Wat niemand weet…

Wat haast niemand weet, is dat ik een heuse cosmetische ingreep heb ondergaan. Iedereen om me heen is het inmiddels vergeten want het is al meer dan 35 jaar geleden. Ik had als kind enorme flaporen. Steevast kreeg ik te horen “Hé! Er zit chips in je haar!” omdat mijn oorschelpen altijd tussen mijn haren door staken. Door neven en nichten werd ik “Dombo” genoemd en mijn haar in een staartje dragen, durfde ik niet.

Toen ik een jaar of tien was, ontdekte ik dat je door middel van een operatie van je flaporen afgeholpen kon worden. En ik zeurde net zo lang tot mijn ouders overstag gingen en we op pad gingen om mijn oren recht te laten zetten. De stappen die gezet moesten worden, zou je enigszins traumatisch kunnen noemen. Om de operatie vergoed te krijgen via het ziekenfonds, moest een verzekeringsarts mijn flappers beoordelen. Samen met mijn moeder meldde ik me in zijn spreekkamer.

“Zo, meisje” begon de beste man “dus jij wilt geopereerd worden aan je flaporen?”. Bedeesd knikte ik van ja. “Laat maar eens zien dan!” zei de arts en voorzichtig deed ik mijn haren omhoog. De arts wierp, vanachter zijn bureau, één blik op mij, en riep “Geen probleem, kind! Die operatie vergoeden wij gewoon”. Hij greep zijn pen en zette met forse halen een krabbel op het formulier dat toestemming gaf voor de operatie. Daarmee nog even fijntjes bevestigend dat ik inderdaad enorme flaporen had.

Dus. In de zesde klas van de lagere school werd ik geopereerd. En het was geen pretje. Ik herinner me dat ik doodziek was van de narcose. Dat ik nog best lang in het ziekenhuis moest blijven en nog heel lang met een verband rond mijn oren heb gelopen. Gelukkig was er toen al droogshampoo! Over het resultaat was ik ook niet echt heel tevreden maar ik werd geen Dombo meer genoemd dus ik heb nooit geklaagd.

Bij die ene ingreep is het gebleven. Misschien omdat die operatie toen best tegen viel. Of gewoon omdat je met het stijgen der jaren je minder perfecte kanten accepteert. En blij bent met een lijf gewoon werkt en doet wat het moet doen. Wat meer kun je wensen, nietwaar?

Maar, zeg eens eerlijk…
In deze tijd, waarin alles mogelijk is, waarin niets te gek is…

Wat zou jij willen laten verbouwen aan jezelf?

Goed voornemen gesneuveld.

Bij het poetsen van de badkamer trof ik onze weegschaal aan. Ver weggestopt onder de badkamerkast, onder een dikke laag stof, want ik ben niet zo van het wegen. ‘Zolang ik in mijn kleding pas, is er niks aan de hand’ is mijn overtuiging. Bovendien zit ik al jaren op hetzelfde gewicht wat dus schijnbaar gewoon ‘mijn gewicht’ is.

Ik haalde een doekje over de weegschaal en uit pure nieuwsgierigheid ging ik er toch even op staan. En onverbiddelijk lieten de felrode cijfers zien dat ik maar liefst drie kilo ben aangekomen!

Waar en wanneer dat gebeurd is? Geen idee. Maar ik vond het best schokkend. Kijk, ik heb al lang geleden geaccepteerd dat ik nooit maatje 36 zal worden. Zelfs maatje 38 niet. Maar er zijn bepaalde grenzen die zelfs ík niet over wil. En dat is een gewicht dat begint met een 8. Een 8? Ja, een 8! Snik. Ik bedoel, hallo! Ik ben maar een heel klein meisje. Het is niet de bedoeling dat ik een propje word.

