Gezinsuitbreiding.

Nog niet zo heel lang geleden was het slecht gesteld met mijn kamerplanten. Zo slecht dat mijn aloë vera-planten spontaan uit hun pot sprongen. Ik probeerde een appje om mijn planten in leven te houden, maar dat werd helemaal niets. Veel te ingewikkeld en mijn planten waren er ook niet blij mee. Uiteindelijk ging ik over tot de al oude methode ‘Een keer in de week een scheut’ En warempel! Dat lijkt te werken.

Er is hier een complete geboortegolf gaande bij mijn groene vriendjes. Mijn grote liefde Bert tovert elke week wel een nieuw blad te voorschijn. Mijn graslelie heeft een baby geproduceerd die inmiddels al in een eigen bloempot op zich zelf woont. Mijn vetplantje heeft een uitloper met bloemetjes. Het stekje van de zamioculcas (oftewel de ZZ-plant) heeft maandenlang zielig in een potje aarde gestaan en heeft nu ineens twee nieuwe scheuten. Zijn grote broer, die ik nog niet zo lang geleden kocht, zie ik met de dag groeien. Ondanks dat ik de bananenplanten-baby van mijn dochter om zeep heb geholpen, vertrouwde ze mij toch een pannenkoekenplant-baby toe. En die is inmiddels al zo groot gegroeid dat ze (want ik denk dat het een ‘zij’ is) zelf een baby heeft.

En toen, ineens, ontdekte ik een raar friemeltje in mijn grote zamioculcas. Ik google eens en vond dit:

Het friemeltje groeide groter. En halleluja! Mijn zamioculcas staat in bloei, jongens! Hoezo ‘Dit zal niet snel gebeuren’? Ha! Moet jij eens opletten! Ik doe schijnbaar toch iets goed want mijn zamioculcas staat toch echt in bloei. En verwijderen? Geen haar op mijn hoofd die daaraan denkt. Ik ben veel te trots.

Zegeningen.

Het eerste wat mijn moeder altijd zei als ze me zag was ‘Ik zal even koffie zetten’. Jarenlang deed ze dat ook. Toen ze ouder werd, bood ik vaak aan zelf even koffie te zetten. Niet omdat het niet meer ging, maar omdat ik iets sneller was. Tot koffie zetten écht niet meer ging. Maar mijn moeder blééf het zeggen, zelfs vanuit haar rolstoel. ‘Ik zal even koffie zetten’.

Van het bescheiden erfenisje dat mijn moeder achterliet toen ze overleed, zette ik het grootste gedeelte op mijn spaarrekening. En ik kocht een koffiemachine. Zo’n luxe, waar koffiebonen in kunnen. Ik vind het een mooi aandenken. Op een of andere gekke manier, lijkt het zo een heel klein beetje of mijn moeder weer koffie voor me zet. Net als vroeger.

Tussen de buien door schijnt even de zon en ik heb de balkondeur open gezet. Ik zit binnen, op de bank, met een overheerlijk bakje koffie om me heen te kijken. Door de open balkondeur zie ik de ijsbloemetjes en de portulaca aan de balustrade hangen. Ik zie nog net de geraniums in de potten. En aan de aardbeienplant naast de deur zitten een paar aardbeien.

Ik kijk rond in mijn huis en ik vind – nog steeds – dat ik het superleuk ingericht heb. Leuke meubels, leuke kleuren, leuke dingen. En van waar ik zit, valt het niet op dat ik nog steeds geen keukenvloer heb. Die keukenvloer is eigenlijk ook maar bijzaak, realiseer ik me als mijn telefoon tingelt en er een appje binnen komt met vakantiefoto’s van dochter en schoonzoon. Ze hebben het naar hun zin ergens in Verweggistan.

Zittend op de bank, besef ik ineens hoe enorm ik bof. Ik heb een gezond en gelukkig kind én een gezond en gelukkig schoonkind. Ik heb een dak boven mijn hoofd en een koelkast vol eten. En als die koelkast leeg is, dan koop ik gewoon weer iets om er in te leggen. Ik kan mijn rekeningen betalen en af en toe iets leuks doen. En beneden op de parkeerplaats staat mijn nieuwe auto te blinken. Voor iemand met alleen een strikdiploma en een typdiploma ben ik best goed terecht gekomen.

En zo zit ik dan op mijn bankje, te genieten van mijn koffie en vreselijk onbeschaamd gelukkig te zijn. Ik tel mijn zegeningen en realiseer me weer eens dat dat echt niet vanzelfsprekend is. Dat er mensen zijn die het veel slechter treffen. Ik tel nog een keer. En nog een keer. En ik kan niet anders dan concluderen dat ik vreselijk bof.

Ik doe het niet meer.

Volgende maand ben ik al drie jaar huisdier-loos. Ongelooflijk, zeg. In juni 2021 moesten de liefste ex en ik onze grote rode kater Spike in laten slapen. Na een lang en gelukkig leven, maar toch.. wat was ik er verdrietig door. En wat miste ik mijn grote rode vriend. En dat terwijl ik niet eens van de katten was. Ik had meer met honden. Katten vond ik stom. Want katten gaven niks om hun baasjes. Katten gingen altijd hun eigen zin. En dan zo’n vieze kattenbak. Ik moest er niks van hebben.

