Categoriearchief: Oma

Held met terugwerkende kracht.

En toen had ik ineens een afspraak in het ziekenhuis met de arts van Frank. Ik alleen. Zonder Frank. En waarom? Omdat ik uitgerekend tegen déze arts ongelooflijk uit mijn dak was gegaan over de slechte communicatie met het ziekenhuis tijdens de bijna anderhalf jaar dat we er rond lopen. Geloof me; ik ben echt niet flauw. Waar gehakt wordt vallen spaanders en waar gewerkt wordt, worden fouten gemaakt. Maar echt, er is zoveel misgegaan. Wat precies, dat laat ik in het midden. Dat is niet van belang voor mijn verhaal.

Feit is dat ik ongelooflijk uit mijn plaat ging, na de zoveelste misser, en tegen onze favoriete dokter brieste dat ik al mijn vertrouwen in het ziekenhuis verloren had. Hij vond dat heel erg om te horen maar pakte het goed op. Uiteraard; want de artsen zijn top daar. Het is de slechte communicatie waar ik zo kwaad om was. Het resultaat was in elk geval dat ik een week later tegenover deze dokter zat, gewapend met mijn lijst met klachten. In tweevoud, want míjn administratie is wél in orde natuurlijk.

Hij is de arts die destijds Frank’s ribben en borstbeen aan elkaar knutselde omdat die, na een reanimatie van een uur (!), compleet aan gruzelementen lagen. Hij belde me, de dag van de operatie, ’s avonds om tien uur nog op om te vertellen dat de operatie goed verlopen was. Ik was al bij Frank geweest dus ik wist dat al. Maar hij wilde het me nog even persoonlijk vertellen. Dat vond ik erg aardig.

Ik ontmoette hem pas een paar weken later. Want hij was ook de arts die de bloeding achter Frank’s borstbeen verwijderde. Ik stond op de gang te wachten tot hij klaar was. Toen kwam hij naar buiten, schudde me vrolijk de hand en zei: “Frank doet het prima!”. Hij gaf me een schouderklopje, zei “U ook trouwens!” en liep weg. Ik keek hem na en voelde me oud. Want hij leek piepjong. Met zijn lange lijf, zijn fladderende witte jas en zijn nét iets te lange haar leek hij zo weggelopen uit Medisch Centrum West.

En nu nam hij alle tijd om naar me te luisteren. Naar al mijn klachten. Naar al mijn vragen. En ik was nog dagenlang onder de indruk van ons gesprek. Want ik heb nooit begrepen waarom Frank zolang gereanimeerd is. Sterker nog; ik ging er vanuit dat dat alleen voorbehouden was aan de prinsen van deze wereld. Maar nee, dat gebeurt ook bij ‘gewone’ mensen.

Ik dacht dat deze dokter pas in beeld kwam bij de operatie aan Frank’s borstbeen. Ik hoorde nu pas dat deze dokter al vanaf het allereerste begin contact had met de ambulancebroeders. Dat ze, bij ons thuis, zo lang doorgegaan zijn met reanimeren was op zíjn advies, ondanks alle botbreuken. Omdat deze dokter ervan overtuigd was dat hij het kon fixen.

Ik begreep nu pas waarom deze dokter ooit zei dat hij Frank liever ‘met de hand’ gereanimeerd had maar dat het daarvoor te laat was. Want ik hoorde nu pas dat hij de reanimatie overgenomen heeft toen Frank in het ziekenhuis aan kwam. “Man!” zei hij “Wat was-ie er slecht aan toe! Met zijn fladderthorax! Ik dacht een paar keer ‘we gaan het niet redden’ maar het is toch gelukt!”

Ik snap nu pas waarom hij vaak zomaar even binnen liep als wij voor wondcontrole in het ziekenhuis waren, toen Frank voor een infectie aan de wond vacuumtherapie kreeg. Hij vertelde hoe trots hij is op zijn werk maar dat hij niet koste wat kost wil reanimeren met alle mogelijke slechte gevolgen van dien.

Hij vertelde hoe blij hij steeds was om Frank te zien tijdens die wondcontroles. “Dat-ie daar zit en grapjes maakt en zit te lachen! Dat vind ik geweldig! Het is uitzonderlijk dat iemand zo’n reanimatie geestelijk zó goed doorstaat. Ik heb veel gezien maar dit… Een medisch wonder!” En hij vertelde hoe moeilijk hij het vindt dat Frank nog steeds zoveel pijn heeft en dat hij – chirurgisch gezien – niks meer voor Frank kan doen en hem over moet laten aan de pijnpoli.

Samen namen we mijn lijst met klachten door. Al lezend, hoorde ik hem af en toe diep zuchten. En uiteindelijk gaf hij me het advies de hele lijst gewoon zó in te sturen*. Waardoor ik bevestigd kreeg dat ik me niet aanstelde, dat onze klachten inderdaad reële klachten waren en geen gezeur van mijn kant.

