Als hij dat nou leuk vindt…

Vriendje-lief houdt van gadgets. Sterker nog; hij is stapel-gek op gadgets. Je kunt hem niet gelukkiger maken dan wanneer je hem iets geeft dat een schermpje en knoppen heeft. En voor de grapjassen onder ons; ik bedoel niet de wasmachine. Die heeft-ie al. En hij weet hoe die werkt. Beter dan ik.

Maar hij zou het liefst alles in huis automatiseren. ‘Domotica’ heet dat en dat is écht zijn ding. Regelmatig probeer ik zijn enthousiasme te temperen maar soms glipt er tóch iets onzinnigs ons huis binnen. Zo hebben wij, toch groot vermaak van visite, een pratende tv. En we hebben een heel klein draagbaar telefoontje, dat je met een klemmetje aan je broeksband kunt klemmen zodat je de euh…. dráágbáre telefoon niet mee hoeft te nemen als je naar de keuken loopt.

De praat-functie van de tv gebruiken we nooit. En inmiddels slingeren er zoveel draadloze telefoons in ons huis rond, dat ik -met gemak- in iedere kamer inclusief het toilet een telefoon kan plaatsen. Dus dat kleine draagbare ding hebben we echt niet nodig. Bovendien zijn onze telefoons zijn nou ook weer niet zo loodzwaar dat het onmogelijk is om ze naar een andere kamer te dragen. Totale onzin dus, vond ik. Maar goed, als hij dat nou leuk vindt…

In ons vorige huis kon ik voorkomen dat er een systeem aangeschaft werd om de gordijnen met een afstandbediening open en dicht te doen. Als kleine concessie kwam er wel een installatie waarmee we door middel van een app op onze iPads en telefoons de verlichting kunnen bedienen. Ook onzin, vond ik. Maar ach, als hij dat nou leuk vindt…

Maar laatst kwam er een tv-commercial voorbij van een deurbel die je met je mobiele telefoon kunt bedienen. Dus als je niet thuis bent, kun je -via je mobiele telefoon- toch zien wie er aanbelt. Ik hoorde de enthousiaste kreten van vriendje-lief geduldig aan, rolde met mijn ogen en zuchtte eens diep. Dat hij dat leuk vindt, oké. Maar ik vond het wederom zo’n onzin.

‘Vroeger…’ oreerde ik ‘vroeger was je gewoon niet thuis. Dan belden mensen je op de vaste lijn en als je niet opnam, was je niet thuis en dan hield het op. Tegenwoordig bellen ze naar je mobiel. Iedereen is altijd en overal bereikbaar. Je bent nooit meer ‘niet thuis’. Je hebt nergens meer rust. En ik krijg er een steeds grotere hekel aan. Moet je nou ook nog zien wie er voor je deur staat terwijl je zelf niet eens thuis bent?’

Vriendje-lief zag de bui al hangen en kreeg het donkerbruine vermoeden dat deze totaal nutteloze gadget onze woning nooit zou bereiken. Hij deed hij een laatste poging om mij over te halen. ‘Ja, maar.. ‘ probeerde hij ‘Het is ook handig als je wél thuis bent. Dan kun je zien wie er aan belt!’ waarmee hij totaal voorbij ging aan het feit dat we een intercom mét beeldscherm hebben waarmee we nu al kunnen zien wie er aanbelt.

Geduldig legde ik hem uit dat daar jaren geleden al een uitvinding voor gedaan is. Een vierkant gat in de muur met glas er in. Dat heet een ‘raam’. En daardoor kun je zien wie er voor je voordeur staat. Daarmee geloof ik dat ik deze slag gewonnen heb. Die onzinnige deurbel komt er niet. Ook niet omdat hij dat leuk vindt. Ik vind hem heel lief, hoor. Maar zelfs ík heb mijn grenzen.

Old habbits die hard.

Vroeger, toen dochter-lief nog een dochtertje-lief was, en ik nog een arm alleenstaand moedertje, was dinsdag mijn favoriete werkdag. Want op dinsdag werd in de wijk waar wij woonden het grof huisvuil aan straat gezet.

Op dinsdagmorgen fietste ik de gebruikelijke route naar mijn werk, ondertussen oplettend of er niets bruikbaars tussen het afval stond. Marktplaats bestond nog niet. En in mijn woonplaats was nog geen filiaal van de Zweedse meubelgigant waar je voor tien euro een salontafel kon scoren. Dus fietste ik, als een soort Sil de Strandjutter, langs het grof huisvuil op zoek naar bruikbare spullen.

Juweeltjes vond ik! Zoals het nachtkastje van Michelle, dat ik oppimpte met een likje verf. Of de rieten stoel die ik met een staalborstel afborstelde en daarna beitste. En de rozenboog in mijn tuin. Het werd een sport om bruikbare spullen mee naar huis te slepen.

