Categorie archief: Ergernissen.

Stom.

Vorige week, vóór Pasen, stortte ik me in de supermarkt-drukte om boodschappen te doen. Het was druk, het was chaos en ik had er al snel genoeg van. ‘Tweede Paasdag zijn we gewoon open’ zei een van de supermarktmedewerkers. ‘Da’s mooi!’ dacht ik ‘dan kom ik tweede Paasdag wel terug!’. Ik gooide het hoognodige in mijn kar en maakte dat ik weg kwam.

Tweede Paasdag vertrok ik ‘s avonds vol goede moed naar de supermarkt hier op het plein. Die was tenslotte gewoon open. Dat ‘gewoon’ bleek iets minder ‘gewoon’ te zijn. Ze waren wel open geweest die dag maar toen ik voor de deur stond, waren ze al weer dicht. Gewijzigde openingstijden. Maar geen nood; hier in Amsterdam is altijd wel ergens een winkel open. Dus zocht ik op mijn telefoon naar de dichtstbijzijnde supermarkt die wél open was. Juist! Die op de Overtoom.

De moed zakte in mijn schoenen. Als ik érgens een hekel aan heb is het aan auto rijden binnen de ring van Amsterdam. En al helemaal in het donker. Als het even kan, probeer ik dat te vermijden. Maar ik sprak mezelf streng toe. ‘Kom op, zeg! Hoelang woon je hier nou? Hoelang heb je je rijbewijs? Stel je niet aan. Hup! Rijden! Naar de Overtoom!’

Dapper startte ik de auto en reed door donker Amsterdam. Over het Surinameplein, over de Overtoomse Sluis, nog een stukje rechtdoor over de Overtoom en ik was er al. Zie je wel? Fluitje van een cent! Een groter probleem was het parkeren. Ik reed bijna een kwartier rondjes om een parkeerplaats te vinden die nog een béétje in de buurt van de supermarkt lag.

Uiteindelijk vond ik een mini-plekje. Zó klein dat het me waarschijnlijk nooit zou lukken om mijn auto daarin de proppen. Zeker niet met die enorme rij wachtende auto’s achter me. Maar het lukte! In één vloeiende beweging file-parkeerde ik mijn auto op het piepkleine plekje. Glimmend van trots stapte ik uit. Ik dacht er zelfs aan om mijn Parkmobile aan te zetten. Kijk mij eens cool zijn! En enorm tevreden met mezelf liep ik naar de supermarkt.

Om daar voor de deur te ontdekken dat ik mijn portemonnee niet bij me had.

Heldinnen.

Mateloos irritant vind ik ze. Bakfietsmoeders. Van die moeders die, met hun kroost in de bakfiets, het hele fietspad versperren. Die bij het oversteken het gedeelte van de bakfiets waar hun dierbare bloedjes van kinderen zitten, lekker ver de rijweg op laten steken zodat het vaak maar net goed gaat. Van die moeders die hun bakfiets bij voorkeur pal voor de winkeldeur parkeren zodat er niemand langs kan. Die met hun kreng van een bakfiets het hele fietsenrek in beslag nemen. Die Whatsappend en Twitterend met de ene hand en sturend met de andere hand, door rood fietsend, Jan-Julius en Frédérique naar pianoles brengen alsof hen niets kan gebeuren.

Hulde daarentegen voor de gewone fietsmama’s. De jongste in het kinderstoeltje voorop, de middelste achterop. En de oudste op het kinderfietsje naast mama, vrolijk kwebbelend, terwijl korte beentjes in razend tempo ronddraaien. Vrolijke kindersnuitjes, gekleurde fietshelmpjes en mama die, met haar hand beschermend op de schouder van de oudste, haar kroost veilig door Amsterdam loodst. Over tramrails, door een drukke stad met trams die hen rinkelend voorbij rijden, scooters die hen keihard inhalen en ondertussen moet moeders bedacht zijn op stomme automobilisten die klakkeloos hun portier opengooien zonder om te kijken of er iemand aankomt. Ware heldinnen zijn het!

