Categoriearchief: Oma

Dag tante Rietje.

Dat mijn moeder er eentje van een tweeling is, bleek pas toen ze geboren werd. 84 jaar geleden werden er nog geen echo’s gemaakt en tot ieders verbazing kwam er nóg een baby te voorschijn. En even leek het erop dat het tweede kindje het niet zou redden. “Leg haar maar apart en geef haar maar geen eten” zei de vroedvrouw. Maar mijn opa protesteerde. “Zo doen wij dat hier niet!” sprak hij ferm en de tweeling groeide samen op.

Mijn moeder Joke en mijn tante Rietje. Een echte eeneiige tweeling. Een heerlijk stel. Altijd druk door elkaar heen pratend, kibbelend, lachend. De olijke tweeling. Wij konden hen feilloos uit elkaar houden maar voor buitenstaanders was dat vaak veel moeilijker. Iedereen hielden ze voor de gek, leraren, vriendjes en buren. Regelmatig kreeg mijn moeder op Rozenburg, waar mijn tante woonde, een lift van vriendelijke voorbijgangers die in de veronderstelling waren dat ze tante Rietje naar huis brachten.

De gelijkenis tussen mijn moeder en mijn tante maakte dat ik graag bij tante Rietje ging logeren. Overal waar ik zonder mijn moeder was, had ik vreselijke heimwee. Behalve bij tante Rietje. Want zij zag er precies hetzelfde uit als mijn moeder, ze klonk zoals mijn moeder en ze was even lief als mijn moeder.

Logeerpartijtjes op Rozenburg. Het kleine huisje in de Wethouder van Heldenstraat. Waar Ome Cor zijn aria’s zong, tante Rietje stoofpeertjes en rabarbermoes maakte en ik met mijn nichtje Wilma speelde. Het mysterieuze kolenhok in de achtertuin waar we boven op klommen. De gaskachel met échte vlammetjes waar we voor gingen liggen als we het koud hadden. De houten vloeren waardoor alles trilde als je hard genoeg sprong. We kregen op ons kop als we dat boven deden want dan hing de lamp beneden in de huiskamer te zwaaien aan het plafond. We gingen fikkie stoken op het pad achter het huis en vaak bij de paardjes kijken. Want Wilma was gek op paarden.

Ik herinner me hoe ik ’s avonds op een stretcher lag, in zo’n lekker warm kuiltje, terwijl Wilma vanuit het stapelbed een boek voorlas. Ik herinner me melk in glazen flessen, met room onder de dop, van de melkboer annex bakker tegenover hun huis. “Loop maar even naar de melkboer”, zei tante Rietje dan “haal maar wat taartjes en zeg maar dat het voor de familie Van D. is” En ik, een jaar of zeven, vond het heel bijzonder dat ik dan niets hoefde te betalen. Pas later begreep ik dat tante Rietje een keer in de week langs ging om de rekening te betalen.

Aan de logeerpartijtjes in Rozenburg kwam een abrupt einde toen mijn nichtje Wilma in 1979 overleed. Ze viel van haar paard, kreeg een trap tegen haar hoofd en was op slag dood. Ze was pas veertien. Ik was negen en ik herinner me elk gruwelijk detail van die dag. Tante Rietje die belde. Mijn moeder die de telefoon op nam, begon te gillen en de telefoon uit haar handen liet vallen. Daarna werd alles anders. Ik ging niet meer logeren bij tante Rietje. Maar steeds als ik op bezoek kwam, gingen we ‘even naar Wilma’. Dan brachten we bloemen naar haar graf en staarde ik stilletjes naar de foto van mijn nichtje op haar marmeren grafsteen.

Zo rond mijn zestiende kreeg ik genoeg van de ‘bezoekjes aan Wilma’. Ik slofte uit beleefdheid mee en stond me oneerbiedig te vervelen op de begraafplaats. Tot in 1992 mijn dochter Michelle geboren werd. Pas toen ik zelf moeder was, besefte ik wat een onmetelijk verlies de dood van Wilma geweest moet zijn. Ik vond het een wonder dat tante Rietje overeind gebleven was en ik vond het ineens heel erg belangrijk om dat tegen haar te zeggen. Maar toen ik dat uiteindelijk deed, antwoordde ze simpel “Ach, meid. Mijn andere kinderen waren er ook nog. Ik moest wel door.” En ik vond dat zo waanzinnig knap.

