Deventer 2020.

Het begon met een weekendje Londen samen met mijn dochter voor haar 21ste verjaardag. En dat beviel zó goed dat we er een jaarlijkse traditie van maakten. Na Londen in 2013, bezochten we Rome in 2014 en Barcelona in 2015. En toen kwam de klad er in omdat Frank ziek werd en ik het lastig vond om hem een weekend alleen te laten. Van hem mocht het, hoor. Geen probleem. Maar ik vond het vervelend.

Maar toch bleef het kriebelen. Het was steeds zó leuk geweest om een weekend lang op te trekken met mijn grote kind. Om rond te kijken in vreemde steden terwijl we vijf kwartier in een uur bij kletsten, taartjes aten en winkelden. En er was nog een hele lijst aan steden die we willen bezoeken samen. Dus besloten we te ‘oefenen’ in Nederland. In 2019 hadden we samen een heerlijk weekend in Groningen. En bij terugkomst bleek dat het thuis allemaal prima gegaan was dus niets stond ons volgende avontuur in de weg. Vol goede moed boekten we een weekendje Dublin in 2020. En toen kwam corona.

Nog voor wij een besluit hadden genomen over wel of niet gaan, werd onze vlucht geannuleerd. We besloten een bestemming in Nederland te zoeken en het werd Deventer. Geen idee waarom, misschien door de letter D. Want verder is er weinig Iers aan Deventer, behalve dan dat er een Ierse pub is, waar we natuurlijk een drankje wilden doen maar waar we uiteindelijk niet eens aan toe kwamen.

Ik liet het regelen van onderdak met een gerust hart aan mijn kind over. En – om corona-technisch goed te zitten – reserveerden we álles van te voren. Het resultaat was een strakke planning, die ik in een vrolijk overzichtje noteerde. Samen met een koelkast vol eten en drinken, een voorraad medicatie op juiste volgorde en een voorraad kattenvoer liet ik de planning bij Frank achter. ‘Je kunt per uur afstrepen waar we zijn’, grapte ik. De spontaniteit was er een beetje af zo. Maar ach, Mich en ik houden allebei van to do-lijstjes dus we vonden het niet erg.

En Deventer is prachtig! Het is een van de oudste steden van Nederland, prachtig gelegen aan de IJssel. Die ligging aan de IJssel zorgde er voor dat de stad uitgroeide tot een belangrijk handelscentrum met een grote welvaart. Het mooie aan Deventer is bovendien dat van de rijke historie heel veel bewaard is gebleven en alles prachtig gerestaureerd is. Het wemelt er van de mooie straatjes en prachtige panden. Er zijn veel leuke winkeltjes, gezellige terrassen en restaurants. En de Deventernaren zijn enorm vriendelijk.

We liepen, we keken, we aten, we kletsten, we lachten. En tot mijn grote verbazing slíep ik ‘s nachts! Waar ik in het verleden tijdens onze stedentrips nachtenlang wakker lag in een vreemd bed, heb ik deze keer geslapen als een roosje. Of ik begin het eindelijk te leren. Of het komt door mijn eigen instelling. Want een jaar of twee geleden heb ik besloten voortaan lief te zijn voor mezelf en mezelf wat meer te gunnen. Ik ben weer gaan wandelen en zwemmen. Ik ging weer fotograferen en tekenen. Ik knutsel weer en lees me suf. Want ik ben mantelzorger en dus héél belangrijk. Om op de been te blijven moet ik vooral héél veel leuke dingen doen. En Deventer was leuk! En ik had het gewoon verdiend!

