Categoriearchief: Verhuizen

Project ‘Draak’.

Toen mijn moeder naar een zorgcentrum verhuisde, nam ik een schilderij mee dat bij haar in de gang hing maar waar ze in haar kamer geen ruimte voor had. Het was niet zo dat ik het schilderij nou zo mooi vond. Het was gewoon een Ikea-schilderijtje. Een houten lijst met een prentje van blauwe tulpen erin. Maar voordat het bij mijn moeder in huis hing, hing het bij mij in de huiskamer. In mijn huis in Breda. En dat maakte het schilderij bijzonder dus nam ik het mee. 

Het stond een jaar lang te verstoffen hier, ergens achter een deur. Tot het tijd werd om mijn huis opnieuw in te richten. Ik sleepte met spullen, ik schilderde muren groen en ik sloeg aan het herinrichten. En toen ik klaar was, hing ik mijn oude schilderij aan de muur. Daar sloeg het als een tang op een varken. Want de blauwe tulpen kleurden voor geen meter bij mijn vers-geschilderde groene muren. 

Rond diezelfde tijd maakte ik een kleine aquarelletje dat hoorde bij mijn lievelingsgedicht. En ineens viel het kwartje! Ik besloot opnieuw een aquarel te maken van die draak. Wat groter. En deze keer zou de draak groen worden! Dan zou hij in mijn interieur passen en dan kon in hem in de lijst doen waar nu de blauwe tulpen woonden. Enthousiast ging ik aan de slag. Maar aquarellen valt nog niet mee. En de perfectionist in mij liet zich veelvuldig horen. Met als gevolg dat de draak wekenlang op mijn tafel lag. 

Steeds weer zag ik iets wat mooier kon. Of beter. Of donkerder. Misschien nog een beetje geel daar. En kon dat groen daar niet wat donkerder? Op de achtergrond nog een beetje meer kleur. Tot ik me uiteindelijk realiseerde dat ik nooit tevreden zou zijn. Ik zal altijd dingen blijven zien die mooier kunnen. Of beter. Of donkerder. En dus deed ik het meest verstandige; ik deed de draak in de lijst en hing ‘m boven de eettafel. 

Als ik nu nog iets wil veranderen moet ik ‘m eerst uit de lijst halen.
En dat is me echt teveel moeite. Dus bij deze verklaar ik project ‘Draak’ gesloten.
Goed is goed.

Ver van huis.

‘Ga je terug naar Brabant?’ vragen mensen vaak, nu ik alleen woon. Nee, ik ga niet terug naar Brabant. Waarom zou ik terug gaan? Ooit kon ik me niet voorstellen dat ik ooit weg zou gaan uit mijn geboorteplaats. Maar toen ik jaren geleden naar Amsterdam verhuisde, merkte ik dat ze overal brood bakken en dat in een klein land als Nederland alles relatief dichtbij is. Dus blijf ik in Heemskerk.

Het valt me amper meer op dat ik aan de andere kant van het land woon. Soms loop ik in gedachten verzonken de supermarkt in. Pas als ik het bord zie met de schreeuwerige tekst ‘De goedkoopste van Heemskerk!’ bedenk ik me hoe ver ik van huis ben. Maar het bevalt me hier dus waarom zou ik vertrekken?

Ik werk in Amsterdam en dat is vanuit hier prima te doen. Oké, het zou fijn zijn om dichter bij mijn oude moedertje te wonen. Maar ik bel haar bijna elke dag en rijd zeker drie keer per maand naar haar toe. Met mijn vrienden uit Brabant spreek ik regelmatig af. In plaats van een avondje op bezoek maken we er nu een dagvullend programma van, compleet met etentjes of terrasjes. Soms hier en soms daar.

Daarnaast bevalt Heemskerk me prima. Een vriendelijk dorpje, met alles wat ik nodig heb binnen handbereik, pal tegen de duinen aan die ik zo prachtig vind. En dan die zee, hè! Dat is toch wel het grootste pluspunt van hier wonen. Gewoon even naar het strand fietsen. Ik kan daar zó van genieten. Dan loop ik over het strand en denk ik nog steeds glunderend ‘Ik wóón hier!’

‘Als ik oud ben, wil ik bij de zee wonen’ zei ik altijd. Dus nu lig ik voor op schema. Want ik ben nog niet oud. Maar ik woon wel aan zee. Toch is er één klein nadeeltje aan wonen in Noord-Holland. Ik heb al dagenlang de slappe lach om een heel flauw Brabants grapje. Ik vertel hem te pas en te onpas tegen iedereen om me heen. Maar niemand snapt ‘m hier.
Jullie wel?