In 1994 overleed ome Cor, de man van tante Rietje. Ruim een half jaar na de dood van mijn vader. Mijn moeder en tante Rietje bleven allebei alleen achter. En ik begon tante Rietje te bellen. Gewoon, af en toe. Voor een kletspraatje. Zoals ik ook naar mijn moeder belde om even bij te kletsen. Later reed ik soms van Amsterdam naar Breda om mijn moeder op te halen en haar voor een logeerpartij naar Rozenburg te brengen. Tante Rietje liet me nooit naar huis vertrekken, zonder eerst nog een broodje te eten. Zonder nog een kop koffie. Nog een koekje. Nog een stukje chocolade. Of die schoenen die ze toch nooit droeg. Precies zoals mijn moeder.

Tante Rietje was vaak ziek, de laatste jaren. Een open hartoperatie, suikerziekte, haar nieren die niet meer werkten waardoor ze drie keer per week aan de dialyse lag, problemen met haar galblaas, van alles kwam voorbij. Maar ze krabbelde altijd weer op. Steeds als ik haar belde, zei ze “Meid, ik ben zó ziek geweest!” om daarna vrolijk te vertellen dat het nu weer prima ging en dat ze nét bezig was om de ramen te zemen of de keuken een soppie te geven.

Tot vorige week mijn moeder belde om te vertellen dat tante Rietje in het ziekenhuis lag met een longontsteking. Op de intensive care. En vier uur aan de dialyse moest in plaats van de gebruikelijke drie. En dat door de dialyse de medicatie voor de longontsteking niet aansloeg. De dag voor Michelle’s verjaardag moesten mijn neven en nichten naar het ziekenhuis komen omdat het heel erg slecht ging. Michelle’s verjaardag ging in een waas voorbij.

De dag na Michelle’s verjaardag reden we ’s avonds nog snel naar het ziekenhuis in Rotterdam. Naar tante Rietje. Ze was verbaasd ons te zien. En blij. Maar ach, wat akelig was het. Dat kleine mensje aan al die enorme apparaten. Maar ze was vol goede moed. Een beetje schamper vertelde ze dat de dokter al haar kinderen had laten komen. “Die dacht zeker dat ik dood ging!” Nou, dat was ze niet van plan! Want ze moest nog gaan logeren bij mijn moeder. En ze moesten nog samen op bezoek bij Harry.

“Weet je” zei tante Rietje samenzweerderig vlak voor we vertrokken, terwijl Michelle en ik elk een van haar handen vasthielden “ik bid elke avond een Wees Gegroetje. En vanavond bid ik eerst een Wees Gegroetje voor jullie. Om te zorgen dat jullie weer veilig thuis komen in Amsterdam.” zei ze. “En daarna bid ik een Wees Gegroetje voor mezelf, zodat ik snel weer beter word.” We waren een tikkie verbaasd dat ze nog on speaking terms was met de hogere machten daarboven na alles wat ze meegemaakt heeft. Maar we gaven haar groot gelijk. “Doe dat maar”, zeiden wij “dan komen we weer op de koffie als je thuis bent.”

Nog een aai over haar bol, nog een zwaai bij de deur. En ongelooflijk noodweer op de terugweg. De regen kwam met bakken uit de hemel. Het zicht was rampzalig slecht en door aquaplaning voelde ik de auto soms bijna wegglijden. Eenmaal veilig thuis, haalde ik opgelucht adem. “Dank je wel voor je Wees Gegroetje, tante Rietje. Die konden we wel gebruiken.” dacht ik bij mezelf.

Zondag hoorden we dat tante Rietje niet meer beter zou worden. Ondanks al haar Wees Gegroetjes. Maar maandag belde tante Rietje vanuit het ziekenhuis naar haar dochter omdat ze een afspraak met haar oogarts vergeten was. Of haar dochter die even af kon bellen. Wat een kanjer! Wat een vechter! Ik hoopte tegen beter weten in en ik stuurde haar een kaartje. Om te laten weten dat we veilig thuis gekomen waren. Om haar te bedanken voor haar Wees Gegroetje.

Ze heeft mijn kaartje nooit gelezen. Afgelopen dinsdag is tante Rietje overleden. “Een mooie leeftijd” wordt gezegd. En ik dacht altijd dat dat het verlies makkelijker zou maken. Boy, was I wrong! Het is en blijft enorm verdrietig dat mijn lieve tante er niet meer is. En het is en blijft hartverscheurend dat mijn moeder haar tweelingzusje nu moet missen. De olijke tweeling is niet meer. Dag, lieve tante Rietje, bedankt voor alles. Geef Wilma een kus van me. Rust zacht x

Klein jongetje in de grote stad.

