Twee jaar later.

In 2016 woonden wij in Frank’s appartement in Amsterdam Nieuw West, dat toen ik bij Frank introk nog gewoon Slotervaart heette. Geen beste buurt om te wonen. Ik herinner me de geschokte reactie van een collega die me ooit ‘s avonds met de auto naar huis bracht. ‘Zet me hier maar af. Dan kun jij zo doorrijden. Ik loop het laatste stukje wel’ zei ik. Verbijsterd keek de collega om zich heen. ‘Ik kan je hier toch niet alleen over straat laten gaan.’ stamelde hij, kijkend naar de muren vol graffiti, het huisvuil op de stoepen en de ongure types op elke straathoek. ‘Ik wóón hier’ antwoordde ik. ‘Ik ben het gewend.’ Maar leuk was anders.

Toen we een moord en twee schietpartijen in de straat hadden gehad en de huur het astronomische bedrag van € 1500,- per maand bereikte was voor ons de maat vol. Rond die tijd ging dochterlief samenwonen en kwam mijn mini-appartementje vrij. Ik had het al die jaren aangehouden om mijn studerend kind van onderdak te voorzien. We sloegen de inboedel op en verkasten. Het flatje was piepklein. De buurt was nét iets minder slecht. Maar voor een huurprijs van € 500,- per maand konden we daar wel mee leven. En het was tijdelijk. We hadden bedacht van daaruit iets anders te zoeken

Onze huizenzoektocht kwam op een laag pitje te staan toen Frank bijna het loodje legde. Maar zodra hij weer enigszins in het land der levenden was, hervatte ik mijn zoektocht. Ik reageerde op zo ongeveer 50 appartementen in Amsterdam. Te duur voor het aantal vierkante meters maar we moesten toch wat. Kansloos. Zoals zoveel woningzoekenden in Amsterdam breidde mijn zoekgebied zich uiteindelijk uit buiten Amsterdam. Omdat je – ook in de vrije sector- als woningzoekende in Amsterdam altijd twintigste of vijftigste in de rij bent. En alleen de eerste tien uitgenodigd worden voor een bezichtiging. 

En toen zag ik op internet een appartement in Heemskerk. Heemskerk? Ik had er nog nooit van gehoord. De eerste stap was altijd de reistijd naar mijn werk in Amsterdam checken. Dat viel, verdorie, niet tegen! 23 minuten met de trein! De volgende stap was uitvogelen hoe Heemskerk was om te wonen. Neem van mij aan: als je íets wilt weten, vul je zoekwoorden in op Google gevolgd door de term ‘Viva forum’ en je vindt het. Ik vond dit en verdomd! Dat klonk best aardig! Vooral de term ‘met de fiets naar het strand’ klonk mij als muziek in de oren.

Daarna ging het snel. Ik reageerde op een tweede woning in Heemskerk maar ik had nogal wat moeite om onze inkomensgegevens door te geven via internet. In een verloren momentje, terwijl Frank onder de douche stond, zich klaar makend voor een laatste afspraak bij het revalidatiecentrum, zat ik op ons balkonnetje in Amsterdam Nieuw West (ter grootte van een postzegel) na te denken over die inkomensgegevens. Zou dat nou goed doorgekomen zijn? Zou ik eens bellen? Ach, dat had toch geen zin. Aan de andere kant; ik zat hier nu toch te niksen. Dus ik belde.

“Wat grappig dat u juist nú belt over díe woning” zei de dame aan de telefoon. “Mijn collega is daar momenteel heen voor de eindinspectie. Kunt u nu daarheen komen?” Verbijsterd stamelde ik dat we een belangrijke afspraak hadden. “Hm. Morgen misschien?” stelde de dame voor. “Dan schuif ik u even naar voren.” Ik kon niet anders dan toezeggen. Tuurlijk, konden wij de volgende dag! Paniekerig belde ik mijn collega’s om te melden dat ik vrij moest hebben die volgende dag. Waar iedereen, wetend van mijn huizenzoektocht, enthousiast mee akkoord ging. Gelukkig!

De volgende dag reden wij – voor het eerst – Heemskerk binnen. We verbaasden ons over de fietsers die hun hand uitstaken, over de keurige plantsoenen, over de schone straten. De verhuurmedewerkster liet ons het appartement zien en dat was ook al zo leuk! Met in mijn achterhoofd de groepsbezichtingen in Amsterdam vroeg ik voorzichtig wat nu de bedoeling was. “Als jullie het willen huren, maken we de papieren in orde en dan is het geregeld” was het antwoord. Ik sloeg bijna stijl achterover op de betonnen vloer van wat nu mijn woonkamer is.

