Categoriearchief: Klussen met kijkers

Leermoment – het vervolg.

1975 – Ik als bijrijder in de Efteling, met ‘hoe heette hij ook al weer’

Ooit schreef ik een logje met de titel ‘Leermoment’. Over wat je moet als je met je auto te water raakt. Met wat handige tips erbij en een verslag van de oefensessie die mijn dochter en ik deden om via het raampje uit de auto te klimmen. En – heel verstandig – ik kocht een lifehammer voor het geval we ooit een kanaal in zouden rijden.

Die lifehammer was sowieso geen overbodige luxe. Want ik reed destijds in een Fordje Ka met een identiteitscrisis. Mijn Fordje Ka was er heilig van overtuigd dat ze Christine was, de rood-witte 1958 Plymouth Fury uit het boek van Stephen King. Ze deed precies wat ze zelf wilde. Zo liep het klokje op mijn dashboard achteruit en liet ze haar haar groeien. Of ze besloot zomaar ineens dat ik de ramen niet open mocht doen. Dat ik tijdens deze rit geen ruitje ingetikt heb, komt omdat ik met mijn haren vast zat tussen het raam en mijn lifehammer niet bij kon. Want die lag in het dashboardkastje.

En dat is stom, natuurlijk. Het zal je gebeuren, zeg. Dat je het kanaal inrijdt en eerst je dashboardkastje open moet zien te krijgen. En dan je lifehammer moet zoeken, tussen de zonnebrillen, pennen, tankbonnetjes en cd’s. En áls je hem dan eindelijk te pakken hebt, moet je hem nog uit de houder krijgen. Want niet mee zal vallen want inmiddels zal het water wel zo hoog staan dat je natte handen hebt. Maar toch is mijn lifehammer nooit verder gekomen dan het dashboardkastje. En toen we in 2012 een andere auto kochten verhuisde de lifehammer van het ene dashboardkastje naar het andere waar hij dus al jaren ligt te schuiven als ik de bocht om ga.

Gisteren stofzuigde ik mijn auto uit en gaf ik het interieur een sopje. In het dashboardkastje kwam ik hem weer tegen. Mijn lifehammer! En in een verstandige bui heb ik het ding vastgemaakt zoals het hoort. Mooi is anders maar na vijftien jaar zit-ie eindelijk waar-ie hoort. Binnen handbereik! Ik hoop opnieuw vurig dat ik hem nooit nodig zal hebben. Want ik heb geen idee of ik vijftien jaar later nog steeds door mijn autoraampje pas.

Miscommunicatie.

Ook al werkte het weer niet mee; het moest gebeuren. Grote schoonmaak van mijn balkon. Een keer per jaar, in de lente, haal ik alle vlonders van mijn balkon en veeg ik al het zand (en kattenhaar! Veel kattenhaar!) wat er onder terecht is gekomen op. Een prutklus maar daarna is alles wel lekker schoon.

De dag daarvoor waren we bij dochterlief gaan eten. ‘We hebben nog een stuk kunstgras over. Wil jij het hebben?’ vroeg ze. ‘Neuh’ antwoordde ik tussen twee happen door en daarmee was het onderwerp afgedaan. Maar toen ik naar mijn versleten vlonders zat te kijken, moest ik daar weer aan denken. Want mijn vlonders hebben hun beste tijd wel gehad. Ik was van plan mijn vlonders elke winter in de berging te leggen. Maar steeds als het winter werd, was ik daar te lui voor onze berging te vol. Ik zou de vlonders kunnen beitsen maar daar heb ik helemaal geen zin in. Een stukkie kunstgras zou dé oplossing zijn.

Dus ik appte mijn kind: ‘Hoe groot is dat kunstgras eigenlijk wat jullie over hebben?’ Kind appte terug: ‘4×5 ongeveer’. Wow! Mijn balkon is 3x2m2! Ik schoot meteen in stuitermodus en stapelde alle oude vlonders op. Ik veegde het vuil op terwijl ik me afvroeg of kunstgras zwaar is. Het is dat Michelle op dat moment niet thuis was, anders was ik al in de auto gesprongen om het kunstgras op te halen. Ongeduldig wachtte ik tot ze thuis was en het restant kunstgras opgemeten had. Ondertussen appte Michelle maar door over speciaal tape waarmee je stukjes kunstgras aan elkaar kunt plakken. Ik snapte er niks van. 4x5m2 was meer dan genoeg voor mijn balkon.

En toen was ze eindelijk thuis en dook ze meteen de schuur in om het restant kunstgras op te meten. Ze stuurde me een foto van een strook van 4 meter breed. En 85 centimeter lang. Dat gaat ‘m niet worden. Verwarring alom. Mich vroeg zich verbaasd af hoe ik kon denken dat ze maar liefst 20m2 kunstgras óver zouden hebben. Ik antwoordde dat ze dat zélf gezegd had en sloeg haar met haar eigen appje rond haar oren. Ze bleek het woord ‘over’ in mijn Whatsapp compleet gemist te hebben.

