Categoriearchief: Terug in de tijd

Oude vrienden.

Zijn ouderlijk huis stond aan het ene kant van het park en mijn ouderlijk huis aan de andere kant. Onze hele jeugd brachten we samen door in dat park. We waren hangjongeren avant la lettre. We hadden dezelfde vrienden met wie we lange zomeravonden in het park rondhingen. Tot de straatlantaarns aangingen en we naar huis moesten. Mijn dagboek uit die tijd staat vol met onze avonturen. Ritjes achterop de brommer, partijtjes tennis, stiekem sigaretjes roken en hier en daar werd een voorzichtig kusje uitgedeeld.

We waren kind aan huis bij elkaars ouders. Aten in elkaars keukens, zaten op elkaars bank. We legden guldens uit om videobanden te huren, bij voorkeur van Terence Hill en Bud Spencer, die we met de hele vriendengroep keken. Dan weer bij de een thuis en dan bij de ander, met chips en cola. We kregen zelfs heuse verkering ooit, ergens in de vorige eeuw. Hij was degene die me dat ene kettinkje gaf. De verkering ging uit, met al het drama dat erbij hoort als je twintig bent. Met die verkering kwam het nooit meer goed maar op een of andere manier wisten we beste vrienden te blijven.

Drie jaar later gaf hij mijn pasgeboren dochter de fles en hij reageerde ronduit laconiek toen ze over zijn studieboeken kotste. Nog een jaar later was hij mijn steun en toeverlaat tijdens de crematie van mijn vader. Met oneindig geduld pakte hij 85 keer mijn kopje koffie over als er weer iemand aankwam om me te condoleren. Met datzelfde geduld liep hij een jaar later rondjes door mijn huiskamer met mijn zieke dochter in zijn armen. En greep hij in toen ik mijn geduld dreigde te verliezen tijdens haar peuterpuberteit. ‘Laat mij maar even’ zei hij en hij bracht mijn hysterisch krijsende peuter tot bedaren. We gingen zelfs nog samen op vakantie, naar Fuerteventura. Mich, hij en ik. Onvergetelijk. Maar daarna liep het toch mis. Door misverstanden en miscommunicatie of wat dan ook. Het contact werd verbroken en dat was lastig in het begin. Om zo’n constante factor in je leven te moeten missen. Maar alles went en onze levens gingen door.

Een tijdje geleden liep ik hem in mijn geboortestad zomaar tegen het lijf. We zaten samen op een terras en kletsen wat. En we wisselden telefoonnummers uit. We appten, we belden en we spraken af dat hij een keer langs zou komen. Dat deed-ie dit weekend. We wilden samen wat eten en hij wilde naar het strand. Dat combineerden we door uit eten te gaan hij Het Strandhuis. Na bijna 25 jaar stonden we ineens weer samen op het strand foto’s te maken van de prachtige wolken voor de ondergaande zon. We praatten vijf kwartier in een uur over alles wat de ander nog niet wist. Over onze kinderen, onze banen, onze families en over alles wat we meegemaakt hebben de afgelopen jaren.

Maar het allerfijnst was het om herinneringen op te halen. Omdat hij mijn overleden vader zo goed kende en ik zijn inmiddels overleden moeder. Omdat ik zijn broer ken en hij al mijn broers en zussen. Omdat we elkaars huizen kenden. Onze stamkroegen van vroeger. Onze vrienden van toen. Al onze vreselijk foute relaties, onze blunders, onze successen en al onze ups and downs. Uren brachten we door met ophalen van herinneringen. ‘Weet je nog dat hij tegen mijn vaders auto aan reed?’, ‘Weet je nog dat jouw vader mij Blauwke noemde? De familie sprak er schande van!’ en ‘Oh ja! Jullie hond! Wat een portret was dat!’

Oude vriendschappen moet je koesteren. En nieuwe herinneringen kun je maken.
Dat gaan we doen. Fijn dat-ie er weer is.

Stom.

Weten jullie nog? Die opslagruimte die ik destijds geheel per ongeluk huurde? Nou, die opslag ging een hele tijd geleden verhuizen. We konden kiezen; of onze spullen door hen laten verhuizen naar de nieuwe locatie, of zelf een verhuizing regelen naar een locatie naar keuze. Liever lui dan moe koos ik voor mee-verhuizen. Dus hadden we ineens een opslag in Haarlem. Niet dat het mij iets uitmaakte. Ik kwam er toch nooit.

Maar toen moesten er meubels van Frank in de opslag. Vaag herinnerde ik me dat die opslag vol stond met allerlei rotzooi, dus moest eerst de opslag leeg. Ik was nog nooit op de nieuwe locatie geweest dus besloot ik eens poolshoogte te nemen. Toen bleek Haarlem toch niet zo handig. Voor mijn gevoel doorkruiste ik de halve stad maar uiteindelijk was ik daar waar ik wezen moest.