Uiteindelijk hebben we nog even gezellig gebabbeld. Hij vertelde over zijn werk en wilde ook nog even weten hoe het nu met Frank gaat. Ik vertelde dat het -afgezien van de pijn – best goed gaat. Ik vertelde hoe blij we zijn dat Frank er nog is en ik vertelde hoe vreselijk veel lol Frank kan hebben om hele kleine dingen. We hebben elkaar hartelijk de hand geschud bij het afscheid. En hij vertelde me nogmaals hoe blij hij is om te horen dat Frank lol heeft in het leven.

Eén dokter. Eén dokter heeft destijds een besluit genomen dat Frank’s leven gered heeft. Sterker nog; hij neemt iedere dag dat soort beslissingen. Daar heb ik diep respect voor. Ik keek hem na toen hij wegliep. Met zijn lange lijf, zijn fladderende witte jas en zijn nét iets te lange haren. Met terugwerkende kracht is hij mijn held.

* mijn lijst met klachten is inmiddels keurig in behandeling genomen door het ziekenhuis.

Schiphol – alweer.

Michelle en Robby vertrokken voor een weekendje Wales. Zondagavond om half negen zouden ze weer landen op Schiphol. ‘Wat doe je met Nanook?’ voeg ik en Michelle vertelde dat Nanook, haar mini-hondje, bij de moeder van Robby in IJmuiden mocht logeren. Robby’s moeder heeft een grote Husky, waar Nanook dikke vrienden mee is dus Nanook zou het prima naar haar zin hebben daar.

‘Haal je haar dan zondagavond nog op?’ vroeg ik. Maar Mich twijfelde. Robby’s moeder had aangeboden ook maandag nog op te passen, zodat Michelle Nanook ook maandagavond op kon halen, na haar werk. Dan hoefde ze niet, zondagavond laat, na een vermoeiend weekend, ook nog van Amsterdam naar IJmuiden om haar hondje op te halen. Lastig. Want hoewel dat allemaal veel praktischer zou zijn, wist ik ook dat Mich Nanook dat weekend best zou missen en haar dus graag weer bij zich zou hebben. Maar ze zou wel zien.

Op zondagmiddag appte ik met mijn kind. Ja, Wales was mooi. Ja, slecht weer maar het was toch heel leuk. Maar ze miste Nanook wel. Ik dacht aan Nanook, die zich op maar twaalf minuten autorijden bij mij vandaan bevond. En aan Schiphol, dat eigenlijk ook vlak bij is. Terwijl mijn vingers boven de toetsen zweefden, rinkelden er al alarmbellen in mijn hoofd. ‘Doe dat nou niet!’. Maar voor ik het wist had ik het bericht al verstuurd. “Zal ik Nook ophalen en haar naar Schiphol brengen?”

Hartjes kwamen mijn kant op via de app. Veel hartjes. Mijn kind was blij. Robby’s moeder werd geappt en die vond het prima dat ik haar logée kwam halen. En zo stapte ik ’s avonds in mijn auto om Nook op te halen in IJmuiden. Terwijl ik de A9 op reed, dwarrelden mistflarden vanuit de weilanden de snelweg op. En was de A22 eigenlijk wel verlicht? Want ik ben zo nachtblind als een mol met oogkleppen. Ik zuchtte. Waar was ik weer aan begonnen?

Maar ik bereikte IJmuiden zonder kleerscheuren en Nook was enorm blij me te zien! En ook erg moe. Want ze had het hele weekend de baas gespeeld over een enorme husky. Poepoe. Daar word je moe van. Ik dronk een kop koffie met Robby’s moeder en zette Nanook in de auto.

Zorgvuldig maakte ik haar riempje vast aan de voorstoel en reed naar Schiphol. Tijdens de rit viel me op dat Nanook amper bewoog. Terwijl ze anders zo hyper is. Was ze nou zó moe? Ik had toch niet dat riempje te strak…. Met het vakantiedrama van Boef in mijn achterhoofd, porde ik Nanook regelmatig wakker. Waarna zij in opperste aanbidding keer op keer mijn hand likte en ik gerustgesteld verder reed.

Keurig op tijd stond ik met Nanook in de aankomsthal van Schiphol. Te wachten. En te wachten. Want door de mist had de vlucht van Michelle en Robby flinke vertraging. Nanook keek een tijdje nieuwsgierig om zich heen en legde zich er toen letterlijk bij neer dat er op Schiphol niks te beleven viel.