Soms stonden spullen op de hoek van de straat. En omdat ik me toch enigszins schaamde, wachtte ik tot het donker was om de buit binnen te halen. Soms stonden de spullen voor een huis en dan zuchtte ik eens diep, overwon mijn schroom en belde netjes aan om te vragen of ik het gewenste item mee mocht nemen.

Op mindere dagen, als ik het zelf niet op kon brengen om te schooien, zette ik zonder pardon mijn kind in. ‘Lieverd? Daar staat een hele leuke schemerlamp. Ga jij eens vragen of wij die mogen hebben.’ Dan huppelde mijn kind naar het bewuste huis om even later terug te komen met de schemerlamp. Wat een feest was om er een lamp in te draaien, op het knopje te drukken en te ontdekken dat hij het nog deed!

De beste buit was de grenen eettafel met vier rieten stoelen die ik zag staan toen ik op een dag Michelle ophaalde bij de buitenschoolse opvang. Helemaal perfect. Niks mis mee. Wat een mazzel! Ik belde braaf aan omdat ik me simpelweg niet voor kon stellen dat iemand zoiets weg zou gooien. Nee, ze waren niet aan het verhuizen. En ja, hoor! Ik mocht de boel best mee nemen. Ik heb er nog jaren plezier van gehad.

In de loop der jaren verbeterde mijn financiële situatie. Het was niet echt meer nodig om langs het grof huisvuil te fietsen. Toch kijk ik nog steeds. Om soms nog steeds mijn hoofd te schudden bij het zien van kastjes, stoelen of lampen. Zo zonde om weg te gooien!

Waar we nu wonen, hoef ik niet eens te fietsen om het grof huisvuil te checken. In ons appartementencomplex is een containerruimte. Met een container waar je je vuilniszakken in kunt gooien. En al je andere overtollige huisraad. Toen ik afgelopen week mijn vuilniszak in de container wilde gooien, viel mijn oog op twee bloempotjes. Een witte en een zwarte. Zo leuk!

En voor ik het wist, had ik de potjes uit de container gehengeld. En echt, ik heb ze niet nodig. Maar het had iets vertrouwds om iets leuks op de kop te tikken voor niks. Ik werd er blij van. Kijk dan, hoe leuk! En het kostte helemaal niks. De bloempotjes staan nu in mijn berging. Voor je-weet-maar-nooit. Omdat het zonde is om weg te gooien. Wat ik waarschijnlijk, over een jaar of zo, toch doe.

Het wordt de Sil de Strandjutter in mij hier wel heel makkelijk gemaakt. Old habbits die hard. Ik hoop dat ik mezelf in de hand kan houden. En ik hoop dat mijn buren niet te veel goede spullen weg doen. Want voor je het weet, loop ik weer met grof huisvuil te slepen. En ik héb alles al.

Genant.

Ik houd van zingen. Ik zal Idols niet winnen met mijn vocale talent maar dat mag de pret niet drukken. Ik zing. Altijd en overal. En als ik niet zing dan fluit ik.

Zingend doe ik het huishouden en roer ik in de pannen. Mijn collega’s zijn er inmiddels aan gewend dat ik bij het kopieerapparaat een vrolijk deuntje sta te fluiten. In de auto schreeuw ik hartstochtelijk mee met mijn favoriete liedjes. En zo ga ik zingend door het leven. Met een enigszins vreemd repertoire, dat wel.

Op mijn werk zing ik mee met de liedjes op de radio. Omdat ik dan en plain public ben, doe ik dat zachtjes. Om mijn collega’s niet tot last te zijn. Maar als ik alleen in de auto zit, laat ik me volledig gaan bij de nummers in mijn playlist. Ik zing alles mee. Top 40, Nederlandstalig, van Abba tot Queen, van André Hazes tot Pink, alles.

Het vreemde repertoire steeds pas de kop op als ik aan de wandel ben. Want als er geen radio in de buurt is, komen er allerlei vreemde deuntjes op in mijn hoofd. En op de een of andere manier zijn het de kinderliedjes die de boventoon voeren. Misschien wel door de cassettebandjes die we grijs draaiden toen Michelle nog klein was. Ik weet het niet. Maar het stapt zo lekker, hè. Op de deun van zo’n kinderliedje.

En zo kan het dus gebeuren dat ik in mijn lunchpauze een wandeling maak, terwijl ik vrolijk loop te zingen van Elsje Fiederelsje die haar klompjes bij het vuur zet. Of van die graaf die in Den Haag woont. Ook zo’n heerlijk deuntje! Of iets van Kinderen voor Kinderen! En de liedjes van Samson en Gert!