Sinds mijn moeder geopereerd is aan haar knie heeft ze behoorlijk wat extra zorg nodig. En afgezien van mijn broers en zussen is er ééntje die werkelijk dag en nacht voor mijn moeder klaar staat: mijn nichtje. Ze gaat mee naar specialisten, haalt en brengt mijn moeder als ze naar therapie moet, controleert mijn moeders medicatie en houdt een oogje in het zeil. Daarnaast heeft ze ook nog een drukke baan in de zorg én voedt ze, in haar eentje, haar achtjarige zoontje op.

Ik vond een cadeautje wel op zijn plaats. Ik overwoog haar een bioscoopbon te geven of een envelop met inhoud. Tot haar zoontje me vertelde dat hij fan is van Ajax. Toen bedacht ik het perfecte cadeau! Ik besloot mijn achterneefje een dag mee te nemen naar Amsterdam voor een rondleiding in de Arena. Een leuk uitje voor hem en voor mijn nichtje een dagje vrij. Want als er iets is, wat je als alleenstaande moeder altijd te weinig hebt, is het tijd voor jezelf.

Zaterdagmorgen reed ik om half negen al naar Breda om achterneefje K. op te halen. Hij was een tikkie zenuwachtig. Zo heel goed kent hij me nou ook weer niet. En zijn mama ging niet mee dus het was best een beetje spannend. Met zijn rugzakje met daarin zijn knuffel, een flesje drinken én zijn Ajax-boek vertrokken we. Bij Utrecht begreep hij wel dat wij niet elke week bij Omi (mijn moeder, zijn overgrootmoeder) waren. “Amsterdam is écht ver weg!” zuchtte hij. Dolle pret had-ie om mijn Parrot waarmee we zijn moeder belden toen we Amsterdam in reden. “Mama! Weet je waar we jou mee bellen? Met de áuto!” We aten een broodje met Frank en K. knuffelde met Spike. Hij vertelde over de kat van zijn buurvrouw en dat Spike nu zijn nieuwe kattenvriend is.

We liepen naar het station en stapten op de metro. K. checkte zelf in en uit en keek met grote ogen om zich heen. “Wat zijn hier veel bruine en zwarte mensen” merkte hij op. Ik moest er een beetje om grinniken. Onze multi-culti-hoofdstad was toch een beetje een cultuurshock voor een klein Brabants jongetje. Tegen de tijd dat we de Arena bereikten was K. helemaal ontdooid en kletste hij er heerlijk op los. Vlot poseerde hij voor de Arena waar ik een rondleiding geboekt had.

Als je een klein jongetje een plezier wilt doen, is de Arena Kidstour een aanrader! We bekeken het hele stadion, zaten op de tribune en in de perskamer. En K. mocht zelf een potje voetballen. In de Arena! Hoe gaaf is dat? Vol overgave stortte hij zich op de bal en hij wist twee keer zelfs bijna te scoren! Na afloop kochten we een voetbal in de fanshop en innig tevreden voetballend huppelde K. mee terug naar de metrohalte.

Thuis aten we een hapje en daarna checkte we weer in. In de tram deze keer. Want als je acht bent en voor het eerst in Amsterdam, dan móet je met de tram mee. We hobbelden de hele stad door en ik wees de grachten aan. En het Paleis op de Dam. “Woont daar de Koning?” was zijn terechte vraag. En ik moest even diep nadenken. Uiteindelijk wist ik te verzinnen dat de Koning daar werkt. K. zette grote ogen op. “Moet de Koning werken dan?” Arme jongen, weer een illusie aan duigen.

Aangekomen bij het Centraal Station verbaasde K. zich over de drukte. We baanden ons een weg door de menigte en liepen naar het IJ om bootjes te kijken. Het was Sail dus er was genoeg te zien. Om het feest compleet te maken, gingen we met de pont naar Noord en weer terug. K. vond het prachtig. Terwijl ik de grote zeilschepen aanwees, ging hij compleet uit zijn dak bij het zien van een heuse politieboot. We aten nog een ijsje en namen de tram terug naar huis.