Tips voor Deventer:
• we logeerden bij Citystays in de Hofstraat. We hadden een prachtige ruime kamer, met heerlijke bedden, een bank, een lekkere douche en een kitchenette met koelkast, kookplaat, koffiezetapparaat en waterkoker. Er was een föhn en – voor mij heel belangrijk! – het was brandschoon.
• de stadswandeling van de VVV. Een leuke manier om meer te weten te komen over de geschiedenis van Deventer en een beetje de weg te leren. De gids wist veel leuke weetjes te vertellen over de vele prachtige panden in de stad.
• eten bij Rafaelle’s Foodbar. Ik heb daar echt de meest fantastische lasagne ever gegeten!
• het Bergkwartier. Een prachtige middeleeuwse wijk die na de Tweede Wereldoorlog prachtig gerestaureerd is (van de 12.000 huizen in het centrum waren er 10.000 zwaar beschadigd). Je vindt er oude smalle straatjes en prachtige panden.
• Museum De Waag. Toen wij er waren was er, behalve een algemene tentoonstelling over Deventer, ook een expositie over de oorlog ‘Deventer Bezet & Bevrijd’. Vanwege hun strategische ligging speelden de IJsselbruggen bij Deventer in de oorlog een cruciale rol. Nederlandse troepen slaagden erin de spoor- en schipbrug op te blazen, maar toch viel Deventer op 10 mei 1940 zonder zware gevechten in Duitse handen. Het was een interessante expositie. En het is sowieso indrukwekkend om rond te lopen in een gebouw uit 1530 waar we griezelend keken naar de koperen ketel waarin in die tijd valsmunters in olie werden gekookt.
• de Bolswerkmolen, net buiten Deventer. Leuk om een houtzaagmolen in werking te zien. En in de tuin van de woning bij de molen ontdekten wij het kasteel van Sneeuwwitje! En ze was nog thuis ook!
• je kunt natuurlijk niet naar Deventer Koekstad gaan en thuis komen zonder koek. Dus koop je Deventer Koek bij J.B. Bussink. En psst! Ze hebben ook een webshop!
• en dan, last but not least, de onvolprezen gids, mijn dochter Michelle. Die met haar enorm goede gevoel voor richting en een altijd stralend humeur mij op vrijdag 10 kilometer en op zaterdag 9 kilometer door de wirwar van straatjes in Deventer heeft gesleept. Helaas is zij niet te boeken. Jullie zullen alles zelf uit moeten zoeken.

Dank je wel, Michelle! Deventer was top! ❤

Ik ben een lafaard.

Na het boodschappen doen sta ik in de winkel mijn boodschappen in te pakken. Een man met een peuter op zijn arm staat te wachten bij de balie waar sigaretten verkocht worden. Maar die balie wordt ook gebruikt als kassa voor klanten die hun boodschappen in de winkel zelf gescand hebben dus het duurt even.

Meneer moppert dat het zolang duurt en een supermarktmedewerkster staat hem vriendelijk te woord. ‘U kunt beter in de rij gaan staan bij de scankassa’ zegt ze ‘dan bent u sneller aan de beurt.’ Ze is uiterst vriendelijk en geeft een goede tip maar de man vindt het toch nodig om haar uit te schelden met de wat minder sympathieke benaming voor een vrouw met daarvoor nog een verwijzing naar de vrouwelijke geslachtsorganen.

Een van de andere klanten, een vrouw van middelbare leeftijd, roept hem tot de orde. ‘Nou, meneer! Ik vind het niet netjes wat u daar tegen de caissière zegt’. De man is prompt de hele caissière vergeten en richt zijn onterechte woede nu op de dappere vrouw die hem aansprak op zijn gedrag. ‘Waar bemoei jij je mee?’ roept-ie ‘Jij moet gewoon je bek houden!’ en – niet bijster origineel voegt-ie hetzelfde scheldwoord toe.

Ik ga stug door met het inpakken van mijn boodschappen en loop de winkel uit terwijl de man blijft schelden op de vrouw. Vanuit mijn ooghoek zie ik haar nog net op de man afstappen met een dreigend ‘Wat wil je nou?’ En als ik buiten mijn winkelkarretje weg zet, zie ik hoe een slungelig knulletje van de vulploeg de man de winkel uit stuurt. Met zijn zoontje op zijn arm verlaat-ie vloekend en tierend het pand.

En ik loop naar huis terwijl ik een heleboel denk. Bij de supermarkt in Amsterdam liepen altijd beveiligers maar die heb ik hier, in ons rustige dorpje, nog nooit gezien. Ik vraag me af of ze niet een of andere enorm brede slager achter zijn hakblok vandaan hadden kunnen halen in plaats van zo’n jochie van de vulploeg te sturen. Maar ik vraag me vooral af wat voor man je later wordt als je opgroeit met een vader die vrouwen uitscheldt.

Maar ik ben nog het meest verbaasd over mijn eigen reactie en die van de omstanders. We keken allemaal de andere kant op. En waarom eigenlijk? Bang om ruzie te krijgen? Bang om ergens bij betrokken te worden? Waarom hebben we die vrouw die er wat van durfde te zeggen eigenlijk niet geholpen? Het lag op het puntje van mijn tong om die schreeuwlelijk er op te wijzen wat een slecht voorbeeld hij zijn zoontje gaf. Maar ik hield mijn mond. Net als alle andere mensen. Waren we serieus allemaal bang dat de man met zijn peuter op zijn rechterarm ineens met links een wapen zou trekken?