Pas als ik voetstappen achter me hoor, of iemand achter me hoor kuchen, realiseer ik me er iemand vlak achter me loopt. En dat die persoon er dus getuige van is dat ik, als volwassen vrouw, in mijn eentje, op straat weer eens luidkeels loop te zingen. En dat vind ik dan toch een tikkeltje genant.

Zeg eens eerlijk…
Wat zou jij denken als je achter me loopt terwijl ik luidkeels het Kabouter Plop-lied loop te zingen?

Kerstkriebels.

Bij de bouwmarkt tikte ik een afgeprijsd tuinsetje voor op ons balkon op de kop. En terwijl ik, in de laatste zonnestralen van een mooie herfstdag, de stoelen in elkaar schroefde op het balkon, werd in onze straat de Kerstverlichting opgehangen. En ineens waren ze er. In alle hevigheid. Kerstkriebels!

Eerlijk gezegd waren ze er al eerder. Heel even maar. Deze zomer. Toen ik, in ons nieuwe huis, onze nieuwe boekenkast op zijn plek schoof en een stap terug deed om het resultaat te bekijken. In een flits bedacht ik me dat het hoekje dat overbleef, tussen de kast en de tafel, de perfecte plaats is voor een grote kerstboom. Die gedachte was voor mij zó vreemd, dat ik hem snel uit mijn hoofd zette.

Want ik heb nog nooit last gehad van zin in Kerstmis. Van de kerstdagen uit mijn jeugd herinner ik me weinig. Waarschijnlijk aten we met z’n allen een kerstdiner met de signature-dish van mijn moeder na; pudding met koekjes. Ik geloof niet dat er cadeautjes waren. En naar de Kerstmis gingen we ook niet. Het was heel gezellig maar ook heel gewoon. Gewoon, zoals elke zondag.

Ondanks het feit dat ik weinig met Kerstmis had, haalde ik, toen Michelle er eenmaal was, wel een kerstboom. Samen met mijn vader, die de door mij uitgekozen boom afkeurde. ‘Mooie boom, prul. Maar de kluit is scheef.’ En vervolgens versierde ik mijn woonkamer met een door mijn vader wél goedgekeurde boom.

Voor Michelle’s tweede Kerst, twee maanden na het overlijden van mijn vader, zocht ik zelf mijn Kerstboom uit. Dat die boom, met hoogst waarschijnlijk een scheve kluit, op eerste Kerstdag omdonderde, compleet met slingers, ballen en piek en een enorme chaos in mijn woonkamer achterliet, heeft er misschien wel voor gezorgd dat ik definitief nooit meer zin in Kerstmis had.

Jaren gingen voorbij. Kerst was iets waar ik tegenaan hikte maar wat dan uiteindelijk toch wel gezellig werd. Met een nepboompje dat braaf bleef staan, een klein kerstdineetje voor mij en Michelle en cadeautjes. Met een bezoekje aan mijn moeder op eerste Kerstdag waar we traditioneel Kindje Jezus verstopten en een tweede Kerstdag in joggingpak op de bank met drie videofilms op het programma.

Toen ik Frank tegen kwam, vond ik in hem een anti-Kerstmis-medestander. Ook hij heeft niets met Kerst. Maar toch. Vorig jaar, vlak voor Kerst… Ik weet het niet. Er was iets anders dan anders. We waren inmiddels verhuisd naar ons tijdelijke mini-huisje en we besloten toch ons mini-Kerstboompje op te zetten. Frank was lekker aan het klussen. De laatste klusjes in huis. Ik had de kerstborrel van mijn werk achter de rug en sleepte mijn kerstpakket mee naar huis. Samen keurden we de inhoud en ik hing een slinger met lichtjes op ons balkon.

Het leek er verdacht veel op dat we allebei in kerststemming raakten. En toen werd het 17 december. Frank kreeg een hartstilstand. Loeiende sirenes. Intensive care. En ik bracht de Kerst door in het VU. Er stonden kerstbomen in de hal maar daarmee hield de gezelligheid wel op.

Maar deze Kerst wordt anders. Deze Kerst zijn we lekker thuis. In ons nieuwe huisje. En ik heb, voor het eerst, mega-Kerstkriebels! Ik wil een grote boom. Ik wil lichtjes op ons balkon. En lichtjes voor onze ramen. Kaarsjes overal. En heb ik onze Kerstkrans voor op de voordeur nog?

Ik wil cadeautjes voor iedereen. Ik wil kerstsokken aan. En ik wil een heus kerstdiner. Ik wil op bezoek bij mijn moeder. Kindje Jezus weer verstoppen. En op tweede kerstdag drie huilfilms kijken. Bel de krant! Ik heb zin in Kerst!

Nog 43 dagen…