Ergernissen.

 

In de auto zitten en je autosleutel kwijt zijn.

‘s Avonds denken dat je je haar nog niet hoeft te wassen als je gaat douchen. En ‘s morgen wakker worden met haar dat wél gewassen had moeten worden die avond daarvoor.

Of ‘s avonds laat je tanden poetsen voor de badkamerspiegel en ontdekken dat je haar echt geweldig zit. En dan ‘s morgens weer wakker worden met een coupe wanhoop.

Er op je werk pas achterkomen dat je verkeerde sokken aan hebt. Van die sokken die afzakken in je laarzen. Of je riem vergeten om te doen en op kantoor de hele dag je broek op moeten hijsen.

Tubetjes secondenlijm. Die lijm plakt álles aan je vingers. Maar bij de onderdelen die je aan elkaar wilt plakken, werkt dat niet. Zo’n tubetje krijg je ook nooit meer open. Want het dopje plakt wél muurvast.

Dat je in de auto – heel cool – je tegenligger met groot licht wil seinen dat hij eerst mag. En dat je dan aan het verkeerde hendeltje trekt. En heel charmant een scheutje ruitenwisservloeistof op de voorruit kletst.

Of rijdend ontdekken dat je rechter buitenspiegel beslagen is. Gelukkig heb ik mijn rijbewijs gehaald toen rechter buitenspiegels nog niet bestonden. Lang leve de binnenspiegel!

Blisterverpakkingen. Vooral die waar een schaar in zit. En waar je dus een schaar voor nodig hebt om hem open te maken.

Of automobilisten die je inhalen en dan vol op de rem gaan omdat ze uit moeten voegen.

Of gewoon geen tijd hebben om een fatsoenlijk logje te schrijven.

 

De andere Johanna.

Hoewel ik niet Joods ben, is mijn achternaam dat wel. Ik heb nooit uitgezocht of er een link is. Nooit uitgezocht hoe mijn Joodse achternaam via mijn protestante vader bij mij terecht kwam. Maar bijzonder vind ik het wel. Toen ik bij haar ooit las dat zij een naam geadopteerd had bij het Holocaust Namenmonument in Amsterdam, wilde ik dat ook. Via de site adopteerde ik een steentje in het monument. Met de donatie die je op die manier doet,  draag je een klein beetje bij aan de onderhoud van het monument en – nog veel belangrijker – aan educatieve projecten over de gevaren van discriminatie en racisme.

Ik keek bij de nog beschikbare steentjes met mijn eigen achternaam en er was één voornaam die me meteen op viel. De naam Johanna. Mijn moeder heet Johanna en ik heb haar naam doorgegeven als tweede naam aan mijn dochter. En deze Johanna werd twee jaar na mijn moeder geboren. Dus adopteerde ik het steentje van Johanna. En ik was vastbesloten meer over haar te weten te komen.

In een zoektocht op Google bleek ik bizar veel gegevens te kunnen vinden over de kleine Johanna. Ik vond de namen van haar ouders, haar broers en zussen en noteerde ze samen met hun geboortedata op het schrijfblok dat ik naast mijn computer had liggen. Benedictus Nathan en Rebecca, en hun kinderen Mozes, Pinehas, David, Hartog, Mietje, Duifje, Meijer, Isaac, Gretha, Abraham en de kleine Dina. Ik vond hun adres. Ze woonden in Amsterdam, boven een café aan het Waterlooplein in Amsterdam. Tegenover de Mozes en Aäronkerk, waar nu de Stopera is.

Gek was het om al die namen te zien staan op mijn schrijfblok. De familie van die andere Johanna. Maar ook wel mooi. Dat na al die tijd hun namen weer verschenen.  Want zelf zijn er niet meer. Achter alle namen heeft iemand met rood potlood een notitie geschreven. ‘Trpt 10-11-1942’. Je hebt niet veel kennis van de Tweede Wereldoorlog nodig om te weten waar die notitie voor staat. De hele familie van Johanna is op 10 november 1942 op transport gezet naar Auschwitz en daar vermoord.

Bij toeval kom ik er achter dat het oude archief niet helemaal klopt. Eén broer van Johanna, Hartog,  heeft de oorlog overleefd, ondanks de onheilspellende rode notitie achter zijn naam. En ik vind zowaar een radio-uitzending terug waarin hij vertelt over het grote gezin. Over zijn ouders, die hardwerkende mensen waren. Zijn vader ging met de lompenkar door de stad. Hij haalde tweedehands spullen op, die zijn moeder vervolgens verkocht op de markt. Zelf hielp hij zijn moeder met het huishouden en de verzorging van zijn broertjes en zusjes.

Ze woonden in een 2,5 kamer woning. Met al die kinderen. En ze waren arm. Maar toch hadden ze plezier. Met de broertjes en zusjes samen, vertelt Hartog. Tot die avond in november. De kleintjes sliepen al en de ouders zaten nog aan een kopje thee. Toen werd de deur in getrapt en kregen zijn ouders tien minuten de tijd om naar beneden te komen met alle kinderen. Hartog stond niet op de lijst en hoefde niet mee. Maar op de lijst of niet; hij wilde mee. Hij wilde zijn moeder niet alleen laten met al zijn broertjes en zusjes, van wie hij zielsveel hield. Maar zijn vader was het daar niet mee eens; hij was van mening dat Hartog misschien nog iets voor hen zou kunnen doen als hij thuis bleef.

