Categoriearchief: Terug in de tijd

Grease.

Sandy en Danny ontmoeten elkaar op vakantie. Ze worden verliefd en aan het eind van de vakantie kunnen ze moeilijk afscheid nemen. Later verhuist Sandy naar de plek waar Danny woont en gaat vervolgens ook naar dezelfde school. Wanneer de school begint komen Sandy en Danny elkaar plotseling weer tegen. Sandy kent Danny als een romantische en lieve jongen, maar op school staat hij bekend als een stoere vrouwenverslinder. Wanneer ze elkaar weer ontmoeten, botsen hun imago’s.

Niemand verwacht dat Danny op het brave meisje Sandy zal vallen. Sandy is nog steeds hopeloos verliefd op haar vakantieliefde, maar door Danny’s stoere gedrag wordt dit al snel minder. Ze begint met andere jongens aan te pappen, waardoor Danny jaloers wordt. Hij meldt zich bij sportcoach om Sandy voor zich te winnen met sportieve prestaties. Tijdens een grote danswedstrijd van de school komen de twee weer nader tot elkaar, totdat Danny aan het eind van de avond met een ander meisje de sterren van de hemel danst en zonder Sandy de wedstrijd wint.

Er volgt een verzoeningspoging van Danny’s kant, maar hij verpest dit omdat hij Sandy het bed in probeert te krijgen, iets waar de brave Sandy niet aan toe is. Wanneer Danny een autowedstrijd wint tegen een vijandige racer, realiseert Sandy zich dat ze Danny niet uit haar hoofd kan zetten. Ze besluit te veranderen om in zijn kliek te passen. Van braaf meisje, verandert Sandy in een hippe meid, terwijl Danny het tegenovergestelde probeert en zich plotseling als netjes en sportief presenteert.

Het is 1978 en ik ben 9. Ik ben een beetje een buitenbeentje. Een verlegen en braaf meisje met weinig vriendjes en vriendinnetjes. Als de film Grease uitkomt, zwijmelen mijn grote zussen weg bij John Travolta, die Danny speelt. Maar ik kijk ademloos naar Olivia Newton John in de rol van Sandy. Sandy is ook een buitenbeentje. Ook een beetje stil en verlegen. En ze voelt zich ook niet echt op haar gemak tussen al die populaire meiden. Maar ik vind Sandy juist heel erg leuk.

Ik snap er dan ook niks van dat Danny hun vakantieliefde niet voort wil zetten als hij weer thuis is en Sandy ineens bij hem op school blijkt te zitten. Tijdens een pyjamafeestje met andere meiden gaat Sandy in haar eentje naar buiten. In haar keurige witte nachthemd zingt ze hoe verliefd ze wel niet is. Prachtig vond ik dat! 

Maar dan ineens, aan het eind van de film, gaat Sandy overstag. Ze wil bij de populaire meisjes horen om het hart van Danny te veroveren. Ze ondergaat een totale metamorfose. Ze krult haar haren, trekt een leren broek en hoge hakken aan en rookt sigaretten. En tadaaa! Ineens ziet Danny haar wél staan. Zelfs als kind snapte ik daar al helemaal niets van. Ik snapte niet waarom Sandy dat deed. En ik snapte ook niet waarom Danny haar nu ineens wél leuk vond terwijl hij verliefd was geworden op de brave Sandy.

De film was een enorm succes. En ik geloof dat iedereen hem inmiddels wel gezien heeft. Destijds in de bioscoop. Op video of dvd. Ik heb ‘m ook wel eens opnieuw gekeken. Maar eigenlijk snap ik er nog steeds niks van. Die Danny moet gewoon een schop onder zijn kont hebben. En iemand moet even een hartig woordje met Sandy praten. Want meer dan veertig jaar later zie ik nog steeds niet in waarom je zou veranderen voor een ander.

Wat vond jij nou een echt slechte film? En waarom?

Het cirkeltje is rond.

Nieuwveerbrug 2022

Mijn vader werkte bij de NS als brugwachter bij de Nieuwveerbrug. De brug over de Mark, bij het knooppunt Zonzeel, pal naast de A16*. Hij opende de spoorbrug voor schepen die voorbij kwamen door de seinen op het spoor op rood te zetten en de brug open en dicht te draaien. Een procedure die bijna een half uur in beslag nam. De kunst was om de brug op het juiste moment te draaien. Het was niet de bedoeling dat de treinen moesten stoppen omdat de brug open stond. Dus kende mijn vader de dienstregeling uit zijn hoofd en wist hij precies wanneer hij schippers door kon laten.