De opslagruimte bleek in een spiksplinternieuw pand te zitten. Een medewerker van de firma liep met me mee om de weg naar mijn box te wijzen en te laten zien hoe alles werkte. Het zag er allemaal prachtig uit. Ik kan niet anders zeggen. Omdat ik die dag geen zin had om te slepen, zocht ik uit wat weg kon, zette dat aan de kant en vertrok. Het kostte me bijna een half uur om de uitgang te vinden, zo groot is het daar. Ik was er van overtuigd dat ik mijn box nooit meer terug zou kunnen vinden.

Maar dat slepen met spullen moest toch eens gebeuren. Ik had inmiddels een verhuisbedrijf geregeld om de meubels naar de opslag te brengen dus de deadline waarop de de opslag leeg moest zijn kwam in rap tempo dichterbij. Vorige week trok ik de stoute schoenen aan en reed op een zondag naar Haarlem. Google Maps had een goede dag en ik wist het gebouw wonderbaarlijk genoeg vrij vlot te vinden. Omdat het zondag was, was het hek dicht. Maar ha! In mijn zak zat het briefje met de code die ik vol vertrouwen intoetste op het kastje dat op het hek hing. “Code niet herkend” verscheen er op het display. Ik toetste nog een keer de code in. En nog een keer. Maar dat stomme kastje op het hek bleef zeggen dat de code niet herkend werd.

Geïrriteerd reed ik naar huis en nam me voor de volgende dag te bellen naar het bedrijf om te vragen hoe of wat. Maar ik had het druk, de week vloog voorbij en dat telefoontje plegen kwam er niet van. En toen kwam het weekend dat de opslag toch écht leeg moest omdat het verhuisbedrijf maandag heel vroeg zou komen om de meubels naar de opslag te brengen. Laatste kans. Ik reed wéér naar de opslag en ik parkeerde mijn auto om eens goed de omgeving in me op te nemen, zodat ik de verhuizers later de weg zou kunnen wijzen.

En toen viel me ineens op dat op er een soort eenrichtingsverkeer-route rond het gebouw van de opslag ligt. Logisch eigenlijk, want het is er vrij smal en dus is het wel handig als iedereen dezelfde kant op rijdt. Op het ene hek staat een grote blauwe pijl. En op het andere hek prijkt een ‘verboden in te rijden’-bord. Dat was me de week daarvoor finaal ontgaan. Ineens viel het kwartje. De week daarvoor had ik mijn toegangscode dus bij de uitgang in staan tikken.

Ja, dat is stom. Dat geef ik zonder meer toe. Oerstom. Maar welke sukkel hangt er dan ook een kastje bij de uitgang waar je je code in kunt voeren? Dát is pas stom!

Bijschrift bij de foto: moest ik nog hoofdrekenen ook. 

Badderen.

Als puber paste ik regelmatig op mijn kleine neefjes en nichtjes. Dat deed ik graag, vooral omdat ik – als het grut sliep – lekker ging badderen in het huis van mijn broer of zus. Heerlijk vond ik dat! Toen al.

Toen ik eenmaal op mezelf woonde, ging ik jarenlang badkuip-loos door het leven. Dat ging prima, hoor. Maar ik vond het wel eens jammer. Tot een toenmalig vriendje zo lief was een badkuip voor me te installeren. Ik was de koning te rijk! Het was geen groot bad, maar ik vond het heerlijk. Vooral in de zomer met het badkamerraam wijd open. Ik heb jarenlang plezier gehad van mijn bad, tot ik hem ineens beu was en in een opwelling de badkuip eruit sloopte.

Toen ik bij Frank ging wonen, had hij een badkuip. En man, wat heb ik daar veel gebadderd! Ik kon úren in de badkuip liggen. Muziek aan, een boekje erbij. Onze Spike zittend op de badrand. En Frank die me chipjes kwam brengen of een wijntje serveerde. Hoe sjiek wil je het hebben? In het appartement waar ik nu woon, heb ik alleen een douche. En dat is prima. Maar soms heb ik zo’n enorme zin om in bad te gaan. Ik kan bij mijn dochter gaan badderen natuurlijk. Maar 40 minuten rijden om te badderen? Nee, laat maar.

Laatst liep ik in de plaatselijke Prijsmepper*. Ik dwaalde wat door de winkel en besloot net dat ik met lege handen het pand zou verlaten toen ik midden in een gangpad bijna struikelde over een stapel dozen. Het waren opblaasbare badkuipen. Nou heb ik die wel eens vaker gezien. En ik heb vaak geroepen dat ik er eentje zou kopen. Maar ik heb het nooit gedaan. En nu struikelde ik er bijna over.

Ik heb er nooit een gekocht omdat ik twijfelde of het wel wat zou zijn. Zou dat nou écht lekker badderen? En zou ik daar dan vaak gebruik van maken? Ik had geen zin om geld uit te geven aan iets wat alleen maar in de weg zou liggen en wat ik niet zou gebruiken. Maar deze Prijsmepper-badkuipen waren niet zo heel duur. Dus besloot ik er eentje mee te nemen. Om te proberen.

