Het leven gaat door.

En toen bleek mijn broer ineens heel ernstig ziek. Zo ziek dat hij niet meer beter zou kunnen worden. Maar hij liep nog rond. Hij praatte en lachte. En hij huilde. Wij ook. Maar ik, onverbeterlijke optimist, dacht dat de knappe koppen in het ziekenhuis het onvermijdelijke nog wel even uit zouden kunnen stellen. Met bestralingen. En chemo.

Helaas ging het sneller dan we dachten en ging mijn broer lichamelijk zo snel achteruit dat hij de chemo’s niet eens meer gekregen heeft. Er volgden maanden en weken van ziekenhuis in en ziekenhuis uit. Steeds was het kantje boord door allerlei complicaties maar steeds knokte mijn broer zich terug. Beresterk. Met een enorme wilskracht. Omdat hij gewoon niet op wilde geven. Tot op het laatst niet. Moeilijk vond ik dat. Liever had ik een soort acceptatie gehad. Berusting. Of wat dan ook. Maar hij wilde niet dood. Hij wilde niet. Punt.

Hoe gek was het om afscheid te nemen toen het toch zover was. ‘Hij ligt er mooi bij’ werd er gezegd. Wat een bizarre opmerking. Hij was dood. Daar was niks moois aan. Wat daar lag was niet mijn broer. Gek vond ik het dat hij zo stil was. Zo koud. En geen grapjes maakte zoals-ie mijn hele leven gedaan heeft. ‘Hij is beter af’ werd er gezegd. Ook zo’n rare kreet. Hallo! Hij is dood. Geen reizen meer met de camper. Geen ritjes meer met de bus of de vrachtwagen. Geen bakkies koffie meer in de zon. Oké; hij regent nooit meer nat. Maar of dat nou ‘beter af’ is?

Verschrikkelijk vind ik ook het verdriet van mijn moedertje. 87 jaar oud. En dan je kind verliezen. Mijn hart breekt als ik daaraan denk. ‘Geen grappen, mam!’ waarschuwden wij. Bang dat ze in zou storten en ook dood zou gaan. Maar mijn dappere moedertje droogde haar tranen. ‘Ik had bedacht…’ zei ze voorzichtig ‘nu we onze Kees af hebben moeten geven, moet ik nog maar even blijven’. Of het zo werkt weet ik niet maar we zijn het roerend met haar eens. Ze moet nog even blijven. En wij rijden voorlopig wat extra heen en weer om te proberen het gat te vullen dat mijn broer achter liet.

En ach, mijn schoonzusje. Die zo goed voor mijn broer zorgde toen hij ziek was. Die 45 jaar lief en leed met hem deelde. Die hem 45 jaar lang om haar heen had. Wat een enorme leegte moet dat zijn om zonder hem verder te moeten. Zo anders dan voor ons, voor mij. We zagen hem regelmatig. Natuurlijk. Maar nou ook weer niet iedere week. Maar we wisten dat-ie er was. En dat we op hem konden rekenen. Altijd.

Het besef komt in vlagen. Onverwachts. Ongewenst. Op momenten dat het net even niet uit komt. In een volle trein. Of in een drukke supermarkt. Dan krijg ik een kleine paniekaanval die me de adem beneemt. Omdat ik me – zomaar ineens – realiseer dat ik ‘m echt nooit meer kan spreken. Nooit meer koffie samen. Nooit meer een telefoontje ‘Hé! Zijn jullie thuis zaterdag? Dan komen we even langs.’ Ongelooflijk.

Maar het leven gaat door. Zo was daar, temidden van alle ellende, de geboorte van ons jongste achternichtje Juno. En tekenden Michelle en Robby ergens in deze gekke dagen het koopcontract voor de nieuwbouwwoning die ze ergens in 2020 zullen betrekken.
Lichtpuntjes. Dingen om naar uit te kijken.

We redden het wel. We letten op elkaar.
Maar laat het nu alsjeblieft snel lente worden.

Bedankt voor al jullie lieve berichtjes xxx

Dag grote broer.

