De pot verwijt de ketel.

Het zijn moderne tijden. Iedereen is online. Altijd. Overal. In de trein hebben de meeste reizigers oortjes in en is hun blik gericht op hun telefoonschermpje. Netflixen, scrollen op Instagram, spelletjes doen. Het kan allemaal.

Het irriteert me vaak. Iedereen in zijn eigen bubbel. Er worden geen praatjes meer gemaakt. Mijn telefoon zit meestal in mijn tas. Ik staar uit het raampje. Of ik kijk mensen. Dan probeer ik me voor te stellen wie die mensen zijn en hoe ze leven.

De jongen tegenover me zit te slapen met zijn koptelefoon op. Zou hij de dag hiervoor op stap zijn geweest? Ik hoop dat-ie op tijd wakker wordt om uit te stappen op het juiste station. De vrouw naast hem kijkt boos op de scherm van haar telefoon terwijl ze zit te typen met haar oortjes in. Maakt ze ruzie op Whatsapp terwijl ze muziek luistert? Ze heeft wel hele leuke schoenen aan, zeg. En zonder er bij na te denken, pak ik mijn telefoon.

Ik maak een foto van haar schoenen en trek die door Google heen. Aha! Het werkt. Adidas Samba Jane-schoenen. Leuk, zeg! Dan realiseer ik me met een schok wat ik zojuist deed. Ik had haar aan kunnen spreken, zoals ik dat vroeger deed. En gewoon kunnen zeggen ‘Wat een leuke schoenen heb je aan.’ Dan had zij waarschijnlijk gezegd ‘Ja, leuk, hè? Dat zijn Adidas Samba Janes. En ze zitten heerlijk!’ Maar in plaats daarvan kijken we allebei op ons schermpje. Net zoals de rest van de reizigers. 

Vlak voor ik bij mijn station aan kom, sta ik op en loop ik langs de mevrouw met de leuke schoenen. Ze maakt een beetje ruimte voor me en kijkt me aan. Ik besluit mijn fout meteen recht te zetten. ‘Wat een leuke schoenen heb je aan!’ zeg ik en ik wijs op haar voeten. Zij kijkt me vervolgens niet begrijpend aan, schuift haar voeten naar achteren onder de bank en checkt de vloer om te zien of ze iets heeft laten vallen. Dan schudt ze haar hoofd en kijkt weer op haar schermpje. 

Oké dan. Poging tot sociaal doen mislukt.
Maar lang leve Google! Zo weet ik toch wat voor schoenen ze droeg. 

Blufpoker.

Zoals jullie weten, heb ik massa’s trammelant gehad met de verhuurder van het appartement waar ik woon. Ik had jarenlang last van een lekkage. Kreeg uiteindelijk – via mijn rechtsbijstandverzekering – voor elkaar dat ik € 200,- huurkorting per maand kreeg tot de lekkage opgelost zou zijn. Maar dat gebeurde nooit. Dus ik verhuisde naar de woning naast me. Van dezelfde verhuurder. Vanaf dat moment betaalde ik weer de volledige huur. 

Dit voorjaar kwam eindelijk de afrekening van de servicekosten. Over 2023 notabene. Ik mocht € 188,- bijbetalen. Hoewel ik weinig service heb gehad, betaalde ik braaf. Daarna kwam de afrekening over 2024. Die was beter! Ik zou € 133,- terug krijgen, las ik in de brief. Maar die brief was het enige wat ik kreeg. Het geld kwam maar niet. Ik vermoedde dat het te maken had met de huurkorting voor de lekkage destijds waardoor ik bij de verhuurder wel te boek zou staan als wanbetaler. Hoewel ik toch echt zwart op wit had dat de huurkorting door bleef lopen zolang de lekkage niet opgelost was. 

Ik mailde, ik belde, ik liet talloze terugbelverzoeken achter maar ik hoorde niks. Weken gingen voorbij. Ik bleef bellen en mailen. Maar niks nada noppes. Tot ik het beu was. 

Ik pakte mijn telefoon, zette mijn nummerherkenning uit en belde met mijn verhuurder. Toen ik eindelijk iemand aan de lijn had, zette ik mijn werkstem op, zei: ‘Goedemiddag, met Lenny H****** van A**** Rechtsbijstand’ en vroeg of ik doorverbonden kon worden met de financiële afdeling in verband met de terugbetaling van de servicekosten van een cliënte. 

