Categoriearchief: Voor Oma

Het cirkeltje is rond.

Nieuwveerbrug 2022

Mijn vader werkte bij de NS als brugwachter bij de Nieuwveerbrug. De brug over de Mark, bij het knooppunt Zonzeel, pal naast de A16*. Hij opende de spoorbrug voor schepen die voorbij kwamen door de seinen op het spoor op rood te zetten en de brug open en dicht te draaien. Een procedure die bijna een half uur in beslag nam. De kunst was om de brug op het juiste moment te draaien. Het was niet de bedoeling dat de treinen moesten stoppen omdat de brug open stond. Dus kende mijn vader de dienstregeling uit zijn hoofd en wist hij precies wanneer hij schippers door kon laten.

Wachtend op schepen, vermaakte hij zich prima. Hij hield van vissen dus dat deed hij daar veelvuldig. Ooit heeft-ie mij geprobeerd enthousiast te maken voor de vissport. Maar ik moest niets hebben van het aas dat aan het haakje moest. En toen ik vervolgens alleen maar een stuk prikkeldraad op viste was de lol er snel af.

Mijn vader tuinierde graag en elke zomer stond het tuintje bij de brug vol bloeiende planten. En iedere dag nam hij een grote tas met boeken mee naar zijn werk. Hij moet ontelbare uren hebben zitten lezen daar, in de ‘keet’ zoals wij het kleine huisje naast de brug noemden, terwijl de treinen anderhalve meter verderop voorbij raasden.

Mijn vader maakte zijn doodsaaie baan leuk. Automobilisten die even verderop door de rode lichten vlak voor een trein langs de overweg overstaken, liet hij stoppen als ze langs de keet reden. Met zijn spoorpet op gaf hij ze een reprimande. Maar de schippers die ‘s nachts aankwamen, als er geen brugwachter was, meerden aan en gingen rustig slapen in de wetenschap dat mijn vader hen wakker kwam maken zodra hij ‘s morgens vroeg bij de brug aan kwam. Hij keek uit op het land van boeren en tuinders en hield een oogje in het zeil. Als blijk van waardering kwamen ze vaak langs om een praatje te maken. “Heddè koffie, Nico?” En mijn vader had altijd koffie.

In 1993 overleed mijn vader, pas 61 jaar oud. Na zijn crematie op een stralende zaterdag in oktober, moesten wij beslissen wat er met zijn as moest gebeuren. Het liefst hadden wij zijn as uitgestrooid in de Mark. Bij de brug, bij zijn plekje. Maar in 1993 mocht dat nog niet. Dus kozen wij voor uitstrooien op het strooiveld bij het crematorium. Ik zal nooit de wanstaltige vertoning vergeten op die koude dag in december. Mijn moeder, mijn ene broer, mijn zussen en ik keken toe hoe mijn andere broer achtjes liep over het strooiveld. Met een of andere koperen bus waar de as uit stroomde van wat ooit mijn vader was.

Mijn vader was een grote man en mijn broer bleef maar achtjes lopen. Het waaide enorm die dag en geschokt keek ik toe hoe de as om mijn broers voeten wervelde. Mijn oog viel op de omslagen in zijn broek en ik kon alleen maar denken “Als hij vanavond zijn broek uit trekt, valt Pa er uit”. Ik ben nog één keer terug geweest naar het strooiveld. Een jaar later, met een bos bloemen. Het deed me niks. Ik ben weggegaan zonder een traan te laten en nooit meer teruggegaan. Waar mijn vader ook is; daar is hij zeker niet.

Vorige week ging ik op bezoek bij mijn moeder in het verzorgingstehuis waar ze na een crisisplaatsing terecht kwam. Niet het tehuis waar ze op de wachtlijst stond. Geen tehuis dat bij ons op de lijst met geschikte locaties stond. Maar toeval of niet; het tehuis waar ze terecht kwam, ligt hemelsbreed 600 meter van de plek vandaan waar de keet van mijn vader stond. Als mijn moeder ‘s nachts op bed ligt, hoort ze de treinen rijden. Over datzelfde spoor waar mijn vader zo lang werkte.

