Categoriearchief: Terug in de tijd

Dag Suus!

Auto’s doen me niets. Ze moeten klein en zuinig zijn en het doen. Meer eisen heb ik eigenlijk niet. Nou ja, ik heb liever niet dat de klok achteruit loopt, dat er haar uit de uitlaat komt of dat de elektrische ramen dienst weigeren. Maar verder moet een auto vooral starten.

En dat deed mijn auto. Een grijze Suzuki Alto, die de liefste ex in 2012 voor ons kocht. Twaalf jaar oud inmiddels en met nu maar liefst 190.820 kilometers op de teller. En nog nooit heeft Suus, zoals ik ons karretje liefdevol noemde, ons in de steek gelaten. Ze startte altijd. Ik kende haar van haver tot gort, wist blindelings alle knopjes te bedienen en ik file parkeerde haar in de kleinste parkeerplekjes.

Maar Suus werd oud. En jarenlang geparkeerd staan in Amsterdam hebben hun sporen achtergelaten. Ze zat inmiddels vol krassen en butsen. Maar het was míjn Suus. Die me keer op keer naar familie in Brabant bracht. Naar de kinders in Almere. Naar vrienden in Zandvoort, Zaandam, Oosterhout, Breda, Vlijmen, Westzaan en Purmerend. Naar de
liefste ex in Hillegom. Geen wonder dat er zoveel kilometers op de teller staan. Suus loodste me warm en droog door ontelbare files heen en bracht me veilig naar mijn werk in Hilversum en Amsterdam. Ik hield van Suus.

Maar door een heel verdrietige gebeurtenis in de familie was er ineens een auto ‘over’. En die auto werd mij aangeboden. Voor een prikkie. Voor minder dan een prikkie. Voor bijna geen prikkie eigenlijk. En alles in mij schoot in verzet. Omdat ik geen auto wilde voor zo’n klein prikkie. Maar de eigenaresse van de auto bleef stug volhouden. Ze gunde mij de auto met heel haar hart. Een auto jonger dan de mijne en met veel minder kilometers op de teller. Heel veel minder.

Ik verzette me uit alle macht. Ik kraakte zelfs het witte dak van de auto af. Waarop de eigenaresse laconiek opmerkte ‘Dan laten we het dak overspuiten’. Het dreigement dat ze, als ik bleef weigeren, zélf een auto voor me zou kopen was de druppel. Ik kén haar. Ze is er toe in staat. Na een paar nachten angstdromen van een gifgroene Ford Ka voor de deur ging ik overstag. Om die angstdromen maar vooral ook omdat ik begrijp dat ze het zo fijn vindt dat de auto in de familie blijft.

Gisteren maakte ik het laatste ritje met mijn Suusje. En ik moest ineens denken aan de reden dat de liefste ex destijds een autootje wilde kopen. Als ik op bezoek ging bij mijn moeder nam ik de trein. En hij vond dat geen fijn idee. ‘Je moeder is op leeftijd’ zei hij destijds al. ‘Als er iets gebeurt, moet je snel bij haar kunnen zijn.’ Dat moment liet gelukkig twaalf jaar op zich wachten. Maar het kwam wel. Drie maanden geleden bracht Suus me veilig naar mijn moeder, zodat ik haar hand vast kon houden terwijl ze in slaap viel om nooit meer wakker te worden. Suus heeft haar taak volbracht.

Dus heb ik Suus gisteren bij de garage ingeleverd, nog even liefdevol over haar dashboard geaaid en haar bedankt voor de bewezen diensten. En toen reed ik naar huis in mijn nieuwe auto. En jongens, wat een feest is dat! Wat rijdt-ie lekker! En wat heeft-ie veel snufjes! Ik heb een echte boordcomputer, stoelverwarming, airco, navigatie en een heuse achteruitrijcamera. Op mijn 54ste heb ik voor het eerst een echte ‘grote mensen auto’. En dat dak? Dat laten we gewoon wit.

Lieve Jij-wiens-naam-ik-hier-niet-mag-noemen, ik weet dat je mee leest. Dank je wel! Ik zal heel zuinig zijn op de auto van jouw allessie. En zolang ik in zijn auto rijd, blijft zijn telefoon gewoon gekoppeld aan de boordcomputer.
Alsof er niks gebeurd is.

Valentijn.

