de auto onderweg naar mijn moeder, vertelde Michelle dat ze een cadeau voor mij had. En voor Oma had ze zo’n zelfde cadeau. Toen bij mijn moeder de koffie op tafel stond, haalde Michelle de pakjes tevoorschijn. Een voor mij. En een voor mijn moeder. Binnen no time hadden we onze pakjes uitgepakt. We kregen allebei een boek. Geen leesboek, maar een boek dat we zelf nog moesten schrijven!

Mijn boek heet ‘Mam, vertel eens…’. En mijn moeder kreeg het boek ‘Oma, vertel eens…’ Ik had wel eens van die boeken gehoord. Er staan allerlei vragen in, die je moet beantwoorden. Gewoon, leuk! Voor later. Omdat er altijd dingen zijn die je niet weet over je moeder. Gewoon omdat het nooit ter sprake kwam. Of omdat het niet belangrijk lijkt. Terwijl het zó leuk is om al die dingen te weten.

Ik rukte meteen het cellofaan van het boek en begon te bladeren. Er staan vragen in over je kindertijd, het gezin waarin je opgroeide, je eerste vriendje. Van alles! Ik was laaiend enthousiast. Ik schrijf graag. Het leek me hartstikke leuk om allerlei verhalen en herinneringen op te schrijven. Voor Mich. Voor mezelf. Voor later.

Bladerend in haar boek gaf mijn moeder meteen antwoord op de eerste vraag over toen ze geboren werd. ‘Oma Rietje en ik hadden geen ledikantje’ zei ze ‘Onze moeder legde ons op twee fauteuils die ze tegen elkaar geschoven had. Dat kan ik dan opschrijven.’ Kijk! Dat wisten wij dus niet!

Inmiddels zijn we anderhalf jaar verder. Door alle medische toestanden hier, bleef mijn boek heel lang leeg. Dat van mijn moeder ook, want schrijven bleek voor haar inderdaad toch erg lastig te zijn. Ze is nog vreselijk bij de tijd maar haar handen willen niet meer. Maar na onze verhuizing besloot ik toch eens aan onze boeken te beginnen.

En wat is het leuk! Door de vragen in het boek herinner je je dingen die je allang vergeten was! En wat is het leuk om door je foto-albums te bladeren om foto’s bij de verhaaltjes te zoeken. Of op internet plaatjes te zoeken van je favoriete speelgoed om uit te printen en in te plakken.

Gisteren was ik, in mijn eentje, op bezoek bij mijn moeder. Een mooie kans om een stukje te schrijven in haar boek, vond ik. Dus zaten we samen aan de eettafel, met een kop koffie en stelde ik haar de vragen die in het boek staan. Zij vertelde en ik schreef. Dingen die ik niet wist. Dingen die ik schattig vond.

Later kwamen ook bij haar de foto-albums op tafel en maakte ik, met mijn mobiel, foto’s van haar foto’s om in haar boek te plakken. Ik keek naar haar oude handen, terwijl ze familieleden aanwees op de oude zwart-wit foto’s. ‘Dit is mijn vader, dit is mijn broer Tini. En dit zijn Riet en ik’. ‘We hadden helemaal niks’ zei ze glimlachend ‘maar toch was het een mooie tijd’.

Ik merk dat ze ongeduldig is en uitkijkt naar het hoofdstuk over vriendjes. Ik vond het lief dat ze zei ‘Van je vader heb ik ook leuke foto’s om in te plakken’. Ze kan niet wáchten om over hem te vertellen!

Het heeft wel iets. Om zo met mijn moeder aan tafel te zitten. Omringd door haar foto-albums. Luisterend naar haar verhalen. We spreken af dat we, steeds als ik bij haar ben, een stuk in haar boek gaan schrijven. En lollig als altijd, constateren we dat er nog heel veel hoofdstukken zijn en dat ze dus nog lang niet dood mag gaan.

Ik bof. Met mijn oude moedertje.
En met een dochter die zulke bijzondere cadeautjes geeft.