Hartog hielp zijn moeder nog de trap af. Ze had de twee kleinste kinderen op haar arm. Daarna bleef Hartog alleen achter, eenentwintig jaar oud, in dat kleine huisje dat zonder al die kinderen ineens heel groot leek. Hij trok van het ene onderduikadres naar het andere en overleefde de oorlog. Na de oorlog ging hij elke dag naar het Centraal Station. Dan bekeek hij de lijsten met overlevenden. Maar zijn ouders en zijn broers en zussen stonden er nooit op.

Ik hoor hem praten. De grote broer van Johanna. Een oude man nu. Hij vertelt hoe dokters soms vragen of bepaalde kwalen in de familie voorkomen. “Maar dat weet ik niet”, zegt hij “Ze zijn geen van allen volwassen geworden” Na de oorlog kwam hij via het Rode Kruis te weten dat zijn ouders en zijn broers en zussen allemaal waren omgekomen. De meesten zijn bij aankomst in Auschwitz meteen vergast. Ook Johanna. Ze was pas acht.

Ik ben elk jaar twee minuten stil. Voor alle oorlogsslachtoffers. Maar dit jaar speciaal voor Benedictus Nathan, Rebecca, Mozes, Pinehas, David, Mietje, Duifje, Meijer, Johanna, Isaac, Gretha, Abraham en Dina. Die andere familie, die niet het geluk had op te groeien in vrijheid, zoals mijn familie dat wel kon. Dat laatste is best iets om heel dankbaar voor te zijn.

Volgende project.

Het poppenwiegje dat mijn moeder bedacht had voor haar achterkleindochter is inmiddels overhandigd. En wat een succes was het! Het wiegje stond eerst een tijdje bij mijn moeder op haar kamer in het zorgcentrum waar het uitgebreid bekeken werd door de zorgmedewerkers. ‘Ze vinden het allemaal zó mooi’ vertelde mijn moeder blij. We kochten nog een pop voor in het wiegje en organiseerden een lunch bij mijn broer om het wiegje aan achterkleinkind J. te overhandigen. Ze vond het prachtig en mijn moeder genoot.

Tijd voor het volgende project. Want er zijn nog meer achterkleinkinderen. En mijn moeder en ik hebben het onszelf extreem moeilijk gemaakt want het moeten zelf gemaakte cadeautjes zijn. Dus googelde ik op ‘DIY cadeau vier jaar’ en kwam een quietbook tegen. Een quietbook is een boekje gemaakt van vilt om kinderen een tijdje bezig te houden. Dat ze even lekker quiet zijn, zeg maar. En ik was meteen enthousiast. Dat moest het worden! Ik verzamelde ideetjes op internet, kocht vilt en ging aan de slag.

Mijn eettafel was wekenlang een soort atelier, vol met lapjes vilt en klosjes garen. Ik bleef naar de winkel rennen voor klittenband, knoopjes, drukkers en lintjes. ‘Zeg maar wat het kost’ riep mijn moeder ‘want ik betaal het’. Maar ergens bij mijn 48ste tochtje naar de winkel was ik het spoor bijster van wat ik al uitgegeven had. En dan reken ik mijn uurloon nog niets eens.

Want wat een werk was het! Omdat ik mijn prille relatie met de naaimachine niet op het spel wilde zetten, besloot ik het boekje met de hand te maken. Ook omdat ik verschillende kleuren garen gebruikte. Het leek me enorm onhandig om steeds de naaimachine in te spannen met een andere kleur garen. Weken zat ik te prutsen tot ik de blaren op mijn vingers had. Maar eindelijk was het boekje klaar!

Er is alleen één klein dingetje. Één klein detail. Het jongetje voor wie dit boekje is, is er eentje van een tweeling. En zijn broer krijgt natuurlijk ook een boekje. Dus voorlopig ben ik nog wel even zoet.

Uncle Bob ziet ze vliegen.

Het liep een beetje fout met de fotografie-challenge waar ik zo enthousiast aan begonnen was. In november 2021 had ik ineens geen zin meer. In plaats van foto’s te maken, zocht ik foto’s op in mijn archief en stuurde die in als ‘huiswerk’. Toen ik daarop hoorde dat je twee jaar de tijd hebt om opdrachten in te leveren, was mijn stok achter de deur verdwenen en hing ik mijn camera aan de wilgen. Bovendien was het winter, ik had het koud én ik had het druk met andere dingen.

Maar toen de rust wedergekeerd was en het beter weer werd, besloot ik toch weer eens een opdracht uit de challenge te doen. De opdracht deze keer was ‘Patronen’. Daar werd ik eerlijk gezegd niet echt heel enthousiast van. Maar ik trok er toch een paar keer op uit om foto’s te maken van patronen. Dat viel nog niet mee. Oh, patronen genoeg, hoor. Dat wel. Maar ik word steeds zo afgeleid. Door een grappig lammetje dat net begint te plassen als ik een foto maak. Of door de maan die al zo prachtig zichtbaar is als ik van het strand naar huis ga. Of door vogels. Want ik blijf het sport vinden om vliegende vogels te fotograferen. Dat is veel leuker dan die stomme patronen.