De boekenkast in mijn studeerkamer staat vol met boeken. En ergens tussen al die boeken staat een schattig koffertje. En dat schattige koffertje heeft een dierbare inhoud. De liefste ex ging altijd later slapen dan ik. En ik stond altijd eerder op dan hij om naar mijn werk te gaan. Elke morgen als ik opstond, terwijl hij nog sliep, was het koffiezetapparaat gevuld met bonen en water en stond mijn koffiekopje klaar. En op de salontafel zat altijd – maar dan ook echt altijd – een post-it geplakt. Met gekke tekeningetjes, met soms het gerecht wat hij die avond zou koken. Maar vooral met lieve woordjes. En kusjes. Van S + F. Van hem en onze kat. En ik heb al die briefjes bewaard. In een koffertje.

Iedere week stof ik dat koffertje gedachteloos af. Zonder er bij stil te staan. Maar deze week haalde ik het koffertje uit de kast. Geen idee waarom. Misschien omdat ik net bij hem op bezoek was geweest. We hadden samen gegeten. Mijn keukenprins van weleer heeft alleen nog maar een magnetron. Dus ik kookte thuis de chili con carne die hij zo lekker vindt en racete met de pan in handdoeken gewikkeld naar het zorgcentrum waar hij nu woont. Het eten was nog net warm genoeg toen ik daar aankwam. Maar hij had zo’n zin in een huis-gekookte maaltijd dat hij een opwarmsessie in de magnetron niet nodig vond. ‘Lekker, schat!’ zei hij met zijn mond vol. ‘Learned from the master’ grinnikte ik. En we aten ieder twee borden chili.

De volgende dag stofte ik dat koffertje vol briefjes af. En ik kon het niet laten om er in te kijken. En tot mijn grote schrik beginnen de oudste briefjes, helemaal onderin, te vervagen. De balpuntletters beginnen uit te lopen. De lieve woordjes worden langzaam onleesbaar.
Ik moet iets doen! Want ik wil die lieve woordjes voor altijd bewaren.

Plastificeren! Dat was mijn eerste gedachte. Maar die gedachte verwierp ik al snel. Dan kan ik ze niet meer voelen. Op een blanco A4-tje plakken en in insteekhoezen doen? Dat is een optie maar ik denk niet dat dat de tand des tijds tegenhoudt. Inscannen? Dat is ‘m ook niet echt. Het is ook gewoon leuk dat al die briefjes los in dat koffertje zitten. Om er af en toe even lekker in te rommelen.

Uiteindelijk bedacht ik dat ik dezelfde methode ga gebruiken die ik gebruikte voor de ontelbare knutselwerkjes van mijn dochter. Ik ga al die briefjes fotograferen en opslaan. En de originele briefjes blijven gewoon in dat koffertje. Voor altijd. En in mijn hart. Daar ook.

Lang weekend.

Vanaf het moment dat mijn dochter naar school ging, was ik op woensdagen vrij. Dat was gewoon heel praktisch omdat ze op woensdag maar een halve dag naar school hoefde. En die woensdagochtenden waren lekker! Het was fijn om niet te hoeven werken én de ochtend voor mezelf te hebben. Ik maakte er vaak een feestje van. Als ik mijn dochter naar school gebracht had, deed ik boodschappen. En dan haalde ik voor mezelf een croissantje als ontbijt. (Sorry, Mich…). Soms kroop ik zelfs terug in bed om nog even een tukkie te doen. Of ik las de hele leesmap uit terwijl ik koffie dronk.

Als ik Michelle opgehaald had van school, deden we niet veel bijzonders. Ik denk dat we naar de bibliotheek gingen. Of dat er vriendjes of vriendinnetjes kwamen spelen. Maar echt heel bijzonder was het niet. Gewoon lekker thuis. Soms een filmpje, soms knutselden we. Soms speelde Michelle in de tuin. Ik herinner me vaag dat we op woensdagmiddag altijd wel iets lekkers aten bij de lunch. Broodjes met knakworstjes of zo. Of het écht zo was of dat ik dat soort huiselijke dingen alleen van plan was, kan ik me niet eens meer herinneren.

Michelle groeide groter, ging  naar de middelbare school en was niet meer op woensdagmiddag vrij. Maar woensdag bleef mijn vrije dag, zelfs toen ik wisselde van woonplaats en van baan. Zelfs toen Michelle ging studeren en op zichzelf ging wonen. Op woensdag vrij is gewoon lekker. Je hoeft altijd maar twee dagen te werken en dan ben je alweer vrij. Bovendien vallen veel feestdagen op maandag en ben je met één snipperdag lekker lang vrij. En als ik bij een nieuwe werkgever begon, was er altijd die optie om vier dagen te werken én op woensdag vrij te zijn.

