Categoriearchief: Terug in de tijd

Papa’s verjaardag.

1987 – Pa en ik


Gisteren had je 91 moeten worden. Maar je werd maar 62. Je stierf zoals men dat noemt ‘na een kort ziekbed’ en wij bleven verbijsterd en in shock achter. Ik weet nog hoe ik tot het einde hoop bleef houden en mezelf voorhield ‘Over vijf jaar lachen we hierom. Weet je nog, Pap? Dat je bijna het loodje legde?’

Maar je legde het loodje. Je ging écht dood. Ineens was je vreselijk, gruwelijk, voor altijd en eeuwig dood. En wij konden je eigenlijk nog helemaal niet missen. Onze rots in de branding. Maar we moesten wel.

Ik herinner me hoe moeilijk het was om afscheid te nemen, daar in dat kamertje in het uitvaartcentrum. Mijn zussen en ik zaten constant aan je te plukken. We kamden je haren, checkten of je wel sokken aan had en we ontdekten verrukt dat je nog gewoon rook naar Pa. Kleinkinderen speelden rond je kist en het was gek dat jij daar zo stil lag.

Je had een apart gevoel voor humor. En de eerste jaren fluisterde ik regelmatig ‘Pap, kom op! Het grapje heeft nu wel lang genoeg geduurd. Kom maar gewoon terug.’ Maar de dood is onherroepelijk. Je kwam niet terug. Hooguit in mijn dromen. Waar ik je zelfs nu nog steeds nét niet zie maar voel dat je er bij bent. Ergens in een hoekje van mijn dromen. Altijd en helaas nét buiten beeld.

Ik mis je en ik denk vaak aan hoe het geweest zou zijn als je echt 92 zou zijn geworden. Zou je nog steeds zo’n beer van een vent zijn? Of zou je een klein, oud mannetje zijn geworden? Zou je nog steeds tranen met tuiten lachen om practical jokes? Zou je nog steeds zoveel boeken lezen? En nog steeds het antwoord weten op al mijn vragen?

Het troost me dat je nooit helemaal weg bent gegaan. Na al die jaren hoor ik nog steeds je stem in mijn hoofd. En ik herken eigenschappen van jou in mezelf. Jouw rust en kalmte zijn eigenschappen die mij – met name op werkgebied – vaak toegeschreven worden. Ik heb ze niet van een vreemde.

Soms hoor ik mezelf praten. Op een verjaardagsfeestje. Op mijn werk. Of gewoon ergens op visite. Ineens komt er weer een verhaal voorbij over jou. Over hoe je onze schoenen begroef in de tuin omdat wij ze lieten slingeren. Over hoe je onze honden zo goed africhtte; ze konden kunstjes en staken nooit de straat over zonder jouw toestemming. Over je werk bij de brug waar wij allemaal kind aan huis waren. Over het buurjongetje dat je in de vroege morgen redde van een bijtende hond met het scheerschuim nog op je kaken.

Een tikkeltje beschaamd vraag ik me later af waar dat vandaan komt. Waarom gooi ik ineens – out of the blue – wéér een verhaal over mijn vader in de groep? Dertig jaar later. Maar eigenlijk kan het me ook niet schelen.

Ik blijf over je praten. Ik blijf over je vertellen. Over je gekke streken en je heldendaden. Want zoals lang geleden op je bidprentje stond: ‘Dood ben ik pas als jij me bent vergeten’. En dat, lieve papa, dat gaat never nooit gebeuren.

Ik ook van jou.

Vanwege een afspraak ben ik in Brabant. En als ik er tóch ben; no way dat ik uit Brabant vertrek zonder mijn oude moedertje gedag te zeggen! Dus rijd ik onderweg naar huis even langs het tehuis waar ze woont.

Ik heb haar schone was bij me en hoop dat de boel niet te veel gekreukeld is na een lange dag in mijn kofferbak. Wegens plaatsgebrek op haar kamer heeft ze een eigen kast in mijn huis waar haar winterkleding hangt. Ik wil niet dat ze het koud krijgt nu het herfst wordt. Dus heb ik ook wat truien en vesten ingepakt.

