Categoriearchief: School

Bizarre baan.

1986. Laatste schoolfoto. Sportdag. In mijn Coolcat-trui 🙂

Het was mei 1986. Ik was 17 en zat in de vijfde klas van het VWO. En ik was er helemaal klaar mee om voor elke toets, voor elk proefwerk van pure zenuwen kotsend boven de wc-pot te hangen. Met uitzondering van wiskunde, waar ik steevast een drie voor haalde, waren mijn cijfers best goed. Maar ik had zo’n enorme examenvrees dat proefwerk-weken niet te doen waren. Toen ik hoorde dat het overgangsrapport van vier naar vijf VWO gelijk stond aan een HAVO-diploma hield ik het voor gezien en stopte ik met school, ervan overtuigd dat ik tijdens mijn examen zou sterven van de stress.

 

Mijn ouders gingen akkoord. Onder één voorwaarde: ik moest aan het werk. Meteen. En veertig uur per week. Dus dat deed ik. Zielsgelukkig dat ik niet meer naar school hoefde, pakte ik elk baantje aan dat ik kon krijgen. Ik maakte kantoren schoon, ik werkte bij een confectiebedrijf en ik zat achter de kassa bij de supermarkt. Ik was niet te beroerd om flink de handen uit de mouwen te steken. En toen mijn oudste zus, hoogzwanger, moest stoppen met haar schoonmaakbaantje was ik er als de kippen bij om haar baantje over te nemen. Dat het een redelijke bizar baantje was, maakte me geen bal uit. Ik wist van mijn zus dat haar bazin aardig was. En geld is geld, nietwaar?

En zo kwam het dat ik ineens werkte in een sexshop in het centrum van de stad. En niet zomaar een sexshop. Maar eentje met een heuse bioscoop waar erotische films werden vertoond en stripteases werden gegeven. Met videocabines, die eruit zagen als kleedhokjes in het zwembad maar dan met een tv’tje waar mannen filmpjes konden kijken. En – als klap op de vuurpijl – een echt peeskamertje waar dames het oudste beroep ter wereld uit oefenden. Aan mij, guppy van inmiddels net 18, de eer om daar schoon te maken. Voor het verpletterende tarief van tien hele guldens per uur.

De werktijden waren van 7 uur ‘s morgens tot 12 uur ‘s middags. Voor de winkel open ging, om tien uur, moest er beneden schoongemaakt worden. Als de winkel open was, kwamen de meisjes – die boven woonden – naar beneden en ging ik naar boven om hun kamers en de badkamer schoon te maken. Het pand was uiteraard volledig geblindeerd en om zeven uur ‘s morgens dus pikdonker. Mijn zus, die de eerste keer met me mee ging om te laten hoe hoe alles moest, mompelde die eerste keer dat we het stikdonkere pand ingingen, dat ze altijd bang was dat er een enge kerel achtergebleven was in de bioscoop. De hele tijd dat ik daar werkte, schuifelde ik voorzichtig de donkere bioscoop in en ik was altijd opgelucht als de lichten aan waren en er geen enge kerels bleken te zijn. Ik stofzuigde en dweilde de winkel. Ik stofte de rekken en deed de afwas die achter gebleven was in het keukentje. Fluitje van een cent. Maar dan begon de ellende. 

Want die bioscoopvloer… daar wilde je niet over nadenken. En hoewel alle videocabines voorzien waren van voldoende keukenrol en tissues vonden de heren het schijnbaar extra spannend om de muren te raken. Hoe ik het klaarspeelde om daar schoon te maken met mijn smetvrees is me een raadsel. Of heb ik daar juist mijn smetvrees ontwikkeld? Ik durf het niet met zekerheid te zeggen. Met rubberen handschoenen opgetrokken tot mijn oksels, flessen chloor, gloeiend heet water, een luiwagen en mijn verstand op nul schrobde en boende ik tot alles weer schoon was. Het was ranzig, het was goor. En toch had ik die tijd daar niet willen missen.

