Categoriearchief: Oma

Die komt er wel.

Het leuke aan het groter groeien van kinderen is dat je er soms ineens eigenschappen in terug ziet, waarvan je zou willen dat je ze zelf had. Zo ontdekte ik dat dochterlief ontzettend daadkrachtig kan zijn. Als iets moet, dan moet het. En dan doet ze het gewoon. Niks geen gemaar, geen gezeur. Gewoon doen.

De eerste keer dat die eigenschap aan het licht kwam, was toen ze – zo rond haar zesde – begon te wisselen. Een enorme mijlpaal natuurlijk, die vooraf gegaan werd door een ‘wiebeltand’; een voortandje dat steeds losser ging zitten. En in de haast om te wisselen en het melktandje onder haar kussen te kunnen leggen in afwachting van de Tandenfee, kon Michelle niet wachten tot die wiebeltand er uit was.

Er werd gewrikt, gedraaid, gewiebeld. Ze at appels bij de vleet maar haar voortand bleef zitten waar hij zat. Teleurstelling alom. Tot haar tante op de koffie kwam en mij er aan herinnerde dat we zo’n losse tand er vroeger uittrokken door er een touwtje aan te binden. Het andere eind van het touwtje werd aan de deurklink gebonden. En dan was het zaak om de deur keihard dicht te smijten, zodat de losse tand er uitgetrokken werd.

‘Jaaaa,’ riep Mich enthousiast. ‘Dat wil ik!’ ‘Weet je het zeker?’ vroeg ik een keer of drie. Maar ze wist het zeker. Die tand móest er uit. Nu. Met een touwtje. Dus zocht ik een touwtje, bond het ene eind om de wiebeltand van mijn dochter en het andere eind om de deurklink van de openstaande deur naar de hal. Daarna zette ik Mich op juiste afstand van de deur en telde af tot drie om de deur dicht te gooien.

‘Een! Twee!… ‘ telde ik. Met haar armpjes strak langs haar lichaam, haar mond wijd open en haar ogen stijf dicht geknepen, stond mijn kind op haar plekje bij de deur. ‘Drie!’ riep ik. Maar op een of andere manier weigerde mijn lijf dienst. In mijn hoofd maakte ik me klaar om de deur dicht te gooien en zo de tand van mijn kind er uit te rukken. Maar ik kon het niet voor elkaar krijgen om de deur ook daadwerkelijk dicht te smijten. Het lukte me gewoon niet.

Aan tafel kreeg mijn zus de slappe lach. Mich deed voorzichtig één oog open en keek me aan. Haar mond wagenwijd open, het touwtje in een slappe lus tussen haar tand en de deurklink. Ik kuchte eens. ‘Oké!’ riep ik vrolijk. ‘Dat was om te oefenen. Nu doen we het écht!’ Michelle kneep haar ogen weer dicht en ik telde opnieuw. ‘Éen! Twee!… Drie!’ Maar wéér weigerden mijn spieren dienst. Ik kón het gewoon niet.

En terwijl mijn zus opnieuw in een lachstuip schoot en ik zenuwachtig giechelde, tilde Michelle haar kleuterbeentje op. Met een welgemikte karatetrap stampte ze de deur keihard dicht. ‘BAM!’ deed de deur. ‘Toooiiing’ deed het touwtje.

Verbijsterd keken mijn zus en ik naar het touwtje dat zwaaiend aan de deurklink hing. Met aan het einde ervan het melktandje van Michelle. Die keek ons trots aan. Met een brede grijns. En een heus fietsenrek. En toen wist ik het. Dat kind van mij… die komt er wel.

Het zusje van de toneelmeester.

Al zolang ik me kan herinneren, werkte een van mijn broers in het theater in Breda. Eerst in de oude Concordia schouwburg, later in het Chassétheater. Wat-ie precies deed, is me nooit helemaal duidelijk geworden. Toneelmeester, lichttechnicus, geluidstechnicus; hij deed van alles. Het is leuk, een broer in het theater. Ik kreeg rondleidingen, vrijkaartjes en ik dronk wel eens een drankje in het artiestencafé. En als ik zelf een voorstelling bezocht, was ik altijd supertrots als mijn broer achter de knoppen zat van een of ander enorm mengpaneel.