Al rijdend onderweg naar de zorginstelling waar ze woont, mijmer ik hoe de rollen omgedraaid zijn, nu ze zo oud is. Hoe wij nu voor mijn moeder zorgen, zoals zij ooit voor ons zorgde. We vallen haar niet meer lastig met onze sores. Die lossen we zelf wel op, zonder haar. Want we zijn nu echt volwassen. Ondertussen helpen we haar waar we kunnen en en proberen we ervoor te zorgen zodat ze zo comfortabel is als maar mogelijk is.

De deur van haar kamer staat altijd open. Want ze is dol op aanloop. Iedereen kan altijd bij haar binnen lopen. Als bij haar kamer kom, blijf ik in de deuropening staan. Ze heeft me niet aan horen komen. Stilletjes sta ik in de deuropening naar haar te kijken, zoals ze daar zit in haar rolstoel. Ze kan bijna niets meer. De weinige hobby’s die ze had, kan ze niet meer doen omdat haar handen niet meer willen. Ze zit vaak maar wat te suffen. Half te slapen, te wachten. Tot er weer een dag voorbij is.

Maar vandaag zit ze te glimlachen. En als ik wat beter kijk, zie ik dat ze een foto-album op schoot heeft. Een oud foto-album. Met daarin de babyfoto’s van mij en mijn broers en zussen. Ze zei nooit dat ze van ons houdt. Haar generatie praatte niet over gevoelens. Dat ze van ons houdt, liet ze blijken door warme maaltijden, schoon gewassen kleren en een keurig huis.

Maar ze houdt van ons. Met haar hele hart. Ik zie het in haar glimlach terwijl ze met haar gerimpelde handen de vergeelde foto’s streelt terwijl ik naar haar sta te kijken.

‘Ik ook van jou, mam’ denk ik terwijl ik naar binnen loop en haar een knuffel geef. En ik tel mijn zegeningen dat ik het nog gewoon hardop tegen haar kan zeggen.

Afgekickt.

Het schijnt vaker voor te komen. Althans… ik ken in het weblogwereldje meerdere dames die het hebben. Meestal lopen ze er niet mee te koop. Maar uiteindelijk gaat het toch opvallen. Je herkent de gretige blik in hun ogen als ze van plan zijn het te gaan doen. En je herkent de hysterische toon in de logjes die ze plaatsen als ze het ook daadwerkelijk gedaan hebben. Als ze wéér een nieuwe tas gekocht hebben en daar talloze foto’s van op hun weblog plaatsen. Ik herken al de tassen-koop-verslaafden meteen. Tenslotte was ik jarenlang één van hen.

Ik had ze in alle kleuren en maten; tassen. Rugzakjes, zwarte tassen, blauwe tassen en bruine tassen. Groot, klein en met veel ritsjes en vakjes of juist heel simpel. Meestal waren mijn tassen van inferieure kwaliteit en binnen no time kapot. Mijn verslaving viel op zo’n moment niet meer te verbloemen. Want zodra mijn tas een mankement vertoonde, begon ik te juichen. “Joepie!! Mijn tas is stuk!”. Je kon mij in die dagen niet blijer maken dan met een kapotte tas. Want dan mocht ik een nieuwe kopen!

Toch gebeurde het onvermijdelijke. In 2010 kreeg ik van de liefste ex een tas cadeau. Een echte, zo’n sjieke. Die bleek onverwoestbaar te zijn. Net zo als de bijbehorende portemonnee. Dus daarmee verviel de noodzaak om om de haverklap een nieuwe tas te scoren. En in de loop der jaren veranderden er nog meer dingen. Ik stopte met roken waardoor ik geen sigaretten meer mee hoefde te nemen. Mijn roze papieren rijbewijs werd een pasje, dat ik opborg in mijn telefoonhoesje. Contant geld raakte zo uit, dat ik het vrijwel nooit meer gebruik en pin met mijn bankpas die, net als mijn rijbewijs, in het hoesje van mijn telefoon zit. En die telefoon? Die is zo klein; daar heb ik geen tas voor nodig. Die stop ik gewoon in mijn broekzak.

