Aladdin.

Ergens in 1993 kwam de tekenfilm Aladdin uit. Hij zal ongetwijfeld in de bioscoop gedraaid hebben maar daar heb ik ‘m nooit gezien. Wel thuis. Een keer of 800, schat ik zo. Want tegen de tijd dat de film op video uit kwam, was mijn dochter bijna drie en groot fan. Ze droeg Aladdin-ondergoed en ze had een Aladdin-rugzak. Maar prinses Jasmine was haar grote idool. Haar haren moesten in een Jasmine-staart en ze gaf ‘Jasmine-kusjes’ die héél lang duurden. Voor haar derde verjaardag kreeg ze een Abu-knuffel, waar ze dolgelukkig mee was. Dat was nog een hele happening. Want van pure verjaardags-zenuwen moest het Jarig Jetje spugen en Abu kon op dag 1 meteen in de was.

In die tijd waren de middagen soms een beetje lang. Mijn uk sliep niet meer ’s middags, maar als ze een hele dag rondgerend had, viel ze vaak vlak voor het avondeten in slaap. Drie jaar zijn is ook enorm vermoeiend natuurlijk. Ik loste dat op door ’s middags een filmpje op te zetten. Aladdin bijvoorbeeld. En dan kropen we samen op de bank. Even uitrusten. Zij keek film en, eerlijk is eerlijk, meestal vielen mijn ogen dicht. Want moeder zijn van een driejarige is ook vermoeiend. Ruim 25 jaar later begin ik nog steeds spontaan te gapen wanneer ik de begintune van een Disneyfilm hoor.

Een tijdje terug werd aangekondigd dat Aladdin The Musical in het circustheater in Scheveningen zou spelen. En ik kreeg een hysterisch appje van het kind. “Mam! Gaan we? Gaan we?” En natuurlijk gingen we. We spraken af bij mijn werk en zouden van daaruit samen verder rijden in één auto. Ik stond op de stoep te wachten en daar kwam madam aan, hoor. Ik moet nog steeds een beetje grinniken als ik haar aan zie komen in haar auto. Hoe dan? Gisteren zat ze nog achterop mijn fiets in het kinderzitje. En nu rijdt ze ineens auto.

We reden samen naar Scheveningen en genoten van de musical. De decors en de kostuums waren werkelijk prachtig. En de geest is geweldig. Al is het altijd weer jammer dat de liedjes zo anders zijn dan in de film. Toen prinses Jasmine opkwam, keek ik even opzij naar mijn grote dochter. Wat had het leuk geweest als deze musical gedraaid had toen ze drie was. Ik had dat snuitje wel eens willen zien als ze eindelijk haar idool in het echt zag. Maar het was evengoed nog steeds geweldig leuk! 

Na afloop keken we of we een souvenirtje konden kopen. Da’s traditie. Bij elk uitje koop ik twee souvenirtjes. Eentje voor haar en eentje voor mij. Als aandenken aan ons uitje. Het liefst kopen we sleutelhangers, maar die waren er niet. Wel armbandjes. Voor maar liefst € 24,- per stuk. “Dan kopen we die!” zei ik. “Mam, doe normaal! € 24,- voor een armbandje! Dan gaan we niet doen, hoor!” siste mijn dochter.

Ik keek naar de armbandjes. En ik dacht aan al die keren dat ik met mijn kleuterdochter bij een voorstelling was geweest. Of het nou een circus was, Holiday on Ice of iets in een theater; altijd was er ‘merchandise’. Net zoals bij de Efteling, waar elke attractie eindigt in een winkeltje. Zo leuk voor de kinderen. Ja, ja. Pure geldklopperij. Probeer maar eens een opvoedkundige ‘nee’ te verkopen aan een kind dat rondloopt is zo’n shop.

Wat vond ik dát toch altijd irritant. Want bij zulke gelegenheden renden er hordes kinderen rond met al die dure spullen. Boekjes, hoeden, knuffels, je kon het zo gek niet verzinnen. En mijn stakkertje, dat kind uit een eenoudergezin uit een kansarme wijk, zag dat ook natuurlijk. Maar die had een moeder die dan al haar enthousiasme in het meest goedkope item stopte. “Kijk dan, schat! Vind je dát niet leuk?” En dan liep mijn kind daar. Te stralen. Met een vlaggetje of een potlood of zo. 