Ineens vraag ik me af wat er gebeurd zou zijn als de vrouw bijval had gekregen. Als alle andere klanten die scheldende man óók aangesproken zouden hebben. Een man of tien, vijftien om hem heen. ‘Nee, meneer! Dit kan écht niet. Bied uw excuses aan!’

Ik weet niet of het geholpen zou hebben. Ik weet niet of de man zich een volgende keer beter zou gedragen. Ik weet alleen dat ík me beter gevoeld zou hebben. Want toen ik klaar was met denken, voelde ik mezelf een enorme lafaard.

Wat doe jij in zo’n geval?

My hometown.

Zo is je agenda leeg. En zo heb je ineens drie afspraken achter elkaar. Allemaal in Breda, de stad waar ik vandaan kom. Nou vind ik het niet zo’n punt om een keertje heen en weer naar Breda te rijden. Ik doe dat sowieso om de week – met veel plezier – om mijn moeder te bezoeken. Anderhalf uur rijden heen en anderhalf uur terug. En ik vermaak me onderweg kostelijk omdat ik mijn auto met behulp van diverse playlists verander in een mobiele disco. Een soort Carpool Karaoke dus. Als je lekker hard meezingt, ben je er zo.

Een keer heen en weer rijden vind ik geen probleem. Twee keer heen en weer nog niet echt. Maar drie dagen achter elkaar vind ik nét te veel. Ik zou mezelf poliepen op mijn stembanden zingen, zeg! En natuurlijk heb ik familie en vrienden in Breda. Ik kan zo tien adressen op noemen waar ik welkom zou zijn om een nachtje te logeren. Maar ik en mijn extreme behoefte aan privacy houden niet van logeren. Mijn verkering, die vroeger de hele wereld rondreisde als echte zakenman, zag het punt niet. ‘Dan neem je toch een hotelletje?’ opperde hij. En dat vond ik een briljant idee!

Dus boekte ik voor de nacht tussen afspraak 2 en 3 een De Luxe-kamer mét bad in het hotel op steenworp afstand van het huis waar ik 12 jaar lang met Michelle woonde. Vlak bij mijn moeders huis. Het hotel waar ik tienduizenden keren voorbij moet zijn gereden toen ik nog in Breda woonde. Voorbij gereden, ja. Want tot mijn schande moet ik bekennen dat ik er blindelings naar toe kon rijden maar Google Maps aan moest zetten om de ingang van het hotel te vinden.

Ik checkte in en kreeg zo’n cool sleutelpasje van een kamer op de vijfde verdieping. De kamer zag er prima uit. Ruim, van alle gemakken voorzien en schoon. Het was wel slordig dat het licht het niet deed, vond ik. Maar ik – doorgewinterde wereldreiziger (NOT) – bespaarde mezelf vervolgens een gênant klaagmoment bij de receptie door net op tijd te ontdekken dat je met je sleutelpasje ook het licht aan moest doen. Duh.

Ik nam een bak koffie op mijn kamer – Nespresso! Top! – appte het thuisfront dat ik veilig aangekomen was en stuurde wat foto’s van de kamer en het uitzicht mee. Ik mocht dan wel in mijn geboortestad zijn, ik was wel toerist, ja! Terwijl ik koffie dronk, bedacht ik wat ik zou gaan doen die avond. In bad met een boek, dat zeker. Maar verder?

Ik overwoog een kroegentocht, langs alle cafés waar ik vroeger aan de bar hing. Ik had twee bedden op mijn kamer! Dus – grapte ik tegen het thuisfront – technisch gezien zou ik ook nog een Bredase kerel kunnen versieren! (Om de grapjassen voor te zijn: nee, die heb ik niet allemaal al gehad.) Maar zo zijn mijn verkering en ik niet getrouwd. Bovendien mijdt ik de horeca nog steeds in deze coronatijd dus dat plan veegde ik resoluut van mijn hoteltafel.

Ik besloot een wandeling te gaan maken in de buurt waar ik opgegroeid ben. Ik reed naar de straat waar ik als kind woonde. En ik was verbaasd dat ik mijn auto niet kwijt kon. Vroeger was er plaats genoeg omdat niet iedereen een auto had. Ik parkeerde een straat verderop en liep terug. De keurige straat van vroeger was het niet meer. Het onkruid tierde welig tussen de stoeptegels. De voortuinen waren verwaarloosd en vol rommel. Ik maakte foto’s. Vooral voor mijn moeder. Omdat ik wist hoe geschokt ze zou zijn.

