Categoriearchief: Dochterlief

Uncle Bob is moe – Reflectie

Zien jullie mij?

Die fotografie-challenge werkt goed. De feedback die je krijgt op je foto’s is minimaal. Maar de opdrachten dagen je wél uit om andere dingen te fotograferen dan je gewend bent. Zo kwam de opdracht ‘Flatlay’ voorbij. Flatlay wil zeggen dat je items van bovenaf fotografeert. Spulletjes die te maken hebben met je hobby. Of voedsel; dat leent zich ook prima voor flatlay fotografie. ‘Óhhh, flatlay!’ dacht ik ‘Een makkie! Dat doe ik even!’ maar dat viel dus vies tegen.

Ik besloot foto’s te maken van een boek en wat zomerse attributen. Ik pakte mijn strandhanddoek, een boek, een glaasje fris en mijn flesje zonnebrand. Dat laatste stond toch al een hele zomer ongebruikt in de kast. Maar uiteindelijk vond ik het een beetje suf. Ik gooide het over een andere boeg en besloot voor sluikreclame te gaan. Een flatlay van mijn laptop met daarnaast een bakkie koffie en een schrijfblok met de naam van mijn weblog erop. Vond ik ook matig. Dus wijzigde ik nóg een keer van onderwerp en maakte Frank blij met de mededeling dat hij die avond sushi te eten kreeg. Want zelf lust ik geen sushi maar het ziet er wel mooi uit, natuurlijk.

Toch viel ook sushi fotograferen niet mee. Het grootste probleem was het licht. Want als je het goed doet, is er op een flatlay-foto geen schaduw te zien. Ik sleepte mijn bord met sushi door het hele huis op zoek naar het beste licht. In de woonkamer, de slaapkamer, en zelfs in de badkamer en op het balkon stalde ik mijn sushi uit. Maar zelfs met wit papier of een reflecterend dienblad kreeg ik de schaduwen niet weg. Toen mijn benen en mijn rug begonnen te protesteren en pijn gingen doen van het – met gespreide benen – recht boven mijn onderwerp hangen, gaf ik het op. Het moest maar. Ik heb de sushi-foto ingestuurd en ik kijk tegenwoordig heel anders die prachtige foto’s van eten. Het maken van zo’n foto is best vermoeiend.

De volgende opdracht was ‘Reflectie’. Maar liefst drie foto’s moest ik inleveren. Reflectie op water, reflectie op glas en een vrije opdracht. Zonder water of glas natuurlijk. Voor de foto met water had ik meteen al een idee! Ik zou kasteel Assemburg fotograferen, weerspiegeld in de kasteelvijver. Strak plan! Jammer dat het zoveel regende! Toen er eindelijk een zonnige dag aanbrak, haastte ik me naar de kasteeltuin. Om daar te ontdekken dat de fontein aan stond. Weinig reflectie dus. Door naar het strand dan maar. Met het idee om de wolken te fotograferen, weerspiegeld in de zee. Eenmaal op het strand was het zaak om een poeltje te vinden waarin ik de weerspiegeling van de wolken kon zien. Kilometers lang liep ik langs de zee, tot ik eindelijk een geschikt poeltje gevonden had. Echt! Fotograferen is hard werken! Want ik moest ook nog terug lopen, he?

Voor de opdracht met glas schakelde ik dochterlief weer in. Ik wilde een foto maken van haar hondje Nanook met haar spiegelbeeld. Dat ging redelijk vlot. Dankzij wat strategisch geplaatste stukje kaas, had ik al snel een foto van Nook die haar spiegelbeeld aflikte. Dat aflikken had voor mij niet gehoeven, maar beter had ik niet. Toen mijn schoonzoon hoorde dat ik graag belleblaas wilde fotograferen voor de vrije opdracht blies hij bellen voor me met zijn bellenblaas-speelgoedpistool dat hij normaal gebruikt om cocktails mee te maken. Het zag er leuk uit, maar ik kreeg het niet mooi op de foto. Dus sjouwde ik de volgende dag het hele dorp door op zoek naar bellenblaas. En ik wás al zo moe. Maar die laatste vrije opdracht kon ik gelukkig doen terwijl ik op mijn kont zat. Op mijn balkon, lekker in het zonnetje, zat ik gezellig een middagje bellen te blazen. Kon Uncle Bob eindelijk even uitrusten. En de laatste opdrachtfoto maken. Klik! Gelukt! 🙂

Verpieterd.