Afgelopen woensdag was het twee jaar gelden dat we verhuisden. Geen moment hebben we spijt gehad. Al die winkels, restaurantjes en terrasjes om de hoek. De vriendelijke mensen. En dat strand waar ik maar geen genoeg van kan krijgen. Toen ik nog in Amsterdam woonde, vervloekte ik die stad regelmatig. Verzuchtte ik vaak dat ik lekker rustig in mijn geboortestad in Brabant had kunnen wonen. Maar sinds we hier wonen, mis ik Breda niet meer. Ik kom thuis als ik de blauwe windmolen zie en het dorp in rijd.

Op mijn eerste treinreis vanuit Heemskerk naar mijn werk, in 2017, werd ik bij aankomst in Amsterdam getrakteerd op een gedicht in een van de abri’s op het station. Ik heb niks met poëzie. Maar deze heb ik bewaard. Ik vind ‘m mooi. Want wie had ooit gedacht dat ik met een Amsterdammer zou belanden in een dorp aan de Noord Hollandse kust? En me er zó thuis zou voelen?

Het gedicht is van Kees Spiering. De foto van mij.

88

Als je 87 bent, zijn verjaardagen niet meer zo vanzelfsprekend. Dus hoewel mijn moeder – naar omstandigheden – nog best in goede gezondheid is, werd er niet te veel gepland voor haar 88ste verjaardag. Want ‘Ik doe niks bijzonders deze keer’ zei ze ‘Eerst maar eens zien dat ik het haal’. En ik wist dat dat niet alleen met haar gezondheid te maken had. Maar ook met het overlijden van mijn broer begin dit jaar. Want hoe kon ze nou haar verjaardag vieren zonder ‘onze Kees’ die ieder jaar sjouwde met tafels, stoelen en partytenten? Die, samen met mijn schoonzusje, een complete drank voorraad aan sleepte en voor eten zorgde?

Maar het werd begin juli en er moest toch iets gepland worden. Voorzichtig polste ik bij schoonzusje. Wilde zij helpen? Ook zonder Kees? Zouden wij samen niet… En had ze hulp nodig met stoelen, tafels en tenten? Ik kreeg een schampere blik van schoonzusje. Natuurlijk zou ze helpen! En, ha! Zij rijdt nu in de auto van mijn broer. Of ik wel wist hoeveel stoelen daar in passen? Dat zou helemaal goed komen.

Samen met de vriendin van mijn neef verdeelden we met z’n drieën de taken. Quiches gingen we maken. En pastasalade. En gehaktballetjes. En we kochten nootjes, kaas, worst en drinken. En taart. Ik bracht mijn slingers mee. En ballonnen.

Schoonzus en ik hebben de afgelopen jaren de catering verzorgd in allerlei omstandigheden. In de stromende regen, met alle viste samengepakt in de huiskamer. Met hittegolven, zodat we ventilatoren in de partytenten moesten plaatsen om de – veelal bejaarde – visite te koelen en zelf met natte handdoeken in onze nek rond renden. Maar deze keer was het mooi weer. Niet te warm. Niet te koud. Perfect. En het was gezellig. Met taart en koffie aan het begin van de middag. Met de rest van het lekkers eind van de middag. En de quiches en pastasalade als diner. Het ging er in als zoete koek.

En mijn moeder was stralend middelpunt. Jarig tot en met, omringd door familie, cadeaus en bloemen. En ergens daarboven, vanaf zijn wolkje, keek mijn broer toe. Tevreden misschien. Al denk ik dat de kans groter is dat-ie baalde dat hij er niet bij kon zijn. Want hij hield wel van een gezellig feestje. En dat was het. Ondanks het gemis.

Het gruwelijke einde van Sara.

Omdat ze wist hoe verschrikkelijk ik het zou vinden, dreigde dochter jarenlang. “Als jij vijftig wordt, zet ik een Sara in de voortuin.” Ik had het voordeel jong moeder te worden dus een snelle rekensom leerde dat mijn dochter op mijn vijftigste oud genoeg zou zijn om haar dreigement ten uitvoer te brengen. Ik tackelde dat probleem vakkundig door ruim voor de heuglijke dag in een appartement te gaan wonen. Zonder voortuin. En voor de zekerheid zorgde ik ook nog op de dag zelf niet thuis te zijn. Probleem opgelost. Dacht ik.