Het zal rond 1990 geweest zijn, dat op een avond de telefoon ging. Mijn broer aan de lijn. ‘Hé sis! Ik ben aan het werk en er is een figurant ziek. Kun jij komen? Ik wacht op je bij de artiesteningang. Je mag iemand mee brengen.’ Ik aarzelde geen moment. Je laat je broer tenslotte, na al die vrijkaartjes, toch niet in de steek? ‘Ik ben er zo!’ riep ik maar terwijl ik ophing, raakte ik lichtelijk in paniek. Figureren? Ik? Op het toneel? Voor een volle zaal? Ondanks dat belde ik mijn beste vriend en samen vertrokken we naar het theater.

Mijn broer wachtte ons op bij de artiesteningang van de schouwburg. Hij stelde me voor aan het Portugese toneelgezelschap dat die avond speelde en legde uit wat er van me verwacht werd. Ik zou in de zaal zitten. De theatergroep speelde een groep gevangenen die in de bak een tijdschrift bekeken met daarin een poster-met-nietje van een mooie vrouw. Daarna zouden ze ontdekken dat die zelfde vrouw in het publiek zat en me op het podium vragen. Oh, mijn God! Waar was ik aan begonnen?

Ik herinner me dat de voorstelling begon. Het tijdschrift wat tevoorschijn kwam en de blikken van de mannen op het toneel die mij vonden in het publiek. De volgspot die op mij gericht werd in het publiek – deed mijn broer dat? – en de zenuwen die door mijn lijf gierden. Ik herinner me hoe ik het trapje naar het podium op liep. Maar verder weet ik niets meer.

Ik zag geen volle zaal. Ik zag geen mensen. Ik speelde gewoon mee. Ik kan me niets meer van het verhaal herinneren. Ik weet alleen nog dat ik met een van die mannen romantisch over het podium danste terwijl hij in mijn oor fluisterde ‘You’re doing great’. En ik vond het fantastisch!

Na de voorstelling dronken we nog wat. In het artiestencafé natuurlijk. En we hebben vreselijk veel lol gehad. Die gasten uit Portugal hadden humor. En ik was helemaal hieperdepiep en beretrots op mezelf dat ik meegedaan had en het er schijnbaar goed vanaf gebracht had. Het was een geweldige avond. Wat een ervaring was het!

Maar ook eentje die mij, theater-technisch, voor altijd verpest heeft. Want sinds die bewuste avond geloof ik niet meer in het spontaan op het toneel roepen van nietsvermoedende bezoekers. Als er tijdens een voorstelling weer eens een meisje uit het publiek geplukt wordt, roep ik – na al die jaren – nog steeds:
‘Ach, wat leuk! Het zusje van de toneelmeester!’

Bijschrift bij de foto: van mijn optreden zijn geen foto’s gemaakt. Daarom hierbij een van internet geplukte foto van het oude Concordia-theater waar ik mijn debuut maakte.

Konijn.

Jaren geleden was ik op bezoek bij mijn tante Rietje in Rozenburg. Ze had nieuwe meubeltjes gekocht en stond vol trots in haar kleine huiskamertje. “Mooi, tante Rietje” riep ik goedkeurend en ik nam plaats op haar nieuwe bankstel. Vrolijk kletsend zaten we even later aan de koffie toen mijn oog op een beeldje van een konijn viel dat naast de tv stond. “Ach, wat een leuk konijn” merkte ik op. Tante Riet keek naar het konijnenbeeldje en zei vlot “Oh? Vind je ‘m leuk?” Resoluut stond ze op, pakte het konijn van de kast en duwde het in mijn handen. “Hier! Neem maar mee dan!”

Even dacht ik aan mijn witte kattenbeeldjes met glazen ogen. Toen ik, begin jaren negentig, op mezelf ging wonen, kreeg ik er eentje cadeau. “Wat leuk!” loog ik beleefd terwijl ik het gruwelijk lelijke beeldje omhoog hield in mijn kamer vol visite. Ik acteerde zó overtuigend dat ik een paar maanden later, na mijn verjaardag, een vensterbank vol witte katten met glazen ogen had omdat iedereen dacht dat ik ze zo leuk vond. En met Kerst kreeg ik er nóg een paar omdat iedereen inmiddels dacht dat ik beeldjes van katten met glazen ogen spaarde.

Dus daar zat ik. Op de bank bij tante Rietje met een konijn op schoot en een mond vol tanden. Dertig jaar ouder maar nog steeds te beleefd om te weigeren. Deze keer had ik niet eens heel erg gelogen want het wás ook een leuk konijn. Alleen niet voor op míjn kast. Tante Rietje zou dat best begrepen hebben maar ik hield mijn mond en ik vertrok braaf mét het konijn naar huis. Pas nu realiseer ik me dat tante Rietje er misschien gewoon graag van af wilde. Van dat stofnest van een konijn.

