Categorie archief: Ergernissen.

Mijn loden Loekie.

Vorige week werd de Loden Loekie uitgereikt. De prijs voor het slechtste reclamespotje. De keuze viel vast niet mee. Want wat zijn er toch enorm veel irritante spotjes! Wat is er toch gebeurd met de weergaloze spotjes van Centraal Beheer? Of die van de jongens van Amstel? Want laten we wel wezen; als je tv-avondje dan toch om de haverklap onderbroken moet worden door reclame dan graag met leuke reclamespotjes. Maar helaas. De reclame is tegenwoordig nog slechter dan de programma’s.

Deze keer viel Adelheid Roosen in de prijzen. Met haar spotje voor begrafenisondernemer Yarden. Eerlijk gezegd vond ik ‘m nogal meevallen. Ik denk dat het meer het onderwerp is, dat mensen tegenstaat dan Adelheid zelf. Als je na een dag hard werken lekker op de bank zit met je bakkie koffie, wil je gewoon niet horen dat we allemaal dood gaan. Arme Adelheid! Eén troost: in mijn top 3 van meest irritante reclamespotjes komt ze niet voor!

Op 3 staat bij mij de Falafel-reclame van Knorr. Leuk, hoor! Om je kinderen te laten helpen met koken! Heel gezellig en ook nog eens heel pedagogisch verantwoord. Maar als je dan toch pedagogisch verantwoord bezig bent, kun je je kinderen misschien beter meteen leren dat ze NIET hun handen af mogen likken tijdens het koken. Gatverdamme! Wat een viezeriken!

Op 2 staat de slechtste vader ever. Die van Peijnenburg. Terwijl zijn arme dochtertje door een hoosbui in the middel of nowhere naar huis fietst, staat hij uit het raam te staren en peperkoek te eten. En we hebben het niet over een beetje regen, hè? We hebben het over een enorme stortbui, compleet met windstoten. En ondertussen staat pa in zijn riante woning met luxe keuken. Lekker warm binnen. En ik durf te wedden dat-ie een auto heeft. Een stationcar waarschijnlijk.

Maar pa is te beroerd om dochterlief even op te halen. Een beetje kerel was naar het voetbalveld gereden, had kind én fiets in de auto gegooid en gezorgd dat ze droog en veilig thuis kwam. En als het arme kind eenmaal binnen is, gaat-ie er ook nog klakkeloos vanuit dat ze verloren heeft. Tssss! Je reinste kindermishandeling is het.

Maar met stip op nummer 1 staat bij mij dat bloed-irritante mens van Activia. Jeetje! Wat een figuur is dat! Die krijgt van mij de Loden Loekie!

Scene ‘s morgens vroeg in de keuken: ‘Spitsuur!’ kirt het Activia-mens. Op de achtergrond zie ik een echtgenoot. En er loopt één kind rond. Eén kind! In pyjama nog notabene want tja, het is spitsuur ‘s morgens, volgens die muts. Spitsuur is als je in je eentje vier kinderen onder de vijf om half negen op school moeten zien te krijgen. Gewassen, aangekleed en met gevulde maagjes. Spitsuur is NIET met twee volwassen één kleuter aankleden.

En dan gaat het Activia-mens iets DOEN. Want hé! Ze heeft een actief leven, hoor! ‘Aan de slag!’ roept ze enthousiast. En op de klok achter haar is het inmiddels tien uur. Tien uur? Da’s een mooie tijd om te beginnen, zeg. Om tien uur heb ík er al een halve dag opzitten. En dat zonder Activia.

Gelukkig heeft de Activia-mevrouw nog puf om ‘s middags een stukje te gaan rennen. En eerlijk is eerlijk; die puf om te rennen heb ik dan weer niet. Ik denk dat dat komt omdat ik iedere dag om 7.00 uur ‘s morgens van huis ga en om 18.15 uur pas weer thuis kom. Maar het kan natuurlijk ook komen omdat ik geen Activia eet.

Misschien moet ik het toch eens proberen. Misschien word ik dan wel nét zo actief als de Activia-mevrouw. Maar ik durf niet. Ik ben bang dat ik dan ook zo’n lelijke navel krijg!

De wijde wereld in.

image
Het zonnetje scheen, het waaide amper en ik voelde me prima. Het leek me een mooie gelegenheid om, na weken binnen zitten, de wijde wereld in te gaan. In mijn eentje. Op de fiets. Het doel: een stokbrood halen bij de supermarkt 500 meter verderop.

Dus nam ik de lift naar de ondergrondse berging om mijn fiets te pakken. Om van daaruit, met de lift, weer naar de begane grond te gaan. Ik drukte op het knopje van de lift en wachtte, met mijn fiets aan de hand. Door de liftschacht heen hoorde ik, boven me, op de begane grond, een moeder tegen haar kind praten. Het kind wilde schijnbaar de lift niet in en moeder probeerde het kind met allerlei argumenten te overtuigen. En ik wachtte. En wachtte. En wachtte. Tot het kind eindelijk besloten had naar moeder te luisteren en met veel gestommel in de lift stapte.

