De put der vergetelheid.

Wij huren ons appartement inclusief inbouwapparatuur in de keuken. We hebben een combimagnetron, een vierpits gasfornuis en een koelkast. Met in die koelkast een ienie-mini-vriesvakje. Dat was even wennen na onze grote koelkast met vriesgedeelte in ons vorige huis.

Naast onze keuken hebben we nog een aparte ruimte – door ons ‘de machinekamer’ genoemd – waar de wasmachine en de droger staan. Wij propten er ook onze vaatwasser nog bij waarvoor in de keuken geen plaats is. Dus een aparte vriezer? Dat ging écht niet lukken.

Tot ik ontdekte dat er mini-vriezertjes te koop zijn. Twee lades om dingen in te vriezen. Nét groot genoeg. ‘Wat handig’ zei Frank. ‘Dan kunnen we restjes eten invriezen’. Maar ik zag aan hem dat hij een vriezer vol bitterballen voor zich zag. ‘Nou!’ opperde ik ‘dan hoeven we ook niet zoveel brood weg te gooien’ terwijl ik droomde over een vriezer vol diepvriespizza’s.

Dus we kochten een mini-vriezer. Helaas bleek het geen oplossing te zijn voor onze voedselverspilling. Het enige wat veranderd is, is de staat van het voedsel dat we weggooien. Gooiden we eerst gewoon voedsel weg; nu gooien we diepgevroren voedsel weg. Want op een of andere manier blijkt onze vriezer een soort put der vergetelheid.

Zodra ik iets in de vriezer stop, verdwijnt het. Definitief. Uit mijn zicht, uit mijn gedachten en uit mijn geheugen. Geen moment denk ik aan wat er in de vriezer zit. Ik stop er van alles in maar ik haal er nooit iets uit. Tot het moment dat de vriezer vol zit en ik schaapachtig sta te kijken naar de inhoud van mijn volgestouwde vriezer met een bakje pastasaus in mijn hand.

Vervolgens haal ik de vriezer leeg en bekijk hoofdschuddend de lading bevroren eten op mijn aanrecht. Halve pakken spinazie, half leeggegeten doosjes met vlammetjes, een zielig stukje quiche, een hoop bakjes met restjes, een half zakje aardappelkroketjes en twee halve bakken ijs van afgelopen zomer. Het meeste is inmiddels zo oud dat het zó de vuilnisbak in kan. Inmiddels heeft dit hele gebeuren zich al twee of drie keer afgespeeld. Dat kan écht niet!

Nu denk ik de oplossing gevonden te hebben! Ik heb een lijst gemaakt die ik op de deur van de vriezer heb gehangen. Daar schrijf ik alles op wat ik in de vriezer zet. Zo kan ik in één oogopslag zien wat er in mijn vriezer zit én hoe oud het is. Briljant, al zeg ik het zelf. Dit moet lukken! Nu hoef ik alleen nog maar te onthouden dat ik nieuwe bitterballen moet kopen. En diepvriespizza’s. Wel vreemd trouwens…. dat de diepvriespizza’s en bitterballen altijd wél opgaan…

Hoe onthoud jij wat er in je vriezer zit?

Uncle Bob (les 3).

Goed. Ik fotografeer dus. Of nou ja, ik probeer te fotograferen. Dat maakt mij een ‘Uncle Bob’. Zo wordt – door professionele fotografen – de oom, tante, broer, buurman of wie dan ook genoemd die met een spiegelreflexcamera, en niet gehinderd door enige kennis, een evenement vast legt. En daarbij de ‘echte fotograaf’ hinderlijk in de weg loopt. Aha! Dat ben ík dus! Een Uncle Bob!

Ik blijf braaf op pad gaan met mijn camera. Al weet ik soms niet zo goed waar ik heen moet. Ik googelde mijn eigen woonplaats en speurde op de kaart de omgeving van mijn dorp af. Niet zo ver van ons vandaan blijkt het Uitgeestermeer te liggen. Aha! Frank had een afspraak daar in de buurt. Ik zou hem brengen en halen dus in de tussenliggende tijd kon ik daar mooi een kijkje nemen.

Maar het Uitgeestermeer was een teleurstelling. Ik kon er te voet niet echt bij komen. Ik liep al snel tegen de – gesloten – hekken van een camping aan. Dan maar naar het ernaast gelegen Zwaansmeer, wat een nog grotere teleurstelling bleek. Een klein meertje met daar omheen keurig aangelegde paden en gemaaid gras. Het heeft niets meer met natuur te maken. En daar moest ik me anderhalf uur vermaken.

