Categoriearchief: Terug in de tijd

30!

Tjonge. Dat was toch wel een dingetje. Mijn eigen leeftijd; daar heb ik niet zo’n moeite mee. Maar dat dochterlief afgelopen weekend 30 werd, vond ik wel gek. Al is het alleen maar omdat de afgelopen dertig jaar zo snel gingen. Ik knipperde twee keer met mijn ogen en BAM! Ze is dertig! En natuurlijk moet ik daar een logje over schrijven. Maar ik durf niet meer. Ik heb al zo vaak geschreven hoe lief en leuk mijn dochter is, dat weten jullie nu wel. Zelfs een filmmontage maken was geen optie. Die maakte ik vorig jaar al. Waarmee ik mezelf dus behoorlijk in de vingers sneed. Dus wat dan?

Ik zeg het gewoon nog één keer: het is een feest haar moeder te zijn. En er gaat geen dag voorbij dat ik er me niet bewust van ben, hoe ik geboft heb. Maar dat gezegd hebbende, kunnen we over naar iets anders. Het verschil tussen 30 jaar geleden en nu, bijvoorbeeld.

1992 was het. En toen Michelle geboren werd, stond ‘You are my destiny’ van Lionel Richie op nummer 1 in de top 40. Ik draai het nummer nooit meer, maar ik vind de tekst nog steeds bijzonder. Mijn telefoon zat aan een kabeltje dat uit de muur kwam. En – dat was hip toen – ik had een antwoordapparaat! Met zo’n heel klein cassettebandje er in. Als je een boodschap had, moest je eerst het bandje terug spoelen.

Ik had geen auto, wel een fiets. Van elektrische fietsen had nog niemand gehoord. Gewoon trappen. Vaak hard trappen als je wind tegen had. En nat regenen. Zo vaak dat ik me toen heilig voornam; als ik ooit een auto heb, regen ik nooit meer nat. Dat blijkt in de praktijk toch niet helemaal haalbaar. Ik heb een auto maar ik regen nog steeds nat op de fiets. Op de terugweg.

We betaalden nog met guldens. Ik woonde in een leuk appartementje boven een winkelcentrum. Ik had één slaapkamer, dus Michelle heeft – tot onze verhuizing toen ze tien maanden was – bij mij op de kamer geslapen. De huur van mijn appartement was ƒ 711,-. Ik vond dat kneiterduur destijds. Terwijl het nu, omgerekend, € 322,64 zou zijn. Spotgoedkoop! Ik werkte bij CZ, het ziekenfonds in Tilburg. En volgens mij verdiende ik rond de ƒ 1100,-. Omgerekend zou dat € 499,- zijn! Een vetpot was het dus niet. Maar ik had niet veel nodig. Mijn enige luxe was de leesmap. Boeken haalde ik bij de bibliotheekbus, die elke week achter mijn huis stond. En af en toe kocht ik een cd. Want van MP3’tjes had nog niemand gehoord.

Steamingsdiensten bestonden nog niet. We keken Nederland 1, 2 of 3. En RTL-Veronique, dat uitzond vanuit Luxemburg. Dat werd later RTL. Ik keek Rosanne en Full House. Favoriet waren Dharma and Greg en Columbo. En als ik hoogzwanger niet kon slapen ‘s nachts, keek ik Oprah Winfrey. “You get a car! And you get a car! And you get a car!” Het kon niet op, die gekkigheid in Amerika. Als ik bij mijn ouders bleef eten, keek mijn moeder naar Jerry Springer. In alle staten was ze, als de gasten elkaar weer eens in de haren vlogen. Hoe vaak mijn vader en ik haar ook vertelden dat het doorgestoken kaart was; ze geloofde ons nooit. 

In 1992 opende Disneyland Parijs haar deuren. Jarenlang kreeg ik rond de verjaardag van Michelle altijd wel een of andere jubileum-aanbieding in de bus. We zijn er jaren later ooit een keer heen geweest, samen met mijn zus en mijn nichtje. Maar we vonden er niet zo heel veel aan. Het was november en mijn zus en ik waren de kou en de regen zó beu dat we tegen onze dochters gelogen hebben dat de lichtjesparade niet door ging omdat het regende. Ze slikten ons verhaal voor zoete koek en speelden verder in de gangen van het hotel wat ze veel leuker vonden dan dat hele stomme park. Laatst zag ik weer een reclame voorbij komen. “Disneyland Parijs bestaat 30 jaar!!” En elke keer denk ik dan ‘Oh ja, da’s waar ook’. 