Dus ik kocht twee veel te dure, foeilelijke kinder-armbandjes. Een voor mij. En een voor mijn dochter. Omdat ik het nu kan missen. Als aandenken aan een leuke avond. Misschien heeft mijn dochter vandaag haar armband wel om gehad naar haar werk. En heeft ze tegen al haar collega’s opschept dat ze met mama naar Aladdin is geweest. En dat ze de echte Jasmine heeft gezien. En dat het heel mooi was. En dat ze ook een echt Jasmine-armband heeft gekregen. Lekker puh!

1003

Ik ben mijn weblog begonnen toen ik van de verkering een digitale camera cadeau kreeg. Ik was als een kind zo blij! En ik kreeg meteen het fan-tas-tische idee om een website te maken over mijn dochter. Dan kon haar familie aan de andere kant van het land ook lezen hoe het met haar ging. Daar begon het mee. En het had iets magisch. Dat je een stukje typte, hier en daar wat klikte. En bam! Dan stond het op internet. Ik had zo’n enorme computer nog, met een beeldscherm met zo’n grote toeter aan de achterkant. Hij stond in de kast onder trap, zodat ik als een soort Harry Potter mijn verhaaltjes typte. Avonden aan een stuk. 

Ik vond het zo geweldig dat ik iedere dag wel iets schreef. En als ik niks wist te verzinnen, dan plaatste ik gewoon een mop. Ik rommelde maar wat aan en strooide lustig met bewegende gifjes, gejatte plaatjes en allerlei andere ongein. Voor de familie, dacht ik. Ik viel dan ook bijna van mijn stoel van schrik toen de eerste reactie van een vreemde binnen kwam en ik me ineens realiseerde dat iedereen mee kon lezen. Maar erg veel kon me dat eigenlijk niet schelen. Ik was in de veronderstelling dat er nauwelijks mensen zouden zijn, die de moeite namen mijn stukjes te lezen.

Toch kwamen er vaker reacties binnen van vreemden. Sterker nog; in de loop der jaren heeft er een ware verschuiving plaats gevonden. Mijn familie leest wel (Hoi! 🙋‍♀️) maar reageert amper. De reacties komen nu van ‘vreemden’ die op een of andere manier op mijn weblog terecht gekomen zijn en nooit meer weg zijn gegaan. Door het over en weer lezen van elkaars logjes ontstond een soort vriendschap met mensen in binnen- en buitenland die ik niet eens écht ken. Maar je leest zo veel over elkaar. Over werk, over kinderen, over huisdieren. Over wat hen bezig houdt en hoe ze over dingen denken. Dat maakt dat je die vreemde mensen toch best goed leert kennen.

En héb je er ook wat aan? Ja, ik vind van wel. Mijn weblog is voor mij een soort dagboek. Soms dwaal ik door mijn eigen archief en kom ik dingen tegen die ik eigenlijk allang vergeten was. Of ik probeer me te herinneren wanneer iets ook alweer gebeurde. Dan is de zoekfunctie op mijn weblog een uitkomst! Bovendien heb ik al meerdere malen gemerkt hoe hartverwarmend de reacties zijn als er iets tegenzit in het leven. De steun als er grote rampen gebeuren, doet echt goed en de felicitaties van mijn lezers als er iets te vieren valt, maken het feest pas echt compleet.

Daarnaast vind ik het heel leerzaam. Het kan nooit kwaad om te lezen hoe andere mensen over dingen denken. En dingen soms vanuit een ander standpunt zien. En je steekt er ook nog eens wat van op. Want door het jarenlang gepruts met mijn eigen weblog, ben ik binnen het mini-bedrijfje waar ik werk, de enige die onze website bij kan houden. Als ze me ooit durven te ontslaan, zet ik gewoon onze bedrijfspagina op zwart. Ha! Wie had dat ooit gedacht, toen ik in 2005 mijn eerste mop op internet plaatste!