1995: ome Kees en Michelle

Mijn eerste herinnering aan jou is dat je uit je werk kwam, je chauffeurstas in een hoek gooide en mij de kieteldood gaf. Ik zal hooguit een jaar of vier geweest zijn. Want je trouwde en ging het huis uit toen ik vijf was. Je was mijn stoere, grote broer.

Toen ik op mezelf ging wonen, stond je altijd voor me klaar. Als mijn auto niet startte, kreeg jij ‘m weer aan de praat. Als er geklust moest worden, was je er. Je legde ontelbare vierkante meters laminaat. Je kluste zoveel voor ons dat Michelle, als dreumes, dacht dat jij álles kon maken. 

Toen ze op een bewolkte avond de maan niet zag, zei ze “Ome Kees maken” en vol vertrouwen ging ze slapen. De volgende avond was de maan er weer. “Ome Kees gemaakt” was haar tevreden conclusie. En toen ze groot was, verhuisde jij haar naar haar studentenkamer. Ome Kees regelde het wel. Altijd. Mijn grote, handige broer.

We maakten samen ontelbare uitstapjes. De Efteling, Phantasialand, Valkenburg. Speeltuinen, terrassen en Kerstmarkten. Overal nam je ons mee naar toe. Het liefst met zoveel mogelijk mensen. Want natuurlijk moest Ma altijd mee. En Michelle. En onze hond. Iedereen was altijd welkom. En jij vermaakte iedereen.

Met enorm flauwe grapjes die je zelf geweldig vond. ‘Mijn moeder mag niet achterin de auto zitten’ verkondigde je bij elk benzinestation ‘want dan knaagt ze aan de voorstoelen’. Mijn lieve, gekke broer.

Onvergetelijk was ook je eerste bezoekje aan ons in Amsterdam. Met de tram gingen we het centrum in. ‘In Brabant hoef ik nooit te betalen in het OV’ zei je. Frank en ik lachten. ‘Zo werkt dat niet in Amsterdam’. Maar jij stapte in, kletste met je Amsterdamse collega en natuurlijk mocht je gratis mee. Trots keek ik hoe je voor in de tram stond. Alsof je nooit anders gedaan had. Mijn grote, charmante broer.

Met je grote mond. En een heel klein hartje.

Jij, urenlang rondlopend met Michelle op je schouders toen ze nog een kleuter was.

Jij, die zolang je kon de tuin van Ma netjes hield en zorgde voor partytenten, tafels, stoelen en alles wat ze nodig had voor haar legendarische verjaardagsfeesten.

Jij die, samen met Gerda, zovaak ‘even’ heen en weer naar Amsterdam reed toen Frank in het revalidatiecentrum zat. Om stripboeken te brengen, zakken snoep, pakken koek en zelfs een hamburger van McDonalds.

Lieve Kees,
Ik zal aan je blijven denken zoals ik je soms zag op het station, stralend achter het stuur van je bus. Ik zal aan je blijven denken, zoals je danste met Gerda, de show stelend op de dansvloer.

Je was een geweldige grote broer.
Ik zal je missen.

Wat doe jij?

Toen ik nog in Hilversum werkte, hadden we bijzondere buren. Ze waren met z’n tweeën en ze woonden in de bosjes naast ons kantoor. Nee, geen merels. Geen egeltjes. Het waren mensen. Gewone mensen. Oké, echt schoon waren ze niet maar ze waren wel altijd vrolijk. Als ik ‘s morgens ons kantoor binnen ging, kwam de buurvrouw vaak net de bosjes uit. “Goedemorgen!” groette ze dan vrolijk. En als ik in de lunchpauze boodschappen deed, liepen mijn buren ook in het winkelcentrum. Met hun dekbed in een winkelwagentje. Ze bedelden. Maar nooit bij mij.