Er was ook niks te zien. Er waren wel veel vogels. Maar zelfs die zaten alleen maar suf te zitten op een aantal balken die – misschien speciaal voor hen? – in het meertje gemaakt zijn. Wandelend over het keurig aangelegde pad, keek ik naar de vogels. En ik zag een groot, zwart exemplaar aanstalten maken om weg te vliegen.

Eindelijk actie! Ik bedacht me geen moment. Ik trok een sprintje. Van het pad af, naar de oever van het meer, twee meter verderop. Staand tussen het riet, probeerde ik de vogel te fotograferen. De foto mislukte jammerlijk. Want ik werd een beetje afgeleid doordat ik tot mijn enkels wegzakte in het natte gras en ijskoud water mijn niet waterdichte schoenen insijpelde.

Alsof die rotvogel het aanvoelde, deed-ie verder niks meer. Hij had twee keer met zijn vleugels gefladderd en besloot toen dat dat wel genoeg actie was. Dus ik stond tot mijn enkels in het water en ik had nóg geen mooie foto. En bedankt!

Terug naar huis gaan had geen zin want ik moest Frank ook weer ophalen. Pas drie kwartier later. Dus dwaalde ik drie kwartier rond bij een saai meer en doodde de tijd met zinloos foto’s maken. Van het vreselijk saai aangelegde landschap. Van een saaie molen waar ik ook nét niet bij kon komen. En van een enorm zinloos hekje. En oh, ja! Van mijn natte voeten die steeds kouder werden.

Dus wat heeft Uncle Bob nu geleerd? Trek je rubberlaarzen aan als je gaat fotograferen. Je weet tenslotte maar nooit waar je in terecht komt. En vergeet ook je warme sokken niet. Want het heeft, eenmaal thuis, ongeveer drie uur geduurd voor ik weer op temperatuur was.

De vrouw van de man met het hondje.

Maanden geleden zag ik hem voor het eerst. Bij het station Sloterdijk, in alle vroegte terwijl ik onderweg was naar mijn werk. Een man die zijn hondje uitliet. Het viel mij op omdat er niet veel huizen in de buurt zijn; ze moesten al best een flinke wandeling gemaakt hebben, zo ’s morgens in alle vroegte. Het hondje valt in de categorie ‘scharminkeltje’. Zo lelijk dat-ie leuk is om te zien. Ik moet er om glimlachen als ik het stel passeer. Maar de man kijkt stug voor zich uit en glimlacht niet terug.

Sindsdien kom ik de man met het hondje zeker twee of drie keer per week tegen. Dat schept een band natuurlijk. Dus glimlach ik elke keer als ik ‘m tegen kom vriendelijk. Maar de man glimlacht nooit terug. Hij groet niet, hij kijkt me niet aan. Hij loopt gewoon door, stug voor zich uit kijkend. Nou weet ik wel dat het in Amsterdam niet gebruikelijk is om passanten op straat te groeten. Maar ik ben verbaasd over zoveel onwilligheid. Dus houd ik vol. Ik blijf glimlachen en groeten. Maandenlang. Het wordt een soort persoonlijke kwestie. Ik moet en zal die man laten zien dat wereld zo slecht niet is.

Ondertussen bedenk ik me waarom de man met het hondje niet terug groet. Hij lijkt zo treurig. Misschien is-ie zijn baan verloren. Zit-ie al een tijdje werkeloos thuis en heeft-ie niets beters te doen dan rondjes lopen met zijn hond. Of misschien heeft-ie zijn vrouw niet verteld dat hij zijn baan kwijt is en loopt-ie de hele dag buiten terwijl zijn vrouw denkt dat-ie op zijn werk is. Maar dan zou hij de hond niet meenemen. Toch?

Of misschien heeft de man met het hondje wel helemaal geen vrouw. Maar om daar nou zo treurig van te worden? Nou ja, misschien is zijn vrouw er vandoor. Met zijn beste vriend. Dat zou wel iets verklaren. Of misschien is het nog veel erger.

In mijn gedachten wordt de reden van zijn stugheid steeds dramatischer. Misschien is zijn vrouw wel overleden. Is de man met het hondje een treurende weduwnaar die zijn vrouw verloren heeft bij een gruwelijk ongeluk. Of aan een slopende ziekte.