Maar toen ik de dag na mijn 50ste verjaardag dochter, schoonzoon en hond van het station haalde, om gezellig uit eten te gaan, bleken ze ineens met z’n vieren te zijn. Robby droeg Nanook en Mich sleepte een heuse Sara met zich mee. Compleet met spijkerbroek, shirt en blauw vestje. Inclusief huissokken. Dus zo ongeveer mijn standaard outfit. Op haar plastic hoofd prijkte een stralende lach. Die van mezelf uitgeprint op A4-formaat.

Ondanks mijn afkeer voor Sara-poppen vond ik het geweldig! Melig zetten we Sara op de bijrijdersstoel, naast me in de auto. En thuis droeg ik haar op mijn schouders naar binnen. Oké. Ik vergat te bukken bij de deuropening waardoor Sara met haar gezicht vol de gevel raakte. En we namen haar niet mee naar het restaurant. Misschien is het daar al mis gegaan. Want het leek zo gezellig; Sara in huis. Maar in de praktijk viel het tegen.

De eerste zondagnacht wilde ze bij mij in bed slapen. Nou ja, het was natuurlijk toch een beetje feest, dus vooruit dan maar. Maar krapjes was het wel dus het was een kort nachtje. Ik was dan ook best moe toen ik maandag uit mijn werk kwam. Lekker simpel eten dan maar. Een soepje met brood. Maar Sara mopperde dat ze niet van soep hield. Een dutje na het eten zat er ook al niet in. Sara pikte mijn plekje op de bank in. En mijn dekentje.

Dinsdag hoopte ik eigenlijk dat ze me een beetje zou helpen met koken. Maar ze beweerde dat dat té gevaarlijk was. Als ze zich zou prikken aan een scherp mes, zou ze leeglopen, zei ze. Voor mijn argument dat dat bij mij – technisch gezien – ook zo was, was ze ongevoelig. Ze kroop op het aanrecht en ging daar zitten wachten tot het eten klaar was.

Woensdag probeerde ik haar over te halen om de strijk te doen. Dat bleek lastig te zijn. Ze was bang dat ze zou smelten als ze te dicht in de buurt van de strijkbout zou komen. Daar had ik geen weerwoord op; ze had gewoon gelijk. Dus worstelde ik mezelf door een hele berg strijk terwijl zij in de weg zat en toe keek. Nog steeds met die irritante glimlach van mezelf op haar gezicht. 

Toen ik donderdagmorgen opstond, was – zoals gewoonlijk – mijn eerste move een spurt richting toilet. Ik moest hoognodig plassen. Groot was mijn verbazing dat het toilet bezet bleek, terwijl Frank nog sliep. Ja, hoor. Madam zat op de pot. Springend voor de wc-deur, met mijn blaas op knappen, zat er niets anders op dan te wachten tot ze klaar was.

Die vrijdag, na een drukke werkweek, verheugde ik me op een avondje rustig op de bank met een glaasje wijn. Helaas bleek onze Saar de wijnvoorraad gevonden te hebben. Broodnuchter doken wij op tijd in bed terwijl Sara beschonken door de woonkamer danste. 

Zaterdag sliep ze – Godzijdank! – een gat in de dag. We genoten van de rust tot mevrouw om een uur of twee weer op dook.  “Man! Wat heb ik een kater!” riep ze, terwijl ze aan haar kruis krabde. “Een gebakken eitje zou er wel wel in gaan. Maar eerst lekker douchen!” En mevrouw dook de badkamer in. Na twintig minuten ging ik poolshoogte nemen. Saar stond zich rijkelijk in te zepen met mijn favoriete douchecel.

Ik keek naar haar terwijl ze met haar rug naar me toe in de douchecabine stond. En ineens zag ik op haar rug een ventieltje zitten. Er knapte iets in me. Ik kreeg een rood waas voor mijn ogen. En voor ik het wist, rukte ik de deur van douchecabine open. Saar probeerde zich nog om te draaien. Maar ik was sneller. Resoluut trok ik het ventieltje op haar rug open. 