Omdat het de eerste les in mijn leven was in ‘niet oordelen’. Want er ging een wereld voor me open. Om tien uur kwam mijn bazin om de winkel te openen, een heel gewone jonge vrouw. En dan dronken we eerst samen koffie. Gewoon achter de toonbank. Tussen de pikante videobanden en de sexy lingerie. Zelfs dat wende. De eerste keren, durfde ik aan het eind van mijn werkdag nauwelijks het pand te verlaten, via de voordeur die uitkwam in een winkelstraat. Maar na een tijdje stond ik gewoon fluitend buiten de ramen van de etalage te zemen. Wat er in uitgestald stond, zag ik niet eens meer.

Terwijl ik ‘s morgens koffie dronk met mijn bazin, kwamen een voor een de meisjes naar beneden om aan het werk te gaan. En ze waren niet eng. Niet vies. Niet raar. Het waren hele gewone meisjes. Meisjes die grapjes maakten, lachten, chagrijnig waren, of gezellig koffie mee dronken. Die soms geen zin hadden om te werken omdat hun favoriete soap nog bezig was. Of mopperden op klanten. Als ik hun kamers schoonmaakte, keek ik mijn ogen uit naar alle dure spullen die ze hadden. De kleding, de parfums, de handtassen. De sieraden en de schoenen. En ik begreep ineens hoe moeilijk het voor hen moest zijn uit ‘het leven’ te stappen omdat ze gewend waren in één dag te verdienen waar een ander een hele week voor moest werken. Voor de tien gulden die ik er per uur verdiende, kwam zij hun bed niet uit en stapten ze zéker het bed niet in.

Ze hadden echt niet allemaal vreselijke problemen. Oké, er was Carina die schulden had door haar alcoholverslaving. En er waren zeker meisjes bij die misbruikt waren, en het nu fijn vonden om een soort ‘macht’ te hebben over mannen. Maar over het algemeen waren het gewone meiden, die op een bijzondere manier hun geld verdienden. Sommigen hadden mooie dromen. Zoals Monica. “Ik doe dit vijf jaar” zei ze altijd. “En dan koop ik een huis in Portugal”. Als ze wegging, naar een volgend filiaal, in een andere stad, liet ze altijd in elke kamer een orchidee voor ons achter.

Zij deden hun werk, ik het mijne. En ik had ook dromen. Maar die waren iets simpeler. Ik wilde gewoon mijn rijbewijs halen. En één ochtendje schoonmaken daar leverde precies genoeg op voor één rijles. Dus haalde ik mijn rijbewijs dank zij mijn meest bizarre baantje ooit.
Als ik nu terug denk aan die tijd, denk ik altijd nog eventjes aan Monica. Ik hoop dat haar droom ook uitgekomen is. En dat ze in Portugal woont nu. Ergens aan het strand. In een mooi huis, vol met orchideeën.

Wat is jouw meest bizarre baan?

Pssst! Die namen zijn niet echt, hè!

Duolingo-fan!

2014: Mangio insalata caprese a Rome

Ik nam me drie dingen voor als mijn kind uit huis zou gaan. 1. Ik zou haar de televisie mee geven en nooit meer tv kijken. Gewoon omdat ik geen tv-liefhebber ben. 2. Ik zou nooit meer koken. Want daar had ik een hekel aan. En 3. Ik zou Italiaans gaan leren. Gewoon voor de lol. Want hoewel ik absoluut niet reislustig ben, heb ik altijd al een zwak gehad voor Italië, zelfs al toen ik er nog nooit geweest was. Ik ben dol op pasta en pizza en ik vind de taal prachtig.

Maar het liep allemaal anders. Want toen mijn kind de deur uit ging, ging ik samenwonen. Met een man die in elke kamer zo’n schreeuwbak had staan waardoor punt 1. meteen sneuvelde. Punt 2. sneuvelde ook. Omdat hij het voor elkaar kreeg om mij te leren koken. Wat best bijzonder is omdat ik, in de jaren vóór ik hem kende, in grote mate verantwoordelijk was voor de stijgende omzetten van bedrijven zoals Knorr, Honig en Maggi. En punt 3. Italiaans leren… Tja, dat kwam er gewoon niet van. Ondanks mijn bezoek aan Rome in 2014,  dat de liefde voor Italië alleen maar aanwakkerde.