Toen was het toch echt hoogste tijd om K. weer terug te brengen. In de auto drumde hij gezellig mee met ‘Geronimo’ van Shepperd, een van zijn favoriete nummers. “Mag-ie nog een keer?” vroeg K. En ik drukte op repeat. En nog een keer. Bij de derde keer ‘Geronimo’ hield het gedrum naast me langzaam op. K. sliep. Het mobiele telefoonnummer van zijn moeder, dat ze voor vertrek op zijn arm geschreven had, was vervaagd, hij had knalrode wangen en zijn haar zat in de war. En hij had een enorme glimlach op zijn gezichtje. K. had het overduidelijk naar zijn zin gehad.

Ik leverde een slaperig kind heelhuids af bij zijn moeder en reed weer terug naar Amsterdam. Om half twaalf ’s avonds was ik weer thuis. Ik had vierhonderd kilometer in de auto en een drukke dag achter de boeg. Terwijl ik genoot van een welverdiend wijntje, met mijn voetjes omhoog, kwam op Facebook een berichtje van mijn nichtje voorbij. K. had een topdag gehad. Volgens hem was deze dag was wel vijf miljoen waard! En mijn nichtje? Die had de hele dag heerlijk in de tuin gezeten. Missie geslaagd. Ruimschoots!

Afterparty.

Het is traditie geworden. Als mijn moeder jarig is, wordt er een groot feest gegeven. Vrijdag werd ze 84 en zaterdag vertrokken Frank, Michelle, Robby, Boef en ik naar Breda om het Jarig Jetje in het zonnetje te zetten.

Een tuinfeest zat er, door de zomerstorm die woedde, echt niet in dit jaar dus mijn broer en zijn vrouw hadden de meubels van mijn moeder alvast in feest-opstelling geplaatst. Lange tafels stonden opgesteld in de woonkamer zodat iedereen kon zitten. Want hoewel de gastenlijst aan de ene kant steeds korter wordt door het overlijden van ooms en tantes, zorgen de kleinkinderen aan de andere kant voor nieuwe aanwas door het krijgen van partners en kinderen. The circle of life, zeg maar. En zodoende zit het huis elk jaar toch weer bomvol.

Het is de bedoeling dat mijn moeder gedurende het hele feest op haar stoel blijft zitten en ons het werk laat doen. Soms levert dat problemen op omdat ze dan toch zelf koffie gaat zetten en vreselijk in de weg loopt. Maar dit jaar hadden we daar geen last van. Eind juni heeft ze een nieuwe knie gekregen en hoewel het herstel voorspoedig gaat, bleef mijn moeder dit jaar braaf op haar stoel zitten en konden wij ongestoord onze gang gaan.

Een paar uur lang liepen mijn schoonzus, nichtje en ik rondjes rond de lange tafels. We voorzagen de gasten van taart, koffie of thee, fris en later van een biertje of een wijntje. Met zijn drieën in het kleine keukentje, verdrongen we elkaar voor het aanrecht om taart te snijden, hapjes te maken en af te wassen omdat de vaatwasser nog liep maar wij alweer nieuwe bordjes nodig hadden.

Toen het feest afgelopen was, ruimden mijn broers en zussen de laatste bende op, terwijl wij terug naar huis reden. Het grote nadeel van zo’n druk feest is dat ik mijn moeder amper gesproken heb. Ik heb haar zien zitten, stralend, tussen mijn tantes in. Gezellig naast haar al even jarige tweelingzus. Ik geloof dat ze het wel een leuk feestje vond. Maar verder dan “Wil je nog wat drinken, Mam?” zijn we niet gekomen. Jammer.

Zondag bleek dat ik mijn fotocamera bij mijn moeder had laten staan. Onder het mom van ‘nieuwsgierig naar de foto’s’ sprong ik opnieuw in de auto om naar Breda te rijden. Alleen deze keer. Na de grote storm van zaterdag was het zondag heerlijk weer. De zon scheen, het was rustig op de weg en ik zong de hele weg keihard mee met mijn favoriete muziek.

Toen ik bij mijn moeder aan kwam, was ze net bezig de laatste kopjes op hun juiste plekje in de kasten te zetten. Terwijl ze koffie voor me zette, stofzuigde ik haar huisje. En daarna had ik even een uurtje quality-time met mijn moeder. Met z’n tweetjes dronken we koffie in het kleine keukentje. We aten een overgebleven taartje, kletsten bij en bekeken de foto’s die ik gemaakt heb. Luidkeels zingend vertrok ik daarna weer naar huis. Ja, het was een geslaagd feest. Vooral the afterparty!