Toen ik die dag bij mijn moeder wegging, besloot ik even langs de brug te rijden. Er zit allang geen brugwachter meer. En de keet is lang geleden gesloopt. In niets lijkt het nog op dat bijzondere plekje van vroeger. Ik liep wat rond en stond een tijdje onder het viaduct over de A16 te mijmeren. Over hoe ontzettend braaf wij waren, destijds in 1993. We hadden mijn vader gewoon stiekem daar uit moeten strooien. Er zou echt niemand langs zijn gekomen om te controleren of hij nog in zijn urn zat.

Ik maakte maar weer eens foto’s en pinkte een traantje weg. Want ik weet dat mijn vader daar niet is. Niet echt. Maar het voelt wel zo. Daar bij de Mark, bij het spoor. Op zíjn plekje met uitzicht over de landerijen. Daar voelt-ie altijd heel dichtbij. Vlak bij mijn moeder. Of het toeval is, weet ik niet. Maar mooi is het wel. Mijn ouders zo dicht bij elkaar. Het maakt het cirkeltje rond.

*Ik zet de exacte locatie er expres bij. Ik reken er op dat niemand van jullie ooit nog knooppunt Zonzeel passeert zonder even aan mijn vader te denken. Begrepen?

Bijschrift bij de foto’s:

Nieuwveerbrug 2022: Onherkenbaar. Hier ergens was het.
Nieuwveerbrug 1977: Toen mijn vader er pas werkte. De trein die je ziet is een ‘hondekop’.
Nieuwveerbrug 1992: Op bezoek bij mijn vader (en zes maanden zwanger).

De andere Johanna.

Hoewel ik niet Joods ben, is mijn achternaam dat wel. Ik heb nooit uitgezocht of er een link is. Nooit uitgezocht hoe mijn Joodse achternaam via mijn protestante vader bij mij terecht kwam. Maar bijzonder vind ik het wel. Toen ik bij haar ooit las dat zij een naam geadopteerd had bij het Holocaust Namenmonument in Amsterdam, wilde ik dat ook. Via de site adopteerde ik een steentje in het monument. Met de donatie die je op die manier doet,  draag je een klein beetje bij aan de onderhoud van het monument en – nog veel belangrijker – aan educatieve projecten over de gevaren van discriminatie en racisme.

Ik keek bij de nog beschikbare steentjes met mijn eigen achternaam en er was één voornaam die me meteen op viel. De naam Johanna. Mijn moeder heet Johanna en ik heb haar naam doorgegeven als tweede naam aan mijn dochter. En deze Johanna werd twee jaar na mijn moeder geboren. Dus adopteerde ik het steentje van Johanna. En ik was vastbesloten meer over haar te weten te komen.

In een zoektocht op Google bleek ik bizar veel gegevens te kunnen vinden over de kleine Johanna. Ik vond de namen van haar ouders, haar broers en zussen en noteerde ze samen met hun geboortedata op het schrijfblok dat ik naast mijn computer had liggen. Benedictus Nathan en Rebecca, en hun kinderen Mozes, Pinehas, David, Hartog, Mietje, Duifje, Meijer, Isaac, Gretha, Abraham en de kleine Dina. Ik vond hun adres. Ze woonden in Amsterdam, boven een café aan het Waterlooplein in Amsterdam. Tegenover de Mozes en Aäronkerk, waar nu de Stopera is.

Gek was het om al die namen te zien staan op mijn schrijfblok. De familie van die andere Johanna. Maar ook wel mooi. Dat na al die tijd hun namen weer verschenen.  Want zelf zijn er niet meer. Achter alle namen heeft iemand met rood potlood een notitie geschreven. ‘Trpt 10-11-1942’. Je hebt niet veel kennis van de Tweede Wereldoorlog nodig om te weten waar die notitie voor staat. De hele familie van Johanna is op 10 november 1942 op transport gezet naar Auschwitz en daar vermoord.

Bij toeval kom ik er achter dat het oude archief niet helemaal klopt. Eén broer van Johanna, Hartog,  heeft de oorlog overleefd, ondanks de onheilspellende rode notitie achter zijn naam. En ik vind zowaar een radio-uitzending terug waarin hij vertelt over het grote gezin. Over zijn ouders, die hardwerkende mensen waren. Zijn vader ging met de lompenkar door de stad. Hij haalde tweedehands spullen op, die zijn moeder vervolgens verkocht op de markt. Zelf hielp hij zijn moeder met het huishouden en de verzorging van zijn broertjes en zusjes.