Mijn manier van schrijven is veranderd, de afgelopen jaren. Ik plaats geen moppen meer. Soms schrijf ik wel eens iets met inhoud (kuch). Maar als ik echt niks te melden heb, houd ik gewoon mijn mond. Ook jat ik geen plaatjes meer. Ik maak alle foto’s zelf. Soms slecht, soms goed. Maar ze zijn allemaal van mij. Over privacy heb ik me nooit zo druk gemaakt. Ik roep nog steeds bij alles ‘Ach, die paar lezers die ik heb’. Bovendien kennen jullie mij (en mijn hele familie) allemaal al zo lang! Goede vrienden onder elkaar en zo, toch?

Statistieken, zoekwoorden en al dat soort dingen, daar doe ik niet aan. Ik hoef niet zo nodig heel veel lezers. Ik ben blij met het kleine groepje trouwe lezers dat ik heb. Dus kijk ik eigenlijk nooit naar de cijfertjes achter mijn weblog.  Ergens begin 2020 dacht ik nog wel “Hé! In maart bestaat mijn weblog 15 jaar!”. Het leek me een goed idee om daar een logje over te schrijven. Dat idee verdween ook meteen weer en pas halverwege juni of dacht ik er weer aan. Te laat! Gemiste kans.

Dit jaar zag ik de teller van gepubliceerde logjes langzaam richting de 1000 kruipen. Ook leuk!
“Dan schrijf ik dáár een logje over!” dacht ik.

Guess what? Weer vergeten.
Dus, nou ja. Hier is-ie dan! Logje 1003. Hoera!

En dank jullie wel voor het achterlaten van 8.395 lieve, leuke, grappige en mooie reacties!
Die maken het pas écht de moeite waard! ❤️

*bijschrift bij de foto: mijn computerhok in 2005.  Toen ik nog een echt beeldscherm had. En een hond. En sigaretten.

Grote opruiming.

Ik koop zelden nieuwe kleding. En toch puilde mijn kledingkast uit. Bovendien wilde ik het zo versieren dat ik niet meer hoef te wisselen van zomer- naar wintergarderobe en andersom. En ik heb niet zo’n grote kast dus moest er opgeruimd worden. En drastisch ook! Maar daar ben ik me toch een partij slecht in! Welke methode ik ook probeer; ik kan gewoon geen afstand doen van pluizig geworden truien en verwassen bloesjes.

De Marie Kondo-methode? Die methode waarbij je een item alleen mag houden als je er warme gevoelens bij krijgt? Die werkt niet bij mij want ik krijg overal warme gevoelens bij. Bij dat ene truitje dat ik nooit draag maar wat ik ooit van mijn moeder kreeg. En bij die ene bloes, die ik vaak droeg op mijn werk bij de garage omdat-ie zo netjes stond. Ik heb in 2008 ontslag genomen daar, maar het bloesje heb ik nog. En die grijze trui met die pinguïn er op dan?  Ik houd van die pinguïn! Die kan ik toch niet zomaar weg doen!

Ook de methode ‘Wegdoen wat je een jaar niet gedragen hebt’ werkt bij mij niet. Want die witte bloes is zó leuk! Dat ik hem al twee jaar niet gedragen heb, is gewoon toeval. Dus die moet blijven. En dat ene shirtje is ook nog prima. Het was een rotzomer dus ik kon ‘m gewoon niet aan omdat het te koud was. Volgend jaar ga ik hem vast wél dragen! Mijn geliefde pinguïn-trui heb ik ook al jaren niet gedragen. Die zou ook weg moeten dan. Dat wil ik niet! En zo blijft mijn kast dus vol. 

Ik verzin smoes na smoes terwijl ik diep in mijn hart best wel weet waarom ik eigenlijk geen afstand kan doen van mijn oude kleren. Want ergens in mijn achterhoofd, klinkt een venijnig stemmetje. “En wat als er iets gebeurt? Wat nou als je volgend jaar ineens geen geld hebt om kleren te kopen?”  Het is het stemmetje van vroeger, toen ik het niet zo breed had en heel erg goed op mijn centjes moest letten. Onzin natuurlijk. Zélfs toen, toen ik geen cent te makken had, had ik gewoon kleren om aan te trekken. Dus ik moet me niet aanstellen. Resoluut trek ik de kast leeg en maak drie stapels. ‘Stapel weggooien’, ‘Stapel weggeven’ en ‘Stapel houden’. 