Mei 1990: Mijn eigen stekkie 🙂

In 1990 ging ik op mezelf wonen. Ik was 20 lentes jong en had na mijn eerste dramatisch verlopen kalverliefde, behalve een deuk in mijn ego, ook geen rooie rotcent. Maar ik moest en ik zou op mezelf wonen, ongeduldig als ik was om volwassen te zijn. Ik had een mazzeltje met de flat die ik kreeg omdat de vorige bewoner zijn witgoed achterliet. Ik nam mijn tv-meubeltje en mijn tv mee uit mijn slaapkamer in het ouderlijk huis, kreeg her en der wat meubeltjes en kocht wat ik echt nodig had zo goedkoop mogelijk. De lege ruimtes die overbleven vulde ik met planten. En daar zat ik, hoor! Te shinen in mijn eigen paleisje.

Ik redde het prima in mijn eentje. Ik heb me nooit eenzaam gevoeld en ik vermaakte me prima. Doordeweeks werkte ik en elke zaterdagmorgen poetste ik vrolijk mijn huisje. En elke week, voordat ik aan mijn poetsrondje begon, sleepte ik ál mijn planten naar het balkon. Ik gaf ze water, haalde dode blaadjes weg en sproeide ze allemaal af. En dat werkte! Het leek wel een hortus botanicus bij mij thuis. En toen kwam mijn baby.

September 1992: Mijn moeder met kleinkind nr. 10. De mijne! ❤️ En kijk eens hoe mijn planten gegroeid zijn! 

Alle liefde en zorg die ik voorheen aan mijn planten gaf, gaf ik aan die kleine baby. Samen verhuisden we naar een echt huis waar ik mijn planten strategisch verdeelde over de veel grotere huiskamer. Ik gaf ze af en toe water. Maar ik vergat ze ook regelmatig. En ik geloof niet dat ik mijn planten ooit nog afgesproeid heb. Mijn hele hortus botanicus verpieterde.  Gelukkig was ik toen al een kei in prioriteiten stellen; mijn baby kreeg wél keurig op tijd eten, drinken en een douchebeurt en ze groeide voorspoedig op tot een leuke, lieve jongedame. Maar met die planten is het nooit meer goed gekomen.

Momenteel geef ik mijn huis de schuld van het plantenleed. ‘Het is hier te donker’ roep ik als ik weer een slachtoffer in de vuilnisbak gooi. En vol weemoed denk ik aan mijn hortus botanicus van weleer. Ik kon het toen. Waarom lukt het me nu niet meer? Wanhopig probeer ik mijn planten in leven te houden, vooral het stekje van de bananenplant dat ik van mijn dochter kreeg. ‘Het is mijn eerste stekje’ jubelde ze terwijl ze mij plechtig haar bananenplantenkind overhandigde. Ik beloofde niets maar ik voelde de druk. En ik moet eerlijk zeggen dat haar stekje inmiddels op sterven na dood is. Zelfs mijn aloë Vera-planten, die toch wel wat kunnen hebben, zijn inmiddels hangplanten geworden. Op zich is dát natuurlijk een prestatie van formaat maar niet helemaal de bedoeling, toch? Dit kán zo niet langer. En ik besloot in actie te komen.

Allereerst heb ik eens uitgezocht wat voor planten ik nou eigenlijk heb. Briljant, vond ik zelf. Dat ik dát niet eerder bedacht heb!  Stap 2 was uitzoeken hoeveel water ze eigenlijk moeten hebben. Nóg zo’n geniale ingeving! En ik ontdekte dat ‘2x per week een beetje’ veel te veel van het goede is. Mijn aloë vera’s probeerden me dat al een tijdje duidelijk te maken maar ik dacht dat ze juist dorst hadden. Communicatie met aloë vera’s is schijnbaar niet echt mijn sterkste punt. Stap 3 was uitzoeken hoeveel licht mijn planten lekker vinden. Ik ruilde vervolgens strategisch wat potten om en zette als finishing touch een app op mijn telefoon die me een seintje geeft als een bepaalde plant water moet hebben. Daarna heb ik iedere plant persoonlijk toegesproken. Ik heb nederig mijn excuses aangeboden, beterschap beloofd en een peptalk gehouden. Het moet goed komen.

