Categoriearchief: Dochterlief

Mijn eigen Hermelientje.

Het is inmiddels twintig jaar geleden dat de eerste Harry Potter-film uitkwam. Het begin van een hele reeks mateloos populaire films over de tovenaarsleerling Harry Potter, gebaseerd op de boeken van J.K. Rowling. Lang verhaal kort: de verhalen gaan over Harry Potter, een weesjongen die bij zijn oom en tante opgroeit en naar een tovenaarsschool gaat waar hij avonturen beleeft met zijn beste vriend Ron en zijn beste vriendin Hermelien. Meer moet je mij er niet over vragen want ik was geen fan. Eén Harry Potter-film heb ik ooit gezien in de bioscoop en daar kan ik me niets meer van herinneren. Ik denk dat ik in slaap gevallen ben.

Wie wel groot fan was, was Michelle. Al meteen vanaf de eerste film in 2001. Ze was negen toen de eerste film uit kwam en groeide praktisch op met Harry Potter. In de jaren die volgden zag ze alle films. Ze las alle boeken. En zij niet alleen. Haar hele klas was fan. Al vlak nadat de eerste film uitkwam, bekeek een klasgenootje Michelle eens aandachtig en zei “Hé! Jij lijkt op Hermelien”. De rest van de klas was het met hem eens, waardoor Michelle de laatste jaren van haar lagere schooltijd Hermelientje genoemd werd.

Ergens zag ik de vergelijking ook wel. Die bruine kijkers doen het hem, denk ik. Dat lachje komt ook wel overeen. En die dikke bos haar. En van wat ik meekreeg van de films, kwamen de karakters van Hermelien en Michelle ook wel overeen. Hermelien is een slim meisje, dat altijd van alles wil leren. Toch kan ze af en toe ook een beetje onzeker zijn. Kortom, de vergelijking ging wel op.

Toen ik afgelopen week ergens las dat het al twintig jaar geleden is dat de eerste Harry Potter-film uitkwam, besloot ik eens te kijken hoe het met de echte Hermelien gaat. Hermelientje werd gespeeld door Emma Watson. En van wat ik op haar Wikipedia-pagina lees, lijkt ze in het echt ook een beetje op Hermelien. Ze was een uitstekende leerlinge op school en wist tussen al dat acteren door een bachelor te halen in Liberal Arts. De eerste Harry Potter-film was haar debuut en ze speelde in alle volgende films de rol van Hermelien. Na de laatste Harry Potter-film, in 2011, speelde Emma nog in wat films maar sinds 2019 is er geen nieuwe film uitgekomen waar zij in mee speelt. Er staat een indrukwekkende lijst met nominaties op haar Wikipedia-pagina. En een enorme lijst met prijzen, die ze gewonnen heeft.

Ik vind het heel indrukwekkend allemaal, hoor. Voor zo’n jong meisje. Maar toch; vlak mijn eigen Hermelientje niet uit, hè! Ha! Die haalde maar mooi even haar bachelor in klinische neuropsychologie. En die deed er vlotjes nog even een master achteraan. Bovendien studeert ze nu voor GZ-psychologe. Doet ze er gewoon even bij, naast haar werk in een zorgcentrum voor dementerende bejaarden. Kijk, zo’n indrukwekkende lijst met nominaties en awards is natuurlijk prachtig. Maar één op de vijf mensen schijnt later dement te worden. En aan de MTV Movie Award uit 2013 van je kind heb je dan niet zoveel. Dan kun je beter een GZ-psychologe in je omgeving hebben, toch?

29!