Fascinerend vond ik het. ‘Ze kiezen er vaak zelf voor’ wordt wel eens gezegd. Dat zal best. Sommigen zullen het fijn vinden om geen verantwoordelijkheden te hebben. Om ergens op een bankje in een park te slapen. Maar het grootste gedeelte ligt ook liever in een warm bed. Het ergste is dat je in onze maatschappij zó op straat kunt belanden. Stel dat je relatie uit gaat en je ex je op straat zet. Heb je toevallig geen familie of vrienden waar je op de bank kunt bivakkeren dan sta je dus op straat. En als je ‘s nachts rondjes moet lopen om warm te blijven, valt het niet mee om ‘s morgens naar je werk te gaan. En zo glijd je steeds verder af.

En dus probeer ik wel eens een beetje te helpen. Stiekem eigenlijk. Want ik ben doodsbang een dakloze te beledigen door hem of haar een boterham aan te bieden. Zoals die vrouw in de trein laatst. Ze rook niet fris. Ze had één schoen aan en aan haar andere voet een Croc. Ze had een boodschappentas bij zich met daarin waarschijnlijk al haar bezittingen. Met haar vettige haar ver weggemoffeld in haar capuchon zat ze te dommelen in de trein. Waarschijnlijk reed ze zwart. Even een warm plekje. Even zitten. En ik had onverwachts een middag vrij en twee boterhammen met kaas in een plastic zakje in mijn tas omdat ik mijn lunch nog niet opgegeten had. Omdat ik nog geen honger had.  Zij misschien wel.

‘Spreek haar nou aan!’ sprak ik mezelf toe. ‘Kom op! Ze is gewoon iemand die pech heeft gehad in het leven. Vraag gewoon of ze honger heeft.’ Maar tot mijn grote schande durfde ik dat niet. Toen ik uitstapte sliep ze. Heel laf heb ik, terwijl ik langs liep, mijn boterhammen in haar tas gegooid. Ik geloof niet dat ik er op deze manier karma-punten mee verdiend heb. Maar misschien heeft zij ze opgegeten en had ze even geen honger. Ook goed.

Maar vaak voel ik me zo overvallen. Dan sta ik op station Sloterdijk te balen omdat mijn trein te laat is. En ik dus tien minuten later thuis ben. In mijn huis met mijn bed, mijn bank en mijn volle koelkast. Dat huis waar de verwarming behaaglijk brandt en ik vanavond lekker warm ga douchen. En dan spreekt zo’n dakloze me ineens aan. ‘Mevrouw? Heeft u misschien 50 cent voor mij?’. En allerlei gedachten schieten door me heen. ‘Als ik iets geeft, staat-ie hier morgen weer’. En ‘Hij gaat er toch maar drugs voor kopen.’ Dus lieg ik: ‘Sorry, ik heb geen klein geld’. ‘Geeft niks, mevrouw. Fijne dag verder!’ zegt-ie dan ook nog.

En terwijl ik een half uur later in mijn lekker warme keuken sta te koken, moet ik toch even aan ‘m denken. Zelfs al zou hij er iedere dag staan; ga ik failliet van 50 cent per dag? En drugs kopen? Van 50 cent? Geen idee wat die troep kost maar met 50 cent komt-ie niet ver, lijkt me. Misschien koopt-ie wel een blikje bier. Maar goed, dat is dan zijn eigen keuze. En daar achter de volle pannen besluit ik voortaan niet meer zo lullig te doen.

De herkansing komt al een paar dagen later. ‘Mevrouw? Heeft u misschien 50 cent voor een kop koffie?’ vraagt een dakloze. Het is een andere man dan die keer hiervoor.  ‘Hm, ik denk het wel.’ zeg ik terwijl ik in mijn jaszak zoek en ik geef ‘m 50 cent. ‘Alsjeblieft’ zeg ik. En hij bedankt beleefd. ‘Fijne dag, mevrouw!’ En even denk ik nog dat-ie er morgen wel weer zal staan. En dat-ie vast al zijn dakloze vrienden mee zal brengen. ‘Kom jongens! Ik heb een sukkel gevonden die geld geeft!’ Maar ik heb ‘m niet meer terug gezien. Zijn dakloze vrienden ook niet trouwens. Ik hoop dat de koffie gesmaakt heeft.