Toen de lift van de begane grond arriveerde, stonden moeder en kind nog in de lift. Logisch; ik had eerder op het knopje gedrukt dan zij dus de lift ging eerst naar beneden. Maar zij moesten naar boven. “Sorry” riep moeder en drukte op het knopje om de liftdeuren te sluiten. De lift vertrok weer naar boven en ik stond nog steeds beneden met mijn fiets.

Ik duwde opnieuw op het knopje van de lift en wachtte. En wachtte. En wachtte. Waarschijnlijk was moeder, ergens op drie hoog of zo, geduldig bezig haar kleuter uit de lift te praten. Tenslotte moet zo’n kind de kans krijgen zich te uiten, nietwaar? Anders voelt zo’n kind zich zo onbegrepen, toch? Dat is niet goed voor de ontwikkeling van het tere kinderzieltje, hè?

Na tien minuten stond ik eindelijk op straat met mijn fiets. Mopperend dat míjn kind vroeger meteen in een lift stapte als ik dat zei. Zonder discussies. En dat ik, als ze vroeg ‘Waarom?’, gewoon antwoordde ‘Omdat ík het zeg!’, gevolgd door een streng ‘Nu!’ Pedagogisch gezien vast heel onverantwoord maar het schoot wel lekker op. En tot op heden heeft ze nog geen bank overvallen of bejaarden beroofd dus met de schade aan dat ‘tere kinderzieltje’ zal het wel meevallen.

Ik fietste naar de supermarkt en in de winkel sloot ik, met mijn stokbroodje, aan in de rij bij de kassa. De klant voor me was druk aan het internetten via haar smartphone. Ze nam niet eens de moeite haar boodschappen op de band te leggen. Ze kwakte gewoon haar volle boodschappenmandje op de band. Pas toen de caissière, met moeite, al haar boodschappen uit het mandje gevist had en het totaalbedrag noemde keek ze even op.

Ze pakte een pakje yoghurt tussen haar boodschappen vandaan en hield dat demonstratief omhoog. ‘Die is in de bonus, hè!’ De caissière antwoordde dat de korting automatisch verrekend werd en herhaalde nogmaals het totaalbedrag. De klant liet eindelijk haar telefoon los en begon te graven in haar handtas. En ik wachtte. En wachtte.

Na lang zoeken, kwam er een portemonnee te voorschijn. De klant rommelde verder. Er kwamen allerlei briefjes en bonnetjes te voorschijn maar geen geld. Tot ze uiteindelijk ergens een briefje van twintig vandaan haalde en dat aan de caissière gaf. ‘Het is € 23,70, mevrouw.” mompelde de caissière. ‘De rest wil ik pinnen’ antwoordde de klant, gevolgd door het onheilspellende ‘als dat lukt.’

En weer volgde een zoektocht in de portemonnee, weer al die bonnetjes en briefjes. En ik wachtte. Ik wachtte. Tot ze uiteindelijk haar pinpas gevonden had. Gelukkig had ze genoeg saldo. Ik was in staat geweest haar eigenhandig neer te knuppelen met mijn stokbrood als het niet gelukt was.

Na een half uur was ik weer thuis. Na twee minuten fietsen heen, twee minuten terug, één minuut in de winkel en 25 minuten wachten. Tot zo ver de grote wijde wereld.

Conclusie:
1. Ik kan weer fietsen;
2. Ik haat de meeste sommige mensen;
3. Ik haat de wijde wereld.

Emigreren naar een onbewoond eiland lijkt me een verstandige keuze. Maar aangezien dat niet mogelijk is, blijf ik nog maar even binnen. Dat lijkt me beter. Voor iedereen.

Fileleed.

Eind vorig jaar verhuisden ik en mijn collega’s van ons grote kantoor in Amsterdam naar een klein kantoortje in Hilversum. In plaats van 3 kilometer moet ik nu iedere dag 74 kilometer afleggen. 37 heen en 37 terug. In plaats van de fiets pak ik nu de auto. Inmiddels heb ik er ongeveer 6000 kilometer forenzen opzitten. Tijd om de balans op te maken. Hoe bevalt het?

Eerlijk gezegd valt de heenreis mee. Oké, ik moet erg vroeg mijn bed uit. Maar als ik zorg dat ik om 07.15 uur in de auto zit, ben ik om 07.55 uur op mijn werk. Het is wel druk op de weg maar we rijden met z’n allen lekker door. Geen file, niks aan de hand. Ondertussen luister ik lekker naar de radio. Mattie en Wietze van QMusic zijn mijn nieuwe beste vrienden. Ze draaien mijn favoriete muziek en vermaken me elke ochtend met hun kletspraat. Die heenweg is zo erg niet. Eigenlijk best relaxed.

