Categoriearchief: Dochterlief

Foodprepping.

Ik kan best aardig koken, al zeg ik het zelf. Een skill die ik pas rijkelijk laat onder de knie kreeg. Mijn dochter bracht ik groot met aardappeltjes-groente-vlees, afgewisseld met macaroni en af en toe frietjes met een knipknots*. En toen de maaltijdmixen van Knorr en Honig hun intrede deden, werd ik grootverbruiker. Omdat het lekker makkelijk en snel was. Als ik zelf een maaltijd in elkaar draaide, gebeurde het met grote regelmaat dat we gecremeerde schnitzels aten omdat ik weer zo nodig iets nuttigs aan het doen was tijdens het koken. De huiskamer stofzuigen, mijn mail lezen of de planten water geven.

Pas toen dochterlief de deur uit ging, leerde ik koken. Met dank aan de liefste ex, die een heel uitgebreide kookcursus volgde en zijn kennis weer door gaf aan mij. En, als ik in de keuken blijf tijdens het koken, kan ik best lekker koken. En soms vind ik het zowaar leuk om te doen. Als dochter en schoonzoon of vrienden komen eten, draai ik met veel plezier een maaltijd in elkaar. Dan vind ik het ook niet erg om lang in de keuken te staan. En een beetje trots ben ik dan wel, want de bordjes gaan altijd schoon leeg.

Toch is koken nooit mijn hobby geworden. En zeker nu ik alleen woon, vind ik het een regelrechte ramp. Ik ben een snelle eter; ik neem nog nét de tijd om te gaan zitten. Maar verder is het hap-slik-weg en ben ik in een kwartier wel klaar met eten. Ja, dat is slecht. Ik weet het. Maar ik heb gewoon wel wat beters te doen dan achter een bordje aan tafel te zitten. Er zijn mensen die uitgebreid de tafel dekken voor zich zelf. Ik heb een collega die een placemat neerlegt, haar mooiste servies gebruikt en een kaarsje aansteekt voor zichzelf. En je hebt mensen zoals ik. Ik vraag me iedere dag af of ik een bord zal pakken of uit de pan zal eten.

Het is een noodzakelijk kwaad; je moet nou eenmaal eten. En koken dus. Maar nu heb ik een manier gevonden om gezond te eten met minimale inspanning. Foodprepping! Wat een briljant concept is dat, mensen! Aan het begin van de maand, doe ik groots boodschappen en haal ik ingrediënten in huis alsof ik een heel weeshuis te voeden heb. En vervolgens ga ik koken. Iedere dag. Oké, die eerste week is het even minder leuk maar het is voor een goed doel. Want in plaats van één portie kook ik er elke dag vijf! Eén portie eet ik op en de andere vier porties vries ik in. Zo kook ik dus in één week 6 x 4 maaltijden want op zaterdag kook ik niet.

De rest van de maand hoef ik dus bijna niet meer te koken. Bakje in de magnetron en ping! Mijn eten is klaar! Ik hoef bijna geen boodschappen meer te doen, heb bijna geen afwas én verbruik bijna geen gas! Bovendien blijkt het goed voor de lijn te zijn want twee keer opscheppen is er niet bij met mijn afgemeten porties. Het is een win-win-win-win-win-situatie! Ooit – daar ben ik van overtuigd – vinden ze pillen uit. Pillen waar alles in zit wat je nodig hebt. En die er voor zorgen dat je geen honger hebt. Als het zover is, ben ik er als de kippen bij. Maar tot die tijd prep ik vrolijk verder. Ping!

  • Het moet natuurlijk kipknots zijn. Die dingen worden volgens mij allang niet meer verkocht. Ik heb het woord ook al zeker twintig jaar niet meer gebruikt. En ik kan het nog steeds niet uitspreken.

Guardian Angels.

Als kind was ik al een eenling. Ik was een nakomelingetje dus mijn grote broers en zussen waren druk met andere dingen of al het huis uit. Ik had één vriendinnetje en op het schoolplein zocht ik liever mooie steentjes dan dat ik met de andere kindjes speelde. Allemaal prima, maar ik groeide wel op tot een heel verlegen meisje dat zich in gezelschap nooit op haar gemak voelde en nauwelijks haar mond open durfde te trekken als dat nodig was. Ik ben mijn halve leven bezig geweest om uit mijn schulp te kruipen. Begin dit jaar woonde ik na een relatie van 18 jaar ineens weer alleen. In mijn eentje in Noord Holland want al mijn vrienden en mijn complete familie wonen twee provincies verderop.