Wat doe jij? Geef jij wel eens iets aan daklozen?

Watje.

Over het algemeen ben ik een rustig en redelijk mens. Er is weinig dat mij uit mijn evenwicht brengt. Maar zodra ik in mijn auto stap, verandert er iets. Het is niet zo dat ik schuimbekkend achter het stuur zit maar er wordt toch wel vaak flink gescholden of diep gezucht.

Hoog op mijn irritatie-lijstje staan, met stip, de onnodig-links-rijders. Die omdat ze, drie kilometer verderop, een vrachtwagen zien alvast op de linkerbaan gaan rijden met 90 kilometer per uur. Of de mensen die bij Oudenrijn rechtdoor moeten en daarom bij Hilversum al op de derde baan gaan rijden. 

Of mensen die je snoeihard inhalen, hun auto vóór de jouwe knallen zodat je vol op de rem moet en vervolgens uitvoegen. Ik moet eerlijk zeggen dat ik zo’n heerschap (want – sorry – dát zijn meestal mannen) vaak uitmaak voor iets lelijks. Of mensen die invoegen met 70. Verschrikkelijk!

Er is één ding waar ik niet van onder de indruk ben en dat is file. Aangezien je daar toch niets aan kunt doen, schik ik me in mijn lot en luister rustig naar de radio. Zo ook afgelopen dinsdag toen ik in de file stond om ons dorp in te komen. Normaal gesproken kun je op die weg gewoon doorrijden maar door een wegafsluiting verderop, stond er een flinke file.

Dus ik stond rustig te wachten. Tussen twee dorpen. De rechterbaan – het dorp in – stond vast. Het tegemoetkomende verkeer – het dorp uit –  reed gewoon. Daar was het niet druk. Af en toe reed er een auto voorbij. Het regende, ik luisterde naar de radio, neuriede een beetje mee en keek wat om me heen. Op de linkerbaan, waar het tegemoetkomend verkeer reed, ging een vogel zitten. “Kijk je uit, jongen?” vroeg ik nog.

Een tel later zag ik koplampen opdoemen. Ik hoorde een ‘pok’, zag een hoop veren dwarrelen en deed mijn ogen dicht. Ik telde tot drie, haalde diep adem en gluurde voorzichtig door mijn wimpers. Door de klap was de vogel gelanceerd en precies voor mijn auto terecht gekomen. Daar lag-ie. Dood. Gelukkig maar want ik had me geen raad geweten als het beestje had liggen creperen.

Klem in de file, zat ik daar nog een paar minuten. Met het vogel-lijkje pal voor mijn auto in het schijnsel van mijn koplampen. ‘Het ging heel snel, hij heeft niks gemerkt.’ suste ik mezelf. ‘Dat is nou eenmaal de natuur.’ mompelde ik een beetje misselijk. Hoewel ik me bedacht dat er weinig natuurlijks aan is om als vogel doodgereden te worden door een auto op de weg tussen Uitgeest en Heemskerk.

Het was te gevaarlijk om uit te stappen en een fatsoenlijk plekje voor het beestje te zoeken. Als dat gekund had, had ik dat gedaan. Echt. Ooit ben ik drie kilometer terug gereden om te voorkomen dat een dood konijn aan de kant van de weg platgereden werd. Maar helaas; deze keer kon ik niks doen. 

Behalve dan heel voorzichtig doorrijden. Met de file mee. Zorgend dat mijn wielen de dode vogel niet raakten. De volgende drie minuten stond mijn auto dus boven het arme ding. Ik was een beetje bijgekomen van de schrik, keek naar de regen tegen mijn autoruiten en mompelde ‘Nou ja, nu lig je in elk geval nog even droog.’

Maar toch; misschien vind ik dát nog wel het ergste op de weg. Niet de bumperklevers. Niet de onnodig linksrijders. Niet de sukkelaars of de verkeershufters. Maar de dode beestjes. Ik vind ze zó zielig. Ik ben een watje.

Foto: @gerardpu