Boekenplankjes.

In ons vorige ienie-minie poppenhuisje konden we geen boekenkast meer kwijt. Frank’s boeken stonden noodgedwongen in dozen in de berging. Tot ik op het idee kwam wat boekenplanken op te hangen in de hoek boven zijn bureau. Zo konden we nog niet alle boeken kwijt, maar we konden in elk geval de meest bijzondere exemplaren weghalen uit de vochtige berging en in huis bewaren.

Ik vertrok naar de Zweedse meubelgigant en scoorde drie enorme boekenplanken. Van die boekenplanken die je onzichtbaar aan de wand kunt bevestigen. Geniaal! Omdat Frank in de lappenmand zat, was ik op mijn eigen klusvaardigheid aangewezen. Geen punt. Ik kan namelijk heel goed klussen. Echt. Je moet gewoon even een metalen steun met schroeven aan de muur bevestigen en daar de (holle) plank overheen schuiven. Simpel!

Maar in de praktijk vond ik het toch een tikkie tegen vallen. De steunen waar de planken overheen moesten komen, moesten met maar liefst 16 schroeven vast geschroefd worden. Ik stond, op een wankel keukentrapje, enorm te hannesen met zo’n metalen steun, een waterpas en een potlood om af te tekenen waar de gaten moesten komen. En dat drie keer. Daarna moest ik maar liefst 48 gaten boren. Toen ik uiteindelijk alle gaten geboord had en de drie steunen opgehangen had, had ik lamme armen.

En toen bleek dat ik verkeerd gemeten had. De planken moesten, met de zijkant, in de hoek komen. En ik had de ruimte tussen die muur en de steun verkeerd opgemeten. Dus de planken pasten niet om de steunen. Die zaten te dicht bij de muur. Ik liet mijn lamme armpjes moedeloos zakken.

Ik had zó geen zin om die steunen weer los te schroeven, 48 gaten dicht te smeren en 48 nieuwe gaten te boren. Liever lui dan moe bedacht ik een andere oplossing. Ik zaagde gewoon een stuk van de planken af. Briljant! Mijn boekenplanken hingen! Weliswaar waren ze wat korter dan de bedoeling was, maar ze hingen!

Vlak daarna gingen we verhuizen. We hebben nu genoeg ruimte voor een boekenkast dus de boeken van Frank staan inmiddels allemaal netjes in de kast. Toch wilde ik de planken boven het bureau weer ophangen. Gewoon, voor andere dingen. Altijd handig. Dus ging ik opnieuw aan de slag met steunen, waterpas en potlood en tekende ik weer 48 gaten af. Ik schroefde drie steunen aan de muur en wilde de eerste plank er overheen schuiven.

En toen bleek dat ik weer verkeerd gemeten had. Echt. Ik geloofde het zelf eerst ook niet. Het zal de frisse zeewind geweest zijn die in onze nieuwe woonplaats waait. Die is vast in mijn bolletje geslagen. Maar ik heb écht wéér verkeerd gemeten. De planken pasten ook deze keer niet over de steunen. En aangezien ik nog steeds liever lui dan moe ben, heb ik opnieuw een stuk van de planken gezaagd.

Ze hangen. Weer een stuk korter dan de bedoeling was. Het is goed dat ik niet meer hoef te verhuizen. Ik houd geen boekenplanken over op deze manier.

25!

Vandaag is het de 25ste verjaardag van mijn dochter. 25! Ongelooflijk.

De dag dat ze geboren werd lijkt pas gisteren. Ik herinner me de lichtjes, buiten op straat, op die warme septemberavond, toen de verloskundige me een lift gaf naar het ziekenhuis. Ik herinner me hoe ik, die eerste nacht, nog in het ziekenhuis, de hele nacht wakker lag omdat ik die enorme, gelukzalige grijns maar niet van mijn gezicht kreeg. Ik herinner me de stem van mijn vader aan de telefoon toen ik mijn ouders belde om te vertellen dat ze was geboren en dat alles goed was gegaan terwijl mijn baby op de achtergrond huilde. Zelfs dáár was ik trots op. “Hoor je haar, pap?”

Wat was ik jong nog. 23 pas, zelf nog een uk. Zó jong dat ik gek was op ‘You are my destiny’ van Lionel Richie, op dat moment nummer 1 in de top 40, omdat ik de tekst zo toepasselijk vond. Redelijk puberaal, vind ik nu. Maar ondanks dat kinderachtige gedoe hebben we het toch prima gered samen. Ik leek heel consequent in haar opvoeding maar dat was meer geluk dan wijsheid. Ik vond gewoon dat mijn kind moest luisteren. Waarom? Om die reden die mijn ouders ook gaven. “Omdat ik het zeg.” Punt. Uit.