‘Goedemiddag, mevrouw H******’ zei de telefoniste ‘Ik ga u doorverbinden’. Even later kwam ze terug aan de lijn. ‘Het spijt me, mevrouw H******. Ik kan niemand bereiken’. Ik zat inmiddels met mijn oren te flapperen. Mevrouw H****** werd wel heel keurig te woord gestaan. Tegen mij zeggen ze nooit mevrouw. Tssss…

De telefoniste vroeg of ik een terugbelverzoek achter wilde laten. Maar dat wilde ik natuurlijk niet. Ik gaf aan dat ik zelf telefonisch slecht bereikbaar was en vroeg haar om door te geven waar het om ging. Namelijk om ‘mijn cliënte’, die al maanden wachtte op de terugbetaling van de servicekosten. Ik gaf aan dat ik later die middag zelf terug zou bellen. ‘Maar natuurlijk kunnen jullie ook altijd contact opnemen met mijn cliënte’ voegde ik er poeslief toe. ‘Natuurlijk, mevrouw H******, ik geef het door. Fijne middag, mevrouw H******’ antwoordde de telefoniste toen ik ophing. 

Anderhalf uur later (!) werd ik gebeld door mijn verhuurder en kon ik eindelijk uitleggen waar het mis ging. Een week later werd ik weer gebeld. Inderdaad, de huurkorting was destijds niet goed afgeboekt waardoor het leek of er een bedrag open stond. Een en ander was inmiddels rechtgezet en – als het goed is – wordt de teruggave van de servicekosten aan mij overgemaakt. 

Mijn hemel! Waar een potje blufpoker al niet goed voor is. Maar schandalig is het wel. Dat het zo moest. 

Ik ging op vakantie en ik nam mee…

Een verkoudheid! En een flinke ook. Ik was snotterig, had hoofdpijn en was zeker niet fit. Maar goed, je kunt je beter beroerd voelen op een Italiaans strand dan thuis op de bank dus vol goede moed ging ik op pad. En ik nam me vooral voor om heel rustig aan te doen. Op naar Letojanni op Sicilië!

Mijn vlucht vertrok rond 19.00 uur dus ik kwam laat aan op de luchthaven in Catania. Daar stond de chauffeur van mijn transfer op me te wachten. Met zo’n bordje met mijn naam erop. Dat vond ik superleuk maar ik vergat een foto te maken. Hij bracht me naar mijn hotel, waar ik in het Italiaans meldde dat ik een kamer gereserveerd had bij hen. De dame achter de receptie vroeg mijn paspoort, keek er in en riep blij ‘Ah! Uit Nederland! Ik ook!’ Sta je dan met je keurige Italiaanse zinnetjes. De hotelkamer was simpel maar prima. Alles was er. Douche, wc, bed, koelkast, airco en een klein balkonnetje. Niet echt luxe maar prima. Ik douchte, dook mijn bed in met twee paracetamol en een doos tissues en sliep als een roosje.

De volgende dag was ik vroeg wakker. Ik bleek van de vliegtuigmaatschappij een cadeautje ontvangen te hebben. Twee ontstoken ogen. Waarschijnlijk door de airconditioning aan boord. Ik weekte mijn soepogen open en ging gezellig met mijn wallen ontbijten in het hotel. En eerlijk gezegd was dat niet heel geweldig. Weinig keuze, slechte koffie. Maar goed, met de vijf sterren van het hotel op mijn eerste solo-reis had ik de lat wel heel hoog gelegd. Ik besloot Letojanni te gaan verkennen en heel rustig aan te doen. Ik was een tikkie gammel. Maar het was heerlijk weer, stalend zonnig en lekker warm. Extra lekker omdat het in Nederland gewoon bar koud was.

Ik wandelde wat rond over de boulevard en door het dorp. Ik zat op het strand, deed wat boodschappen en ik stak twee kaarsjes aan voor mijn overleden ouders in de plaatselijke kerk. ’s Avonds at ik een restaurantje in het dorp – waar ik in het Italiaans bestelde, om de rekening vroeg en netjes bedankte –  en las daarna een boek op mijn balkon. Mijn snotneus was minder maar ik dook weer mijn bed in met twee paracetamolletjes.