En toen kwam Corona. En zelfs voor mij, als rasechte huismus, leverde dat toch tijdswinst op. Al was het alleen maar door het vele thuiswerken, waardoor ik mijn reistijd ineens ‘over’ had. Ik had natuurlijk kunnen gaan Netflixen (Hahaha! Echt niet!) of nieuwe recepten kunnen gaan zoeken. Maar in plaats daarvan ging ik Italiaans leren! Want van dochterlief hoorde ik van het bestaan van Duolingo. Een app op je telefoon om een vreemde taal te leren.

En man, wat is dat leuk! Duolingo is een Engelstalige app. Dat maakt het een tikkie ingewikkeld. Want de vragen die je krijgt, moet je beantwoorden in het Engels. Win-win, vind ik persoonlijk. Want terwijl ik Italiaans leer, spijker ik mijn Engels een beetje bij. Duolingo werkt met hartjes. Elke dag krijg je vijf nieuwe hartjes. Als je een fout maakt, kost je dat één hartje. Als je hartjes op zijn, moet je wachten tot de volgende dag. Maar met iedere opdracht die je doet, verdien je edelstenen. En met die edelstenen kun je nieuwe hartjes kopen. Jippie!

Soms kun je de edelstenen die je verdient, verdubbelen door een advertentie te kijken. Want ja, ook bij Duolingo moet de kachel branden. Maar niemand verplicht je om die halve minuut ook echt te kijken. Je kunt ook even wat drinken. Of gaan plassen. Dan moet je wel heel snel zijn want zo’n advertentie duurt nog geen minuut. En daarna krijg je gewoon een hele schatkist vól met edelstenen!

De lessen zijn een soort eitjes. En je gaat steeds een eitje (un uovo, haha) verder. Soms komen er ineens barstjes in een eitje dat je eerder al gedaan hebt. Dan moet je even terug om dat lesje nog een keer te doen en de barstjes in het ei te repareren. Heel goed natuurlijk, want zo houd je wat je geleerd hebt op peil. Stap voor stap leer je woorden en zinnetjes lezen, luisteren, schrijven én spreken

Inmiddels ben ik helemaal verslaafd aan Duolingo. En ik ben verrukt over de dingen die ik leer. Ik val mijn omgeving constant lastig met mijn Italiaanse weetjes. Want weten jullie dat ‘lui taglia’ ‘hij snijdt’ betekent? Hé! Tagliatelle, weet je wel! Zo grappig! En wijsneuzerig vertel ik mijn omgeving dat een ‘panini’ helemaal geen broodje is. Het zijn er meer dan één! Want ‘il panino’ is ‘één boterham’ en ‘le panini’ is ‘de boterhammen’.

Of wat denk je van ‘farfalle’, de beroemde pasta-strikjes? Dat zijn mooi geen strikjes, hè! ‘La farfalla’ betekent namelijk ‘de vlinder’ en het meervoud is ‘le farfalle’. En kennen jullie die kleine autootjes, meestal rood? De Canta. ‘Canta’ betekent ‘Zingt’. Da’s toch geweldig? En dat ‘la balena’ ‘de walvis’ is, is toch logisch? Tenslotte heeft een walvis…. Juist! Baleinen!

Ik ben al zo ver dat ik niet meer vloek in het Nederlands. Ik vloek tegenwoordig in het Italiaans! Als iets tegenzit, roep ik gewoon keihard ’ La tartaruga mangia una mela!**’ Dat slaat helemaal nergens op maar het bekt zó lekker! En zo leer ik steeds meer.

