Categoriearchief: Me, myself and I

Brugge 2022.

Dat de jaarlijkse stedentrip met mijn dochter een groot succes is, is algemeen bekend. Het is elke keer weer een feestje dat zij alles regelt en haar oude moeder op sleeptouw neemt. Het enige wat ik hoef te doen, is achter haar paardenstaart aan te lopen en dan komt alles goed. Dit jaar probeerden we een nieuwe variant van de ‘moeder-dochter-stedentrip’. Het werd een ‘met de moeders op stap-stedentrip’! want we gingen met z’n vieren. Michelle, Robby, Robby’s moeder en ik!

De moeder van Robby en ik kunnen het goed samen vinden. Ze is creatief, geen meisje-meisje en ze houd van honden. En als gemeenschappelijke deler hebben wij natuurlijk de állerleukste kinderen van de hele wereld. Dus het klikt wel. En het had wel wat om achter in de auto te zitten bij onze kinderen. Het eerste half uur van de reis vroegen we om de haverklap of het nog ver was. We zeurden om snoepjes, we wilden kinderliedjes op de radio en we riepen regelmatig dat we moesten plassen. Maar als snel waren we zo druk met elkaar in gesprek dat we vergaten te zeuren.

We kwamen vrijdagavond laat aan in Brugge maar werden gastvrij welkom geheten door de eigenaresse van onze B&B. We deden nog ergens een drankje en doken op tijd ons bed in. De volgende dag stonden we vroeg op en doorkruisten we heel Brugge. We vergaapten ons aan de mooie panden, de mooie doorkijkjes en de leuke hofjes. We winkelden, wandelden en kletsten. We gingen heerlijk lunchen en dineren. En ‘s avonds belandden we in een wijnbar en in een heuse cocktail bar. En hele belevenis voor iemand die het liefst huiswijn van de Appie drinkt.

De volgende ochtend reden we naar huis. Met een tussenstop in Vlissingen, waar we wandelden over de boulevard en gezellig lunchten. En top weekend was het! Ik denk dat we van de ‘met de moeders op stap-stedentrip’ ook maar een traditie van moeten maken.

Het cirkeltje is rond.

Nieuwveerbrug 2022

Mijn vader werkte bij de NS als brugwachter bij de Nieuwveerbrug. De brug over de Mark, bij het knooppunt Zonzeel, pal naast de A16*. Hij opende de spoorbrug voor schepen die voorbij kwamen door de seinen op het spoor op rood te zetten en de brug open en dicht te draaien. Een procedure die bijna een half uur in beslag nam. De kunst was om de brug op het juiste moment te draaien. Het was niet de bedoeling dat de treinen moesten stoppen omdat de brug open stond. Dus kende mijn vader de dienstregeling uit zijn hoofd en wist hij precies wanneer hij schippers door kon laten.

Wachtend op schepen, vermaakte hij zich prima. Hij hield van vissen dus dat deed hij daar veelvuldig. Ooit heeft-ie mij geprobeerd enthousiast te maken voor de vissport. Maar ik moest niets hebben van het aas dat aan het haakje moest. En toen ik vervolgens alleen maar een stuk prikkeldraad op viste was de lol er snel af.

Mijn vader tuinierde graag en elke zomer stond het tuintje bij de brug vol bloeiende planten. En iedere dag nam hij een grote tas met boeken mee naar zijn werk. Hij moet ontelbare uren hebben zitten lezen daar, in de ‘keet’ zoals wij het kleine huisje naast de brug noemden, terwijl de treinen anderhalve meter verderop voorbij raasden.

Mijn vader maakte zijn doodsaaie baan leuk. Automobilisten die even verderop door de rode lichten vlak voor een trein langs de overweg overstaken, liet hij stoppen als ze langs de keet reden. Met zijn spoorpet op gaf hij ze een reprimande. Maar de schippers die ‘s nachts aankwamen, als er geen brugwachter was, meerden aan en gingen rustig slapen in de wetenschap dat mijn vader hen wakker kwam maken zodra hij ‘s morgens vroeg bij de brug aan kwam. Hij keek uit op het land van boeren en tuinders en hield een oogje in het zeil. Als blijk van waardering kwamen ze vaak langs om een praatje te maken. “Heddè koffie, Nico?” En mijn vader had altijd koffie.

In 1993 overleed mijn vader, pas 61 jaar oud. Na zijn crematie op een stralende zaterdag in oktober, moesten wij beslissen wat er met zijn as moest gebeuren. Het liefst hadden wij zijn as uitgestrooid in de Mark. Bij de brug, bij zijn plekje. Maar in 1993 mocht dat nog niet. Dus kozen wij voor uitstrooien op het strooiveld bij het crematorium. Ik zal nooit de wanstaltige vertoning vergeten op die koude dag in december. Mijn moeder, mijn ene broer, mijn zussen en ik keken toe hoe mijn andere broer achtjes liep over het strooiveld. Met een of andere koperen bus waar de as uit stroomde van wat ooit mijn vader was.