Maar het meest vreemde was dat er geen internet was. We hadden geen Google en geen email. Als ik iets wilde weten, belde ik mijn vader die meestal wel een antwoord wist. Ik had een penvriendin in Zwitserland, met wie in een innige briefwisseling onderhield. Handgeschreven brieven, compleet met foto’s. En als je iemand wilde spreken dan belde je gewoon naar iemands vaste telefoonlijn. Met bijhorende netnummer, dat verschilde per stad. Even een berichtje sturen of een foto was er niet bij. Ik was al diep onder de indruk van de fax die jaren later op mijn pad kwam. Want zelfs die bestond nog niet in 1992.

En als ik dit zo op een rijtje zie, kan ik niet ander dan concluderen dat ik écht oud aan het worden ben. Maar goed, dat kan wel kloppen. Ik heb tenslotte een dochter van dertig!

Wat herinner jij je nog van 1992?

Project ‘Draak’.

Toen mijn moeder naar een zorgcentrum verhuisde, nam ik een schilderij mee dat bij haar in de gang hing maar waar ze in haar kamer geen ruimte voor had. Het was niet zo dat ik het schilderij nou zo mooi vond. Het was gewoon een Ikea-schilderijtje. Een houten lijst met een prentje van blauwe tulpen erin. Maar voordat het bij mijn moeder in huis hing, hing het bij mij in de huiskamer. In mijn huis in Breda. En dat maakte het schilderij bijzonder dus nam ik het mee. 

Het stond een jaar lang te verstoffen hier, ergens achter een deur. Tot het tijd werd om mijn huis opnieuw in te richten. Ik sleepte met spullen, ik schilderde muren groen en ik sloeg aan het herinrichten. En toen ik klaar was, hing ik mijn oude schilderij aan de muur. Daar sloeg het als een tang op een varken. Want de blauwe tulpen kleurden voor geen meter bij mijn vers-geschilderde groene muren. 

Rond diezelfde tijd maakte ik een kleine aquarelletje dat hoorde bij mijn lievelingsgedicht. En ineens viel het kwartje! Ik besloot opnieuw een aquarel te maken van die draak. Wat groter. En deze keer zou de draak groen worden! Dan zou hij in mijn interieur passen en dan kon in hem in de lijst doen waar nu de blauwe tulpen woonden. Enthousiast ging ik aan de slag. Maar aquarellen valt nog niet mee. En de perfectionist in mij liet zich veelvuldig horen. Met als gevolg dat de draak wekenlang op mijn tafel lag. 

Steeds weer zag ik iets wat mooier kon. Of beter. Of donkerder. Misschien nog een beetje geel daar. En kon dat groen daar niet wat donkerder? Op de achtergrond nog een beetje meer kleur. Tot ik me uiteindelijk realiseerde dat ik nooit tevreden zou zijn. Ik zal altijd dingen blijven zien die mooier kunnen. Of beter. Of donkerder. En dus deed ik het meest verstandige; ik deed de draak in de lijst en hing ‘m boven de eettafel. 

Als ik nu nog iets wil veranderen moet ik ‘m eerst uit de lijst halen.
En dat is me echt teveel moeite. Dus bij deze verklaar ik project ‘Draak’ gesloten.
Goed is goed.

De meeste mannen deugen.

Jarenlang werkte ik als secretaresse bij een vrachtwagengarage. Als enige vrouw tussen een stuk of dertig vrachtwagenmonteurs. Geloof me, dat is een apart slag man. Over het algemeen zijn ze iets grover in de mond, iets meer onbehouwen dan de gemiddelde man. “Kun je daarmee omgaan?” werd me gevraagd tijdens mijn sollicitatiegesprek. “Natuurlijk!” zei ik. Pure bluf want eigenlijk was ik best verlegen.

En toen zat ik dus op mijn eerste werkdag als enige vrouw in de kantine tussen 30 brallende mannen. De gespreksonderwerpen varieerden niet echt, het ging voornamelijk over voetbal en bier tijdens mijn pauzes die eerste week. En voor de afwisseling werd er af en toe een vrouwonvriendelijke mop over tafel geslingerd. Ondertussen waren alle ogen op mij gericht om te peilen hoe ik zou reageren. Maar ik hield gewoon mijn mond en observeerde. Ook op dag twee. Tot ik in de gaten wie de ‘aanvoerder’ was.