Ooit was ik zelf zo’n mama, zij het iets minder heldhaftig want ik had maar één kinderstoeltje. En ik fietste rond in het relatief rustige Breda waar geen trams rijden en ik op weg van de supermarkt naar huis niet eens een stoplicht tegen kwam. Maar toch; doos met boodschappen onder de snelbinders, kind in het fietsstoeltje voorop, twee zware boodschappentassen aan het stuur en gaan! Ik deed het.

Maar of ik dat in Amsterdam gedurfd zou hebben? Het is veel drukker hier. Auto’s, fietsen, scooters. Trams, metro’s en taxi’s. En krankzinnige voetgangers. Niemand let op, iedereen doet maar wat. En van stoppen voor rood heeft nog nooit iemand gehoord. Daarom vind ik ze zó dapper als ik ze zie fietsen. Amsterdamse mama’s op de fiets.

Misschien wordt het tijd om mijn mening te herzien ten opzichte van bakfietsmoeders. Want eerlijk is eerlijk; als ik met Michelle als dreumes door Amsterdam had moeten fietsen, was ik met grote waarschijnlijkheid zelf een bakfietsmoeder geworden. Maar dan eentje met een bakfiets van gepantserd staal, met een stevige rolbeugel in het dak, zes airbags, een binnenkant van schuimrubber en noppenfolie en wel tien oranje vlaggetjes.

Rood!

Toen ik jaren geleden voor het eerst in Amsterdam kwam, vond ik het meteen geweldig. De oude huizen, de grachten, al die mooie gebouwen. Wat me ook meteen op viel was het verkeer. De drukte, met trams, auto’s, taxi’s, fietsers en voetgangers die allemaal zomaar wat deden. “Zo gaat dat hier” dacht ik terwijl ik probeerde Frank bij te benen die resoluut alle rode stoplichten negeerde. “Ik kijk zelf wel of er iets aan komt. Stoplichten heb ik niet nodig.” zei hij. En ik paste me aan, negeerde alle rode stoplichten en liep door rood. Want zo gaat dat hier.

Inmiddels woon ik vier jaar in Amsterdam en ik vind ‘t nog steeds geweldig. Maar ik verbaas me ook nog steeds over het verkeer. Of je nou fietst, auto rijdt of loopt; het blijft een avontuur. De gemiddelde Amsterdammer kijkt nergens naar, die doet zomaar wat. Compleet in hun eigen wereld, in de volle overtuiging dat hen niets kan overkomen, verplaatsen ze zich door de stad. Zonder op of om te kijken, zonder zich ook maar iets aan te trekken van de regels.

Massaal stappen ze allemaal van de stoep zó de weg op. Zonder te kijken. Regelmatig moet ik een noodstop maken om zo’n dwaas niet aan te rijden. Ontelbare keren moet ik uitwijken omdat een moeder zonder te kijken haar kinderwagen de weg op duwt. Ontelbare keren ben ik al bijna aangereden door auto’s die door rood rijden. Ik heb mijn hele leven nog nooit zoveel getoeterd, gebeld en gevloekt als in die vier jaar in Amsterdam.

En ja, ik heb me aangepast. Ik kijk tegenwoordig ook als ik door groen fiets of er niet een of andere idioot door rood komt knallen. Ik houd alles en iedereen in de gaten, klaar om uit te wijken of een noodstop te maken. Maar daarmee houdt het aanpassen op.

Ik weiger om ‘typisch Amsterdams’ door rood te lopen, fietsen of rijden.
Gewoon omdat we dat ooit zo afgesproken hebben.
En omdat het een puinhoop wordt als niemand zich aan de regels houdt.
Als enige van de 810.084 inwoners van Amsterdam stop ik voor rood.
Verbeter de wereld, begin bij jezelf!

Schorriemorrie.