Mijn vader was een grote man en mijn broer bleef maar achtjes lopen. Het waaide enorm die dag en geschokt keek ik toe hoe de as om mijn broers voeten wervelde. Mijn oog viel op de omslagen in zijn broek en ik kon alleen maar denken “Als hij vanavond zijn broek uit trekt, valt Pa er uit”. Ik ben nog één keer terug geweest naar het strooiveld. Een jaar later, met een bos bloemen. Het deed me niks. Ik ben weggegaan zonder een traan te laten en nooit meer teruggegaan. Waar mijn vader ook is; daar is hij zeker niet.

Vorige week ging ik op bezoek bij mijn moeder in het verzorgingstehuis waar ze na een crisisplaatsing terecht kwam. Niet het tehuis waar ze op de wachtlijst stond. Geen tehuis dat bij ons op de lijst met geschikte locaties stond. Maar toeval of niet; het tehuis waar ze terecht kwam, ligt hemelsbreed 600 meter van de plek vandaan waar de keet van mijn vader stond. Als mijn moeder ‘s nachts op bed ligt, hoort ze de treinen rijden. Over datzelfde spoor waar mijn vader zo lang werkte.

Toen ik die dag bij mijn moeder wegging, besloot ik even langs de brug te rijden. Er zit allang geen brugwachter meer. En de keet is lang geleden gesloopt. In niets lijkt het nog op dat bijzondere plekje van vroeger. Ik liep wat rond en stond een tijdje onder het viaduct over de A16 te mijmeren. Over hoe ontzettend braaf wij waren, destijds in 1993. We hadden mijn vader gewoon stiekem daar uit moeten strooien. Er zou echt niemand langs zijn gekomen om te controleren of hij nog in zijn urn zat.

Ik maakte maar weer eens foto’s en pinkte een traantje weg. Want ik weet dat mijn vader daar niet is. Niet echt. Maar het voelt wel zo. Daar bij de Mark, bij het spoor. Op zíjn plekje met uitzicht over de landerijen. Daar voelt-ie altijd heel dichtbij. Vlak bij mijn moeder. Of het toeval is, weet ik niet. Maar mooi is het wel. Mijn ouders zo dicht bij elkaar. Het maakt het cirkeltje rond.

*Ik zet de exacte locatie er expres bij. Ik reken er op dat niemand van jullie ooit nog knooppunt Zonzeel passeert zonder even aan mijn vader te denken. Begrepen?

Bijschrift bij de foto’s:

Nieuwveerbrug 2022: Onherkenbaar. Hier ergens was het.
Nieuwveerbrug 1977: Toen mijn vader er pas werkte. De trein die je ziet is een ‘hondekop’.
Nieuwveerbrug 1992: Op bezoek bij mijn vader (en zes maanden zwanger).

Ergernissen.

 

In de auto zitten en je autosleutel kwijt zijn.

‘s Avonds denken dat je je haar nog niet hoeft te wassen als je gaat douchen. En ‘s morgen wakker worden met haar dat wél gewassen had moeten worden die avond daarvoor.

Of ‘s avonds laat je tanden poetsen voor de badkamerspiegel en ontdekken dat je haar echt geweldig zit. En dan ‘s morgens weer wakker worden met een coupe wanhoop.

Er op je werk pas achterkomen dat je verkeerde sokken aan hebt. Van die sokken die afzakken in je laarzen. Of je riem vergeten om te doen en op kantoor de hele dag je broek op moeten hijsen.

Tubetjes secondenlijm. Die lijm plakt álles aan je vingers. Maar bij de onderdelen die je aan elkaar wilt plakken, werkt dat niet. Zo’n tubetje krijg je ook nooit meer open. Want het dopje plakt wél muurvast.

Dat je in de auto – heel cool – je tegenligger met groot licht wil seinen dat hij eerst mag. En dat je dan aan het verkeerde hendeltje trekt. En heel charmant een scheutje ruitenwisservloeistof op de voorruit kletst.

Of rijdend ontdekken dat je rechter buitenspiegel beslagen is. Gelukkig heb ik mijn rijbewijs gehaald toen rechter buitenspiegels nog niet bestonden. Lang leve de binnenspiegel!

Blisterverpakkingen. Vooral die waar een schaar in zit. En waar je dus een schaar voor nodig hebt om hem open te maken.

Of automobilisten die je inhalen en dan vol op de rem gaan omdat ze uit moeten voegen.

Of gewoon geen tijd hebben om een fatsoenlijk logje te schrijven.

 

De andere Johanna.