Op mijn derde werkdag zat ik weer in de kantine. Toen er weer een flauwe grap voorbij kwam, haalde ik diep adem en sprak een van de monteurs aan. Die ene, met de meeste praatjes van allemaal. Alle ogen waren op mij gericht. Met vlekken in mijn nek en blozend tot en met zette ik hem met een man-onvriendelijke mop te kakken. Terwijl hij grijnsde als een boer met kiespijn, lag de rest onder tafel van het lachen. En sinds die dag zat ik op rozen.

Zodra ik iets moest dragen dat zwaarder woog dan een A4-envelop, stonden er minstens 15 mannen klaar om het voor me op te tillen. Alle deuren werden voor me open gehouden en als we met z’n allen een drankje gingen doen in een naburig dorp, fietste er altijd eentje met me mee naar huis zodat ik niet ’s nachts alleen over straat hoefde. Als ik een raar rammeltje hoorde aan mijn auto, schoven de roldeuren van de werkplaats open. “Rijd ‘m maar effe binnen, meiske”. En als ik thuis, voor de deur panne had, kwam de servicebus voorrijden. Een van de verkopers bracht mij en mijn dochter ’s nachts naar Schiphol toen we op vakantie gingen (wat een avontuur was dát!) en ik mocht altijd de bedrijfsauto lenen. En die monteur met die praatjes en ik werden dikke vrienden, trouwens.

Daar stond tegenover dat ik op warme dagen ijsjes voor de heren haalde bij de benzinepomp. Of dat ik op koude winterdagen bekertjes loeihete koffie bij hun smeerput zette omdat het zo koud was in de werkplaats. Dat ik nooit mopperde als ik weer eens smeer op mijn kleren kreeg. Dat ik precies wist wie er koffie dronk en wie thee. Dat ik een kratje bier mee bracht voor de vrijmibo als ze mijn autootje weer eens gefixt hadden. Dat ik pleisters plakte en koude, natte doeken haalde bij ongelukjes in de werkplaats en geduldig luisterde naar al hun problemen. Want in de kantine bleken de gesprekken wel degelijk over andere dingen te kunnen gaan dan over voetbal en bier. De toestand in de wereld, relatieproblemen, de opvoeding van de kinderen, alles kwam voorbij.

Mijn dochter was er kind aan huis. Tijdens schoolvakanties ging ze mee naar mijn werk. Ze frankeerde de post en hielp mee in de kantine. Ze reed mee in de vrachtwagens als er proefritjes gemaakt moesten worden en ze speelde kappertje met de monteurs tijdens de lunchpauze. En die grove taal was een stuk minder als zij in de buurt was.

Een wereldbaan was het. Ik heb nog nooit zoveel gelachen op mijn werk als daar. En ik kreeg er kansen tot en met. Vol vertrouwen werden allerlei klusjes op mijn bord gegooid. Daarna lieten ze me met rust omdat ze wisten dat het goed kwam. Dat kwam het ook altijd. Ik leerde er veel, van het uit elkaar halen en weer in elkaar zetten van koffieautomaten en printers, tot het in elkaar flansen van spreadsheets in Excel, het maken van PowerPointpresentaties en ik leerde mezelf allerlei handige dingen in Word. Maar het meest waardevolle was dat mijn zelfvertrouwen tegen de klippen van de hel omhoog groeide. Toen ik er na acht jaar weg ging was ik allang niet verlegen meer.

Het was 1998 toen ik daar ging werken. Niemand had nog van #metoo gehoord en je wist destijds dat je niet in een ‘mannenwereld’ moest gaan werken als je daar niet tegen kon. In deze tijd, vol verhalen over grensoverschrijdend gedrag, moet ik nog wel eens aan mijn ex-collega’s denken. Op geen enkel moment heb ik me onveilig gevoeld tijdens de acht jaar dat ik daar werkte. Nooit. Niet met dertig mannen in de kantine. Niet met vijf van hen in de kroeg. Niet met twee in het magazijn. Of met één in een auto. Nog nooit. Het kan dus ook goed gaan, met mannen. En daar hoor je eigenlijk nooit iets over. Jammer.