Maar ik blijk het nog steeds prima te kunnen; alleen zijn. Misschien zelfs een beetje te goed want ik had er totaal geen probleem mee dat het enige levende wezen dat ik zag de caissière bij de supermarkt was tijdens mijn wekelijkse boodschappenrondje. Om te voorkomen dat ik weer terug in mijn schulp zou kruipen, besloot ik dat het tijd werd voor de operatie ‘Nieuwe Vrienden’. Maar hoe doe je dat? Nieuwe vrienden maken? Ik maakte een account aan bij ‘Nieuwe mensen leren kennen’. Maar hoewel ik allang niet meer verlegen ben, had ik helemaal geen zin om met een groepje mensen ‘Leuke Dingen Te Gaan Doen’. Ik wil gewoon af en toe een terrasje kunnen pakken. Naar de bioscoop of een wandeling maken. Gewoon iemand kunnen bellen en zeggen “Hé! Zullen we een rondje door de duinen doen?” of “Hé! Zal ik een bakkie komen doen?” Dus het liefst iemand in de buurt.

Aangezien ik totaal geen meisje-meisje ben, zag ik een oproepje voor nieuwe vriendinnen niet zo zitten. Ik heb één vriendin en verder heb ik alleen maar vrienden. Ik level beter met mannen, op een of andere manier. Ik ga liever naar Praxis dan naar Douglas. Ik weet meer van voetbal dan van make-up en over het algemeen vind ik vrouwen vaak best ingewikkeld in de omgang. Dus nam ik een gewaagde stap: ik maakte een Tinder-profiel aan. Niet dat ik nou zo nodig verkering moet (alsjeblieft niet, zeg), maar gewoon af en toe op stap met iemand zou ik wel leuk vinden.

Maar dochterlief zag me al voor het altaar staan en was laaiend enthousiast over mijn besluit. Ze gaf me voor Moederdag een Tinderabonnement cadeau en ik begon ijverig te swipen (het meeste naar links overigens) en ja, hoor! Uiteindelijk had ik een match op Tinder. Met een aardige meneer, die het zowaar vol hield om twee weken lang met me te chatten via de Tinderapp. Daarmee had-ie mijn telefoonnummer verdiend, vond ik en we stapten over op Whatsapp waar we vrolijk door kletsten. En tja, toen werd het toch tijd voor een eerste ontmoeting. Natuurlijk had ik op neutraal terrein af moeten spreken maar op een of andere manier liep het anders. Hij nodigde me uit voor een kop koffie bij hem thuis.

Door dat vele online kletsen had ik wel de indruk dat het een keurige meneer was maar toen de afspraak eenmaal gemaakt was, sloeg de twijfel toe. Want wat wist ik nou van die meneer? Hij kon wel een brute verkrachter zijn. Of nog erger een seriemoordenaar. En ik moest bij hem op de koffie. Dus vlak voor die eerste date besloot ik een team van Guardian Angels in te schakelen. Ik maakte een Whatsapp-groepje aan met de gewaagde titel ‘1001 dates’ en ik gooide daar mijn beste vriendin Simone én mijn grote verstandige dochter in. Vervolgens maakte ik een foto van mezelf zodat ze mijn signalement hadden, mocht ik vermist raken en ik appte het adres van mijn date door zodat ze wisten waar ze mijn lichaam moesten zoeken, mocht-ie toch een seriemoordenaar zijn.

Dat was-ie niet, trouwens. Wel een jaar of tien ouder en tien kilo zwaarder dan zijn profielfoto’s. Maar hij was aardig en grappig en we hadden een gezellige avond waarbij ik mijn Guardian Angels zo vaak ik kon stiekem een duimpje stuurde om te laten weten dat ik in orde was. Ons app-groepje bleek een prima manier te zijn om af en toe een teken van leven te sturen. En ook niet geheel onbelangrijk; het was ook een uitstekende mogelijkheid om mijn date achteraf te evalueren met de dames.

Wat ik echter nooit had kunnen vermoeden, was dat Michelle en Simone het zo goed zouden kunnen vinden met elkaar in ons app-groepje. Als ik op date was, meldden zij zich braaf af bij elkaar en droegen dan hun ‘oppasdienst’ netjes over aan de ander zodat er altijd iemand bereikbaar was, mocht ik in moeilijkheden raken. Ook hun gevoel voor foute humor komt enorm overeen. Het gebeurde regelmatig dat ik op een of ander station, na afloop van een date, hardop zat te lachen als ik hun onderlinge conversatie over mijn date terug las.