De term ‘Loedermoeder’ bestond nog niet toen ik moeder werd in 1992. Maar ik wás er wel een. Michelle’s eerste bewuste herinnering is ronduit traumatisch. Nadat ze, drie jaar oud, twintig minuten de tijd had gekregen om haar eten op te eten, schoof ik haar sperziebonen resoluut de prullenbak in, terwijl zij aan mijn been hing, hartverscheurend huilend dat ze wilde eten. Ik dreigde veelvuldig om haar speelgoed in de kliko te gooien als ze niet opruimde. Ze krijste de hele straat bij elkaar omdat ze niet bij mij in bed mocht slapen. En ik deinsde er niet voor terug om alle klokken in huis een uur vooruit te zetten als ik moe was. ‘Oh? Kijk nou! Het is al bedtijd!’ Om vervolgens schaamteloos met een bak koffie op de bank te genieten van een extra uurtje rust terwijl zij een uur te vroeg op bed lag.

Daar stond tegenover dat ik zoveel spelletjes met haar speelde, dat ik een levenslange aversie tegen spelletjes op heb gelopen. We knutselden ons een slag in de rondte en Michelle ging nooit slapen zonder dat ik een verhaaltje voorlas. Of twee. Ik bouwde minstens 8743 tentjes in huis en soms sliep ze een nachtje in zo’n tentje onder de eettafel. Gewoon omdat dat leuk was. Ze rolschaatste door ons huis. Ze at frietjes in bad terwijl ze tv keek. En natuurlijk mochten er vier vriendinnetjes blijven slapen. Of vijf. Altijd. Op matrassen in de woonkamer.

En zo rolden we samen haar puberteit in. Ik hield mijn hart vast. Zo’n lief kind. Zo’n vrolijk meisje. Zo’n goede leerling. Dat kón niet. Ooit moest ze toch vreselijk ontsporen. Maar er gebeurde niets. Michelle bleef vrolijk en lief. Als mijn collega’s steen en been klaagden over rokende, drinkende pubers die te laat thuis kwamen, spijbelden en grote monden hadden, stond ik er stilletjes bij. Ik humde een beetje maar ik zei niets. Ze zouden me niet geloven als ik vertelde dat mijn dochter haar huiswerk uit zichzelf altijd af had. Dat ze altijd liet weten waar ze was en met wie. Dat ze haar kamer opruimde en dat wij, in plaats van ruzie, meestal de slappe lach hadden samen.

Mijn weblog stamt uit de tijd dat mijn dochter nog nachtjes telde tot haar verjaardag. Die we vierden met slingers en taart en cadeautjes. En natúúrlijk schreef mama dan een stukje op haar weblog. Het werd een beetje traditie. Afgelopen weekend was Michelle jarig. Ze is 29! En volgens de traditie moet ik dus een stukje over haar schrijven. Voor haar verjaardag. Dus schrijf ik maar weer hoe lief ze is. Hoeveel lol we altijd samen hebben. Dat ze nog steeds zo goed kan turnen. En dat ze me altijd aan het lachen maakt. En als jullie me niet geloven dan kijk je het filmpje* maar! 

Gefeliciteerd met je verjaardag, lieve Michelle!
Het is een feest jouw moeder te zijn! ❤️
Sorry van die boontjes…

*deel 1 staat hier

Uncle Bob is moe – Reflectie

Zien jullie mij?

Die fotografie-challenge werkt goed. De feedback die je krijgt op je foto’s is minimaal. Maar de opdrachten dagen je wél uit om andere dingen te fotograferen dan je gewend bent. Zo kwam de opdracht ‘Flatlay’ voorbij. Flatlay wil zeggen dat je items van bovenaf fotografeert. Spulletjes die te maken hebben met je hobby. Of voedsel; dat leent zich ook prima voor flatlay fotografie. ‘Óhhh, flatlay!’ dacht ik ‘Een makkie! Dat doe ik even!’ maar dat viel dus vies tegen.

Ik besloot foto’s te maken van een boek en wat zomerse attributen. Ik pakte mijn strandhanddoek, een boek, een glaasje fris en mijn flesje zonnebrand. Dat laatste stond toch al een hele zomer ongebruikt in de kast. Maar uiteindelijk vond ik het een beetje suf. Ik gooide het over een andere boeg en besloot voor sluikreclame te gaan. Een flatlay van mijn laptop met daarnaast een bakkie koffie en een schrijfblok met de naam van mijn weblog erop. Vond ik ook matig. Dus wijzigde ik nóg een keer van onderwerp en maakte Frank blij met de mededeling dat hij die avond sushi te eten kreeg. Want zelf lust ik geen sushi maar het ziet er wel mooi uit, natuurlijk.