Toen ik afgelopen week uit mijn werk kwam, stonden er twee jongetjes van een jaar of tien, elf, te klieren bij het hek van de parkeergarage. Er was schijnbaar net iemand in of uit gereden en doordat zij voor het hek stonden, ging het hek niet meer dicht. Toen ik naar binnen keek, zag ik dat twee vriendjes van het heerschap al in de parkeergarage stonden. Met stokken en een groot stuk hout.

Het was koud die dag. Ze hadden allemaal hun capuchons op en hun dassen voor hun monden en neuzen gebonden. Ik kon niet zien of het kinderen uit ons flatgebouw waren. Maar dan nog, ook die hebben niets te zoeken op de helling naar de parkeergarage.

Ik besloot aardig te blijven. “Jongens, ga eens weg daar. Da’s gevaarlijk. Als er een auto naar buiten komt, liggen jullie er onder.” Een van de jongetjes snauwde me toe “Bemoei je er niet mee, joh!” Ik vroeg hem vriendelijk op welk huisnummer hij woont en hij vroeg waarom. “Dan bellen we samen bij je moeder aan om te zeggen dat je in de garage aan het spelen bent.” Een paar donkere kinderoogjes keken me kwaad aan vanuit de spleet tussen zijn das en zijn capuchon.

“Ik ga jou niet zeggen waar ik woon, man!” gromde hij. Inmiddels stonden de vier jochies bij elkaar. Totaal niet onder de indruk van een volwassene die hen aansprak op hun gedrag. “Heb je soms een spychi…. een spych… een spychisch probleem, man?” riep jongetje nummer twee. Hoewel ik het dapper vond dat hij met een stotterprobleem zo’n moeilijk woord probeerde, kon ik het niet nalaten om te zeggen “Ik niet. Jij wel, zo te horen!” Jongetje drie moest daar toch wel een beetje om lachen. Stiekem dan. Want lachen was niet cool natuurlijk.

Echt cool waren ze ook niet. Wel heel onbeschoft. Alle vier beschuldigden ze mij van het uitoefenen van het oudste beroep ter wereld én van het hebben van diverse vreselijke ziekten. Inmiddels begon mijn bloed langzaam te koken. Hoe is het in hemelsnaam mogelijk dat kinderen uit groep zeven of acht zich zo gedragen?

Ik bleef bij het hek van de parkeergarage staan. Zij ook. Een patstelling. Voor het eerste jongetje was dat meer dan hij kon verdragen. Dreigend, met zijn stuk hout in de aanslag, kwam-ie op me aflopen. Ik was te kwaad om verbaasd te zijn en bleef staan waar ik stond. No way dat een jochie van twee turven hoog mij te lijf gaat met een stuk hout. “Dat zou ik niet proberen als ik jou was!” siste ik hem toe “Misschien is je moeder bang voor je maar ík niet!”

De volgende patstelling. Hij stond klaar om uit te halen met het stuk hout en ik weigerde bang weg te rennen. Uiteindelijk gaf-ie het op. Hij gooide het stuk hout neer en liep weg. Gevolgd door zijn vriendjes. Alle vier scheldend, tierend en trappend tegen geparkeerde fietsen. Diep in mijn hart vond ik het jammer dat hij geen poging gewaagd heeft om me daadwerkelijk te slaan. Het zou een mooie gelegenheid geweest zijn om te proberen of zijn koppie tussen de spijlen van het hek paste. En geloof me, ik was inmiddels zo kwaad dat dat met gemak gepast zou hebben.

Aangezien ik in Amsterdam-Nieuw-West woon, vraagt iedereen die het verhaal hoort hetzelfde. “Marokkaantjes zeker?” Maar ik kan ze geruststellen. Ik weet zeker dat het Nederlandse jongetjes waren. Hier geboren en getogen. Maar wel met een Noord-Afrikaans uiterlijk en, vreemd genoeg, een overduidelijk Marokkaans accent. De derde generatie of zo. Een generatie waarvan het met een groot gedeelte nooit meer goed komt. En nu de woede gezakt is, word ik daar eigenlijk een beetje verdrietig van.