En natúúrlijk had ik gewoon mijn versleten vlondertjes terug kunnen leggen. Bij gebrek aan kunstgras. Maar iedereen die mij kent, weet dat dat geen optie meer was. Mijn dochter mist vier letters in een appje en – poef! – ik heb een nieuwe balkonvloer*. Zo gaan die dingen bij mij. Jammer  van de weersvoorspelling voor komende week.

*nog zo’n coronaregel waar ik zeer tevreden mee ben: de pick and collect-service van Ikea. Je bestelt je spullen en kiest een ophaalmoment. Je rijdt op het gekozen moment naar de Ikea-parkeerplaats en checkt in via de knop in de e-mail die je ontvangen hebt. En dan komt er iemand van Ikea de spullen naar je auto brengen! Juich! Ik zeg: houden zo! Niks meer aan doen!

Jeuk.

Pap en mam in 1992

Nu mijn moeder verhuisd is, zijn wij, kinders, druk bezig met het leegmaken van haar huisje. We hebben geprobeerd haar kamer in het verzorgingstehuis zo veel mogelijk in te richten met haar eigen meubeltjes en spulletjes zodat haar kamer als ‘thuis’ voelt. Dat lijkt te lukken. Ze heeft het best goed naar haar zin, gelukkig! En de spullen die overblijven zijn verdeeld of verkocht. Het is raar om haar kasten leeg te ruimen. Maar ik besef ook dat we boffen dat we dit nu doen, terwijl onze moeder nog leeft en tevreden in haar kamer zit.

Bij het leegmaken van haar nachtkastje, vind ik een raar voorwerp. Het is een plastic strip. Het lijkt op zo’n strip die je wel eens ziet om de verschillende delen van een achterwand van een kast bijeen te houden. Alleen is het uiteinde krom en een beetje verbrand. Zo te zien is het plastic warm gemaakt en zo omgebogen. Verbaasd kijk ik naar het voorwerp. Ik herken het onmiddellijk als een creatie van mijn vader en ik zie ineens een heel bekend tafereel voor me.

Zittend op het bed van mijn ouders, zie ik voor me hoe ze vroeger, toen mijn vader nog leefde, samen op de bank zaten. ‘Ahhh, Nico!’ zegt mijn moeder ‘Ik heb zo’n jeuk op mijn rug! Krab eens even!’ Ik zie mijn moeder voorovergebogen op de bank zitten. Mijn vader naast haar, achterover geleund tegen de kussens van de bank, wrijft voorzichtig over mijn moeders rug. Mijn moeder zucht tevreden ‘Ha! Lekker!’

‘Wacht maar, Jopie’, hoor ik mijn vader zeggen en ik zie ‘m opstaan. In de keuken trekt hij z’n slippers aan en schenkt een restje koude koffie in zijn emaille kroes. Met zijn koffie loopt-ie de tuin door naar zijn schuurtje, dat in de buurt ‘Klein Gamma’ genoemd werd. Mijn vader had álles in de schuur. En wat-ie niet had, maakte hij zelf. Ik zie voor me hoe hij zijn koffie op de werkbank zet, een shaggie draait en zoekend rond kijkt. In de opbergvakken tegen het plafond vindt hij een plastic strip.

Met een ijzerzaagje zaagt hij er een stuk af en zet het uiteinde vast in de bankschroef. Hij pakt zijn blauwe gasbrander en steekt ‘m aan. Voorzichtig verwarmt hij het uiteinde van de plastic strip. Met behulp van een tang en een buisje maakt hij een boogje aan het uiteinde. Als de strip afgekoeld is, schuurt hij de scherpe hoekjes er af en loopt ermee naar binnen. Naar mijn moeder. ‘Kijk eens, Jopie!’ zegt hij en hij overhandigt haar een rugkrabber. Want stel je voor dat zijn Jopie jeuk op haar rug krijgt, terwijl hij op zijn werk is.

30 jaar later sta ik in mijn moeders kamer in het verzorgingstehuis. ‘Kijk eens, Mam! Je rugkrabber!’ roep ik terwijl ik mijn vaders creatie tevoorschijn haal. ‘Och’ zegt mijn moeder ‘Die is oud! Die heeft je vader nog gemaakt’. Maar de rugkrabber mag weg, besluit ze. We kunnen niet álles bewaren wat met mijn vader te maken heeft. Ik neem de rugkrabber mee naar huis. En daar gooi ik ‘m weg. Maar niet voordat ik er een foto van gemaakt heb. En het verhaal ervan opgeschreven heb. Blijft-ie toch een beetje bewaard.