Uncle Bob speelt vals.

Deze Uncle Bob had één grote wens. De wens om na al die Scottish highlanders, lammetjes, koeien, katten en honden eens een echte zeehond te fotograferen. Helaas weigeren de zeehonden tevoorschijn te komen als ik op het strand ben. Maar vorige week lukte het dan toch! Ik fotografeerde een echte zeehond. Sterker nog; ik fotografeerde er wel tien!

Maar ik speelde wel een beetje vals. Het waren de zeehondjes bij Ecomare op Texel. Koud kunstje natuurlijk om daar zeehondjes te fotograferen. We waren overigens niet alleen voor de zeehondjes naar Texel gegaan, hoor. Mijn verkering, die jarenlang als zakenman de hele wereld over reisde, was nog nóóit op een Waddeneiland geweest. Dat kán natuurlijk niet. Daar moest verandering in komen. Dus nam ik hem mee naar Texel.

Ik ging er jarenlang op vakantie, toen dochterlief nog klein was, met mijn zus en haar gezin. Vanuit het Brabantse land waren we altijd een halve dag onderweg om er te komen. Met de jaarlijkse vaste tussenstop bij het wegrestaurant bij Breukelen. Dat is zó lang geleden dat onze meiden nog Spice Girl-poses aannamen toen we foto’s maakten daar op de stoep. Die tussenstop bij Breukelen is niet meer nodig. Het zou technisch gezien zelfs heel onhandig zijn. Want vanuit onze huidige woonplaats sta je na een uurtje rijden al in Den Helder. Ik moet er nog steeds aan wennen dat Texel nu vlakbij is. 

Ik kan me niet herinneren dat het veel regende tijdens onze vakanties op Texel. Maar op de dag dat wij naar Texel gingen, viel de regen met bákken uit de lucht.  Dat was jammer. Jammer was ook dat we – vanwege corona – alles gereserveerd hadden en dus niet ‘even’ op een andere dag konden gaan. Jammer was ook dat we op de boot in de auto moesten blijven zitten. En dat we het in het Museum Kaap Skil te druk vonden en dus snel weer buiten stonden. 

Maar toch was Texel leuk. Omdat Texel nog steeds maar één stoplicht heeft. Omdat de regen niet zo heel erg was omdat we met de auto waren. Omdat Frank vanuit de auto toch een beetje een idee van Texel kreeg en het heel mooi vond. Omdat we het lekkerste Broodje Gezond ooit haalden bij  Restaurant De Robbenjager en dat vervolgens in de auto op aten omdat het restaurant vol was. Maar met de ramen die gezellig besloegen, de regen kletterend op het autodak en wij lekker knoeiend met onze broodjes in de auto was dat eigenlijk helemaal niet erg.

Omdat Frank daarna gewoon lekker een tukkie deed in de auto terwijl ik bijna verzoop terwijl ik snel naar de vuurtoren rende om een foto te maken. En voor de automobilist die het leuk vond om vol door de plas naast mij te rijden: jij had heel veel mazzel dat ik geen baksteen in mijn jaszak had!

 

Maar Texel was vooral leuk omdat de regen spontaan ophield toen wij bij Ecomare aankwamen. En ik eindelijk, eindelijk, eindelijk zeehondjes kon fotograferen. Ik ben verliefd.

Deventer 2020.

Het begon met een weekendje Londen samen met mijn dochter voor haar 21ste verjaardag. En dat beviel zó goed dat we er een jaarlijkse traditie van maakten. Na Londen in 2013, bezochten we Rome in 2014 en Barcelona in 2015. En toen kwam de klad er in omdat Frank ziek werd en ik het lastig vond om hem een weekend alleen te laten. Van hem mocht het, hoor. Geen probleem. Maar ik vond het vervelend.