Ik kan dus wel stellen dat ik tegenwoordig compleet tas-loos door het leven ga. Maar een paar weken terug had ik toch even een kleine terugval. Op de Italiaanse beurs kon ik de stand met Italiaanse tassen niet weerstaan. Het was sterker dan mezelf en nog geen vijf minuten nadat we op het terrein waren, stond ik al hebberig naar al die tassen te kijken. En ik zwichtte. Ik kocht een nieuwe tas. Zo eentje die je ook als rugzak kunt gebruiken. Zo eentje die ik ábsoluut niet nodig heb.

Want sinds ik de tas gekocht heb, heb ik ‘m maar een keer gebruikt. Verder hangt-ie gewoon aan de kapstok. Mooi te wezen. En ik moet zeggen; dat staat eigenlijk best wel hip! Is het toch niet helemaal een miskoop. En mocht ik eens in een gekke bui zijn dan kan ik ‘m nog gebruiken als tas ook.

De dode hoek, mensen!

Kijk nou wat ik vind tussen mijn concept-blogjes! Een vrachtwagen-blogje, geschreven in maart 2023. Ik had nooit kunnen bedenken dat ik nu wéér tussen de vrachtwagens werk. De foto hier onder is wel van vandaag. Ik hoefde niet ver te zoeken 😉

Op een gewone doordeweekse dag, wandel ik tussen de middag naar de bakker voor een halfje bruin. Vlak voor ik de parkeerplaats bij de winkels op wil lopen, zie ik een enorme vrachtwagen een haast onmogelijke draai maken. Achteruit, de smalle ingang van het parkeerterrein op, om met de achterkant van zijn trailer bij de plaatselijke Trekpleister uit te komen om een nieuwe voorraad bende af te leveren. De chauffeur moet een paar keer steken om onhandig geparkeerde auto’s te ontwijken. Hij blokkeert een tijdje de straat naast de parkeerplaats. Hij steekt nog een keer achteruit en ik stop op de stoep. Op ruime afstand wacht ik geduldig af. Ik vermoed dat de chauffeur op jonge leeftijd al te kampen zal krijgen met versleten nekwervels. Ik zie zijn hoofd van links naar rechts schieten. Ik zie hem zichzelf uitrekken om goed zicht te hebben.

Ik blijf op de stoep staan en maak oogcontact met de chauffeur. Rustig aan, vriend. Ik sta hier en ik blijf hier staan tot jij klaar bent. Ik heb jarenlang in een vrachtwagen garage gewerkt. Dus ik weet hoe groot trucks zijn. En ja, ik weet het. Ze zijn rete-irritant op de weg. Die truckers. Ze douwen door als ze invoegen. Ze halen elkaar minutenlang in met twee kilometer verschil op de teller waardoor je er niet langs kunt. Maar realiseer je ook dat een vrachtwagen zomaar een paar ton kan wegen. Die zet je niet zomaar even stil. Realiseer je dat een vrachtwagen, zélfs een Volvo, niet zo wendbaar is als jouw personenwagen.

En terwijl ik daar sta te wachten, zie ik van alles vlak langs de vrachtwagen schieten. Die vrouw met die rollator had beter aan de overkant kunnen gaan lopen. Die twee tieners op de fiets, die vlak achter de oplegger langs fietsen weten misschien niet beter. Maar die moeder, die met twee koters op haar fiets, rakelings langs de rechterkant van de truck fietst, zou gewoon een enorme schop onder haar kont moeten krijgen. Zijn mensen nou zo dom of heeft echt nog nooit iemand van de dode hoek gehoord?

Dus hier is-ie nog een keer, mensen! De dode hoek! De chauffeur kan vanuit zijn cabine de personen binnen de gele lijnen NIET zien.

Bron foto: Yves Haud’Huyze, LinkedIn