Dag twee werd ik wakker met een klein dipje. Heel even dacht ik ‘Wat doe ik hier?’ Ik voelde me nog steeds niet lekker en had last van mijn ogen. Niks aan te doen. Ik herkende het dipje van mijn vorige reisje. Paracetamol erin en gaan. Ik maakte een wandelingetje langs de boulevard en dronk een kop koffie ergens. Mijn dipje verdween als sneeuw voor de zon terwijl ik daar zat, met een lekker bakkie koffie, luisterend naar het Italiaans om me heen en uitkijkend over zee. Genieten.

Ik besloot eerst lekker op het strand te gaan liggen en tegen de middag nam ik de bus naar Taormina. Leuk die smalle weg omhoog de bergen in. Volop haarspeldbochten waarin gewoon auto’s geparkeerd stonden. Rare jongens, die Italianen. In Taormina was het druk. Een leuk stadje met veel souvenirwinkeltjes. Alles draait om citroenen en keramiek. Ik keek een beetje rond en besloot het oude Griekse theater te bezoeken. Ik had een mooi uitzicht op de Etna, wandelde wat rond, dronk er koffie en at wat. En ik schreef een ouderwetse ansichtkaart voor dochterlief en schoonzoon. Dat is traditie geworden. De enige kaart die ik schrijf als ik op vakantie ben.

Daarna bezocht ik het stadspark. Wat prachtig was het daar! Ik zag daar zo’n leuk huisje staan dat ik even overwoog mijn werk-laptop op te halen en daar te blijven. Mwah, toch maar niet. Ik zou mijn schatten in Nederland teveel missen. Maar ik genoot volop van het park, de mooie gebouwtjes en de begroeiing daar.

Daarna ging ik met de kabelbaan naar beneden, naar het stand. Het strand was druk. Vol met ligbedjes. Ik moest moeite doen om een mooie foto te maken. Dus ik bleef niet. Aan de overkant van de weg, zat ik een tijdje uit te rusten bij een leuk cafeetje. En daarna nam ik de bus terug naar Letojanni. Ik at vroeg bij een pizzeria. De Italianen eten laat dus ik had het hele restaurant voor mezelf. Ik wandelde terug naar mijn hotel en nam een lekkere douche. Ik keek een paar afleveringen van een serie op mijn telefoon en ik ging slapen. Voor het eerst zonder paracetamol.

Dag drie werd ik een stuk minder snotterig wakker. En met mijn ogen ging het ook de goede kant op. De lekkere temperatuur deed me duidelijk goed. Het was alweer mijn laatste vakantiedagje. Ik lag lekker weer even op het strand en maakte een wandeling over de boulevard. Ik at een heerlijke omelet bij een leuk eettentje vlak bij de bushalte en stapte daarna weer in de bus naar Taormina. Daar wandelde ik nog even rond maar ik kwam eigenlijk al snel tot de conclusie dat ik het wel gezien had. Ik liep nog één keer door Taormina, nam de zijstraatjes om uit de drukte te zijn en het ‘gewone leven’ op Sicilië te zien. Ik at wel nog een arancini want dat schijnt erbij te horen. In Taormina waren ze niet rond maar kegelvormig omdat ze de Etna voor moeten stellen. Eerlijk gezegd vond ik het niet lekker. Het leek op een bitterbal met rijst erin. Niet aan mij besteed.

Ik nam de bus terug naar Letojanni en at bij een restaurantje aan het strand. Beetje weemoedig zat ik met un bicchiere di vino rosso naar de zee te staren. Dat betekent ‘een glas rode wijn’ maar ik had inmiddels gemerkt dat de Italianen zo ongeveer een halve fles wijn in je glas gooien. Klok, klok, klok. Gek dat ik het op zo’n laatste dag altijd jammer vind dat het voorbij is. Dan bedenk ik me dat hier morgen weer mensen zitten eten aan deze tafel, terwijl ik allang weer thuis op de bank zit.

Terug in het hotel pakte ik mijn koffer alvast in want ik werd de volgende morgen al om zes uur opgehaald. Ik nam een lange douche en zat wat te lezen op mijn balkon, luisterend naar de drukke Italiaanse familie die nog aan het dineren was in de binnentuin. Ik verstond er helemaal niks van. De volgende dag vloog ik naar huis. Terwijl het vliegtuig de landing inzette spotte ik de windmolen van mijn eigen dorp. Ik was weer thuis. En bijna helemaal beter.