Ik wandelde naar mijn basisschooltje. Dezelfde route die ik vroeger elke dag met Audrey liep. Mijn oude schooltje staat leeg. Nou ja, leeg? Het gebouwd wordt schijnbaar beheerd door een of andere anti-kraak organisatie, bleek uit het bord op een van de ramen. Dat ze hun taak niet echt serieus nemen, bleek uit de kapotte lamellen en zonweringen voor de ramen, de puinhoop op het schoolplein en – ook hier- het metershoge onkruid.

Daarna wandelde ik terug. Naar het park waar ik als kind speelde en als puber rond hing. Chillen avant la lettre. Want het woord ‘chillen’ bestond toen nog niet. Wij gingen gewoon ‘naar buiten’. Ik wandelde door het park naar de vijver waar we in de winter op schaatsten. En waar we in de zomer gingen pootje baden, tot onze enkels wegzakkend in de modder. Ooit kerfde mijn allereerste vriendje de letters A en N in een boom. Met een hartje erbij. Ik liep om elke boom heen die het zou kunnen zijn maar ik kon niets vinden. Misschien staat de bewuste boom er niet meer. Of zijn de letters na 35 jaar dicht gegroeid. Ik hoop het laatste. We hadden nog geen idee van zuinig zijn op groen toen. Sorry, boom.

Vroeger liep je hooguit vijf minuten in je eentje door het park. Er was altijd wel iemand die je zag lopen en ook naar buiten kwam en binnen no time was de vriendengroep compleet. Ik kuierde die avond een half uur rond maar er kwam niemand natuurlijk. Mijn vrienden zijn, net als ik, groot geworden. We zijn verhuisd, hebben banen, huizen en kinderen. Verantwoordelijke mensen zijn we geworden. Chillen in het park (lees: fikkie stoken, stiekem roken en verlegen zoenen) is er niet meer bij.

Ik liep langs mijn oude huis terug naar mijn auto en reed naar mijn hotel. Ik kon zowaar in één keer de ingang naar de parkeerplaats vinden! Ik deed het licht aan op mijn kamer en liet het bad vol lopen. Met mijn boek dobberde ik een paar uur in het schuim om daarna, verrimpeld als een oud besje, tussen de hotellakens te kruipen.

Tijdens elke stedentrip die ik de afgelopen jaren maakte, presteerde ik het om nachten achter elkaar te wakker te liggen. Een vreemd bed, vreemde geluiden, een vreemde stad. Maar hier, in mijn eigen stadje, met – net als vroeger – het slaapwekkende geruis van het verkeer op de A16 in de verte, sliep ik als een roosje. De hele nacht. Ik zou er niet meer willen wonen. Maar Breda voelt blijkbaar nog steeds als thuis.

Ophef in de turnwereld.

Michelle, 8 jaar oud.

De laatste weken is er een hoop ophef ontstaan in de turnwereld. Niemand leek verbaasd dat in het Oostblok of in China jonge turners en turnsters met harde hand klaargestoomd werden voor de Olympische Spelen. De ontzetting was groot toen bleek dat ook Nederlandse trainers zich schuldig zouden hebben gemaakt aan mishandeling, vernedering en manipulatie.

Ik ben een turn-moeder. Mijn dochter turnt vanaf haar achtste. En hoewel de Olympische Spelen nooit een optie waren, ze zelfs nooit een NK gehaald heeft, draaiden we samen toch járen mee in de turnwereld. Ik als chauffeur naar de talloze trainingen en als grootste fan, tijdens al die mooie lentedagen die ik doorbracht op een harde bank in een turnhal. En Michelle als redelijk talentvol turnster, die bovenal veel plezier in haar sport had.

Uiteraard hadden wij het er samen over. ‘Ach, Mich!’ riep ik uit. ‘Tuurlijk is dat fout maar waar waren de ouders?’ Want voor mij is het zo klaar als een klontje. Als ik zou horen dat mijn kind mishandeld werd, was het zo gedaan met dat trainen. ‘Maar mam’ opperde Michelle ‘Ze dachten dat dat normaal was. Ze wisten niet beter dus ze vertelden thuis niks.’

Maar toch. Ik hield mijn perfectionistisch aangelegde kind altijd met argusogen in de gaten. Of ze wel goed at bijvoorbeeld. En geen anorexia ontwikkelde met al dat trainen. Maar dat deed ze niet. Sterker nog: na iedere wedstrijd was er de geruststellende traditie om met de hele groep turnstertjes hamburgers en frietjes te gaan eten bij die tent met die enge clown.