Het is die lift, hè? In ons nieuwe huis. In Amsterdam moest ik steeds naar vier hoog klimmen. En het is natuurlijk ook de schuld van de Heemskerkse horeca! Heemskerk blijkt funest te zijn voor mijn BMI. Tientallen restaurantjes op loopafstand. Een Grieks restaurant, een Italiaan en een Chinees links van ons. Plus dat tentje waar ze die lekkere burgers hebben. En oh! Dat tentje waar ik laatst die geweldige creme brulé toe gegeten heb. Die is natuurlijk meteen op mijn heupen gaan zitten.

En dan die keurige snackbar rechts van ons naast die bakker met die heerlijke saucijzenbroodjes. En oh ja, de ijssalons! Eén links het dorp in en één rechts. Dit jaar moesten beide ijssalons eerder sluiten omdat de voorraad op was. Op het briefje dat op de deur hangt, staat dat dat kwam door het onverwacht mooie weer aan het einde van het seizoen. Maar ik begin me af te vragen of het misschien te maken had met onze verhuizing naar Heemskerk aan het eind van deze zomer. En ik houd niet eens van ijs.

En natuurlijk zijn het ook de – pak ‘m beet – vijf pakken melk die ik in een week leeg tutter. En altijd maar weer die pasta als avondeten, wat ik zó lekker vind dat ik makkelijk twee borden op kan. Het zijn die pinda’s en de chippies ‘s avonds op de bank. En tja, een wijntje lust ik ook wel. Met een stukje kaas. En zo groei ik langzaam dicht. Nog even en je kunt me door Heemskerk rollen.

Optimistisch dacht ik ‘je kunt beter drie kilo afvallen dan tien’. Dus nu ben ik op dieet. Door de week dan, want je moet ook weer niet te streng zijn, vind ik. Drie keer per week eten we nu Hollandse kost. Ik ben er niet dol op dus dat scheelt aanzienlijk. Frank is dol op aardappelen dus ik doe hem er nog een plezier mee ook. Ik zeg ‘win-win’!

Verder eet ik kipfilet op brood in plaats van vette kaas. En ik drink magere melk in plaats van halfvolle, waarbij het me ineens opviel dat magere melk bijna doorzichtig is. Dus daar wordt je vast niet dik van. Bovendien wordt er op doordeweekse dagen niet meer gesnackt. Zo! Water en thee de komende tijd for me.

Daarnaast ben ik ook nog aan het bewegen geslagen. Op woensdag ga ik altijd al naar pilates (Ja, ik! Ik moet er zelf ook nog steeds om lachen!) en op maandag en vrijdag ga ik nu een uur flink wandelen. Even heb ik overwogen om, net als een paar jaar terug, weer te gaan hardhopen met mijn Belgische vriendin Evy op mijn koptelefoon. Maar hoe vaak ze ook zei dat ze fier op mij was, ik vond er eigenlijk niks aan. Dus besloot ik te gaan doen wat ik wél leuk vind. Wandelen door mijn nieuwe dorp. En lekker overal binnen kijken.

Of ik het volhoud? Geen idee. Of het werkt? Ook geen idee. Wat ik wél weet, is dat mijn goede voornemen voor 2018 was om vooral géén goede voornemens te hebben. En nu heb ik er toch een.

Ik moet hierbij dus constateren dat mijn goede voornemen nu al gestrand is.
In de derde week van januari. Treurig, zeg.

De speelgoedkist.

Toen Michelle een maand of tien oud was, verhuisden wij van ons twee-kamer-flatje naar een heuse eengezinswoning. Een kleintje, weliswaar, maar een écht huis. Met een voortuin, een achtertuin, een zolder én een eigen slaapkamer voor Michelle die tot die tijd in mijn slaapkamer had geslapen.

Mijn vader was heel erg handig. Wat zijn ogen zagen, maakten zijn handen en toen hij klaar was met de klussen in ons nieuwe huisje, begon hij aan een nieuw knutselproject. Hij maakte een speelgoedkist voor Michelle. En niet zomaar een speelgoedkist maar eentje waar over nagedacht was.

Zo was de kist van heel stevig hout, zodat Michelle er ook op kon zitten. Hij had afgeronde hoeken want scherpe hoeken zijn gevaarlijk voor kleine kindjes. Mijn vader maakte zelfs een beveiliging op de kist zodat er geen kindervingertjes beklemd konden raken, mocht het deksel dicht vallen.