Toch viel ook sushi fotograferen niet mee. Het grootste probleem was het licht. Want als je het goed doet, is er op een flatlay-foto geen schaduw te zien. Ik sleepte mijn bord met sushi door het hele huis op zoek naar het beste licht. In de woonkamer, de slaapkamer, en zelfs in de badkamer en op het balkon stalde ik mijn sushi uit. Maar zelfs met wit papier of een reflecterend dienblad kreeg ik de schaduwen niet weg. Toen mijn benen en mijn rug begonnen te protesteren en pijn gingen doen van het – met gespreide benen – recht boven mijn onderwerp hangen, gaf ik het op. Het moest maar. Ik heb de sushi-foto ingestuurd en ik kijk tegenwoordig heel anders die prachtige foto’s van eten. Het maken van zo’n foto is best vermoeiend.

De volgende opdracht was ‘Reflectie’. Maar liefst drie foto’s moest ik inleveren. Reflectie op water, reflectie op glas en een vrije opdracht. Zonder water of glas natuurlijk. Voor de foto met water had ik meteen al een idee! Ik zou kasteel Assemburg fotograferen, weerspiegeld in de kasteelvijver. Strak plan! Jammer dat het zoveel regende! Toen er eindelijk een zonnige dag aanbrak, haastte ik me naar de kasteeltuin. Om daar te ontdekken dat de fontein aan stond. Weinig reflectie dus. Door naar het strand dan maar. Met het idee om de wolken te fotograferen, weerspiegeld in de zee. Eenmaal op het strand was het zaak om een poeltje te vinden waarin ik de weerspiegeling van de wolken kon zien. Kilometers lang liep ik langs de zee, tot ik eindelijk een geschikt poeltje gevonden had. Echt! Fotograferen is hard werken! Want ik moest ook nog terug lopen, he?

Voor de opdracht met glas schakelde ik dochterlief weer in. Ik wilde een foto maken van haar hondje Nanook met haar spiegelbeeld. Dat ging redelijk vlot. Dankzij wat strategisch geplaatste stukje kaas, had ik al snel een foto van Nook die haar spiegelbeeld aflikte. Dat aflikken had voor mij niet gehoeven, maar beter had ik niet. Toen mijn schoonzoon hoorde dat ik graag belleblaas wilde fotograferen voor de vrije opdracht blies hij bellen voor me met zijn bellenblaas-speelgoedpistool dat hij normaal gebruikt om cocktails mee te maken. Het zag er leuk uit, maar ik kreeg het niet mooi op de foto. Dus sjouwde ik de volgende dag het hele dorp door op zoek naar bellenblaas. En ik wás al zo moe. Maar die laatste vrije opdracht kon ik gelukkig doen terwijl ik op mijn kont zat. Op mijn balkon, lekker in het zonnetje, zat ik gezellig een middagje bellen te blazen. Kon Uncle Bob eindelijk even uitrusten. En de laatste opdrachtfoto maken. Klik! Gelukt! 🙂

Verpieterd.

Mei 1990: Mijn eigen stekkie 🙂

In 1990 ging ik op mezelf wonen. Ik was 20 lentes jong en had na mijn eerste dramatisch verlopen kalverliefde, behalve een deuk in mijn ego, ook geen rooie rotcent. Maar ik moest en ik zou op mezelf wonen, ongeduldig als ik was om volwassen te zijn. Ik had een mazzeltje met de flat die ik kreeg omdat de vorige bewoner zijn witgoed achterliet. Ik nam mijn tv-meubeltje en mijn tv mee uit mijn slaapkamer in het ouderlijk huis, kreeg her en der wat meubeltjes en kocht wat ik echt nodig had zo goedkoop mogelijk. De lege ruimtes die overbleven vulde ik met planten. En daar zat ik, hoor! Te shinen in mijn eigen paleisje.