Maar toch bleef het kriebelen. Het was steeds zó leuk geweest om een weekend lang op te trekken met mijn grote kind. Om rond te kijken in vreemde steden terwijl we vijf kwartier in een uur bij kletsten, taartjes aten en winkelden. En er was nog een hele lijst aan steden die we willen bezoeken samen. Dus besloten we te ‘oefenen’ in Nederland. In 2019 hadden we samen een heerlijk weekend in Groningen. En bij terugkomst bleek dat het thuis allemaal prima gegaan was dus niets stond ons volgende avontuur in de weg. Vol goede moed boekten we een weekendje Dublin in 2020. En toen kwam corona.

Nog voor wij een besluit hadden genomen over wel of niet gaan, werd onze vlucht geannuleerd. We besloten een bestemming in Nederland te zoeken en het werd Deventer. Geen idee waarom, misschien door de letter D. Want verder is er weinig Iers aan Deventer, behalve dan dat er een Ierse pub is, waar we natuurlijk een drankje wilden doen maar waar we uiteindelijk niet eens aan toe kwamen.

Ik liet het regelen van onderdak met een gerust hart aan mijn kind over. En – om corona-technisch goed te zitten – reserveerden we álles van te voren. Het resultaat was een strakke planning, die ik in een vrolijk overzichtje noteerde. Samen met een koelkast vol eten en drinken, een voorraad medicatie op juiste volgorde en een voorraad kattenvoer liet ik de planning bij Frank achter. ‘Je kunt per uur afstrepen waar we zijn’, grapte ik. De spontaniteit was er een beetje af zo. Maar ach, Mich en ik houden allebei van to do-lijstjes dus we vonden het niet erg.

En Deventer is prachtig! Het is een van de oudste steden van Nederland, prachtig gelegen aan de IJssel. Die ligging aan de IJssel zorgde er voor dat de stad uitgroeide tot een belangrijk handelscentrum met een grote welvaart. Het mooie aan Deventer is bovendien dat van de rijke historie heel veel bewaard is gebleven en alles prachtig gerestaureerd is. Het wemelt er van de mooie straatjes en prachtige panden. Er zijn veel leuke winkeltjes, gezellige terrassen en restaurants. En de Deventernaren zijn enorm vriendelijk.

We liepen, we keken, we aten, we kletsten, we lachten. En tot mijn grote verbazing slíep ik ‘s nachts! Waar ik in het verleden tijdens onze stedentrips nachtenlang wakker lag in een vreemd bed, heb ik deze keer geslapen als een roosje. Of ik begin het eindelijk te leren. Of het komt door mijn eigen instelling. Want een jaar of twee geleden heb ik besloten voortaan lief te zijn voor mezelf en mezelf wat meer te gunnen. Ik ben weer gaan wandelen en zwemmen. Ik ging weer fotograferen en tekenen. Ik knutsel weer en lees me suf. Want ik ben mantelzorger en dus héél belangrijk. Om op de been te blijven moet ik vooral héél veel leuke dingen doen. En Deventer was leuk! En ik had het gewoon verdiend!

