Auteursarchief: Nicky

Project ‘Draak’.

Toen mijn moeder naar een zorgcentrum verhuisde, nam ik een schilderij mee dat bij haar in de gang hing maar waar ze in haar kamer geen ruimte voor had. Het was niet zo dat ik het schilderij nou zo mooi vond. Het was gewoon een Ikea-schilderijtje. Een houten lijst met een prentje van blauwe tulpen erin. Maar voordat het bij mijn moeder in huis hing, hing het bij mij in de huiskamer. In mijn huis in Breda. En dat maakte het schilderij bijzonder dus nam ik het mee. 

Het stond een jaar lang te verstoffen hier, ergens achter een deur. Tot het tijd werd om mijn huis opnieuw in te richten. Ik sleepte met spullen, ik schilderde muren groen en ik sloeg aan het herinrichten. En toen ik klaar was, hing ik mijn oude schilderij aan de muur. Daar sloeg het als een tang op een varken. Want de blauwe tulpen kleurden voor geen meter bij mijn vers-geschilderde groene muren. 

Rond diezelfde tijd maakte ik een kleine aquarelletje dat hoorde bij mijn lievelingsgedicht. En ineens viel het kwartje! Ik besloot opnieuw een aquarel te maken van die draak. Wat groter. En deze keer zou de draak groen worden! Dan zou hij in mijn interieur passen en dan kon in hem in de lijst doen waar nu de blauwe tulpen woonden. Enthousiast ging ik aan de slag. Maar aquarellen valt nog niet mee. En de perfectionist in mij liet zich veelvuldig horen. Met als gevolg dat de draak wekenlang op mijn tafel lag. 

Steeds weer zag ik iets wat mooier kon. Of beter. Of donkerder. Misschien nog een beetje geel daar. En kon dat groen daar niet wat donkerder? Op de achtergrond nog een beetje meer kleur. Tot ik me uiteindelijk realiseerde dat ik nooit tevreden zou zijn. Ik zal altijd dingen blijven zien die mooier kunnen. Of beter. Of donkerder. En dus deed ik het meest verstandige; ik deed de draak in de lijst en hing ‘m boven de eettafel. 

Als ik nu nog iets wil veranderen moet ik ‘m eerst uit de lijst halen.
En dat is me echt teveel moeite. Dus bij deze verklaar ik project ‘Draak’ gesloten.
Goed is goed.

Little black dress.

En toen had ik ineens een feestje. En iedereen die mij kent, weet dat ik niks – maar dan ook écht niks – feestelijks in de kast heb hangen. Nou heb ik wel eens gehoord dat iedere vrouw een little black dress moet hebben. Omdat je die bij iedere gelegenheid kunt dragen. Onder tijdsdruk zette ik mijn afkeer voor online shoppen overboord en bestelde een little black dress. Spotgoedkoop, want zo heb ik mijn aankopen het liefst.

De volgende dag deed ik schietgebedjes dat mijn jurkje op tijd geleverd zou worden. Aangezien het maar een little black dress was, zou het door de brievenbus moeten passen. En ja, hoor! Eind van de middag was-ie daar! Vol verwachting maakte ik het pakje open. En zoals vrijwel altijd met mijn online aankopen; ook deze viel tegen.

Niet het jurkje zelf overigens. Ondanks de lage prijs was de kwaliteit veel beter dan verwacht. Maar ik kon zonder passen al zien dat het jurkje veel te groot was. In mijn hoofd ben ik enórm dus bestel ik alles in XL maar schijnbaar ben ik slanker dan ik denk. Leuk natuurlijk maar toen ik ging passen bleek de charmante A-lijn van het jurkje meer model hobbezak te zijn. Kak!

Wat te doen? Wat te doen? Voor ruilen had ik geen tijd. Maar een fantastisch plan kwam bij me op. Het jurkje moest sowieso gewassen worden voor het feestje die avond. En daarna gooide ik ‘m in de droger. Zo’n goedkoop prul zou vast krimpen. Ha!

Toen de droger piepte, paste ik het jurkje opnieuw. Maar het jurkje had nog steeds model hobbezak. Terugsturen was nu helemaal geen optie meer. Kwaad gooide ik het jurkje opnieuw in de wasmachine en koos een wasprogramma van 60 graden. Dat zou ‘m leren! Krimpen zou -ie! Maar ook deze hete wasbeurt doorstond het jurkje glansrijk. Je favoriete spijkerbroek, een nieuwe bloes of die leuke trui; álles krimpt in de was. Behalve dat ene ding wat móet krimpen.

Ik hing mijn big black dress in de kast en vertrok naar het feestje in een broek en een bloesje. Met pumps. Want dan lijkt het nog wat, hè. Nu heb ik twee opties: óf ik maak het jurkje kleiner óf ik maak mezelf groter. Ik naar het laatste. Want ik ben inmiddels zo gefrustreerd door dat stomme jurkje dat elke dag pizza eten ineens een heel goed idee lijkt.

Ver van huis.