Wachtend op schepen, vermaakte hij zich prima. Hij hield van vissen dus dat deed hij daar veelvuldig. Ooit heeft-ie mij geprobeerd enthousiast te maken voor de vissport. Maar ik moest niets hebben van het aas dat aan het haakje moest. En toen ik vervolgens alleen maar een stuk prikkeldraad op viste was de lol er snel af.

Mijn vader tuinierde graag en elke zomer stond het tuintje bij de brug vol bloeiende planten. En iedere dag nam hij een grote tas met boeken mee naar zijn werk. Hij moet ontelbare uren hebben zitten lezen daar, in de ‘keet’ zoals wij het kleine huisje naast de brug noemden, terwijl de treinen anderhalve meter verderop voorbij raasden.

Mijn vader maakte zijn doodsaaie baan leuk. Automobilisten die even verderop door de rode lichten vlak voor een trein langs de overweg overstaken, liet hij stoppen als ze langs de keet reden. Met zijn spoorpet op gaf hij ze een reprimande. Maar de schippers die ‘s nachts aankwamen, als er geen brugwachter was, meerden aan en gingen rustig slapen in de wetenschap dat mijn vader hen wakker kwam maken zodra hij ‘s morgens vroeg bij de brug aan kwam. Hij keek uit op het land van boeren en tuinders en hield een oogje in het zeil. Als blijk van waardering kwamen ze vaak langs om een praatje te maken. “Heddè koffie, Nico?” En mijn vader had altijd koffie.

In 1993 overleed mijn vader, pas 61 jaar oud. Na zijn crematie op een stralende zaterdag in oktober, moesten wij beslissen wat er met zijn as moest gebeuren. Het liefst hadden wij zijn as uitgestrooid in de Mark. Bij de brug, bij zijn plekje. Maar in 1993 mocht dat nog niet. Dus kozen wij voor uitstrooien op het strooiveld bij het crematorium. Ik zal nooit de wanstaltige vertoning vergeten op die koude dag in december. Mijn moeder, mijn ene broer, mijn zussen en ik keken toe hoe mijn andere broer achtjes liep over het strooiveld. Met een of andere koperen bus waar de as uit stroomde van wat ooit mijn vader was.

Mijn vader was een grote man en mijn broer bleef maar achtjes lopen. Het waaide enorm die dag en geschokt keek ik toe hoe de as om mijn broers voeten wervelde. Mijn oog viel op de omslagen in zijn broek en ik kon alleen maar denken “Als hij vanavond zijn broek uit trekt, valt Pa er uit”. Ik ben nog één keer terug geweest naar het strooiveld. Een jaar later, met een bos bloemen. Het deed me niks. Ik ben weggegaan zonder een traan te laten en nooit meer teruggegaan. Waar mijn vader ook is; daar is hij zeker niet.

Vorige week ging ik op bezoek bij mijn moeder in het verzorgingstehuis waar ze na een crisisplaatsing terecht kwam. Niet het tehuis waar ze op de wachtlijst stond. Geen tehuis dat bij ons op de lijst met geschikte locaties stond. Maar toeval of niet; het tehuis waar ze terecht kwam, ligt hemelsbreed 600 meter van de plek vandaan waar de keet van mijn vader stond. Als mijn moeder ‘s nachts op bed ligt, hoort ze de treinen rijden. Over datzelfde spoor waar mijn vader zo lang werkte.

Toen ik die dag bij mijn moeder wegging, besloot ik even langs de brug te rijden. Er zit allang geen brugwachter meer. En de keet is lang geleden gesloopt. In niets lijkt het nog op dat bijzondere plekje van vroeger. Ik liep wat rond en stond een tijdje onder het viaduct over de A16 te mijmeren. Over hoe ontzettend braaf wij waren, destijds in 1993. We hadden mijn vader gewoon stiekem daar uit moeten strooien. Er zou echt niemand langs zijn gekomen om te controleren of hij nog in zijn urn zat.

Ik maakte maar weer eens foto’s en pinkte een traantje weg. Want ik weet dat mijn vader daar niet is. Niet echt. Maar het voelt wel zo. Daar bij de Mark, bij het spoor. Op zíjn plekje met uitzicht over de landerijen. Daar voelt-ie altijd heel dichtbij. Vlak bij mijn moeder. Of het toeval is, weet ik niet. Maar mooi is het wel. Mijn ouders zo dicht bij elkaar. Het maakt het cirkeltje rond.

*Ik zet de exacte locatie er expres bij. Ik reken er op dat niemand van jullie ooit nog knooppunt Zonzeel passeert zonder even aan mijn vader te denken. Begrepen?