Tips voor Deventer:
• we logeerden bij Citystays in de Hofstraat. We hadden een prachtige ruime kamer, met heerlijke bedden, een bank, een lekkere douche en een kitchenette met koelkast, kookplaat, koffiezetapparaat en waterkoker. Er was een föhn en – voor mij heel belangrijk! – het was brandschoon.
• de stadswandeling van de VVV. Een leuke manier om meer te weten te komen over de geschiedenis van Deventer en een beetje de weg te leren. De gids wist veel leuke weetjes te vertellen over de vele prachtige panden in de stad.
• eten bij Rafaelle’s Foodbar. Ik heb daar echt de meest fantastische lasagne ever gegeten!
• het Bergkwartier. Een prachtige middeleeuwse wijk die na de Tweede Wereldoorlog prachtig gerestaureerd is (van de 12.000 huizen in het centrum waren er 10.000 zwaar beschadigd). Je vindt er oude smalle straatjes en prachtige panden.
• Museum De Waag. Toen wij er waren was er, behalve een algemene tentoonstelling over Deventer, ook een expositie over de oorlog ‘Deventer Bezet & Bevrijd’. Vanwege hun strategische ligging speelden de IJsselbruggen bij Deventer in de oorlog een cruciale rol. Nederlandse troepen slaagden erin de spoor- en schipbrug op te blazen, maar toch viel Deventer op 10 mei 1940 zonder zware gevechten in Duitse handen. Het was een interessante expositie. En het is sowieso indrukwekkend om rond te lopen in een gebouw uit 1530 waar we griezelend keken naar de koperen ketel waarin in die tijd valsmunters in olie werden gekookt.
• de Bolswerkmolen, net buiten Deventer. Leuk om een houtzaagmolen in werking te zien. En in de tuin van de woning bij de molen ontdekten wij het kasteel van Sneeuwwitje! En ze was nog thuis ook!
• je kunt natuurlijk niet naar Deventer Koekstad gaan en thuis komen zonder koek. Dus koop je Deventer Koek bij J.B. Bussink. En psst! Ze hebben ook een webshop!
• en dan, last but not least, de onvolprezen gids, mijn dochter Michelle. Die met haar enorm goede gevoel voor richting en een altijd stralend humeur mij op vrijdag 10 kilometer en op zaterdag 9 kilometer door de wirwar van straatjes in Deventer heeft gesleept. Helaas is zij niet te boeken. Jullie zullen alles zelf uit moeten zoeken.

Dank je wel, Michelle! Deventer was top! ❤

Ik ben een lafaard.

Na het boodschappen doen sta ik in de winkel mijn boodschappen in te pakken. Een man met een peuter op zijn arm staat te wachten bij de balie waar sigaretten verkocht worden. Maar die balie wordt ook gebruikt als kassa voor klanten die hun boodschappen in de winkel zelf gescand hebben dus het duurt even.

Meneer moppert dat het zolang duurt en een supermarktmedewerkster staat hem vriendelijk te woord. ‘U kunt beter in de rij gaan staan bij de scankassa’ zegt ze ‘dan bent u sneller aan de beurt.’ Ze is uiterst vriendelijk en geeft een goede tip maar de man vindt het toch nodig om haar uit te schelden met de wat minder sympathieke benaming voor een vrouw met daarvoor nog een verwijzing naar de vrouwelijke geslachtsorganen.

Een van de andere klanten, een vrouw van middelbare leeftijd, roept hem tot de orde. ‘Nou, meneer! Ik vind het niet netjes wat u daar tegen de caissière zegt’. De man is prompt de hele caissière vergeten en richt zijn onterechte woede nu op de dappere vrouw die hem aansprak op zijn gedrag. ‘Waar bemoei jij je mee?’ roept-ie ‘Jij moet gewoon je bek houden!’ en – niet bijster origineel voegt-ie hetzelfde scheldwoord toe.

Ik ga stug door met het inpakken van mijn boodschappen en loop de winkel uit terwijl de man blijft schelden op de vrouw. Vanuit mijn ooghoek zie ik haar nog net op de man afstappen met een dreigend ‘Wat wil je nou?’ En als ik buiten mijn winkelkarretje weg zet, zie ik hoe een slungelig knulletje van de vulploeg de man de winkel uit stuurt. Met zijn zoontje op zijn arm verlaat-ie vloekend en tierend het pand.

En ik loop naar huis terwijl ik een heleboel denk. Bij de supermarkt in Amsterdam liepen altijd beveiligers maar die heb ik hier, in ons rustige dorpje, nog nooit gezien. Ik vraag me af of ze niet een of andere enorm brede slager achter zijn hakblok vandaan hadden kunnen halen in plaats van zo’n jochie van de vulploeg te sturen. Maar ik vraag me vooral af wat voor man je later wordt als je opgroeit met een vader die vrouwen uitscheldt.