Als finishing touch schilderde mijn vader de speelgoedkist wit. En met dezelfde kleuren al waarin ik de spijltjes van Michelle’s ledikantje geschilderd had, schilderde hij bolletjes en vlindertjes op de speelgoedkist. Ik was er enorm blij mee en zette de kist in de woonkamer. Drie maanden later, vlak na Michelle’s eerste verjaardag, overleed mijn vader.

De speelgoedkist deed jaren dienst als, tja, speelgoedkist. Elke avond, voor het slapen gaan, borgen we al het rondslingerende speelgoed er in op. Michelle zat soms bovenop de speelgoedkist. Ze heeft nooit haar hoofd kunnen stoten aan scherpe hoeken van de speelgoedkist. Ze heeft nooit met haar vingertjes tussen de klep gezeten. Daar had haar opa voor gezorgd.

Michelle groeide groter. Veel speelgoed verdween maar de kist bleef. Hij verhuisde van de woonkamer naar de kast onder de trap waar hij bergplaats werd van de ‘verkleedkleren’. Daarna verhuisde de kist naar de eerste verdieping. En uiteindelijk naar de zolder. Maar ik heb hem altijd bewaard.

Toen ik in 2007 van Breda naar Amsterdam verhuisde en ons huisje leeg moest, kwam ik -natuurlijk- weer eens in tijdnood. Verhuizen valt nou eenmaal altijd tegen. Op de laatste dag was het enige dat nog in huis stond de speelgoedkist. Hij stond op zolder en ik kreeg, in mijn eentje, de loodzware kist niet via de vlizotrap naar beneden.

Met pijn in mijn hart liet ik de speelgoedkist leeg achter, daar op zolder. Ik maakte nog wat foto’s en sprak mezelf streng toe. ‘Kom op! Je kunt niet álles bewaren. Je hebt hem niet nodig. Je hebt de foto’s nog. En je maakt er iemand anders blij mee.’ Maar mijn hart brak een beetje.

Een jaar later woonden we, geheel tegen de verwachting in weer in Breda en was ik op verjaardagsvisite bij mijn moeder. In de dezelfde straat waar ik destijds ook woonde. En daar zat, achter een kopje koffie en een stukje taart de nieuwe bewoonster van mijn huisje. We maakten gezellig een babbeltje en ze nodigde me uit om te komen kijken hoe zij ‘mijn’ huisje ingericht had. Even later liep ik door de vertrouwde kamers die er toch zo anders uitzagen.

Op de eerste verdieping wees ik naar het luik naar de zolder. ‘Heb je de speelgoedkist gevonden?’ vroeg ik. En ik vertelde over mijn vader die de kist voor Michelle maakte. En over de verhuizing. En over die akelige vlizotrap waardoor ik de speelgoedkist maar had laten staan. ‘Oh?’ reageerde de partner van de nieuwe bewoonster ‘Wil je hem terug? Dan haal ik hem even naar beneden voor je!’

En zo simpel was het. Hij sleepte de loeizware kist van de zolder en zette hem galant in mijn auto. Jubelend reed ik naar huis en sleepte de kist in mijn berging. Hij was, voor mij, te zwaar om hem de drie trappen naar mijn flatje op te slepen maar ik hád hem weer! Verhuizers deden daarna de rest.

Want toen we daarna definitief naar Amsterdam verhuisden, tilden verhuizers de kist naar mijn flatje op vier hoog. Bij gebrek aan een beter plekje stond de speelgoedkist jarenlang in de grote inbouwkast in het kleine badkamertje. En bij de laatste verhuizing werd de speelgoedkist door verhuizers hier binnen gedragen en in de studeerkamer gezet.