Mocht je mee willen doen en een vreemde taal willen leren; je kunt ook vriendjes worden op Duolingo. Zoek me even op! Io sono Nicky0607***

* Ik eet salade caprese in Rome.
** De schildpad eet een appel.
*** Ik ben Nicky0607

Ode aan Sjors.

Sjors en ik, Madame Tussauds 2005

Met een geschiedenis als ‘buitenbeentje’ op de lagere school, besloot ik tijdens mijn middelbare schooltijd mijn uiterste best te doen ‘erbij te horen’. Dat bleek niet mee te vallen. De ene helft van de school zat op tennis, de andere helft op hockey. En ik bungelde daar ergens tussen in, samen met een paar andere vreemde snuiters. Op tennis of hockey gaan, ging me te ver. Ik hield het bij mijn lidmaatschap van de plaatselijke bieb maar paste me verder zoveel mogelijk aan.

Het was 1982. Ik droeg mijn schooltas bij de klep, want dat was cool. In mijn kast lagen Coolcat-truien en in mijn oren prijkten pastelkleurige plastic oorbellen. En mijn agenda was drie keer zo dik als hij hoorde te zijn door de plaatjes van popsterren die ik er in plakte. Want dat deed iedereen. Ik dus ook. In mijn onstuitbare drang ‘erbij te horen’.

Een van die popsterren was George Michael, die op dat moment, samen met zijn maatje Andrew, als Wham! de wereld aan het veroveren was. Eigenlijk had ik niet zoveel met Wham! ‘Club Tropicana’ vond ik stiekem maar een zeiknummer. ‘Young Guns’ niet om aan te horen en George vond ik net iets te. Te gladjes. Te popie-jopie. Niks voor mij. Al kon zelfs ik wel zien dat het een hele mooie jongen was.

‘Wake me up before you go go’ vond ik wel lollig. Al heb ik nooit, zoals de helft van de meiden in mijn klas, een ‘Choose life’ t-shirt gehad. Zó ver ging mijn drang om erbij te horen nou ook weer niet. Maar ik dweepte vrolijk mee met mijn klasgenootjes. Want dat hoorde zo.

Toen ik van school ging, bracht Sjors -zoals ik hem inmiddels noemde- zijn eerste solo-elpee uit. Ik had geen agenda meer waar plaatjes in moesten. Maar uit een soort gevoel van trouw kocht ik de elpee ‘Faith’. En eigenlijk viel het me toen pas op dat Sjors best aardig kon zingen. Ik was inmiddels te groot geworden om te dwepen, om fan te zijn. Maar Sjors vond ik gewoon goed.

In de jaren dat ik uitging, vroegen mijn stapvriendin en ik vaak ‘Don’t let the sun go down on me’ aan in onze stamkroeg. Zittend op het biljart zongen we de uithaal van Sjors keihard mee. En over zijn optreden tijdens het Freddy Mercury-tribute was ik laaiend enthousiast. Wat kon die man zingen! Toch hield het voor mij na het album ‘Listen without predjudice’ op.

Het had niets te maken met het feit dat Sjors eindelijk uit de kast kwam. Daar moest ik hooguit om grinniken. We hadden het kunnen weten. Toen al, in de jaren 80. Mijn klasgenootjes en ik. Maar de muziek van Sjors ging een kant op die mij niet zo lag. En mijn leven ging een andere kant op. Als jonge moeder kwam het er niet echt meer van om zittend op een biljart keihard mee te zingen. En ik verloor Sjors een beetje uit het oog.

Tot eerste Kerstdag 2016. Toen was Sjors ineens prominent in het nieuws. Omdat-ie dood was. Zomaar. Ineens. Terwijl overal ter wereld zijn ultieme Kersthit gedraaid werd, die zelfs mij elk jaar weer Kerstkriebels bezorgt, ging Sjors dood. Aan hartfalen, werd gezegd. Dat maakte het voor mij nóg schokkender. Mijn eigen Frank lag net in het ziekenhuis na een hartstilstand. Hij was er niet best aan toe maar hij lééfde nog. En die wereldberoemde, stinkend rijke Sjors ging zomaar dood.