Ter lering ende vermaak plaats ik hieronder foto’s van mijn arme, verpieterde plantenkinderen (niet lachen). De foto van de baby-bananenplant durf ik niet te plaatsen. Die is te schokkend. Ik hoop jullie over een hele tijd te kunnen melden dat ze allemaal opgefleurd zijn. To be continued…

Iemand nog tips?

Leermoment – het vervolg.

1975 – Ik als bijrijder in de Efteling, met ‘hoe heette hij ook al weer’

Ooit schreef ik een logje met de titel ‘Leermoment’. Over wat je moet als je met je auto te water raakt. Met wat handige tips erbij en een verslag van de oefensessie die mijn dochter en ik deden om via het raampje uit de auto te klimmen. En – heel verstandig – ik kocht een lifehammer voor het geval we ooit een kanaal in zouden rijden.

Die lifehammer was sowieso geen overbodige luxe. Want ik reed destijds in een Fordje Ka met een identiteitscrisis. Mijn Fordje Ka was er heilig van overtuigd dat ze Christine was, de rood-witte 1958 Plymouth Fury uit het boek van Stephen King. Ze deed precies wat ze zelf wilde. Zo liep het klokje op mijn dashboard achteruit en liet ze haar haar groeien. Of ze besloot zomaar ineens dat ik de ramen niet open mocht doen. Dat ik tijdens deze rit geen ruitje ingetikt heb, komt omdat ik met mijn haren vast zat tussen het raam en mijn lifehammer niet bij kon. Want die lag in het dashboardkastje.

En dat is stom, natuurlijk. Het zal je gebeuren, zeg. Dat je het kanaal inrijdt en eerst je dashboardkastje open moet zien te krijgen. En dan je lifehammer moet zoeken, tussen de zonnebrillen, pennen, tankbonnetjes en cd’s. En áls je hem dan eindelijk te pakken hebt, moet je hem nog uit de houder krijgen. Want niet mee zal vallen want inmiddels zal het water wel zo hoog staan dat je natte handen hebt. Maar toch is mijn lifehammer nooit verder gekomen dan het dashboardkastje. En toen we in 2012 een andere auto kochten verhuisde de lifehammer van het ene dashboardkastje naar het andere waar hij dus al jaren ligt te schuiven als ik de bocht om ga.

Gisteren stofzuigde ik mijn auto uit en gaf ik het interieur een sopje. In het dashboardkastje kwam ik hem weer tegen. Mijn lifehammer! En in een verstandige bui heb ik het ding vastgemaakt zoals het hoort. Mooi is anders maar na vijftien jaar zit-ie eindelijk waar-ie hoort. Binnen handbereik! Ik hoop opnieuw vurig dat ik hem nooit nodig zal hebben. Want ik heb geen idee of ik vijftien jaar later nog steeds door mijn autoraampje pas.

The circle of life.

1969 – Mijn moeder en ik

Het is bijna een half jaar geleden dat mijn moeder (89) verhuisde naar een zorgcentrum. Nadat ze twee keer gevallen was in huis, werd ze acuut geplaatst in een zorgcentrum waar plaats was. Niet in het zorgcentrum waar ze op de wachtlijst stond, maar in een zorgcentrum net buiten de stad waar ze woonde. Het was een heftige periode waar ze zich moedig door heen sloeg. Ze heeft niet eens de tijd gehad haar eigen spulletjes uit te zoeken, waar ze nog steeds wel eens moeite mee heeft. Maar het was niet anders. We hadden geen keuze meer. Twee valpartijen zonder schade; het was wachten op het moment dat het wél fout ging.

Ik hield mijn hart vast, gealarmeerd door alle horrorverhalen over de zorg en hoe slecht het wel niet gesteld is met de ouderenzorg in ons land. Maar eerlijk is eerlijk; mijn moeder zit op een fantastisch plekje. De administratieve weg er naar toe was een regelrechte ramp. Er waren kastjes en muren waartussen wij veelvuldig heen en weer gestuurd werden en we hadden een casemanager die altijd achter de feiten aanliep. Maar toen mijn moeder eenmaal zat waar ze moest zitten, zat ze goed. Misschien hebben we gewoon geluk. Misschien omdat het een kleinschalig centrum is. Maar we mogen niet klagen.