In 2010 kwam Spike bij de liefste ex wonen. En aangezien ik toen al regelmatig bij hem logeerde, leerde ik Spike kennen. Vanaf het begin af aan klikte het eigenlijk wel. Misschien juist omdat ik niet zo’n kattenvriend was en daarom niets van Spike verwachtte en hem nooit aaide of probeerde te knuffelen. Misschien vond hij dat wel lekker. Dat ik hem gewoon rustig zijn gang liet gaan.

En we werden steeds betere vriendjes. Ex mopperde soms. Als ik op mijn werk was, liet Spike zich de hele dag niet zien. Om zodra ik de sleutel in het slot stak ’s avonds luid miauwend tevoorschijn komen. Daarmee ontkrachtte Spike meteen mijn vooroordeel dat katten niets om hun baasjes geven. Spike was dol op mij. Lag het liefst tegen mij aan op de bank, zat op het randje van de badkuip als ik in bad ging en lag ’s avonds tegen mij aan te snurken.

De maanden dat de liefste ex in het ziekenhuis en het revalidatiecentrum bivakkeerde, was Spike mijn reddende engel. Iemand om tegen te kletsen, om mee te kroelen. En geloof het of niet, als ik moest huilen, kwam hij naar me toe en kroop hij tegen me aan.  Spike was de beste en de liefste kat ooit!

Soms kriebelt het een beetje. Dan twijfel ik. Zal ik toch… Misschien is het wel weer heel gezellig. Maar dan dwing ik mezelf om te denken aan poep scheppen uit de kattenbak. Aan een heel huis onder de kattenharen. Aan een kat die aan mijn bank krabt. Aan de nachten dat Spike ziek was op het laatst en ik halve nachten naast hem lag op de grond en geradbraakt op mijn werk zat.

En als de twijfel dan nog niet over is, dan ga ik naar buiten en loop ik even een rondje. Dan loop ik even naar de dierenartspraktijk hier om de hoek. Daar staat de enorme Audi van de dierenarts voor de deur te blinken. En dan kijk ik weer even naar die dikke velgen die er onder prijken, en die ik indirect betaald heb. Mijn pinpas draaide overuren in de dierenartspraktijk. Kapitalen heb ik uitgegeven aan inentingen, dieetvoer, pijnstilling en medicatie. Da’s meestal voldoende. Dan weet ik het weer zeker: ik doe het niet meer. Er komt geen kat.

Denk ik…

Voetenwerk.

Bekentenis: ik haat voeten. Ik vind voeten vies. Ik vind voeten eng. Ik wil geen voeten zien. Ik wil geen voeten aanraken. Voor de voeten van mijn bloedeigen kind zou ik een uitzondering maken. Maar over het algemeen moet ik niks hebben van voeten. En, misschien een beetje gek, iedereen moet ook van mijn voeten afblijven. Geen voetmassages voor mij. Gewoon afblijven!

Toch vertroetelde ik mijn voeten altijd wel. Voetenbadjes, nagels lakken, ik deed mijn best. Maar echt gecharmeerd van mijn voeten was ik niet. Tot ik tijdens de mantelzorg-jaren besloot eens wat liever voor mezelf te zijn en mezelf af en toe eens te verwennen.

Ik ging op zoek naar een pedicure. Dat was nog best een dingetje want hoe vind je een goede pedicure? Ik las reviews op internet, maar ik zocht vooral op pedicures die aangesloten waren bij ProVoet. Toen ik uiteindelijk een adresje gevonden had, bleek de pedicure in kwestie ook nog eens medisch pedicure te zijn. Dat stelde me enigszins gerust. Met een beetje mazzel zou ze niet onder de indruk zijn van mijn horrelvoeten. En ik maakte een afspraak.

Mijn dochter viel om van verbazing toen ze hoorde dat ik naar een pedicure zou gaan. ‘Mam’ waarschuwde ze voorzichtig ‘Je weet toch dat ze aan je voeten gaat zitten, hè?’. Ja, dat wist ik. En ik zag er best wel een beetje tegenop. Maar toevallig bleek de pedicure die ik uitgezocht had een leuke, vrolijke kletstante. Geen opsmuk, gewoon een hele nuchtere vrouw met een mooie praktijk aan huis. Dat ze een familielid heeft met niet aangeboren hersenletsel maakt dat we elkaar goed begrijpen en dat ik lekker mijn ei bij haar kwijt kon en kan. Soms komen mensen niet voor niets op je pad.

En het mooiste was dat ze mijn horrelvoeten helemaal niet horrel vond! Ze maakt ze gewoon een klein beetje mooier terwijl we gezellig bij kletsen en zij mijn nagels lakt. Want dat kan ze veel beter dan ikzelf. Ik zou nooit meer zonder mijn pedicure kunnen. Maar ik blijf het een vreemde beroepskeuze vinden*. Ik moet er niet aan denken…

Ga jij wel eens naar de pedicure?

*Uiteraard heb ik mijn pedicure gevraagd waarom ze pedicure is geworden. Het antwoord was simpel. Ze begon als manicure maar daarmee verdiende ze niet genoeg om rond te komen.