Vol verwachting blies ik die avond de badkuip op. Ik giechelde om de panterprint op de zijkant en om het ‘deksel’ wat je dicht kunt ritsen om het water warm te houden. Er zitten zelfs uitsparingen in voor een drankje! Voorzichtig ging ik in het nog lege bad zitten. Het bad is niet groot, maar dat ben ik ook niet dus het paste. Daarna liet ik het bad vol lopen. Of nou ja, vol. Echt vol hoeft zo’n klein badje natuurlijk niet. Want waar ik zit, kan geen water zitten en er is best veel van mij. Wat kostentechnisch heel gunstig is natuurlijk.

En verhip! Het badderde eigenlijk best lekker. Of in elk geval lekker genoeg! De volgende uitdaging was het leeg laten lopen van het bad. Ik was bang dat ik zo’n soort vloedgolf in de badkamer zou krijgen waarbij het water zó over de drempel de hal in zou lopen. Maar het water liep rustig weg, door het afvoerslangetje zo het putje in. Niks vloedgolf. Niks overstroming. Niks aan het handje. Daarna liet ik mijn bad drogen en leeglopen en daarna borg ik hem op onder mijn bed waar nog nét een plekje vrij was.

Kortom; mijn experiment is geslaagd! Ik kan weer badderen.
En ach.. het is maar goed dat Spike er niet meer is.
Een kat op de badrand van dít bad lijkt me niet zo’n succes.

  • Voor wie Prijsmepper niet kent: als je denkt dat Kruidvat bende verkoopt, dan moet je eens bij Prijsmepper kijken. Bij Prijsmepper verkopen ze bende die zelfs bij het Kruidvat niet verkoopbaar bleek.

Monsters onder mijn bed.

Als jongste van zes kinderen én nakomertje groeide ik eigenlijk op tussen de grote mensen. Dat had veel voordelen. Ik kon wel een potje breken bij mijn grote broers en zussen dus ik werd wel een ietsje pietsje verwend. Maar het zorgde er ook dat ik vaak dingen te horen of te zien kreeg die eigenlijk niet voor kleine oortjes of oogjes bestemd waren.

Zo had de zus boven mij de rare gewoonte mij huiveringwekkende verhalen te vertellen. Ze vertelde me over het IJzeren Gordijn. Hoe mensen doodgeschoten werden die over het prikkeldraad probeerden te vluchten. Ze vertelde me over concentratiekampen en gaskamers toen ik daar nog veel te klein voor was. Ik herinner me hoe ik naar de douchekop keek als ik ging douchen en – met mijn levendige kinderfantasie – diep onder de indruk was van haar verhalen.

Tijdens een logeerpartijtje bij een van mijn broers, stond een horrorfilm op. Ik zal een jaar of tien geweest zijn. “Moeten we ‘m af zetten?” vroeg mijn broer bezorgd. Ik was de jongste en mijn grootste wens was om met mijn grote broers en zussen mee te doen. Op het scherm kwamen inmiddels de armen van jammerlijk overleden monniken uit de aarde omhoog. “Nee, joh! Maakt mij niks uit” zei ik stoer. Maar die nacht lag ik wakker op de slaapbank in de woonkamer van mijn broer. Klaarwakker en verstijfd van angst lag ik in bed. Ik wist zéker dat als ik opzij zou kijken, ik die armen van die dode monniken boven de grond uit zou zien komen.

Toen ik een jaar of elf was, pikte ik het boek Jaws van mijn oudste zus. Ook niet echt geschikt leesvoer voor een kind van elf. Met rode oortjes las ik snel over de seksscènes heen en ging helemaal op in het verhaal over die enorme witte haai die nietsvermoedende zwemmers opslokte. Als ik ging slapen, legde ik het boek met de kaft naar beneden op de grond naast mijn bed. Want die grote haai op de kaft wilde ik niet zien.

Ik herinner me hoe ik soms in mijn bed lag en bang was. Dat ik eigenlijk het lampje naast mijn bed aan wilde doen maar mijn arm niet uit durfde te steken om het licht aan te doen. Bang dat mijn pols gegrepen zou worden door een grote witte haai of een ander monster dat onder mijn bed lag.

Inmiddels ben ik groot. En ik ben nooit meer bang als ik in bed lig. Omdat ik weet dat monsters onder je bed gewoon niet bestaan. En stel dat… Stel dat er wel een monster onder mijn bed zou willen kruipen, dan kan dat gewoon niet. Onder mijn bed staan opbergdozen. Er liggen kussens van mijn loungebank. No way dat daar nog een monster bij past. Hooguit een heel kleintje. En daar ben ik niet bang van voor. 

Wat ligt er onder jouw bed?