Als ik op bezoek kom, word ik door het personeel herkend als ‘dochter van’ en vaak even bijgepraat over mijn moeder. Als contactpersoon kan ik meelezen in het dossier van mijn moeder en zie ik notities waar ik soms om moet lachen. Zoals die keer dat ze samen met de zorgmedewerkster zeker tien minuten lang de slappe lach had omdat ze niet uit bed kon komen. Soms lees ik stukjes die me ontroeren. Dat ze haar onderstoppen bij de avondronde, terwijl ze ligt te slapen. En dat ze de tijd nemen om bij haar te gaan zitten en te praten over haar overleden man en overleden zoon. En voor het eerst in mijn hele leven zie ik mijn moeder regelmatig met chique gelakte nagels.

Ze zijn echt lief voor mijn moeder en zelf het eten smaakt haar prima. Maar toch, ondanks het mooie plekje, ondanks haar mooie kamer, heeft de verhuizing erin gehakt. De gezondheid van mijn moeder holt hard achteruit. “Oude bomen moet je niet verplanten” wordt er wel eens gezegd. Zou ze ook zo achteruit gegaan zijn als ze niet verhuisd was? Maar wat als dat wel zo was? Dan had ze nu alleen in haar huisje gezeten. Feit blijft dat ze in rap tempo heel veel zelfstandigheid op moet geven en het daar heel zwaar mee heeft.

De eerste weken liep ze – onder begeleiding – zelf met haar rollator naar de eetzaal. Inmiddels wordt ze in een rolstoel daarna toe gereden. Kon ze een paar weken geleden nog met hulp van een zorgmedewerker zelf in haar rolstoel gaan zitten; inmiddels gebruiken ze daar een BEA* voor. Ze begint steeds moeizamer te eten. De keukenmedewerkers serveren mijn moeders maaltijd als eerste maar het duurt enorm lang voor ze iets gegeten heeft. Dus wordt ze geholpen met eten. Al een paar keer heeft ze haar koffie over zichzelf heen gegooid. Een kopje vasthouden lukt haar niet meer. Dus drinkt ze nu uit een tuitbeker.

Daarnaast is ze soms compleet de weg kwijt. Ze hallucineert af en toe en ziet dan dingen die er niet zijn. Ik troost me met de gedachte dat ze zelfs op die akelige momenten, midden in de nacht, niet alleen is. En ik ben heel dankbaar voor de lieve zorgmedewerksters die – zo lees ik in het dossier –‘s nachts bij haar op bed gaan zitten om haar gerust te stellen en te troosten. Ik ben zo vaak mogelijk bij haar en bel haar vaak. Maar ook bellen gaat steeds moeizamer. Ze vergeet dat ze me aan de lijn heeft en gaat gewoon verder met tv kijken. Ook prima; dan kijken we even samen tv. Maar treurig is het wel om te zien dat mijn altijd zo energieke moeder zo hard achteruit gaat.

In onze relatie van moeder en kind zijn de rollen nu omgedraaid. Mijn moeder, die altijd zo goed voor mij gezorgd heeft, moet nu zelf verzorgd worden. Ik doe haar was en strijk haar broeken zoals zij tientalen jaren mijn broeken gestreken heeft. Ik rijd haar rond in haar rolstoel zoals zij mij ooit rondreed in mijn kinderwagen. En ik realiseer me dat mijn moeder nooit meer voor mij zal zorgen. Ik zal nooit meer in een fris gewassen bedje stappen dat zij zorgvuldig verschoond heeft met vers gewassen lakens of aanschuiven voor een bordje aardappelen en hachee zoals alleen mijn moeder dat kon maken. En ik wil haar warrige gedachten niet verstoren. Dus zal ik nooit meer mijn hart bij haar luchten en haar om raad vragen.

Maar gelukkig heb ik, behalve een moeder, ook een dochter. Eentje op wie ik altijd kan rekenen. Ze is volwassen inmiddels en ik ben er van overtuigd dat zij voor mij altijd een schoon bedje en een warme maaltijd zal hebben, mocht dat nodig zijn. En ik weet ook dat ik haar altijd kan bellen als ik mijn hart wil luchten of goede raad nodig heb. Zoals ik dat ook altijd bij mijn moeder kon. En ik realiseer me ineens dat de cirkel rond is. 

* een Bea is een opsta-hulp voor mensen die nog wel kunnen staan maar moeite hebben met lopen.