Het kistje in de gang – Vaderdag 2015

Mijn vader en Michelle – 1993*

Mijn vader had niet zoveel met feestdagen. Niet met verjaardagen, niet met Oud en Nieuw en niet met Kerst. En ook niet met Moederdag en Vaderdag. We waren gewoon niet zo’n feest-familie. Ik kan me geen uitbundige feesten herinneren. Hooguit koffie-met-gebak. En Oud en Nieuw-vieringen waarbij we elkaar een ferme handdruk gaven. “Gelukkig Nieuwjaar, Prullie!” bromde mijn vader dan. Maar zijn warme handdruk, met mijn hand in zijn grote hand, zei duizend keer meer dan de drie standaard zoenen.

Zoals hij een hekel had aan feestdagen, had hij ook een hekel aan cadeau’s. “Houd je geld maar in je zak, Prullie!” bromde hij, als ik vroeg wat hij voor Vaderdag of voor zijn verjaardag wilde hebben. Ik geloof niet ik ooit het perfecte cadeau voor mijn vader heb kunnen vinden. Hij had maar weinig nodig om gelukkig te zijn. Zijn boeken van de bieb, zijn visspullen, wat bloemenzaadjes en de droge worsten die hij stiekem in het winkelwagentje gooide, tijdens het boodschappen doen, als mijn moeder even de andere kant op keek. Meer had hij niet nodig.

Om het steeds terug kerende probleem van ‘het cadeau’ te omzeilen, bedacht hij een oplossing. Op een middag kwam hij binnen met een houten kistje, dat hij van restjes hout in elkaar geknutseld had in de schuur. In de bovenkant zat een gleuf. Het was een houten spaarpot.

Als hij jarig was, of met Vaderdag, zette hij het kistje op het kastje in de gang, vlak achter de voordeur. En iedereen die hem wat wilde geven, kon zijn bijdrage in het kistje stoppen. “Of niet”, zei mijn vader. “Als je het niet kunt missen of niets wilt geven, dan geef je niets. Er is niemand die het ziet.”

Ik was nog klein, hooguit tien, en ik versierde het houten kistje met een zwarte watervaste stift. “Voor Papa” schreef ik er op. En ik tekende er hartjes en bloemetjes bij. ’s Avonds zat ik, vol spanning, bij hem aan de grote tafel als hij het kistje open maakte. Samen telden we zijn geld. Tot ik te groot werd en hij het kistje in zijn eentje open maakte. In de schuur, zonder pottenkijkers. Waarschijnlijk kocht hij dobbers van de opbrengst. Of bloemenzaadjes en droge worsten. Ik heb geen idee.

Jarenlang stond het kistje op het kastje in de gang. Met zijn verjaardag. Met Vaderdag. Soms deed ik er geld in. Soms ook niet, omdat ik het niet kon missen. “Sorry, Pap!” mompelde ik dan tegen het kistje in de gang. En er was niemand die dat wist. Precies zoals mijn vader het wilde. Hij was een wijs man. Geen van zijn zes kinderen wist of de anderen iets gegeven hadden. Of hoeveel de anderen gegeven hadden. Geen aftroeverij, geen schuine blikken. Zelfs de opbrengst hield mijn vader geheim.

Mijn vader is er niet meer. En ik heb geen idee waar het kistje in de gang gebleven is. Maar vandaag moest ik er ineens aan denken. Want het is Vaderdag. En in gedachten zie ik het staan. Het kistje, op het kastje in de gang van mijn ouderlijk huis.

Ik zou mijn complete jaarsalaris in dat kistje willen stoppen. Ik zou mijn hele hebben en houden willen verkopen en de opbrengst daarvan in het kistje willen proppen. Ik zou duizenden bloemenzaadjes willen kopen of een complete bibliotheek. Een complete collectie dobbers. Of een winkelwagen vol met droge worsten. Gewoon om nog één keer koffie met hem te drinken.

Maar in gedachten hoor ik hem zeggen “Houd je geld maar in je zak, Prullie!”
Ik weet ’t. Je hebt geen biebboeken, geen bloemenzaadjes en geen droge worsten meer nodig. Maar toch…

Fijne Vaderdag, Pap. Ik mis je.

* Kijk nou, hoe lief! Dat baby-handje van Mich en die kolenschoppen van mijn vader!