Op een Brabants terras:
Ober tegen klant: Wa wilde gij drinken?
Klant: Gin-tonic, asteblieft.
Ober: Oh. Wa dan?

Voor een habbekrats.

Toen ik nog samenwoonde waren alle snuisterijen in huis van de liefste ex. Alle beeldjes, alle prulletjes, ze waren allemaal van hem. Niet meer dan logisch dat ik alles voor hem ingepakt hebt. Het fotolijstje met de foto van Spike, de foto’s van ouders, de spulletjes van zijn ouders, zijn Kuifje-raket en Jansen en Jansen in hun autootje. Het staat nu allemaal bij hem. Waar het hoort. Dat hield wel in dat ik niks meer in huis had om de boel een beetje op te leuken. Dat kwam me op zich goed uit want ik houd niet zo van snuisterijen. Het meeste vind ik niet bijzonder, te duur of het valt in de categorie stofnest. Maar helemaal zonder was ook een beetje kaal. Maar beetje bij beetje kwamen er wat snuisterijen in huis. Precies genoeg, vind ik. En het mooie is; het kostte bijna niks!

Op de ventsterbank staan wat bloempotjes. Het bloempotje aan de linkerkant is een potje dat ik mee nam uit de inboedel van mijn moeder toen ze naar het zorgcentrum verhuisde. Een foeilelijk ding, maar ik vond de vorm leuk. Dus wikkelde ik er een stuk touw om heen dat ik vastplakte met montagekit. De potjes aan de rechterkant zijn lege conservenblikjes. Ik boetseerde er een laagje zelfdrogende klei omheen en drukte daar schelpen in die ik op het stand gevonden heb.

Naar de televisie staat uiteraard een foto van mijn grote kattenvriend, onze Spike. Het mini-dromenvangertje aan het fotolijstje van Spike maakte ik zelf van een mondkapje. Het fotolijstje kocht ik bij de Xenos. Ik deed er een foto van Michelle in. Met wat zand en schelpjes. En van stukjes hout die ik vond op het strand, knutselde ik een vis in elkaar. Als basis gebruikte ik twee eetstokjes die ik nog in de keukenla had liggen na een afhaalmaaltijd.

Op de salontafel staat een plant. En wat waxinelichthoudertjes. Die kocht ik bij de kringloopwinkel. Ze staan op een simpele plantenschotel van de Action van een paar eurocent. De onderzetters kreeg ik cadeau toen ik wegging bij de garage waar ik werkte in 2008. Er hoorden twee flessen wijn bij maar die gingen de avond van mijn afscheid al op. En geen zorgen; ik had hulp daarbij.

 

De meeste snuisterijen staan in de boekenkast. Bovenop staan, naast de plant, de enige twee dingen die ik nieuw kocht. Een paard en een masker. Allebei van Xenos. Op de tweede plank staan dierbare foto’s. De fotolijstjes komen van de Action vandaan. De Boeddha die voor de foto’s staat bracht een ex-collega voor me mee toen hij ooit terug kwam van vakantie. Ja, die ene ex-collega; die met de meeste praatjes.

Op de derde plank staat een schermerlampje van de Action. Het ding kostte nog geen vijf euro. Ik heb het hout zelf wat donkerder gebeitst. De twee flesjes kocht ik in de kringloopwinkel. En daarvoor staat een olielampje dat ik in 1989 kocht in Bernkastel-Kues tijdens een weekendje weg. Op de vierde plank staat een nepplant in een mandje van de kringloopwinkel. Ook het glazen flesje komt daar vandaan.

En op de onderste plank staan de boeken die ik nog moet lezen voor ze in mijn minibieb kunnen. Ze zijn allemaal tweedehands. Daarnaast staat een grote glazen vaas. Die stond zomaar bij de glasbak! Ik heb ‘m mee genomen en eerst een nachtje in de gootsteen laten staan met water er in omdat ik bang was dat hij zou lekken. Maar nee, hoor! Niks mis mee! Ik gooi er altijd mijn standjutter-vondsten in als ik terugkom van het strand.

Naast de boekenkast staat een grote glazen fles. Ooit las ik bij haar een stukje over damigiane. Die vond ik zo leuk dat ik er graag een wilde. Dus keek ik op Marktplaats en zocht op ‘damigiana’. Er waren er niet veel. Ze werden ver weg te koop aangeboden en ze waren erg duur. Meestal zo rond de 60 euro. Toen besloot ik te zoeken op ‘groene fles’. Dat pakte beter uit. Ik kocht dit exemplaar voor 20 euro, vijf kilometer hier vandaan. Het is misschien geen echte damigiana maar ik vind ‘m mooi. De rode takken kreeg ik erbij van de vorige eigenaresse en de pluimen die er in staan, plukte ik ergens aan de waterkant.