‘Ga je terug naar Brabant?’ vragen mensen vaak, nu ik alleen woon. Nee, ik ga niet terug naar Brabant. Waarom zou ik terug gaan? Ooit kon ik me niet voorstellen dat ik ooit weg zou gaan uit mijn geboorteplaats. Maar toen ik jaren geleden naar Amsterdam verhuisde, merkte ik dat ze overal brood bakken en dat in een klein land als Nederland alles relatief dichtbij is. Dus blijf ik in Heemskerk.

Het valt me amper meer op dat ik aan de andere kant van het land woon. Soms loop ik in gedachten verzonken de supermarkt in. Pas als ik het bord zie met de schreeuwerige tekst ‘De goedkoopste van Heemskerk!’ bedenk ik me hoe ver ik van huis ben. Maar het bevalt me hier dus waarom zou ik vertrekken?

Ik werk in Amsterdam en dat is vanuit hier prima te doen. Oké, het zou fijn zijn om dichter bij mijn oude moedertje te wonen. Maar ik bel haar bijna elke dag en rijd zeker drie keer per maand naar haar toe. Met mijn vrienden uit Brabant spreek ik regelmatig af. In plaats van een avondje op bezoek maken we er nu een dagvullend programma van, compleet met etentjes of terrasjes. Soms hier en soms daar.

Daarnaast bevalt Heemskerk me prima. Een vriendelijk dorpje, met alles wat ik nodig heb binnen handbereik, pal tegen de duinen aan die ik zo prachtig vind. En dan die zee, hè! Dat is toch wel het grootste pluspunt van hier wonen. Gewoon even naar het strand fietsen. Ik kan daar zó van genieten. Dan loop ik over het strand en denk ik nog steeds glunderend ‘Ik wóón hier!’

‘Als ik oud ben, wil ik bij de zee wonen’ zei ik altijd. Dus nu lig ik voor op schema. Want ik ben nog niet oud. Maar ik woon wel aan zee. Toch is er één klein nadeeltje aan wonen in Noord-Holland. Ik heb al dagenlang de slappe lach om een heel flauw Brabants grapje. Ik vertel hem te pas en te onpas tegen iedereen om me heen. Maar niemand snapt ‘m hier.
Jullie wel?

Op een Brabants terras:
Ober tegen klant: Wa wilde gij drinken?
Klant: Gin-tonic, asteblieft.
Ober: Oh. Wa dan?

Niet vooruit te branden.

Sinds vorige week is mijn vakantie voorbij en ben ik weer aan het werk. Min of meer, want de meeste van mijn collega’s zijn op vakantie en aangezien zij de verslagen en rapporten schrijven die ik redigeer en controleer, is het stil. Tel daarbij op dat bij de gemeenten, die ons de opdrachten verstekken, ook iedereen vrij is. En dan snap je dat de telefoon ook niet vaak gaat.

Mijn directe collega en ik werken, sinds corona, nog steeds om beurten alleen op kantoor. Niet omdat we elkaar niet aardig vinden, hoor. Maar het bevalt ons allebei prima om thuis te werken. En dan kan alleen als de ander op kantoor is, dus wisselen we onze werkdagen nog steeds af. En omdat we het allebei zo prettig vinden om thuis te werken, hebben we een heel handig trucje bedacht. Zonder dat we het afgesproken hebben, mailt degene thuis werkt, zo rond een uur of elf naar de collega op kantoor “Als de post geweest is, kun je de telefoon wel doorschakelen naar mij en naar huis rijden, hoor!” Van dat aanbod dat we elkaar om en om doen, wordt gretig gebruik gemaakt. Degene die ‘kantoordag’ heeft, rijdt naar huis en neem vervolgens van daaruit de doorschakeling van de telefoon weer over. Zo zijn we altijd bereikbaar en werken we allebei lekker veel thuis.

Of het komt door de stilte op het werk of door het mooie weer, ik heb geen idee. Maar ik heb grote moeite om in het ritme te komen en ben niet vooruit te branden. Hoewel ik de titel ‘Niet vooruit te branden’ gebruik, zou ‘Lui’ een betere omschrijving zijn. Want lui ben ik! Ik hang op de bank of op het balkon, ik lees veel en ik schilder een beetje. Mijn administratie doe ik op het laatste moment en mijn huishouden met frisse tegenzin. De wekelijkse boodschappen heb ik afgeschaft en ik wandel vrijwel elke dag even in het zonnetje naar de supermarkt om alleen te kopen wat ik die dag nodig heb. Ik ben zelfs te lui om naar het strand te fietsen. En het gebrek aan fietstochtjes compenseer ik dan weer wel door tv te kijken terwijl ik fiets op de hometrainer.

Het voelt als een soort extended vakantie of zo. Misschien was anderhalve week vakantie toch niet genoeg en zijn mijn lijf en mijn hoofd nog toe aan een beetje rust. Wat op zich niet zo vreemd zou zijn, na de afgelopen jaren. En wie ben ik om mijn lijf en mijn hoofd tegen te spreken? Dus blijf ik nog even in de mijn extended vakantie-modus. Dat mag van mezelf. Tot aanstaande maandag; dan heb ik drie weken gelanterfand en dan sleep ik mezelf van de bank. Beloofd!