Categoriearchief: Werk

Die baan waar ik zo blij mee was.

Die baan dus. Die nieuwe. Tja, ik moet zeggen dat het enigszins paniekvoetbal was toen mijn baas verkondigde dat het bedrijf waar ik al zolang werkte failliet zou gaan. Want de schoorsteen moet wel roken hier. Dus begon ik als een speer te solliciteren. En toen kwam die vacature voorbij voor officemanager in een vrachtwagengarage in de buurt. Ik heb van 1998 tot 2007 met heel veel plezier bij precies zo’n garage gewerkt. Dus ik was meteen super enthousiast en solliciteerde. En ik werd meteen aangenomen. Uiteraard, zou ik bijna zeggen…

 

Er waren een paar dingen waar ik in mijn haast niet over nagedacht had. Dat ik mijn werk daar destijds, op het laatst, ook al een tikkie saai vond. Dat ik nooit officemanager heb willen worden omdat ik dat gewoon geen leuke functie vind. En dat het inmiddels 2023 is. Of, zoals een goede vriendin zei: ‘Ik ben bang dat je dat niveau inmiddels ontstegen bent’.

Maar ik begon vol goede moed. En die werkplaats vol joekels van vrachtwagens vond ik nog steeds prachtig. De grapjes van de monteurs maakten me nog steeds aan het lachen. Alleen het werk. Dat viel tegen. Ik gooide het op ‘wennen’. Na 12,5 jaar bij hetzelfde bedrijf en veel thuiswerken valt opnieuw beginnen ook niet mee. 

 

Ik had vooral moeite met de ouderwetse werkwijze. Altijd was nog precies zoals bij de vorige garage vorige eeuw. Elke dag weer de stroom pakbonnen die ik uit moest zoeken. Ik had ook niet verwacht dat ik zo’n hekel zou hebben aan de financiële klusjes. Facturen inboeken en wanbetalers bellen. Ik had het zien staan in de vacature maar onderschat dat het zo’n groot deel van mijn werk zou zijn. Maar veel anders was er niet te doen. Elke dag opnieuw. Ik had niet echt een klik met mijn direct leidinggevende en weinig contact met klanten. Er kwam volk genoeg over de vloer. Maar meer dan ‘ik kom de VR-88-CHT brengen’ kwam daar ook niet uit.

 

Het wende gewoon niet. Sterker nog; mijn afkeer groeide en ik ging elke dag met tegenzin naar mijn werk. Het was zo ontzettend saai dat ik mijn hoofd er niet bij kon houden en vaak fouten maakte. Het ging me uiteindelijk zó tegenstaan dat het al mijn energie opslurpte en ik ‘s avonds en in het weekend niet verder kwam dan lamlendig op de bank hangen en nergens zin in hebben.

 

Ik begon voorzichtig om me heen te kijken. En voorzichtig een beetje te solliciteren. En toen ik voor de zoveelste keer een fout maakte, zuchtte ik eens diep en vroeg mijn leidinggevende of we niet beter konden stoppen met elkaars tijd verdoen. Ik geloof dat zij eigenlijk ook wel opgelucht was. Uiteindelijk is mijn jaarcontract ontbonden en had ik een keurige opzegperiode van één maand. Ik trakteerde de monteurs op gebak, kreeg een bos bloemen en dat was dat. No hard feelings.

 

Omdat ik al aan het solliciteren was, had ik binnen no time een andere baan. En door mijn laatste vrije dagen op te nemen, had ik ook nog eens een weekje vakantie tussen mijn oude en mijn nieuwe baan. Is het zonde dat het zo gelopen is? Niet echt. Ik heb altijd vol weemoed terug gedacht aan de jaren dat ik in die garage in Breda werkte. Ik kon er niet blijven werken doordat ik verhuisde naar Amsterdam. Maar ik weet nu zeker dat het sowieso tijd was om te vertrekken en verder te gaan.

 

Het is mooi ook om te merken dat ik dat gedaan heb. Ik bén verder gegaan. Ik heb zoveel gedaan en zoveel bijgeleerd dat ik niet meer pas in dezelfde functie als in 2007. En dat is toch eigenlijk ook wel mooi.

 

Inmiddels heb ik de eerste dagen op mijn nieuwe werk er op zitten. Wat een verademing dat alles digitaal is en ik niet meer met ordners hoef te slepen. De koffie is er – niet geheel onbelangrijk – lekker en het is er lekker warm. Wat heerlijk dat ik een laptop en een telefoon kreeg en ik straks – na de inwerkperiode – weer lekker thuis kan werken. En ik ben zo blij als een kind met mijn stoere toegangspas. Ik ben met open armen ontvangen, er stonden bloemen klaar en al mijn accounts waren al aangemaakt en werken als een zonnetje. Kortom; ik ben blij! En ‘s avonds heb ik weer wat energie over. Ik zeg win-win!

De dode hoek, mensen!