Hoewel ik niet Joods ben, is mijn achternaam dat wel. Ik heb nooit uitgezocht of er een link is. Nooit uitgezocht hoe mijn Joodse achternaam via mijn protestante vader bij mij terecht kwam. Maar bijzonder vind ik het wel. Toen ik bij haar ooit las dat zij een naam geadopteerd had bij het Holocaust Namenmonument in Amsterdam, wilde ik dat ook. Via de site adopteerde ik een steentje in het monument. Met de donatie die je op die manier doet,  draag je een klein beetje bij aan de onderhoud van het monument en – nog veel belangrijker – aan educatieve projecten over de gevaren van discriminatie en racisme.

Ik keek bij de nog beschikbare steentjes met mijn eigen achternaam en er was één voornaam die me meteen op viel. De naam Johanna. Mijn moeder heet Johanna en ik heb haar naam doorgegeven als tweede naam aan mijn dochter. En deze Johanna werd twee jaar na mijn moeder geboren. Dus adopteerde ik het steentje van Johanna. En ik was vastbesloten meer over haar te weten te komen.

In een zoektocht op Google bleek ik bizar veel gegevens te kunnen vinden over de kleine Johanna. Ik vond de namen van haar ouders, haar broers en zussen en noteerde ze samen met hun geboortedata op het schrijfblok dat ik naast mijn computer had liggen. Benedictus Nathan en Rebecca, en hun kinderen Mozes, Pinehas, David, Hartog, Mietje, Duifje, Meijer, Isaac, Gretha, Abraham en de kleine Dina. Ik vond hun adres. Ze woonden in Amsterdam, boven een café aan het Waterlooplein in Amsterdam. Tegenover de Mozes en Aäronkerk, waar nu de Stopera is.

Gek was het om al die namen te zien staan op mijn schrijfblok. De familie van die andere Johanna. Maar ook wel mooi. Dat na al die tijd hun namen weer verschenen.  Want zelf zijn er niet meer. Achter alle namen heeft iemand met rood potlood een notitie geschreven. ‘Trpt 10-11-1942’. Je hebt niet veel kennis van de Tweede Wereldoorlog nodig om te weten waar die notitie voor staat. De hele familie van Johanna is op 10 november 1942 op transport gezet naar Auschwitz en daar vermoord.

Bij toeval kom ik er achter dat het oude archief niet helemaal klopt. Eén broer van Johanna, Hartog,  heeft de oorlog overleefd, ondanks de onheilspellende rode notitie achter zijn naam. En ik vind zowaar een radio-uitzending terug waarin hij vertelt over het grote gezin. Over zijn ouders, die hardwerkende mensen waren. Zijn vader ging met de lompenkar door de stad. Hij haalde tweedehands spullen op, die zijn moeder vervolgens verkocht op de markt. Zelf hielp hij zijn moeder met het huishouden en de verzorging van zijn broertjes en zusjes.

Ze woonden in een 2,5 kamer woning. Met al die kinderen. En ze waren arm. Maar toch hadden ze plezier. Met de broertjes en zusjes samen, vertelt Hartog. Tot die avond in november. De kleintjes sliepen al en de ouders zaten nog aan een kopje thee. Toen werd de deur in getrapt en kregen zijn ouders tien minuten de tijd om naar beneden te komen met alle kinderen. Hartog stond niet op de lijst en hoefde niet mee. Maar op de lijst of niet; hij wilde mee. Hij wilde zijn moeder niet alleen laten met al zijn broertjes en zusjes, van wie hij zielsveel hield. Maar zijn vader was het daar niet mee eens; hij was van mening dat Hartog misschien nog iets voor hen zou kunnen doen als hij thuis bleef.

Hartog hielp zijn moeder nog de trap af. Ze had de twee kleinste kinderen op haar arm. Daarna bleef Hartog alleen achter, eenentwintig jaar oud, in dat kleine huisje dat zonder al die kinderen ineens heel groot leek. Hij trok van het ene onderduikadres naar het andere en overleefde de oorlog. Na de oorlog ging hij elke dag naar het Centraal Station. Dan bekeek hij de lijsten met overlevenden. Maar zijn ouders en zijn broers en zussen stonden er nooit op.

Ik hoor hem praten. De grote broer van Johanna. Een oude man nu. Hij vertelt hoe dokters soms vragen of bepaalde kwalen in de familie voorkomen. “Maar dat weet ik niet”, zegt hij “Ze zijn geen van allen volwassen geworden” Na de oorlog kwam hij via het Rode Kruis te weten dat zijn ouders en zijn broers en zussen allemaal waren omgekomen. De meesten zijn bij aankomst in Auschwitz meteen vergast. Ook Johanna. Ze was pas acht.

Ik ben elk jaar twee minuten stil. Voor alle oorlogsslachtoffers. Maar dit jaar speciaal voor Benedictus Nathan, Rebecca, Mozes, Pinehas, David, Mietje, Duifje, Meijer, Johanna, Isaac, Gretha, Abraham en Dina. Die andere familie, die niet het geluk had op te groeien in vrijheid, zoals mijn familie dat wel kon. Dat laatste is best iets om heel dankbaar voor te zijn.