Ze woonden in een 2,5 kamer woning. Met al die kinderen. En ze waren arm. Maar toch hadden ze plezier. Met de broertjes en zusjes samen, vertelt Hartog. Tot die avond in november. De kleintjes sliepen al en de ouders zaten nog aan een kopje thee. Toen werd de deur in getrapt en kregen zijn ouders tien minuten de tijd om naar beneden te komen met alle kinderen. Hartog stond niet op de lijst en hoefde niet mee. Maar op de lijst of niet; hij wilde mee. Hij wilde zijn moeder niet alleen laten met al zijn broertjes en zusjes, van wie hij zielsveel hield. Maar zijn vader was het daar niet mee eens; hij was van mening dat Hartog misschien nog iets voor hen zou kunnen doen als hij thuis bleef.

Hartog hielp zijn moeder nog de trap af. Ze had de twee kleinste kinderen op haar arm. Daarna bleef Hartog alleen achter, eenentwintig jaar oud, in dat kleine huisje dat zonder al die kinderen ineens heel groot leek. Hij trok van het ene onderduikadres naar het andere en overleefde de oorlog. Na de oorlog ging hij elke dag naar het Centraal Station. Dan bekeek hij de lijsten met overlevenden. Maar zijn ouders en zijn broers en zussen stonden er nooit op.

Ik hoor hem praten. De grote broer van Johanna. Een oude man nu. Hij vertelt hoe dokters soms vragen of bepaalde kwalen in de familie voorkomen. “Maar dat weet ik niet”, zegt hij “Ze zijn geen van allen volwassen geworden” Na de oorlog kwam hij via het Rode Kruis te weten dat zijn ouders en zijn broers en zussen allemaal waren omgekomen. De meesten zijn bij aankomst in Auschwitz meteen vergast. Ook Johanna. Ze was pas acht.

Ik ben elk jaar twee minuten stil. Voor alle oorlogsslachtoffers. Maar dit jaar speciaal voor Benedictus Nathan, Rebecca, Mozes, Pinehas, David, Mietje, Duifje, Meijer, Johanna, Isaac, Gretha, Abraham en Dina. Die andere familie, die niet het geluk had op te groeien in vrijheid, zoals mijn familie dat wel kon. Dat laatste is best iets om heel dankbaar voor te zijn.

Volgende project.

Het poppenwiegje dat mijn moeder bedacht had voor haar achterkleindochter is inmiddels overhandigd. En wat een succes was het! Het wiegje stond eerst een tijdje bij mijn moeder op haar kamer in het zorgcentrum waar het uitgebreid bekeken werd door de zorgmedewerkers. ‘Ze vinden het allemaal zó mooi’ vertelde mijn moeder blij. We kochten nog een pop voor in het wiegje en organiseerden een lunch bij mijn broer om het wiegje aan achterkleinkind J. te overhandigen. Ze vond het prachtig en mijn moeder genoot.

Tijd voor het volgende project. Want er zijn nog meer achterkleinkinderen. En mijn moeder en ik hebben het onszelf extreem moeilijk gemaakt want het moeten zelf gemaakte cadeautjes zijn. Dus googelde ik op ‘DIY cadeau vier jaar’ en kwam een quietbook tegen. Een quietbook is een boekje gemaakt van vilt om kinderen een tijdje bezig te houden. Dat ze even lekker quiet zijn, zeg maar. En ik was meteen enthousiast. Dat moest het worden! Ik verzamelde ideetjes op internet, kocht vilt en ging aan de slag.

Mijn eettafel was wekenlang een soort atelier, vol met lapjes vilt en klosjes garen. Ik bleef naar de winkel rennen voor klittenband, knoopjes, drukkers en lintjes. ‘Zeg maar wat het kost’ riep mijn moeder ‘want ik betaal het’. Maar ergens bij mijn 48ste tochtje naar de winkel was ik het spoor bijster van wat ik al uitgegeven had. En dan reken ik mijn uurloon nog niets eens.

Want wat een werk was het! Omdat ik mijn prille relatie met de naaimachine niet op het spel wilde zetten, besloot ik het boekje met de hand te maken. Ook omdat ik verschillende kleuren garen gebruikte. Het leek me enorm onhandig om steeds de naaimachine in te spannen met een andere kleur garen. Weken zat ik te prutsen tot ik de blaren op mijn vingers had. Maar eindelijk was het boekje klaar!