De ‘Stapel houden’ berg ik weer netjes op in mijn kast. Met het nette bloesje uit mijn garage-tijd. Met de lipjes van blikjes (tip!) zorg ik voor wat extra hangruimte. En zelfs mijn sjaaltjes hang ik keurig op met douchegordijnringen (nog een tip!). Met pijn in mijn hart schuif ik  ‘Stapel weggeven’ door naar een nichtje. Niet dat ik het haar niet gun. Maar ik heb gewoon een beetje moeite met afscheid nemen. Als ze appt om me te bedanken, treur ik nog een beetje om mijn pinguïn. “Die is leuk”, appt ze terug. “Die heb ik nu aan!” Ze belooft goed voor hem te zorgen. Dat helpt. Mijn pinguïn is in goede handen en ik heb ruimte in mijn kast. En als beloning voor mezelf heb ik lekker een nieuw bloesje gekocht. 

Mijn eigen Hermelientje.

Het is inmiddels twintig jaar geleden dat de eerste Harry Potter-film uitkwam. Het begin van een hele reeks mateloos populaire films over de tovenaarsleerling Harry Potter, gebaseerd op de boeken van J.K. Rowling. Lang verhaal kort: de verhalen gaan over Harry Potter, een weesjongen die bij zijn oom en tante opgroeit en naar een tovenaarsschool gaat waar hij avonturen beleeft met zijn beste vriend Ron en zijn beste vriendin Hermelien. Meer moet je mij er niet over vragen want ik was geen fan. Eén Harry Potter-film heb ik ooit gezien in de bioscoop en daar kan ik me niets meer van herinneren. Ik denk dat ik in slaap gevallen ben.

Wie wel groot fan was, was Michelle. Al meteen vanaf de eerste film in 2001. Ze was negen toen de eerste film uit kwam en groeide praktisch op met Harry Potter. In de jaren die volgden zag ze alle films. Ze las alle boeken. En zij niet alleen. Haar hele klas was fan. Al vlak nadat de eerste film uitkwam, bekeek een klasgenootje Michelle eens aandachtig en zei “Hé! Jij lijkt op Hermelien”. De rest van de klas was het met hem eens, waardoor Michelle de laatste jaren van haar lagere schooltijd Hermelientje genoemd werd.

Ergens zag ik de vergelijking ook wel. Die bruine kijkers doen het hem, denk ik. Dat lachje komt ook wel overeen. En die dikke bos haar. En van wat ik meekreeg van de films, kwamen de karakters van Hermelien en Michelle ook wel overeen. Hermelien is een slim meisje, dat altijd van alles wil leren. Toch kan ze af en toe ook een beetje onzeker zijn. Kortom, de vergelijking ging wel op.

Toen ik afgelopen week ergens las dat het al twintig jaar geleden is dat de eerste Harry Potter-film uitkwam, besloot ik eens te kijken hoe het met de echte Hermelien gaat. Hermelientje werd gespeeld door Emma Watson. En van wat ik op haar Wikipedia-pagina lees, lijkt ze in het echt ook een beetje op Hermelien. Ze was een uitstekende leerlinge op school en wist tussen al dat acteren door een bachelor te halen in Liberal Arts. De eerste Harry Potter-film was haar debuut en ze speelde in alle volgende films de rol van Hermelien. Na de laatste Harry Potter-film, in 2011, speelde Emma nog in wat films maar sinds 2019 is er geen nieuwe film uitgekomen waar zij in mee speelt. Er staat een indrukwekkende lijst met nominaties op haar Wikipedia-pagina. En een enorme lijst met prijzen, die ze gewonnen heeft.

Ik vind het heel indrukwekkend allemaal, hoor. Voor zo’n jong meisje. Maar toch; vlak mijn eigen Hermelientje niet uit, hè! Ha! Die haalde maar mooi even haar bachelor in klinische neuropsychologie. En die deed er vlotjes nog even een master achteraan. Bovendien studeert ze nu voor GZ-psychologe. Doet ze er gewoon even bij, naast haar werk in een zorgcentrum voor dementerende bejaarden. Kijk, zo’n indrukwekkende lijst met nominaties en awards is natuurlijk prachtig. Maar één op de vijf mensen schijnt later dement te worden. En aan de MTV Movie Award uit 2013 van je kind heb je dan niet zoveel. Dan kun je beter een GZ-psychologe in je omgeving hebben, toch?