Maandenlang was-ie opslagplaats van gereedschap. Maandenlang kon je de kist bijna niet zien door alle boormachines, zagen, schroevendraaiers en losse rotzooi die er bovenop lag. Maar inmiddels is alle bende opgeruimd en is de speelgoedkist weer in ere hersteld. Vandaag heb ik ‘m schoongemaakt. En voorzichtig de vlindertjes gepoetst die mijn vader destijds geschilderd heeft.

Ik heb mijn foto-albums erin opgeborgen. En ik heb al een stofje gevonden om een leuk kussentje te maken. Daarna mogen mijn knuffels van vroeger er op zitten. En het zou zomaar kunnen dat onze Spike het ook een fijn plekje gaat vinden. Ik ben blij. De speelgoedkist van mijn vader heeft eindelijk het mooie plekje gekregen dat-ie verdient. En wat er in de toekomst ook gebeurt; ik laat ‘m never nooit meer achter.

Een goede start.

Goede voornemens voor 2018 had ik niet. Wel een To Do-list voor 2017 die – de naam zegt het al – in 2017 afgewerkt moest worden. Op die lijst prijkten het ophangen van nog wat kleine dingetjes in huis, mijn foto’s van 2017 uitzoeken en er een filmpje van maken, de enorme stapel papieren uitzoeken en opruimen die ergens in een hoek lag en, als laatste, onze ‘studeerkamer’ opruimen.

Vooral dat laatste was nogal een logistieke operatie omdat die kamer, sinds onze verhuizing in juli, gebombardeerd was tot ‘rommelhok’. De verhuizers hadden wat spullen uit de berging van het vorige huis en uit onze gehuurde opslag per ongeluk in ons huis gezet. Die spullen moesten dus terug naar de opslag. Maar dat kon niet omdat onze hometrainer nog in de opslag stond waardoor de andere zooi er niet meer bij kon.

Bovendien bewaarden we in het ‘rommelhok’ ook al ons gereedschap en alle dingen die nog opgehangen, opgeborgen of weggegooid moesten worden. ‘Rommelhok’ was dus eigenlijk een understatement. Bovendien staat onze linnenkast ergens in dat hok. En ik had er schoon genoeg van om iedere morgen een gevaarlijke hink-stap-sprong te moeten maken om schoon ondergoed uit de kast te pakken. Dus deze klus stond hoog op mijn lijstje.

Mijn vrije dagen met Kerst gingen lamlendig voorbij. Frank was ziek van zijn nieuwe medicijnen en bracht de Kerst door met een dekentje op de bank. Ik had geen excuus maar lag ook grotendeels op de bank. Met een boek en een dekentje. Afgezien van gourmetten met Michelle en Robby en koffie drinken bij mijn moeder deden we he-le-maal niks. En toen werd het Oud en Nieuw en kreeg ik het ineens op mijn heupen.

Op Oudjaarsdag sleepte ik de loeizware hometrainer uit de opslag in de auto en zette hem thuis in de slaapkamer. Aan het eind van de middag had ik al mijn foto’s uitgezocht en een filmpje gemaakt. Nieuwjaarsdag sliep ik uit en deed ik wederom niks. Maar 2 januari ging ik vrolijk verder. Ik verzamelde alle bende die naar de opslag moest uit ons huis en onze berging, propte alles in de auto en bracht de boel naar de opslag. Alle rotzooi die weg kon, gooide ik in de container. Dat schoot lekker op!

Ik boorde de laatste gaatjes en hing de laatste spulletjes op (inclusief een kek rekje voor boven mijn bureau) en bracht al het gereedschap naar de berging. Ik had nog ruimte over dus borg ik meteen onze kerstboom op. Ik gaf het hele huis een sopje en richtte onze studeerkamer in. Met zo’n mooi plekje was het een koud kunstje om mijn paperassen te sorteren, te scannen en op te slaan en nog snel een achterstallige rekening te betalen. Al finishing touch zeemde ik ook nog even alle ramen. Binnen en buiten.

Klaar! Eigenlijk viel het achteraf gezien allemaal best mee. En, zoals altijd, vraag ik me dan af waarom ik dat niet eerder gedaan heb. Misschien wordt het toch tijd voor een goed voornemen.