Er is alleen één klein dingetje. Één klein detail. Het jongetje voor wie dit boekje is, is er eentje van een tweeling. En zijn broer krijgt natuurlijk ook een boekje. Dus voorlopig ben ik nog wel even zoet.

Goede genen.

Mijn moeder en ik hadden wilde plannen. Want och, ze wilde zo graag weer een keer op bezoek komen bij mij. En dan lekker naar de markt! Maar mijn moeder werd steeds minder mobiel en kan af en toe ineens flink in de war zijn. En er waren lockdowns waardoor er ook op de markt weinig te beleven was. Het afgelopen jaar werd mijn moeder ook nog eens twee keer behoorlijk ziek. “Niet doodgaan, mam!” waarschuwde ik “We moeten nog naar de markt” en gelukkig knapte ze steeds weer op.

Maar ‘Met Mam naar de markt’ is niet iets wat je zomaar even doet. Ze kan alleen nog vervoerd worden in een rolstoeltaxi. En rit van anderhalf uur. Omdat ze soms wat in de war is, wilde ik haar niet anderhalf uur alleen in de taxi laten zitten. Ik wilde niet dat ze halverwege de rit ineens zou denken dat ze ontvoerd werd, of zo. Dus moest er een chaperonne gezocht worden die haar gezelschap wilde houden in de taxi. Dat maakte dat er nogal wat voorwaarden aan het uitje verbonden waren. Ik moest vrij kunnen nemen, Mam moest een goede dag hebben, er moest een chaperonne zijn met ook een vrije dag én er moest wat te beleven zijn op de markt.

Afgelopen vrijdag voldeed aan al die voorwaarden. Mijn oudste zus had een vrije dag en ze was zo lief anderhalf uur mee te hobbelen in de taxi. Die anderhalf uur werden er maar liefst twee maar uiteindelijk waren ze er. We lunchten gezellig bij mij thuis en ik gaf een rondleiding in mijn nieuw ingerichte huisje. Daarna reden we mijn moeder in haar rolstoel over de markt, in het zonnetje. We vonden niks leuks op de markt dus deden we nog een rondje dorp en zochten een leuke bloes voor haar uit in een kledingwinkel. We deden samen boodschapjes en hadden daarna nog tijd voor koffie en taart voordat de taxi terug mijn moeder en mijn zus weer op kwam halen.

Het taxibusje was later dan gepland en zat vol medepassagiers. Ik zag de bui al hangen en vreesde dat de terugreis langer zou duren dan anderhalf uur. “Geeft niet” appte mijn zus onderweg “Ma slaapt”. Maar toch… Ik maakte me zorgen over de invloed die het dagje uit zou hebben op haar fragiele gezondheid. Al die broze botjes die door elkaar gerammeld werden in dat busje… En ik was bang dat ze weer helemaal in de war zou raken van al die indrukken en de drukte gedurende de dag. Maar goed, er was geen andere optie. Ik heb nou eenmaal geen helikopter of zo. Dus zat nagelbijtend te wachten op een bericht dat ze veilig thuis was.

Na ruim twee en een half uur appte mijn zus dat mijn moeder thuis was. Ik heb haar niet meer gesproken die dag. Van mijn zus hoorde ik dat ze gezegd had dat ze de volgende dag waarschijnlijk niet uit bed zou kunnen komen. De zorgmedewerkers hebben haar eten gegeven en meteen in bed gestopt want ‘ze was gesloopt’. Oh, man! Als dat maar goed kwam…

Maar de volgende dag, nog voor mijn eerste bak koffie, ging mijn telefoon. En ja, hoor. Het was onze globetrotter! Zo fris als een hoentje tetterde mijn moedertje enthousiast in mijn oor hoe leuk het geweest was. En ja, hoor. Ze was weer helemaal uitgerust. Ze had lekker geslapen, voelde zich prima en had helemaal nergens last van.

Natuurlijk weten wij allang wat een bikkel mijn moeder is. Maar toch verbaas ik me er elke keer weer over. Ik moet alleen nog even checken of mijn zus inmiddels ook een beetje bijgekomen is. Maar dat zal vast wel. Wij zijn allemaal bikkels. Wij hebben goeie genen. 

Bijschrift bij de foto: ik ben vergeten een foto te maken. Dan maar een oudje. Van een ander uitstapje met mijn moeder. Naar Renesse in 1977.