Bijschrift bij de foto’s:

Nieuwveerbrug 2022: Onherkenbaar. Hier ergens was het.
Nieuwveerbrug 1977: Toen mijn vader er pas werkte. De trein die je ziet is een ‘hondekop’.
Nieuwveerbrug 1992: Op bezoek bij mijn vader (en zes maanden zwanger).

De andere Johanna.

Hoewel ik niet Joods ben, is mijn achternaam dat wel. Ik heb nooit uitgezocht of er een link is. Nooit uitgezocht hoe mijn Joodse achternaam via mijn protestante vader bij mij terecht kwam. Maar bijzonder vind ik het wel. Toen ik bij haar ooit las dat zij een naam geadopteerd had bij het Holocaust Namenmonument in Amsterdam, wilde ik dat ook. Via de site adopteerde ik een steentje in het monument. Met de donatie die je op die manier doet,  draag je een klein beetje bij aan de onderhoud van het monument en – nog veel belangrijker – aan educatieve projecten over de gevaren van discriminatie en racisme.

Ik keek bij de nog beschikbare steentjes met mijn eigen achternaam en er was één voornaam die me meteen op viel. De naam Johanna. Mijn moeder heet Johanna en ik heb haar naam doorgegeven als tweede naam aan mijn dochter. En deze Johanna werd twee jaar na mijn moeder geboren. Dus adopteerde ik het steentje van Johanna. En ik was vastbesloten meer over haar te weten te komen.

In een zoektocht op Google bleek ik bizar veel gegevens te kunnen vinden over de kleine Johanna. Ik vond de namen van haar ouders, haar broers en zussen en noteerde ze samen met hun geboortedata op het schrijfblok dat ik naast mijn computer had liggen. Benedictus Nathan en Rebecca, en hun kinderen Mozes, Pinehas, David, Hartog, Mietje, Duifje, Meijer, Isaac, Gretha, Abraham en de kleine Dina. Ik vond hun adres. Ze woonden in Amsterdam, boven een café aan het Waterlooplein in Amsterdam. Tegenover de Mozes en Aäronkerk, waar nu de Stopera is.

Gek was het om al die namen te zien staan op mijn schrijfblok. De familie van die andere Johanna. Maar ook wel mooi. Dat na al die tijd hun namen weer verschenen.  Want zelf zijn er niet meer. Achter alle namen heeft iemand met rood potlood een notitie geschreven. ‘Trpt 10-11-1942’. Je hebt niet veel kennis van de Tweede Wereldoorlog nodig om te weten waar die notitie voor staat. De hele familie van Johanna is op 10 november 1942 op transport gezet naar Auschwitz en daar vermoord.

Bij toeval kom ik er achter dat het oude archief niet helemaal klopt. Eén broer van Johanna, Hartog,  heeft de oorlog overleefd, ondanks de onheilspellende rode notitie achter zijn naam. En ik vind zowaar een radio-uitzending terug waarin hij vertelt over het grote gezin. Over zijn ouders, die hardwerkende mensen waren. Zijn vader ging met de lompenkar door de stad. Hij haalde tweedehands spullen op, die zijn moeder vervolgens verkocht op de markt. Zelf hielp hij zijn moeder met het huishouden en de verzorging van zijn broertjes en zusjes.

Ze woonden in een 2,5 kamer woning. Met al die kinderen. En ze waren arm. Maar toch hadden ze plezier. Met de broertjes en zusjes samen, vertelt Hartog. Tot die avond in november. De kleintjes sliepen al en de ouders zaten nog aan een kopje thee. Toen werd de deur in getrapt en kregen zijn ouders tien minuten de tijd om naar beneden te komen met alle kinderen. Hartog stond niet op de lijst en hoefde niet mee. Maar op de lijst of niet; hij wilde mee. Hij wilde zijn moeder niet alleen laten met al zijn broertjes en zusjes, van wie hij zielsveel hield. Maar zijn vader was het daar niet mee eens; hij was van mening dat Hartog misschien nog iets voor hen zou kunnen doen als hij thuis bleef.

Hartog hielp zijn moeder nog de trap af. Ze had de twee kleinste kinderen op haar arm. Daarna bleef Hartog alleen achter, eenentwintig jaar oud, in dat kleine huisje dat zonder al die kinderen ineens heel groot leek. Hij trok van het ene onderduikadres naar het andere en overleefde de oorlog. Na de oorlog ging hij elke dag naar het Centraal Station. Dan bekeek hij de lijsten met overlevenden. Maar zijn ouders en zijn broers en zussen stonden er nooit op.