Kijk nou wat ik vind tussen mijn concept-blogjes! Een vrachtwagen-blogje, geschreven in maart 2023. Ik had nooit kunnen bedenken dat ik nu wéér tussen de vrachtwagens werk. De foto hier onder is wel van vandaag. Ik hoefde niet ver te zoeken 😉

Op een gewone doordeweekse dag, wandel ik tussen de middag naar de bakker voor een halfje bruin. Vlak voor ik de parkeerplaats bij de winkels op wil lopen, zie ik een enorme vrachtwagen een haast onmogelijke draai maken. Achteruit, de smalle ingang van het parkeerterrein op, om met de achterkant van zijn trailer bij de plaatselijke Trekpleister uit te komen om een nieuwe voorraad bende af te leveren. De chauffeur moet een paar keer steken om onhandig geparkeerde auto’s te ontwijken. Hij blokkeert een tijdje de straat naast de parkeerplaats. Hij steekt nog een keer achteruit en ik stop op de stoep. Op ruime afstand wacht ik geduldig af. Ik vermoed dat de chauffeur op jonge leeftijd al te kampen zal krijgen met versleten nekwervels. Ik zie zijn hoofd van links naar rechts schieten. Ik zie hem zichzelf uitrekken om goed zicht te hebben.

Ik blijf op de stoep staan en maak oogcontact met de chauffeur. Rustig aan, vriend. Ik sta hier en ik blijf hier staan tot jij klaar bent. Ik heb jarenlang in een vrachtwagen garage gewerkt. Dus ik weet hoe groot trucks zijn. En ja, ik weet het. Ze zijn rete-irritant op de weg. Die truckers. Ze douwen door als ze invoegen. Ze halen elkaar minutenlang in met twee kilometer verschil op de teller waardoor je er niet langs kunt. Maar realiseer je ook dat een vrachtwagen zomaar een paar ton kan wegen. Die zet je niet zomaar even stil. Realiseer je dat een vrachtwagen, zélfs een Volvo, niet zo wendbaar is als jouw personenwagen.

En terwijl ik daar sta te wachten, zie ik van alles vlak langs de vrachtwagen schieten. Die vrouw met die rollator had beter aan de overkant kunnen gaan lopen. Die twee tieners op de fiets, die vlak achter de oplegger langs fietsen weten misschien niet beter. Maar die moeder, die met twee koters op haar fiets, rakelings langs de rechterkant van de truck fietst, zou gewoon een enorme schop onder haar kont moeten krijgen. Zijn mensen nou zo dom of heeft echt nog nooit iemand van de dode hoek gehoord?

Dus hier is-ie nog een keer, mensen! De dode hoek! De chauffeur kan vanuit zijn cabine de personen binnen de gele lijnen NIET zien.

Bron foto: Yves Haud’Huyze, LinkedIn

We belong to the night.

Ken je dat? Dat je een bepaald nummer hoort en meteen voelde wat je toen voelde. Dat je nog precies weet wat je deed op dat moment. Wie er op dat moment belangrijk was in je leven. Meestal weet je daardoor feilloos het jaartal te noemen waarop dat nummer hoog in de hitlijsten stond. Het jaar van die ene vakantie. Van die verhuizing. Of van dat ene leuke vriendje.

Maar soms gaat die vlieger niet op. Soms ontdek je een nummer pas later. En wordt het toch een herinnering aan een bepaalde tijd. Die niet altijd overeen komt met de tijd dat het nummer in de hitparade stond. Ik heb dat met ‘We belong to the night’ van Ellen Foley.

Ellen Foley ken je wel. Zij was de dame die meezong met Meatloaf op Paradise by the Dashboardlights terwijl iemand anders op het toneel stond in die wereldberoemde clip. Ze had gewoon geen zin om te gaan touren met Meatloaf en deed liever haar eigen ding. Zoals ‘We belong to the night’ uitbrengen. In 1979.

In 1979 was ik tien. Ik speelde met mijn hondje Rigo in de achtertuin. Ik was bruidsmeisje bij het huwelijk van mijn grote zus. Mijn vriendinnetje Audrey was net verhuisd naar een andere stad maar ik raakte bevriend met mijn nieuwe buurmeisje. Ik was hartstochtelijk Abba-fan en al mijn inmiddels op zichzelf wonende broers en zussen belden naar huis als Abba op tv was om mij te waarschuwen. Van Ellen Foley had ik nog nooit gehoord.

Ergens pikte ik het nummer op. Jaren later. Geen idee waar. Maar het werd een favoriet die lang in mijn playlist prijkte. Een playlist die ik vaak afspeelde toen ik pas in Amsterdam bij de liefste ex woonde. Het was 2010. En om een woonvergunning te krijgen, moest ik minimaal 20 uur per week in Amsterdam werken. Via een vriend die bij een uitzendbureau werkte, was die baan zo geregeld. Maar het was niet de meest inspirerende job. Ik nam telefonisch bezorgklachten aan van lezers van een stel grote dagbladen.