En natuurlijk maakte ik blunders. Deze bijvoorbeeld. En het heen en weer slepen van mijn kind naar Amsterdam en weer terug naar Breda was ook niet echt een voorbeeld van verantwoord ouderschap. Maar het kwam allemaal goed. We fietsten overal redelijk glansrijk doorheen. Afgezien van die afschuwelijke knie uit de kom,is echt enorme rampspoed ons gelukkig bespaard gebleven. Geen wegloop-taferelen, geen nachten doorhalen, geen drankmisbruik. Tenminste, niet van haar kant. Die ene keer dat ik zelf met iets te veel wijntjes op bijna de voortuin inviel, was eigenlijk ook niet echt pedagogisch verantwoord. Wel ontzettend grappig. Volgens mijn dochter dan.

Als tegenhanger van al mijn opvoedkundige blunders las ik 10.000 Jip-en-Jannekes voor het slapen gaan. Haar wijsvingertje vragend in de lucht “Eentje nog?”. Ik veegde snotneuzen, verschoonde luiers, gaf sinasprilletjes en maakte honderden bedjes-op-de-bank. We knutselden, we kletsten, we knuffelden, we zongen, we dansten, we giebelden. En veel van die dingen doen we nog steeds.

Ik ben er nog steeds niet achter of het feit dat het allemaal goed kwam te maken heeft met mijn weergaloze opvoeding of dat dat gewoon kwam omdat mijn dochter zo’n heerlijk kind was. Zo’n kind dat fluitend alle scholen doorliep, nooit te ver ging bij kattenkwaad uithalen, braaf huiswerk maakte en de puberteit gewoon finaal oversloeg. Zo’n kind waarvan je er, met gemak, zes had kunnen opvoeden. In je eentje. Fluitend. Met twee vingers in je neus.

Dat kleine meisjes echt groot worden, blijkt uit het feestje van vandaag. Dit jaar vierde dochterlief haar verjaardag op Bali waar ze, samen met Robby, lekker vakantie viert. Vandaag gingen ze vissen op een koraalrif en ze zagen een varaan van anderhalve meter, zomaar midden op de weg.

Best bijzonder om zo je verjaardag te vieren. Het lijkt nog maar gisteren dat we koek hapten in onze achtertuin. Time flies when you’re having fun!

Lieve Michelle,
Van harte gefeliciteerd met je 25ste verjaardag!
Het is – nog steeds – een feest jouw moeder te zijn!

Warm bad.

Het appartement waar we nu wonen, bevindt zich in een heus seniorencomplex. Nou ja, senioren… Je mag er pas wonen als je boven de 50 bent. Niet écht senior, vind ik, maar toch.

Voor de duidelijkheid: ik ben natuurlijk nog láng niet zo oud. Maar Frank is net boven de 50 dus kwamen wij in aanmerking voor deze woning. En nu blijken we ver uit de jongsten van het hele complex te zijn. Werkelijk piepjong vergeleken met de rest.

Zó piepjong dat we, toen we nog aan het opknappen waren, vriendelijk begroet werden door onze nieuwe senioren-buren. “Zijn jullie aan het schoonmaken voor jullie ouders?” vroegen ze. Ze keken enigszins verbaasd toen ik vertelde dat wij zélf hier kwamen wonen. Maar inmiddels zijn ze aan ons gewend. En wij aan hen.

Toen we hier net woonden, stonden er twee grijze dametjes voor de deur die ons, namens de bewonerscommissie, een welkomstbloemetje aan kwamen bieden. Inmiddels doen we zelf ook mee met de ‘Wel en wee-pot’ waarvan bloemetjes gekocht worden voor bewoners die in het ziekenhuis komen te liggen, of voor bewoners die 70, 75 of 80 worden. Of eh, tja, soms ook een rouwkrans. Dat komt voor hier.

Iedereen is vriendelijk. En geduldig. Ze zijn allemaal met pensioen dus ze hebben alle tijd. Ze wachten op je in de lift als ze je aan zien komen. Ze weten precies of de postbode die dag al geweest is. Ze hebben – in het kader van ‘wijsheid komt met de jaren’ – volop goede raad en opbeurende woorden. We zijn hier omringd door surrogaat-ouders.