Ronduit ontroerend was hun ongerustheid toen ik een keer niet meer online kwam tijdens een date. Ik op neutraal terrein; er kon me niks gebeuren en ik negeerde de trillende telefoon in mijn broekzak hardnekkig in de veronderstelling dat mijn Guardian Angels weer eens onderling aan het grappen en grollen waren. Maar omdat ik maar niet online kwam, werden ze echt ongerust. Toen ik uiteindelijk, tijdens een sanitaire stop van de desbetreffende date, mijn telefoon opnam kreeg ik een uitbrander van de dames. “Je kunt ook zélf naar het toilet gaat om te appen, hè” siste Michelle geïrriteerd. Dat vond ik werkelijk een briljant plan. Sindsdien denken mijn dates dat ik chronische blaasontsteking heb omdat ik regelmatig in het toilet verdwijn.

Afgelopen weekend had ik weer een date. Niet met een meneer deze keer, maar met mijn complete team van Guardian Angels, die elkaar nog nooit in het echt gezien hadden. We spraken af in Amsterdam en genoten van een high tea. En we hadden het zo gezellig samen dat we mijn dates eigenlijk niet eens meer besproken hebben. Ook in het echte leven klikte het enorm tussen mijn Angels.

Om ze te bedanken voor hun goede zorgen gaf ik hen allebei een symbolisch beschermengeltje om in de kerstboom te hangen. Want aangezien ik ons app-groepje heel optimistisch ‘1001 dates’ heb genoemd, heb ik – met mijn date-tempo – mijn Guardian Angels nog wel een tijdje nodig.

Verantwoordelijkheid.

Nook op visite

Kleinkinderen heb ik niet. En of ze er komen is ook niet aan mij. Maar ik heb wel een kleinhond: het hondje van dochterlief en schone zoon. Zij waren dit weekend weg en ik mocht op hun hondje passen. Na het traumatische overlijden van Michelle’s vorige hondje, bij de oppas notabene, vind ik het altijd een hele verantwoording om voor Nanook te zorgen. Je moet er niet aan denken dat er iets gebeurt met een beestje dat onder jouw hoede valt. Dus ik sprak mijn kleinhond bij binnenkomst eerst streng toe. ‘Luister eens, jongedame… Je gaat niet ziek worden hier, hè. Geen gekke dingen, hoor’. En ik waarschuwde haar om vooral niet weg te lopen, zoals ze laatst bij haar andere oppas gedaan had. Nook kwispelde wild als antwoord, rende enthousiast rondjes door het huis en sprong op de bank.

Toen haar bazinnetje eenmaal was vertrokken, was Nanook een beetje sip. Maar zoals dat ook met mensenkinderen gaat; ze was het zo weer vergeten. We speelden even en daarna zocht Nook een lekker plekje op de bank om een potje te chillen. Tot het tijd was om een stukje te gaan wandelen. Ik deed haar tuigje om en checkte de sluiting. Ja, die zat goed vast. Ik checkte ook de sluiting van de riem aan haar tuigje. Ja, die zat ook goed vast. We konden op pad.

Buiten hield ik haar vlak bij me tijdens het oversteken. Ze heeft zo’n riem met een uittrekbare lijn en ik ben altijd bang dat ze ineens de weg op schiet, onder een auto. In het park snuffelde ze lekker rond. En ik hield haar met argusogen in de gaten. Opletten dat ze geen eikels op eet. Of andere verkeerde dingen. Het regende en het was rustig in het park. Gelukkig maar. Ik vind het niet fijn om grote honden tegen te komen als ik met Nanook wandel. Eén hap van zo’n joekel en nou ja..

Zaterdag gingen we samen op visite bij een goede vriend in Brabant. Ik maakte Nanook zorgvuldig vast in de auto. Check, check, dubbelcheck. Alle riempjes zaten goed vast. Voorzichtig reed ik de 125 kilometer naar Brabant. Ik hield afstand en lette extra goed op. Met mijn kostbare vrachtje in de auto. Nook is altijd rustig in de auto. Ze gaat gewoon lekker liggen en geeft geen kik. Onderweg stak ik af en toe mijn hand uit naar de achterbank. ‘Gaat het goed, mop?’ En dan gaf Nook een geruststellend likje aan mijn hand.