Kortom, geen dure spullen. Geen sjieke items. Gewoon een bij elkaar geraapt zooitje dat bijna niets kostte. En dát vind ik misschien nog wel het leukste ervan.

Wat is het duurste item dat jij in huis hebt?

Een half jaar later.

Ooit was ik gek op Amsterdam. Dat had niet eens zo met de zelf stad te maken, realiseer ik me nu. Het kwam vooral door de Amsterdammer die ik eind 2004 tegen het lijf liep. Ik herinner me onze tweede date, begin 2005. Hoe hij me ophaalde op het Centraal Station en me behendig door de drukke stationshal manoeuvreerde terwijl ik verbaasd om me heen keek. Hij loodste me veilig de drukke stad door, tussen de trams, auto’s en fietsers door die van alle kanten leken te komen. Hij liet me zijn appartement aan de Amstel zien en we gingen uit eten.

Ik weet nog waar we gingen eten maar ik heb geen idee meer wát ik gegeten heb. Want tegen de tijd dat we aan tafel gingen, was ik reddeloos verloren. Verliefd op die mooie bruine ogen en op de charmante manier waarop hij om ging met iedereen om hem heen. Op zijn vlotte babbel en zijn gevoel voor humor. Ademloos luisterde ik naar zijn verhalen over de steden waar hij geweest was tijdens zijn reizen. Ik genoot van zijn kijk op de politiek en de wereld om hem heen. Hij wist overal iets van en was slim en scherp.

We kregen verkering, gingen samenwonen in Amsterdam en tijdens de jaren die volgden, trokken we ontelbare keren de stad in. We wandelden bijna elk weekend vanuit Amsterdam Nieuw West naar het centrum. Hij liet me de hele stad zien. Hij wees Het Sieraad aan waar zijn vader op school gezeten had. We liepen door de Staringstraat, waar hij als kind woonde en hij vertelde over Woutertje. Hij wees de gracht aan waar hij van zijn moeder niet mocht komen en die voor hem als kind het einde van zijn wereld betekende. Verder mocht hij niet.

Hij liet me Prinseneiland zien, waar zijn opa en oma woonden. Hij wees in de Damstraat de plek aan waar zijn ouders ooit een eettentje hadden en we stonden samen bij Wynand Fockink binnen te staren naar de plek waar zijn vader altijd zat. We liepen door de Warmoesstraat en hij vertelde over zijn vakantiebaan bij de stadsreiniging. Hoe hij daar de straat veegde omringd door junks en de ME. ‘De beste motivatie om door te leren’ noemde hij dat. We gingen naar het Prinsengrachtconcert, vierden Koninginnedag, bekeken de Nachtwacht en we zakten door in duistere buurtkroegjes vol vreemde vogels.

Afgelopen zaterdag waren we weer samen in Amsterdam. Ook al is onze relatie voorbij; we gaan nog steeds af en toe samen op pad. Ik loodste hem de drukke stationshal door op Amsterdam Centraal en we liepen via het Damrak de stad in. Het deed hem goed om weer even in Amsterdam te zijn, zag ik. Maar bij McDonalds moest hij echt even gaan zitten om uit te rusten.

Daarna staken we over en liepen we door de Warmoesstraat. Ik keek hoe hij voor me uit liep, zwaar leunend op zijn rollator. Geen mooie verhalen meer. Geen smakelijke anekdotes. Hij had al zijn energie nodig om te lopen. Bij de Wijde Kerksteeg bleef hij even staan en keek hij naar de Oude Kerk. Hij groeide op in dat buurtje, terwijl zijn ouders aan het werk waren in hun eettentje. “Wil je een rondje Oude Kerk?” vroeg ik. En ja, dat wilde hij wel. Moeizaam duwde hij zijn rollator over de ongelijke steentjes waar hij ooit boos op het raam van een hoertje stond te bonken.

Na een rondje rond de kerk, liepen we door de Pijlsteeg naar de Dam. Wynand Fockink was nog dicht. Zwijgend keken we allebei even binnen. Ik zag hem even glimlachen toen we de plek passeerden waar het eettentje van zijn ouders ooit was. Op de Dam zochten we een bankje om even uit te rusten. Midden in de drukte zaten we stilletjes naast elkaar om ons heen te kijken tot hij zei dat het wel genoeg was zo. Hij wilde naar huis. Al die drukte, zoveel prikkels. Het lukt niet meer.

Alles is veranderd. Hij. Ik. Wij.
En zelfs Amsterdam zal nooit meer hetzelfde zijn.