Een oeverloze stroom boze mensen kreeg ik aan de lijn. Klachten over kranten die niet of te laat bezorgd werden. Klachten  over natte kranten, onbeschofte bezorgers en lawaaierige brommers om zes uur ‘s morgens. En het meest frustrerende was dat die klachten meestal niet direct opgelost werden en ik na een paar dagen dezelfde mensen wéér sprak. Alleen waren ze dan nog bozer. Ik ging er raar van praten. Als ex terloops meldde dat de koffie bijna op was, antwoordde ik op de autistische piloot ‘Dat is heel vervelend voor u’. En de wisselende diensten maakten het er ook niet beter op.

Ik heb het drie maanden volgehouden daar. En als ik nu We belong to the night hoor, zit ik weer in de tram. Onderweg naar dat vreselijk werk, in alle vroegte, in het donker. Overstappen op het Leidseplein, waar destijds nog gratis Metro-krantjes uitgedeeld werden. En ik troostte mezelf altijd met de gedachte dat dát pas een rotbaan was. Dan viel mijn werk eigenlijk nog wel mee. 

 Ik reisde verder met lijn 10, langs het huis van Mathilde Willink dat er altijd zo luguber uitzag in het donker, terwijl Ellen Foley zong. De uren op mijn werk kropen voorbij terwijl ik luisterde naar boze mensen, uitgescholden werd, probeerde klachten op te lossen en vaak moest toegeven dat het wéér niet gelukt was. En halverwege mijn werkdag kreeg ik altijd een hartstochtelijk verlangen om krantjes te gaan uitdelen op het Leidseplein. Alles was beter dan het werk dat ik deed.

 Bij het horen van dat ene nummer, ben ik – 12 jaar later – nog altijd opgelucht. Dat ik morgen niet in de tram zit onderweg naar dat immense, ongezellig kantoor om die eindeloze stroom klachten aan te horen. En dan count ik my blessings maar weer eens.

Op de fiets.

Ik beken! Ik heb een beetje gelogen in mijn vorige log. Het is geen half uur fietsen naar mijn werk. Het is maar 23 minuten. Maar omdat ik twee keer onder een viaduct door moet, vind ik dat het een half uur is. En dan speel ik nog vals ook want ik heb een elektrische fiets. En toch zag ik als een berg tegen mijn dagelijkse fietstochten op. Gewoon omdat ik een gruwelijke hekel aan fietsen heb. Elektrisch of niet.

Als ik moet kiezen tussen twee uur lopen of één uur fietsen, ga ik liever lopen. En natuurlijk zou ik kunnen gaan lopen naar mijn werk. Dat zou me dan één uur en zes minuten kosten, enkele reis. Maar fietsen staat slechts op nummer 2 op de lijst van ‘Dingen die ik vreselijk haat’. En op nummer 1 staat – met stip! – vroeg op staan. Dus lopend naar mijn werk gaat ‘m echt niet worden. Dus ik fiets. Vier keer per week. twee keer een half uur per dag. Oké, oké. Twee keer 23 minuten.

Eerlijk is eerlijk; het valt me reuze mee. Natuurlijk omdat het vroeg licht is ’s morgens. En ’s morgens is het nog best fris maar ’s middags is de temperatuur meestal best aangenaam. Daarnaast is het vlak bij mijn werk enorm druk met auto’s. Als het regent, kan ik de auto pakken maar dan ben ik net zo lang onderweg. Maar dan met iets meer ergernis. En die elektrische fiets scheelt een hoop.

Het gaat mij niet eens om de snelheid. Ik heb niet de behoefte om heel hard te fietsen. Sterker nog; voor iemand met mijn gestoorde motoriek is het waarschijnlijk beter om niet hard te fietsen. Ik ben zo iemand die een lade dicht doet met haar vinger er nog tussen. Die haar halve vinger er af schaaft met de kaasschaaf. Ik heb mezelf ooit een blauw oog bezorgd door de vriezer open te doen terwijl ik mijn hoofd te dicht bij de deur hield. En als dramatisch dieptepunt kukelde ik ooit van de trap met mijn dochter in mijn armen. Het lijkt me gewoon beter dat ik niet hard fiets.

En dan nog; hoe meer mijn snelheid richting de 25 km per uur gaat, hoe meer mijn wantrouwen in het materieel groeit. Ik heb een stokoud tweedehands elektrisch fietsje. Ik ben altijd bang dat mijn voorvork afbreekt als ik over een drempel rijd. Of dat ik onderweg spontaan een wiel verlies of zo. Dus fiets ik nooit hard. Voor mij is het genoeg dat ik niet hard hoef te trappen. Ik laat me rustig inhalen door Jan en Alleman, rem af voor kruisingen en ga rustig door de bocht. Het enige voordeel van mijn manier van elektrisch fietsen is dat het voelt of ik altijd wind mee heb. Dat maakt dat half uurtje heen en dat half uurtje terug eigenlijk best lekker. Of nou ja, die 23 minuten.