We maakten kennis met ons buurvrouwtje B. Een klein vrouwtje van een jaar of 75. De dag daarna stapte ze in de lift terwijl ik toevallig allerlei zware spullen aan het verslepen was. Kordaat stroopte ze haar mouwen op om even een handje te helpen. Zo’n handje vol ouderdomsvlekjes. Ik kon nog net voorkomen dat ze met haar broze botjes ons meubilair begon te verslepen. Precies zoals mijn moeder dat zou doen.

En dan meneer P., de voorzitter van de bewonerscommissie. Hij legde me vriendelijk uit waar ik ons grof huisvuil neer kon zetten en vroeg me of ik wilde laten wanneer het opgehaald werd. Dan kwam hij me wel even helpen met buitenzetten. Die goede man is minstens 70! Ook dat aanbod heb ik vriendelijk van de hand gewezen. Of de buurman die de stok waarmee hij loopt, even tegen de auto zette om me te helpen een loodzwaar, glazen tafelblad uit de auto te tillen. Daarna tikte hij galant tegen zijn denkbeeldige hoed. “Geen probleem, kind. Graag gedaan!”.

Want ik word hier, als de benjamin van het gebouw, standaard door iedereen aangesproken met ‘kind’. ‘s Morgens vroeg, als ik naar mijn werk ga, loop ik een tweede buurvrouw tegen het lijf. Op pantoffels, in haar duster, is ze onderweg naar beneden om de krant uit de brievenbus te halen. “Goedemorgen!” begroet ze me “Wat ben jij er vroeg bij!” Als ik antwoord dat ik naar mijn werk ga, reageert ze gelaten. “Ach ja, kind. Jij werkt natuurlijk nog!”

Stiekem grinniken we over het oubollige ‘oude wijventafeltje’ op de galerij. En giebelend hebben we zelfs, net zoals al onze buren, het mobiele nummer van onze dochter ingevuld op de alarmlijst. Voor in geval van nood. Zodat de buren altijd iemand kunnen bereiken, mochten we vallen en een heup breken. Je weet maar nooit.

Maar toch, hè. Het klinkt verschrikkelijk, zo’n seniorencomplex. Maar na al die jaren in Amsterdam, waar zelfs je directe buren je op straat straal voorbij lopen zonder te groeten, voelt hier wonen als een warm bad.

Lief zijn voor elkaar.

Vlak na de terroristische aanslag in Barcelona stapte ik in de trein van mijn werk naar huis. Mijn hoofd nog vol van ellende. Al die slachtoffers op de Ramblas. Pal om de hoek waar Michelle en ik, en wie niet, ooit vakantie vierden. Het verbaast me nog steeds. Hoe kún je? Hoe kun je willens en wetens zoveel pijn en verdriet veroorzaken bij mensen die jou niks misdaan hebben. Hoe kun je dat nou doen? Wat voor wereld is dit?

Als ik ga zitten in de trein hoor ik een oudere vrouw enorm hoesten. Ik kijk even naar haar. Ze kucht en hoest en hoest. Haar wangen rood, haar ogen tranend. ‘Die heeft het flink te pakken’ denk ik nog. De vrouw blijft hoesten. De trein vertrekt.

Als we net vertrokken zijn van Sloterdijk staat een andere vrouw op. Ze loopt naar de hoestende vrouw en spreekt haar aan. “Mevrouw? Wilt u misschien wat water? Ik heb hier een flesje water..” Meteen komt mijn smetvrees boven en ik denk ‘iiieeuw’ maar hoeveel keuze heb je als je bijna zit te stikken in de sprinter naar Uitgeest? De hoestende vrouw denkt waarschijnlijk hetzelfde.

“Oh, wat fijn!” antwoord ze terwijl ze de tranen uit haar ogen veegt. “Ik verslikte me in een snoepje. Stom, hè?” En ze lacht verontschuldigend. “Ik heb ook een rietje” antwoordt de reddende engel en ze overhandigt een flesje water en een rietje aan de hoestende vrouw die dankbaar grote slokken water drinkt. Het hoesten stopt meteen.

“Houdt het flesje maar even bij u” zegt de reddende engel “Wij zitten vlak achter u” en ze loopt terug naar haar eigen plaats. De hoestende vrouw, die nu niet meer hoest, neemt nog een slokje water.

Ik vind het een prachtig moment. Het stelt me gerust. Niet de hele wereld is verrot. Het zijn een paar rotte appels. Maar er zijn gelukkig ook nog lieve mensen. Mensen die iets over hebben voor een ander. Voor een vreemde. Laten we dát vooral blijven doen. Laten we vooral lief zijn voor elkaar. Als tegenwicht voor al die haat.