Ik redde het prima in mijn eentje. Ik heb me nooit eenzaam gevoeld en ik vermaakte me prima. Doordeweeks werkte ik en elke zaterdagmorgen poetste ik vrolijk mijn huisje. En elke week, voordat ik aan mijn poetsrondje begon, sleepte ik ál mijn planten naar het balkon. Ik gaf ze water, haalde dode blaadjes weg en sproeide ze allemaal af. En dat werkte! Het leek wel een hortus botanicus bij mij thuis. En toen kwam mijn baby.

September 1992: Mijn moeder met kleinkind nr. 10. De mijne! ❤️ En kijk eens hoe mijn planten gegroeid zijn! 

Alle liefde en zorg die ik voorheen aan mijn planten gaf, gaf ik aan die kleine baby. Samen verhuisden we naar een echt huis waar ik mijn planten strategisch verdeelde over de veel grotere huiskamer. Ik gaf ze af en toe water. Maar ik vergat ze ook regelmatig. En ik geloof niet dat ik mijn planten ooit nog afgesproeid heb. Mijn hele hortus botanicus verpieterde.  Gelukkig was ik toen al een kei in prioriteiten stellen; mijn baby kreeg wél keurig op tijd eten, drinken en een douchebeurt en ze groeide voorspoedig op tot een leuke, lieve jongedame. Maar met die planten is het nooit meer goed gekomen.

Momenteel geef ik mijn huis de schuld van het plantenleed. ‘Het is hier te donker’ roep ik als ik weer een slachtoffer in de vuilnisbak gooi. En vol weemoed denk ik aan mijn hortus botanicus van weleer. Ik kon het toen. Waarom lukt het me nu niet meer? Wanhopig probeer ik mijn planten in leven te houden, vooral het stekje van de bananenplant dat ik van mijn dochter kreeg. ‘Het is mijn eerste stekje’ jubelde ze terwijl ze mij plechtig haar bananenplantenkind overhandigde. Ik beloofde niets maar ik voelde de druk. En ik moet eerlijk zeggen dat haar stekje inmiddels op sterven na dood is. Zelfs mijn aloë Vera-planten, die toch wel wat kunnen hebben, zijn inmiddels hangplanten geworden. Op zich is dát natuurlijk een prestatie van formaat maar niet helemaal de bedoeling, toch? Dit kán zo niet langer. En ik besloot in actie te komen.

Allereerst heb ik eens uitgezocht wat voor planten ik nou eigenlijk heb. Briljant, vond ik zelf. Dat ik dát niet eerder bedacht heb!  Stap 2 was uitzoeken hoeveel water ze eigenlijk moeten hebben. Nóg zo’n geniale ingeving! En ik ontdekte dat ‘2x per week een beetje’ veel te veel van het goede is. Mijn aloë vera’s probeerden me dat al een tijdje duidelijk te maken maar ik dacht dat ze juist dorst hadden. Communicatie met aloë vera’s is schijnbaar niet echt mijn sterkste punt. Stap 3 was uitzoeken hoeveel licht mijn planten lekker vinden. Ik ruilde vervolgens strategisch wat potten om en zette als finishing touch een app op mijn telefoon die me een seintje geeft als een bepaalde plant water moet hebben. Daarna heb ik iedere plant persoonlijk toegesproken. Ik heb nederig mijn excuses aangeboden, beterschap beloofd en een peptalk gehouden. Het moet goed komen.

Ter lering ende vermaak plaats ik hieronder foto’s van mijn arme, verpieterde plantenkinderen (niet lachen). De foto van de baby-bananenplant durf ik niet te plaatsen. Die is te schokkend. Ik hoop jullie over een hele tijd te kunnen melden dat ze allemaal opgefleurd zijn. To be continued…

Iemand nog tips?