Wat een treurig einde voor die mooie jongen uit mijn agenda. Het voelde een beetje alsof de leukste jongen uit je brugklas van vroeger is overleden. Je kent hem niet écht maar toch is het triest. Zo jong nog. En op een of andere manier krijg ik niet echt de indruk dat-ie heel happy was. Arme Sjors.

Dus dag, Sjors. Bedankt, man! Voor het draaglijk maken van mijn middelbare schooltijd. Voor al die keren zingend op het biljart. Voor alle Kerstkriebels. Jeetje. Wat kon jij zingen!

Paardenmiddel.

imageDe scholen gaan weer beginnen. In elke supermarkt liggen de schappen op de non food afdeling bomvol met geodriehoeken, arceerstiften en kaftpapier. Vandaag hoorde ik op de radio een reclamespotje waardoor ik dacht ‘Oh ja. De scholen zijn weer begonnen.’ Prioderm. Jaren niet meer gehoord. Jaren niet meer aan gedacht. Maar daar was-ie ineens: Prioderm. Luizenshampoo.

Want bij het begin van een nieuw schooljaar doken die krengen ook weer op. Hoofdluis! Dat betekende groot alarm op de kleuterschool. Want als één kind ze had, kon je er donder op zeggen dat binnen no time de voltallige kleuterklas krioelde van de luizen. Want kleuters hebben nu eenmaal de neiging om gezellig samen boven de blokkendoos te hangen. Of om knus met z’n tweetjes een puzzeltje te maken. Met hun kleuterhoofdjes dicht tegen elkaar. Waardoor complete luizenpopulaties overstapten van het ene bolletje naar het andere. Of ze wandelden op de kapstok van het ene jasje naar het andere. Zo makkelijk ging dat.

En dus was dochterlief ook ooit de klos. En natuurlijk wist ik dat het geen schande was. Dat luizen bij voorkeur op schone hoofden leven. Toch voelde het enigszins ongemakkelijk om bij de drogist een fles luizenshampoo te kopen. Maar een andere optie was er niet. Want ik werd helemaal gek van het idee dat er bééstjes op mijn kind zaten.

Dus op naar de drogist. Wassen met Prioderm. En nog een keer wassen. En nog een keer. Het beddengoed wassen, knuffels in de vriezer en kammen met de luizenkam. Úren kammen want dochterlief is gezegend met een enorme bos haar. Ze waren hardnekkig, die luizen. Heel hardnekkig. Kapitalen gaf ik uit aan luizenshampoo en ik waste beddengoed tot ik een ons woog. In mijn herinnering weekte ik dochterlief uren in ons zitbadje. Maar uiteindelijk wonnen we de strijd.

En toen, ineens, kwamen ze terug. Die krengen. Net op een moment dat het weekend voor de deur stond en de winkels gesloten waren. En ik raakte zowat buiten zinnen van het idee dat er een zaterdagavond lang én een hele zondag beestjes door het haar van dochterlief zouden krioelen. Toen viel mijn oog op de fles hondenshampoo van onze Toby. Met op het etiket een plaatje van een vrolijk hondje. En de tekst ‘tegen vlooien, luizen en teken’. Bij onze Toob werkte het. Dus…

Ik zette dochterlief in bad en zeepte haar bolletje grondig in met hondenshampoo. Terwijl ik haar nauwlettend in de gaten hield om er zeker van te zijn dat haar hoofdhuid niet ging schroeien, speelde zij rustig met haar badeendjes. “Hé mama!” zei ze “Deze shampoo ruikt net als die van Toby!” “Nou, dat is grappig!” antwoordde ik, terwijl ik haar beddengoed maar weer eens in de wasmachine stopte. En voor de zekerheid liet ik haar nog tien minuutjes weken.

Oké, haar haar was een paar dagen wat pluizig maar dat trok weer bij. En de luizen waren dood. Verdwenen. Voorgoed. Ze heeft er nooit meer last van gehad. Ook niet van vlooien en teken, trouwens.