Werd Michelle mishandeld door haar trainsters? Haha! Nou, nee! Michelle was dol op haar trainster Chantal. Die kwam ook gewoon bij ons over de vloer. Om even een vrije oefening in elkaar te draaien, bijvoorbeeld (jammer dat de filmpjes niet meer werken!). En dat arme kind had het zo druk met turntrainingen geven, dat ik haar min of meer adopteerde en regelmatig een bakje eten voor haar mee bracht als ik Mich op ging halen na een training. Of ik ging een muur behangen in Chantal’s huis, omdat ze daar zelf geen tijd voor had.

En Michelle had zoveel vertrouwen in Chantal dat ze bijvoorbeeld nooit alleen een salto van de brug heeft kunnen doen zonder haar trainster. Chantal hoefde niet eens te vangen. Die riep alleen “Los!” op het juiste moment en dan liet Michelle de legger los. Hilarisch waren de wedstrijden waarbij Chantal aan de andere kant van de zaal stond, bij een andere turnster. Mich turnde haar brugoefening alleen, tot het moment van die salto. Dan kwam Chantal aanrennen van de andere kant van de zaal, riep “Los!” en rende dan weer terug naar de andere turnster, terwijl Michelle haar salto af deed.

Chantal en Michelle gingen zelfs samen op vakantie. En Michelle nam Chantal’s vakantiebaantje in Italie over. Dolle pret hadden ze samen. En ik heb me geen moment zorgen gemaakt. Maar ik ben er ook heilig van overtuigd dat Michelle het me verteld zou hebben als Chantal gemeen was geweest. En dat ik het gemerkt zou hebben.

Maakten we dan nooit rare dingen mee?
Ja. Er was die trainer bij een nieuwe vereniging in Amsterdam (ik noem geen namen) nadat we net verhuisd waren. Trots vertelde Michelle, toen een jaar of dertien , bij de kennismaking dat ze tweede was geworden bij de regiokampioenschappen in Zuid-Nederland. Bloedserieus keek de trainer haar aan en vroeg “Hoezo tweede? Was je geblesseerd dan?”  Michelle en ik waren allebei sprakeloos. Het is bij die vereniging ook nooit meer gezellig geworden, geloof ik. En Mich stapte dan ook over naar een andere turnvereniging.

En ja. Er waren ouders die hun kinderen filmden om thuis de oefening te bespreken en te analyseren wat er misgegaan was. Ehhh? Ik filmde juist met het angstzweet op mijn rug. Zodat ik later lekker relaxt terug kon kijken als ik zeker wist dat er niks fout gegaan was en Michelle niks gebroken had. Maar er waren ook ouders met turntoestellen in hun tuin. Zodat de kinderen ook thuis konden trainen. Er waren kinderen die straf kregen van hun ouders als een wedstrijd niet goed ging.

Toen ik hieraan terug dacht, besloot ik de documentaire ‘Turn’ te kijken die ik nog steeds niet gezien had. Afgezien van het feit dat ik het een barslechte documentaire vond, vond ik het ook heel schokkend om te zien. Ja, ik vind dat mishandeling. En ja, ik schrok van de manipulatie door de trainers én de ouders. ‘Je mag best stoppen, hoor. Je mag zelf kiezen. Maar je allerbeste vriendje gaat wél door.’ zei een moeder. Of de vader die glashard zegt ‘Je moet wel wat bereiken in het turnen. Leuk? Als het leuk moet zijn, ga je maar op hockey’. Echt bizar! En niemand, de ouders niet, de trainers niet en zeker de kinderen niet, lijkt plezier te hebben. Ik vond het naar om te zien.

Nu ik er over nadenk, begrijp ik ineens waarom mijn dochter geen top-turntalent geworden is. Waarom die Olympische Spelen nooit gelukt zijn. Omdat ik vond het dat het ‘maar’ een hobby was. Omdat ik beretrots was als ze won maar ook altijd zei dat ze mijn kampioen was als ze niet won. Omdat ik toeliet dat ze lol maakte met Chantal en hamburgers at na elke wedstrijd. Ik had haar moeten laten mishandelen en manipuleren. Maar in plaats daarvan wenste ik Michelle bij elke wedstrijd ‘Veel plezier!’ Want dáár draait het om, volgens mij. En plezier had ze gelukkig! Nog steeds trouwens. Want zodra het Corona-technisch weer mag, gaat ze weer lekker trainen. Niet voor wedstrijden. Maar gewoon voor de fun. Ook al is ze inmiddels 27.

De documentaire is terug te kijken op NPO Start.
Je kunt in plaats daarvan ook gewoon onderstaand filmpje kijken. Dat filmpje is namelijk wél leuk.