Maar die terugweg, hè! Waar al die mensen ineens vandaan komen is me een groot raadsel maar ‘s avonds zijn we met veel meer mensen dan ‘s morgens. En iedereen wil om 17.00 uur massaal Hilversum uit. Langs dat ene stoplicht dat elke dag vijf hele minuten op rood staat. En als-ie op groen springt, kunnen er krap drie auto’s door voor het licht weer op rood springt. Het duurt al tien minuten om op de A1 te komen.

Dan kan ik een klein stukje door rijden. Tot vóór Naarden. Dan begint de ellende. Daar rijd ik het eerste stuk file in. Stapvoets verder. Gelukkig is het altijd maar een klein stukje file, hoor. Zo ongeveer tot Muiden maar. Jammer genoeg staat daar ook altijd file, dus sluit ik aan in file nummer twee.

Zo kruip ik verder over de A1 om bij Diemen in de derde file te belanden. Meestal kan ik daarna een heel stuk doorrijden op de A10. Tot Watergraafsmeer ongeveer waar file vier op mij wacht. Om daarna in file vijf te belanden, bij De Nieuwe Meer. Daar mag ik eindelijk de snelweg af en ben ik bijna thuis. Meestal ben ik bijna een uur onderweg.

Dapper sla ik me erdoorheen. Ik blijf rustig, luister naar de radio en dank God op mijn blote knietjes dat ik geen kleine kinderen heb die hongerig en moe op me wachten bij een of ander kinderdagverblijf. Maar leuk is anders. Vooral op dagen zoals vandaag.

Zo’n dag waarop iemand op de A10 bij Amsterdam-Noord onverwachts op zijn rem trapt, waardoor vervolgens iedereen gaat remmen en op mysterieuze wijze de héle A10 plotsklaps stil staat. Van Amsterdan-Noord tot aan Diemen toe. En ik dus anderhalf uur onderweg ben. Vanuit Hilversum, 37 kilometer verderop.

En dat is nog niet het ergste. Het aller-aller-ergste is dat míjn files nooit genoemd worden bij de verkeersinformatie. Dan sta ik stil. Op de snelweg. Op de A1 of op de A10. In een van mijn vijf files. Ik luister naar de radio en mijn files worden gewoon niét genoemd! Omdat ze alleen de files noemen van zeven minuten of meer.

Tja, mijn files duren ook maar zes minuten. Alle vijf!
Waardoor ik dus mooi dertig hele minuten stil sta!
Mijn file-leed wordt niet serieus genomen. Het is niet eerlijk!

Stom.

Vorige week, vóór Pasen, stortte ik me in de supermarkt-drukte om boodschappen te doen. Het was druk, het was chaos en ik had er al snel genoeg van. ‘Tweede Paasdag zijn we gewoon open’ zei een van de supermarktmedewerkers. ‘Da’s mooi!’ dacht ik ‘dan kom ik tweede Paasdag wel terug!’. Ik gooide het hoognodige in mijn kar en maakte dat ik weg kwam.

Tweede Paasdag vertrok ik ‘s avonds vol goede moed naar de supermarkt hier op het plein. Die was tenslotte gewoon open. Dat ‘gewoon’ bleek iets minder ‘gewoon’ te zijn. Ze waren wel open geweest die dag maar toen ik voor de deur stond, waren ze al weer dicht. Gewijzigde openingstijden. Maar geen nood; hier in Amsterdam is altijd wel ergens een winkel open. Dus zocht ik op mijn telefoon naar de dichtstbijzijnde supermarkt die wél open was. Juist! Die op de Overtoom.

De moed zakte in mijn schoenen. Als ik érgens een hekel aan heb is het aan auto rijden binnen de ring van Amsterdam. En al helemaal in het donker. Als het even kan, probeer ik dat te vermijden. Maar ik sprak mezelf streng toe. ‘Kom op, zeg! Hoelang woon je hier nou? Hoelang heb je je rijbewijs? Stel je niet aan. Hup! Rijden! Naar de Overtoom!’

Dapper startte ik de auto en reed door donker Amsterdam. Over het Surinameplein, over de Overtoomse Sluis, nog een stukje rechtdoor over de Overtoom en ik was er al. Zie je wel? Fluitje van een cent! Een groter probleem was het parkeren. Ik reed bijna een kwartier rondjes om een parkeerplaats te vinden die nog een béétje in de buurt van de supermarkt lag.

Uiteindelijk vond ik een mini-plekje. Zó klein dat het me waarschijnlijk nooit zou lukken om mijn auto daarin de proppen. Zeker niet met die enorme rij wachtende auto’s achter me. Maar het lukte! In één vloeiende beweging file-parkeerde ik mijn auto op het piepkleine plekje. Glimmend van trots stapte ik uit. Ik dacht er zelfs aan om mijn Parkmobile aan te zetten. Kijk mij eens cool zijn! En enorm tevreden met mezelf liep ik naar de supermarkt.

Om daar voor de deur te ontdekken dat ik mijn portemonnee niet bij me had.