Ik hoor hem praten. De grote broer van Johanna. Een oude man nu. Hij vertelt hoe dokters soms vragen of bepaalde kwalen in de familie voorkomen. “Maar dat weet ik niet”, zegt hij “Ze zijn geen van allen volwassen geworden” Na de oorlog kwam hij via het Rode Kruis te weten dat zijn ouders en zijn broers en zussen allemaal waren omgekomen. De meesten zijn bij aankomst in Auschwitz meteen vergast. Ook Johanna. Ze was pas acht.

Ik ben elk jaar twee minuten stil. Voor alle oorlogsslachtoffers. Maar dit jaar speciaal voor Benedictus Nathan, Rebecca, Mozes, Pinehas, David, Mietje, Duifje, Meijer, Johanna, Isaac, Gretha, Abraham en Dina. Die andere familie, die niet het geluk had op te groeien in vrijheid, zoals mijn familie dat wel kon. Dat laatste is best iets om heel dankbaar voor te zijn.

Overpass graffiti – Ed Sheeran

Regelmatig loop ik even bij Frank binnen. Hij wordt prima verzorgd waar hij woont maar hij heeft geen contact meer met zijn vrienden van vroeger en weinig contact met familie. En het is nooit mijn bedoeling geweest om hem in de steek te laten. De man die altijd zo lief voor me was maar zichzelf niet meer is. En nooit meer zichzelf zal worden. Levend verlies heet dat.

Dus vlieg ik regelmatig binnen. Zeker een keer per week, vaak twee. Een kop koffie. Samen een quiz op tv kijken. Of een wedstrijd van Ajax. Ik maak geen vaste afspraken, ik leg me niet vast. Ik ga wanneer het mij uitkomt en meld mijn komst pas vlak van tevoren. Zodat ik kan besluiten om niet te gaan als ik het even niet trek.

Hij heeft een keuken. Met keramische kookplaat. Toch eet hij elke dag in het restaurant van de zorginstelling waar hij woont. Maar ik had begrepen dat mijn chef-kok van weleer, degene die mij leerde koken, weleens een ei bakt voor zichzelf. Dus opperde ik laatst dat ik wel een keer kon komen eten. Dat ik vanuit mijn werk naar hem toe zou komen en dat we samen iets konden koken. Dat leek hem erg leuk.

Afgelopen vrijdag, na mijn werk, stond ik voor zijn deur met een tas vol boodschappen. Pasta met ballen zou het worden. Een van zijn ‘fav-jes’ zoals hij zijn favoriete recepten altijd noemt. “Je moet me wel helpen want ik weet niet hoe een keramische kookplaat werkt.” zei ik om hem erbij te betrekken. “Dat weet ik ook niet.” antwoordde Frank. Ik reageerde verbaasd; hij bakt toch wel eens eieren? “Dat doen de dames hier voor me” antwoordde Frank. En daar moesten we samen heel hard om lachen. Dat heeft-ie dan toch maar weer mooi voor elkaar. Dat de dames van de begeleiding eieren voor hem bakken.

En dus had hij het ook mooi voor elkaar dat ik voor hem kookte. Niks samen. Zijn aandeel bestond uit het halfslachtig opzoeken van het recept tot zijn aandacht weer in beslag genomen werd door de tv. Multitasking lukt hem niet meer. Geen probleem overigens want ik ken al zijn favoriete gerechten uit mijn hoofd. Dus ik ging aan de slag terwijl hij tv keek.

Dat deed me wat. Want ik richtte zijn appartement in met zoveel mogelijk van zijn spullen en kocht zelf alles nieuw. Maar daar sta ik dan ineens, in zijn keuken. Ik braad de gehaktballetjes in die oude vertrouwde pan terwijl ik de tafel dek met de placemats waar we jarenlang samen van gegeten hebben. De vorken, de messen, de vergiet, zelfs de piep van de kookwekker is vertrouwd. Maar toch zo anders.

Het smaakte prima. Tuurlijk. Als ik iets van hem geleerd heb, is het koken. Lustig strooien met kruiden en proeven wat er mist. Hij at met smaak zijn bord leeg en ging daarna op de bank liggen slapen terwijl ik aan de afwas begon. Want tja, de vaatwasser; die staat nog bij mij.

Als de oude, vertrouwde borden en pannen weer schoon in de kast staan, drink ik koffie en zit ik nog een tijdje te kijken hoe hij slaapt. Met mijn verstand weet ik dat ik de juiste beslissing heb genomen. En ik ben echt heel blij dat ik weer een leven heb. Maar och, mijn hart. Mijn hart vindt het vaak nog gewoon helemaal ruk.

The cards were stacked against us both.