Een half jaar later.

Ooit was ik gek op Amsterdam. Dat had niet eens zo met de zelf stad te maken, realiseer ik me nu. Het kwam vooral door de Amsterdammer die ik eind 2004 tegen het lijf liep. Ik herinner me onze tweede date, begin 2005. Hoe hij me ophaalde op het Centraal Station en me behendig door de drukke stationshal manoeuvreerde terwijl ik verbaasd om me heen keek. Hij loodste me veilig de drukke stad door, tussen de trams, auto’s en fietsers door die van alle kanten leken te komen. Hij liet me zijn appartement aan de Amstel zien en we gingen uit eten.

Ik weet nog waar we gingen eten maar ik heb geen idee meer wát ik gegeten heb. Want tegen de tijd dat we aan tafel gingen, was ik reddeloos verloren. Verliefd op die mooie bruine ogen en op de charmante manier waarop hij om ging met iedereen om hem heen. Op zijn vlotte babbel en zijn gevoel voor humor. Ademloos luisterde ik naar zijn verhalen over de steden waar hij geweest was tijdens zijn reizen. Ik genoot van zijn kijk op de politiek en de wereld om hem heen. Hij wist overal iets van en was slim en scherp.

We kregen verkering, gingen samenwonen in Amsterdam en tijdens de jaren die volgden, trokken we ontelbare keren de stad in. We wandelden bijna elk weekend vanuit Amsterdam Nieuw West naar het centrum. Hij liet me de hele stad zien. Hij wees Het Sieraad aan waar zijn vader op school gezeten had. We liepen door de Staringstraat, waar hij als kind woonde en hij vertelde over Woutertje. Hij wees de gracht aan waar hij van zijn moeder niet mocht komen en die voor hem als kind het einde van zijn wereld betekende. Verder mocht hij niet.

Hij liet me Prinseneiland zien, waar zijn opa en oma woonden. Hij wees in de Damstraat de plek aan waar zijn ouders ooit een eettentje hadden en we stonden samen bij Wynand Fockink binnen te staren naar de plek waar zijn vader altijd zat. We liepen door de Warmoesstraat en hij vertelde over zijn vakantiebaan bij de stadsreiniging. Hoe hij daar de straat veegde omringd door junks en de ME. ‘De beste motivatie om door te leren’ noemde hij dat. We gingen naar het Prinsengrachtconcert, vierden Koninginnedag, bekeken de Nachtwacht en we zakten door in duistere buurtkroegjes vol vreemde vogels.

Afgelopen zaterdag waren we weer samen in Amsterdam. Ook al is onze relatie voorbij; we gaan nog steeds af en toe samen op pad. Ik loodste hem de drukke stationshal door op Amsterdam Centraal en we liepen via het Damrak de stad in. Het deed hem goed om weer even in Amsterdam te zijn, zag ik. Maar bij McDonalds moest hij echt even gaan zitten om uit te rusten.

Daarna staken we over en liepen we door de Warmoesstraat. Ik keek hoe hij voor me uit liep, zwaar leunend op zijn rollator. Geen mooie verhalen meer. Geen smakelijke anekdotes. Hij had al zijn energie nodig om te lopen. Bij de Wijde Kerksteeg bleef hij even staan en keek hij naar de Oude Kerk. Hij groeide op in dat buurtje, terwijl zijn ouders aan het werk waren in hun eettentje. “Wil je een rondje Oude Kerk?” vroeg ik. En ja, dat wilde hij wel. Moeizaam duwde hij zijn rollator over de ongelijke steentjes waar hij ooit boos op het raam van een hoertje stond te bonken.

Na een rondje rond de kerk, liepen we door de Pijlsteeg naar de Dam. Wynand Fockink was nog dicht. Zwijgend keken we allebei even binnen. Ik zag hem even glimlachen toen we de plek passeerden waar het eettentje van zijn ouders ooit was. Op de Dam zochten we een bankje om even uit te rusten. Midden in de drukte zaten we stilletjes naast elkaar om ons heen te kijken tot hij zei dat het wel genoeg was zo. Hij wilde naar huis. Al die drukte, zoveel prikkels. Het lukt niet meer.

Alles is veranderd. Hij. Ik. Wij.
En zelfs Amsterdam zal nooit meer hetzelfde zijn.