Het konijn heeft nooit op mijn kast gestaan. Ik heb het wel altijd bewaard. In een doos in de berging. En tijdens een van mijn opruimsessies kwam ik het kreng weer tegen. Mijn tante Rietje leeft niet meer. En daarom kon ik het niet over mijn hart verkrijgen om haar konijn weg te gooien. Ik heb het beeldje op het balkon gezet, naast een bloempot.

En verhip! Eigenlijk is ze daar gewoon wat ze altijd was: een leuk konijn!
Vooruit; ze mag blijven. Sterker nog; ze heeft nu zelfs een naam. Ik noem haar Rietje.

Later als ik groot ben.

Afgelopen weekend had ik een afspraak met een goede vriend in Brabant. Omdat ik toch in de buurt was, ging ik – voor die afspraak – even bij mijn oude moedertje (87) langs. Even snel wat drinken, even bij kletsen en weer door. Gezellig.

Met mijn sleutel liet ik mezelf binnen, al blij ‘Maaammmmaaa!’ roepend, maar mijn moeder zat niet op de bank. Sterker nog; ze was niet in de huiskamer. Ik keek de lege kamer rond. Zou ze onze afspraak vergeten zijn en met een van mijn broers of zussen op pad zijn? Nee, de deur zat niet dubbel op slot en erg mobiel is ze niet meer dus ze moest ergens in huis zijn.

Enigszins aarzelend liep ik verder naar de keuken. ‘Mam?’ Maar ook daar was ze niet. Het was te koud voor haar om buiten te zitten dus in de tuin kon ze niet zijn. Er zat niets anders op dan de slaapkamer te checken.

Zachtjes deed ik de slaapkamerdeur open deed terwijl ik voorzichtig nog een keer ‘Mam?’ fluisterde. Maar ik trof een geruststellend lege slaapkamer aan. Met haar bed keurig opgemaakt en het slaapkamerraam wijd open om te luchten. ‘Mama.’ riep ik nu wat harder terwijl ik door haar slaapkamer naar de badkamer annex toilet liep. De enige ruimte in huis waar ze nog kon zijn.

Ondertussen ging mijn blik naar het openstaande slaapkamerraam. En daarachter zag ik, helemaal achter in de tuin, bij het schuurtje, haar rollator staan. ‘Mam!’ riep ik. En ik stormde terug het huis door, door de lege woonkamer, door de keuken, de tuin door naar het schuurtjes.

In het schuurtje vond ik mijn moeder…
… terwijl ze de vloer aan het dweilen was.

Want, ja. Mijn moeder dweilt haar schuurtje omdat daar zeil op de grond ligt.
En als het schuurtje niet netjes is, is mijn moeder niet tevreden. Dus hebben we samen het schuurtje opgeruimd, heb ik de vloer verder gedweild en daarna hebben we gezellig wat gedronken.

En ja, natuurlijk ben ik blij dat ze nog zoveel kan. Maar jeetje. Het kost haar zó veel moeite. Soms zou ik willen dat ze gewoon achter de geraniums blijft zitten. Zodat we haar – punt 1 – altijd kunnen vinden. En omdat ze – punt 2 – in haar leven wel genoeg gepoetst heeft. Ik zou willen dat ze de boel eens de boel liet.

Maar aan de andere kant weet ik ook dat mijn moeder dood zou gaan van ergernis en verveling als ze stil moest blijven zitten. Ledigheid is des Duivels oorkussen en de aard van het beestje, en zo. Ik zie nog voor me voor ze, op sporadische uitjes, meegelokt door mijn broer, op een terras zat. Krampachtig genietend met haar handen om de leuning van de stoel geklemd. ‘Nou. Toch gezellig zo, hè?’. Het lieve mens kan gewoon niet relaxen.

Maar ik…
… Ik ga het compleet anders doen.

Note to self:
• Ruim vóór pensioengerechtigde leeftijd zorgen dat ik een schuur heb met zeil.
• Ná pensioengerechtigde leeftijd, dus op mijn 67ste 68ste 69ste op de bank zitten met een boek en kijken hoe mijn kind de schuur dweilt. Of iets anders totáál onzinnigs doet. Lijkt me héérlijk!

Wat gaan jullie doen als je later groot bent?