En daarna kreeg hij natuurlijk ruzie met zijn kinderen, die hun kindsdeel wilden hebben en wilden dat hij zijn huis verkocht. Het huis waar hij met zijn overleden vrouw zo gelukkig was. Wat een rotkinderen! En nu houden ze natuurlijk ook nog de kleinkinderen bij hem weg. En nu zit-ie daar. Moederziel alleen met zijn hondje. En daarom gaat de man iedere dag een hele lange wandeling maken met zijn hondje. Want dat hondje is het enige dat-ie nog heeft.

Zo iets treurigs moet het zijn. Het was zomer toen ik de man met het hondje voor het eerst zag lopen. Inmiddels is het winter. Ik heb een half jaar vriendelijk gegroet. Allerlei rampscenario’s die zouden kunnen verklaren waarom de beste man zo treurig kijkt, zijn in mijn gedachten de revue gepasseerd. Maar de man met het hondje geeft nog steeds geen sjoege. Geen glimlachje, nog geen knikje kan er van af.

Het zou zomaar kunnen, dat wat ik bedacht heb, waar is. Maar het zou ook zomaar kunnen dat de man met het hondje gewoon een ongelooflijk chagrijnige vent is. Met een verschrikkelijk ochtendhumeur. Misschien heeft-ie thuis wel een schat van een vrouw zitten. Kerngezond en springlevend. Die hem iedere morgen kordaat de deur uit stuurt. Met de hond.  “Ga jij maar even wandelen. Tot je humeur wat beter is. En neem meteen die hond mee.”  Omdat ze geen zin heeft om tegen zijn chagrijnige hoofd aan te kijken. Dat kan natuurlijk ook. 

Ik zie voor me hoe de vrouw van de man met het hondje, in alle rust, geniet van het eerste kopje koffie van de dag. Ergens in een warme keuken met vrolijke gebloemde gordijnen. Waar de radio zachtjes aanstaat en het naar vers gebakken broodjes ruikt. Terwijl ondertussen haar chagrijnige echtgenoot buiten loopt met de hond. In de kou.

En eigenlijk is dat in mijn hoofd het leukste scenario. Ik denk dat ik deze houd.

2019 – Een jaar in beeld.

2019 was het niet helemaal. Of eigenlijk helemaal niet. In januari overleed mijn oudste broer en in de rest van 2019 waren er al die momenten dat ik hem vreselijk miste. 

Als ik, onderweg naar Breda, de Brabantliner zag rijden waarop hij zolang chauffeur was. En ik niet in hoefde te halen om te kijken of hij achter het stuur zat. De zondagmiddagen aan de koffie bij mijn moeder. Met zijn lege stoel. Het gras in haar achtertuin dat sneller groeit dan wij kunnen maaien. En mijn moeders 88ste verjaardag, waarbij mijn broer door zijn afwezigheid meer aanwezig was dan ooit. Wat wordt-ie gemist.

Gelukkig waren er ook genoeg leuke dingen. Omdat het jaar zo rot begonnen was, trakteerden Michelle en Robby ons op een high tea. Zij zagen ook dit jaar weer flink wat van de wereld, die twee. Via Whatsapp genoot ik mee van al het moois dat ze zagen. En tussendoor tekenden ze ook nog even het koopcontract van het spiksplinternieuwe echte grote-mensen-huis waar ze volgend jaar gaan wonen.

Frank had goede en slechte dagen dit jaar. We profiteerden van de goede dagen door uitstapjes te maken. Naar mijn nichtje Gerdine, in Oudewater. Naar Leiden, waar we eindelijk Emile weer eens ontmoetten. We kregen oude vrienden op bezoek en we lunchten op het strand. We pasten op Nanook. We knuffelden onze Spike. We vierden een lange, warme zomer op ons balkon. 

Ik ging een weekendje naar Groningen met Michelle. Mijn moeder kwam logeren en we waren bij de bruiloft van onze liefste vrienden, waar ik zelfs de ringen aan mocht geven. ❤️ We vierden Kerst bij mijn moedertje, waar ik samen met mijn jongste broer en zijn ex-vrouw (als dát geen mooie Kerstgedachte is… ) een heus Kerstdiner organiseerde. 

En daar tussendoor fladderde steeds weer mijn allerliefste dochter. Die zo lekker blijft turnen op haar ‘oude dag’. Die zo lief voor haar Omaatje is. En die mij, met haar gekke fratsen, ondanks alles toch altijd weer aan het lachen maakt.

Ondanks al dat moois ben ik wel klaar met 2019.
Weg ermee!
Op naar 2020! 

Ik wens jullie een hele goede jaarwisseling en een gezond en gelukkig 2020!