Eenmaal in Brabant aangekomen, begroette ze mijn vriend alsof ze elkaar al jaren kenden. Daarna verkende ze het huis en mocht ze, op mijn jas, op een stoel liggen. Braaf beestje; je hebt er geen kind aan. Maar ook daar moest er gewandeld worden. Dus weer de riem, check, check, dubbelcheck. Want als ze daar ontsnapt, in een vreemde omgeving, is ze echt kwijt. Ik moet er niet aan denken. Maar het ging goed en ook de terugweg in de auto ging goed.

Zondag nam ik Nanook mee naar Frank. Weer in de auto. Check, check, dubbelcheck. Alle riempjes vast, afstand houden, rustig rijden. Frank en Nanook zijn nog steeds dikke vrienden dus moest er eerst flink geknuffeld worden. Daarna stofzuigde Nanook de kamer en zocht ze overal of Frank misschien iets lekkers had laten vallen. En daarna kwam ze weer lekker op de bank liggen. Reuzegezellig! Weer in de auto terug. Check, check, dubbelcheck. Voorzichtig!

Gisteren heb ik mijn kleinhond weer overgedragen aan haar bazinnetje. Alles is goed gegaan. Nanook is niet onder een auto gelopen of opgevreten door een grote hond. Ze heeft geen giftige dingen gegeten en geen pootjes gebroken bij een val van de bank. Ze was nog helemaal heel. Geen haartje gekrenkt, alles in orde.

Opgelucht zwaai haar en dochterlief uit. En ik denk aan hoe ik vroeger met gemak door de stad fietste. Fluitend en zingend, met mijn dochter in het fietsstoeltje voorop, een doos met boodschappen onder de snelbinders en twee volle tassen aan het stuur. Misschien is het maar goed dat ik geen kleinkinderen heb. Want de verantwoording voor het allerliefste van je allerliefste is nog veel groter dan de verantwoording voor je eigen allerliefste.

Willekeurig woord – Rubberlaars.

Surfend op het internet ontdekte ik dat er sites bestaan die een willekeurig woord voor je tevoorschijn toveren. Hoe leuk is dat? Als je dan even geen inspiratie hebt, of alleen maar dingen mee maakt die niet geschikt zijn voor publicatie op je weblog, dan kun je zo’n woordengenerator gebruiken! Dat wilde ik wel eens proberen. De woordengenerator kwam met het woord ‘rubberlaars’ op de proppen. Nou, daar weet ik wel een verhaal bij, hoor.

Toen mijn dochter geboren werd, woonde ik in een flatje. Weliswaar met een balkon, maar met ook maar één slaapkamer waardoor dochterlief bij mij op de slaapkamer sliep. Dat was niet zo’n ramp maar het was fijn dat ik na bijna een jaar een andere woning toegewezen kreeg. Sinds die tijd had ze een eigen slaapkamertje. En we hadden een tuintje!

Dat tuintje was vooral fijn toen Michelle een dreumes was. Ze was nog te klein om op straat te spelen maar ze kon wel veilig in de tuin spelen. Zo vlak na de verhuizing was de tuin nog een grote puinhoop maar ze kon niet weglopen en ik hield altijd een oogje in het zeil. En dus scharrelde Mich vaak lekker buiten rond. Zo ook op die dag in maart 1994. Ze was pas anderhalf en het waaide best hard die dag. Maar ach, jasje aan, rubberlaarsjes aan en lekker in de tuin spelen. Met blozende wangetjes dribbelde ze het tuinpad op en neer.

Ze was nét ons schuurtje gepasseerd toen door een enorme windvlaag de schuurdeur open waaide. Ik probeerde nog een snoekduik te nemen om de deur tegen te houden maar ik was te laat. De deur zwaaide met een noodgang open en raakte Mich, net twee turven hoog, vól in haar rug. Ze werd compleet gelanceerd en smakte een meter verderop op het tuinpad. Dat was brullen natuurlijk. Terwijl ik haar optilde om haar te troosten en de schade op te nemen, zag ik dat ze nog maar één rubberlaarsje aan had. De andere was blijven steken tussen de onderkant van de schuurdeur en het tuinpad.

Behalve een flinke bult op haar hoofd mankeerde Michelle niets. Maar bij het woord ‘rubberlaars’ moet ik meteen denken aan dat zielige tafereel van dat kleine rubberlaarsje, klem onder de schuurdeur.

En hoe ik zo zeker weet dat het maart 1994 was? Omdat ik toevallig nét een foto gemaakt had van Michelle, vlak voor haar lancering. Toen ze nog lachte.