Tot ik bij mijn huidige werkgever in dienst kwam. Er waren al veel mensen op woensdag vrij. Mensen met schoolgaande kinderen. Dus koos ik een andere dag. Het werd de maandag. Ik verwachtte dat ik enorm zou moeten wennen na 27 jaar ‘op woensdag vrij’. ‘Als ik er woensdag niet ben, moeten jullie me even bellen’ grapte ik tegen mijn nieuwe collega’s. En zij beloofden op hun beurt om me naar huis te sturen als ik op maandag op het werk zou verschijnen.

Eigenlijk is die maandag vrij extra lekker omdat iedereen tegen de maandag aan zit te hikken en ik dan lekker nog een dagje vrij ben. Ik, daarentegen, hik een tikkie tegen de dinsdag op. Maar niet zo heel erg, want tenslotte heb ik na vier dagen werken een lang weekend. Alwéér! Ik was er binnen no time aan gewend en heb me nog niet één keer vergist. En ach, die eerste Paasdag en eerste Pinksterdag neem ik op de koop toe.

Als ik wil, kan ik nog wisselen, waarbij vrijdag geen optie is. Dus…
Hebben jullie een vaste vrije dag? En waarom die?

Terug naar St. Martinus.

Toen mijn moeder overleed waren mijn broer en ik het er al snel over eens: we wilden ‘iets leuks’ doen voor St. Martinus, het zorgcentrum waar mijn moeder de laatste drie jaar van haar leven woonde. Het was niet het zorgcentrum waar ze graag wilde wonen. Maar nadat ze steeds vaker zomaar omviel kwam ze via een crisisplaatsing daar terecht.

Ik had net de boeken van Hugo Borst gelezen en zoveel horrorverhalen gehoord dat ik mijn hart vasthield. Maar het viel alles mee. In het dorp waar het zorgcentrum staat is niets te doen. Maar dan ook echt niets. Er zijn geen winkels, geen terrassen, er is zelfs geen pinautomaat. Er is alleen een snackbar waar we in de zomer ijsjes aten en een speeltuin waar we soms met ons moederke in de rolstoel heen wandelden.

Maar het zorgcentrum zelf is fantastisch. Mijn moeder had er een prachtige kamer. Er komen meerdere keren per week vrijwilligers koken dus het eten is goed. En als mijn moeder iets niet lustte, werd er een ei voor haar gebakken. Ze had de grootste lol met de zorgmedewerkers. Regelmatig las ik in het dossier terug hoe ze tijdens de verzorging van mijn moeder met z’n allen de slappe lach gekregen hadden. En als mijn moeder bang, verdrietig of ziek was, was er altijd wel iemand die gewoon even bij haar ging zitten. Om haar gerust te stellen of gewoon even haar hand vast te houden.

Op een koude middag reden mijn broer en ik naar het tehuis waar we in oktober vorig jaar voor het laatst waren. We meldden ons via de intercom en vertelden wie we waren. We kregen geen vragen, de deur zwaaide meteen uitnodigend voor ons open. Mijn broer en ik stapten binnen en liepen door de eetzaal richting de trap. We zwaaiden naar de bekende gezichten van mijn moeders huisgenoten. En zij zwaaiden blij terug. De trap op naar boven, zoals we zo vaak deden. Deze keer zonder tas met schone was. Maar wel met een bos bloemen. En een envelop met inhoud.

In het kantoor van de verpleging dronken we koffie met een paar medewerkers. We overhandigden de bloemen en de envelop. En uiteraard waren ze er blij mee. We kletsen bij en haalden herinneringen op. Aan het mooie feest dat mijn moeder afgelopen zomer nog vierde. Aan hoe ze altijd maar bezig was haar kamer schoon te houden. Aan de lol die ze met mijn moeder hebben gehad. Aan hoe vrolijk onze moeder meestal was. Het was gek om daar te zitten. Twee deuren van de kamer van mijn overleden moeder vandaan.

Ik had de neiging om op te staan en haar kamer in te lopen. In mijn verbeelding kon ze daar best nog zitten. In haar rolstoel. Ik zou binnen stappen en zeggen “Hoe gaat het vandaag met de liefste moeder van de hele wereld?” Ze zou verbaasd opkijken omdat ze vaak vergat wanneer ik langs zou komen. Haar verbaasde koppie, die lieve lach. Ik kon het gewoon voor me zien. En haar horen zeggen “Ik zal even koffie zetten!” Want dat blééf ze zeggen, terwijl ze dat al jaren niet meer kon.

Maar ik bleef zitten waar ik zat en dronk mijn koffie op, in het kantoortje van de verpleging. Omdat ik weet dat er nu iemand anders in mijn moeders kamer woont. Uiteindelijk stonden mijn broer en ik op. En terwijl we handen schudden en definitief afscheid namen, zei de zorgmedewerkster “Wij missen haar ook.” Dat deed me goed.