Maar ik ben nog het meest verbaasd over mijn eigen reactie en die van de omstanders. We keken allemaal de andere kant op. En waarom eigenlijk? Bang om ruzie te krijgen? Bang om ergens bij betrokken te worden? Waarom hebben we die vrouw die er wat van durfde te zeggen eigenlijk niet geholpen? Het lag op het puntje van mijn tong om die schreeuwlelijk er op te wijzen wat een slecht voorbeeld hij zijn zoontje gaf. Maar ik hield mijn mond. Net als alle andere mensen. Waren we serieus allemaal bang dat de man met zijn peuter op zijn rechterarm ineens met links een wapen zou trekken?

Ineens vraag ik me af wat er gebeurd zou zijn als de vrouw bijval had gekregen. Als alle andere klanten die scheldende man óók aangesproken zouden hebben. Een man of tien, vijftien om hem heen. ‘Nee, meneer! Dit kan écht niet. Bied uw excuses aan!’

Ik weet niet of het geholpen zou hebben. Ik weet niet of de man zich een volgende keer beter zou gedragen. Ik weet alleen dat ík me beter gevoeld zou hebben. Want toen ik klaar was met denken, voelde ik mezelf een enorme lafaard.

Wat doe jij in zo’n geval?

My hometown.

Zo is je agenda leeg. En zo heb je ineens drie afspraken achter elkaar. Allemaal in Breda, de stad waar ik vandaan kom. Nou vind ik het niet zo’n punt om een keertje heen en weer naar Breda te rijden. Ik doe dat sowieso om de week – met veel plezier – om mijn moeder te bezoeken. Anderhalf uur rijden heen en anderhalf uur terug. En ik vermaak me onderweg kostelijk omdat ik mijn auto met behulp van diverse playlists verander in een mobiele disco. Een soort Carpool Karaoke dus. Als je lekker hard meezingt, ben je er zo.

Een keer heen en weer rijden vind ik geen probleem. Twee keer heen en weer nog niet echt. Maar drie dagen achter elkaar vind ik nét te veel. Ik zou mezelf poliepen op mijn stembanden zingen, zeg! En natuurlijk heb ik familie en vrienden in Breda. Ik kan zo tien adressen op noemen waar ik welkom zou zijn om een nachtje te logeren. Maar ik en mijn extreme behoefte aan privacy houden niet van logeren. Mijn verkering, die vroeger de hele wereld rondreisde als echte zakenman, zag het punt niet. ‘Dan neem je toch een hotelletje?’ opperde hij. En dat vond ik een briljant idee!

Dus boekte ik voor de nacht tussen afspraak 2 en 3 een De Luxe-kamer mét bad in het hotel op steenworp afstand van het huis waar ik 12 jaar lang met Michelle woonde. Vlak bij mijn moeders huis. Het hotel waar ik tienduizenden keren voorbij moet zijn gereden toen ik nog in Breda woonde. Voorbij gereden, ja. Want tot mijn schande moet ik bekennen dat ik er blindelings naar toe kon rijden maar Google Maps aan moest zetten om de ingang van het hotel te vinden.

Ik checkte in en kreeg zo’n cool sleutelpasje van een kamer op de vijfde verdieping. De kamer zag er prima uit. Ruim, van alle gemakken voorzien en schoon. Het was wel slordig dat het licht het niet deed, vond ik. Maar ik – doorgewinterde wereldreiziger (NOT) – bespaarde mezelf vervolgens een gênant klaagmoment bij de receptie door net op tijd te ontdekken dat je met je sleutelpasje ook het licht aan moest doen. Duh.

Ik nam een bak koffie op mijn kamer – Nespresso! Top! – appte het thuisfront dat ik veilig aangekomen was en stuurde wat foto’s van de kamer en het uitzicht mee. Ik mocht dan wel in mijn geboortestad zijn, ik was wel toerist, ja! Terwijl ik koffie dronk, bedacht ik wat ik zou gaan doen die avond. In bad met een boek, dat zeker. Maar verder?