Ze sputterde tegen. En probeerde wanhopig haar kunststof armen naar haar rug te krijgen om het ventieltje te sluiten. Maar het was te laat. Met een sissend geluid liep de lucht uit Sara. Langzaam zakte ze ineen tegen de wandtegels van de douche. Pruttelend verdween het laatste beetje lucht uit haar plastic lijf.

Daar stond ik dan. In de badkamer. Terwijl het water van de douche vrolijk spetterde op wat eens mijn Sara was. Ik voelde geen wroeging. Geen spijt. Alleen opluchting. Ik was klaar met Saar.

Ik zette de  badkamerkraan uit, schudde het water van Saar’s stoffelijke resten en hing haar te drogen op het balkon. Ik waste haar kleding. En toen die ook droog was, deed ik alles in een tas die ik klaarzette om terug te geven aan Michelle. Voor een volgende jarige. Ik hoop dat Saar haar lesje geleerd heeft en zich daar wat beter gedraagt.

Daarna deed ik een tukje. Op mijn eigen plekje op de bank. Onder mijn eigen dekentje. Eindelijk rust.

50

Met mijn nieuwe vriendin Sara

Daar was-ie dan. De dag die je wist dat zou komen. 49 jaar lang leek-ie mijlen ver weg. En ineens, bam, was-ie daar. Gisteren werd ik 50.

Veel vrouwen die me voor gingen doen er nogal spastisch over. ‘Oh jee! 50, hè?’ en ze schudden hun hoofd. Ze vonden het nogal ‘een dingetje’, dat 50 worden. Alsof het iets heel vreselijks is. Helaas heb ik teveel mensen gekend die de 50 niet gehaald hebben. Dus zo vreselijk is 50 worden niet, vind ik. ‘Count your blessings’ is niet voor niets nog steeds mijn motto.

Natuurlijk merk ik dat ik ouder word. Hier en daar wat rimpels. Wat grijze haren. En… en ach, dat was het eigenlijk wel. Strak in het vel heb ik nooit gezeten dus daar zat niet veel achteruitgang in. Ik merk vooral dat ik ouder word als ik ‘s avonds naar bed ga, terwijl de jeugd op straat voorbij fietst op weg naar een of andere uitgaansgelegenheid. Dan denk ik aan de tijd dat ik zelf om half twaalf ‘s avonds naar de kroeg vertrok. En dan ben ik zó blij dat ik niet meer hoef. 

En oh ja, ik merk het ook aan de kleine lettertjes omdat mijn ogen slechter worden en mijn leesbril altijd kwijt is. Maar ach, da’s misschien juist een zegen. Zonder leesbril zie ik geen rimpels of grijze haren..

En ja, soms word ik wat melancholiek bij het horen van een oude hit. Alle mogelijkheden die ik toen nog had. Ik had kunnen gaan studeren, kunnen gaan reizen (hahaha, echt niet), ik had alles kunnen worden wat ik wilde. Maar nu de big five-O er is, kan ik alleen maar concluderen dat ik best aardig opgedroogd ben.

Die verlegen kleuter, die het liefst alleen was en voor alles bang was, heeft het voor elkaar gekregen om – in haar eentje *trots* – een prachtige dochter groot te brengen. 

Dat stille kind dat altijd zo onzeker was heeft – zonder diploma’s – toch maar mooi een prima baan met dito salaris gekregen.

Die onzekere puber, die dacht dat niemand haar lief, leuk of aardig vond, heeft toch maar mooi een lief vriendje gescoord. Een vriendje dat ik soms met liefde en plezier achter het behang zou plakken. Maar die op een mooie zomeravond zomaar mijn hand pakt en zegt ‘Jij bent de beste beslissing uit mijn leven’.

Die alleenstaande moeder, die met haar baby begon in een tweekamerflat, woont nu in een geweldig appartement vlak bij zee. Iets wat ik altijd wilde ‘als ik later groot zou zijn’. 

Dus vierden we mijn verjaardag. Met taart bij mijn moeder in Brabant. Omdat dat ook al zo’n ‘count your blessings’-momentje is. 50 worden met je moeder erbij!

En dus gingen we heerlijk uit eten bij het Italiaanse restaurant hier in het dorp met Michelle en Robby, die – behalve een heuse Sara-pop – zo’n bijzonder cadeau mee brachten dat ik daar toch écht een apart logje over moet schrijven.

Dus? Is het leven niet één groot feest?
Echt wel! Ook als je vijftig bent!