Ik overwoog een kroegentocht, langs alle cafés waar ik vroeger aan de bar hing. Ik had twee bedden op mijn kamer! Dus – grapte ik tegen het thuisfront – technisch gezien zou ik ook nog een Bredase kerel kunnen versieren! (Om de grapjassen voor te zijn: nee, die heb ik niet allemaal al gehad.) Maar zo zijn mijn verkering en ik niet getrouwd. Bovendien mijdt ik de horeca nog steeds in deze coronatijd dus dat plan veegde ik resoluut van mijn hoteltafel.

Ik besloot een wandeling te gaan maken in de buurt waar ik opgegroeid ben. Ik reed naar de straat waar ik als kind woonde. En ik was verbaasd dat ik mijn auto niet kwijt kon. Vroeger was er plaats genoeg omdat niet iedereen een auto had. Ik parkeerde een straat verderop en liep terug. De keurige straat van vroeger was het niet meer. Het onkruid tierde welig tussen de stoeptegels. De voortuinen waren verwaarloosd en vol rommel. Ik maakte foto’s. Vooral voor mijn moeder. Omdat ik wist hoe geschokt ze zou zijn.

Ik wandelde naar mijn basisschooltje. Dezelfde route die ik vroeger elke dag met Audrey liep. Mijn oude schooltje staat leeg. Nou ja, leeg? Het gebouwd wordt schijnbaar beheerd door een of andere anti-kraak organisatie, bleek uit het bord op een van de ramen. Dat ze hun taak niet echt serieus nemen, bleek uit de kapotte lamellen en zonweringen voor de ramen, de puinhoop op het schoolplein en – ook hier- het metershoge onkruid.

Daarna wandelde ik terug. Naar het park waar ik als kind speelde en als puber rond hing. Chillen avant la lettre. Want het woord ‘chillen’ bestond toen nog niet. Wij gingen gewoon ‘naar buiten’. Ik wandelde door het park naar de vijver waar we in de winter op schaatsten. En waar we in de zomer gingen pootje baden, tot onze enkels wegzakkend in de modder. Ooit kerfde mijn allereerste vriendje de letters A en N in een boom. Met een hartje erbij. Ik liep om elke boom heen die het zou kunnen zijn maar ik kon niets vinden. Misschien staat de bewuste boom er niet meer. Of zijn de letters na 35 jaar dicht gegroeid. Ik hoop het laatste. We hadden nog geen idee van zuinig zijn op groen toen. Sorry, boom.

Vroeger liep je hooguit vijf minuten in je eentje door het park. Er was altijd wel iemand die je zag lopen en ook naar buiten kwam en binnen no time was de vriendengroep compleet. Ik kuierde die avond een half uur rond maar er kwam niemand natuurlijk. Mijn vrienden zijn, net als ik, groot geworden. We zijn verhuisd, hebben banen, huizen en kinderen. Verantwoordelijke mensen zijn we geworden. Chillen in het park (lees: fikkie stoken, stiekem roken en verlegen zoenen) is er niet meer bij.

Ik liep langs mijn oude huis terug naar mijn auto en reed naar mijn hotel. Ik kon zowaar in één keer de ingang naar de parkeerplaats vinden! Ik deed het licht aan op mijn kamer en liet het bad vol lopen. Met mijn boek dobberde ik een paar uur in het schuim om daarna, verrimpeld als een oud besje, tussen de hotellakens te kruipen.

Tijdens elke stedentrip die ik de afgelopen jaren maakte, presteerde ik het om nachten achter elkaar te wakker te liggen. Een vreemd bed, vreemde geluiden, een vreemde stad. Maar hier, in mijn eigen stadje, met – net als vroeger – het slaapwekkende geruis van het verkeer op de A16 in de verte, sliep ik als een roosje. De hele nacht. Ik zou er niet meer willen wonen. Maar Breda voelt blijkbaar nog steeds als thuis.