Ik verveelde me ook. De enige afleiding was Jaap Jongbloed, die aankwam en opgewacht werd door een klein meisje met een spandoek waarop stond ‘Welkom thuis Mama en Jaap!’ (Oeh! Heb ik een scoop? Heb ik een scoop?) Ondertussen had ik al drie keer uitgerekend hoe laat ik die avond in bed zou liggen. En de uitkomst was steeds hetzelfde: laat!

Mompelend tegen mezelf stond ik daar. ‘Ze is vijfentwintig! Come on! Vijf-en-twin-tig! Knip die navelstreng eens door! Wáárom doe je dit?’ En ik nam me heilig voor: dit is de laatste keer! Echt! Ik doe het niet meer. Nooit meer! Maar toen Michelle en Robby eindelijk arriveerden, wist ik weer waarvoor ik dit deed. Hiervoor.

En erger nog…
Ik weet het nu al; volgende keer sta ik daar gewoon weer.

Cadeau.

Ergens eind 2016, in de auto onderweg naar mijn moeder, vertelde Michelle dat ze een cadeau voor mij had. En voor Oma had ze zo’n zelfde cadeau. Toen bij mijn moeder de koffie op tafel stond, haalde Michelle de pakjes tevoorschijn. Een voor mij. En een voor mijn moeder. Binnen no time hadden we onze pakjes uitgepakt. We kregen allebei een boek. Geen leesboek, maar een boek dat we zelf nog moesten schrijven!

Mijn boek heet ‘Mam, vertel eens…’. En mijn moeder kreeg het boek ‘Oma, vertel eens…’ Ik had wel eens van die boeken gehoord. Er staan allerlei vragen in, die je moet beantwoorden. Gewoon, leuk! Voor later. Omdat er altijd dingen zijn die je niet weet over je moeder. Gewoon omdat het nooit ter sprake kwam. Of omdat het niet belangrijk lijkt. Terwijl het zó leuk is om al die dingen te weten.

Ik rukte meteen het cellofaan van het boek en begon te bladeren. Er staan vragen in over je kindertijd, het gezin waarin je opgroeide, je eerste vriendje. Van alles! Ik was laaiend enthousiast. Ik schrijf graag. Het leek me hartstikke leuk om allerlei verhalen en herinneringen op te schrijven. Voor Mich. Voor mezelf. Voor later.

Bladerend in haar boek gaf mijn moeder meteen antwoord op de eerste vraag over toen ze geboren werd. ‘Oma Rietje en ik hadden geen ledikantje’ zei ze ‘Onze moeder legde ons op twee fauteuils die ze tegen elkaar geschoven had. Dat kan ik dan opschrijven.’ Kijk! Dat wisten wij dus niet!

Inmiddels zijn we anderhalf jaar verder. Door alle medische toestanden hier, bleef mijn boek heel lang leeg. Dat van mijn moeder ook, want schrijven bleek voor haar inderdaad toch erg lastig te zijn. Ze is nog vreselijk bij de tijd maar haar handen willen niet meer. Maar na onze verhuizing besloot ik toch eens aan onze boeken te beginnen.

En wat is het leuk! Door de vragen in het boek herinner je je dingen die je allang vergeten was! En wat is het leuk om door je foto-albums te bladeren om foto’s bij de verhaaltjes te zoeken. Of op internet plaatjes te zoeken van je favoriete speelgoed om uit te printen en in te plakken.

Gisteren was ik, in mijn eentje, op bezoek bij mijn moeder. Een mooie kans om een stukje te schrijven in haar boek, vond ik. Dus zaten we samen aan de eettafel, met een kop koffie en stelde ik haar de vragen die in het boek staan. Zij vertelde en ik schreef. Dingen die ik niet wist. Dingen die ik schattig vond.

Later kwamen ook bij haar de foto-albums op tafel en maakte ik, met mijn mobiel, foto’s van haar foto’s om in haar boek te plakken. Ik keek naar haar oude handen, terwijl ze familieleden aanwees op de oude zwart-wit foto’s. ‘Dit is mijn vader, dit is mijn broer Tini. En dit zijn Riet en ik’. ‘We hadden helemaal niks’ zei ze glimlachend ‘maar toch was het een mooie tijd’.

Ik merk dat ze ongeduldig is en uitkijkt naar het hoofdstuk over vriendjes. Ik vond het lief dat ze zei ‘Van je vader heb ik ook leuke foto’s om in te plakken’. Ze kan niet wáchten om over hem te vertellen!

Het heeft wel iets. Om zo met mijn moeder aan tafel te zitten. Omringd door haar foto-albums. Luisterend naar haar verhalen. We spreken af dat we, steeds als ik bij haar ben, een stuk in haar boek gaan schrijven. En lollig als altijd, constateren we dat er nog heel veel hoofdstukken zijn en dat ze dus nog lang niet dood mag gaan.

Ik bof. Met mijn oude moedertje.
En met een dochter die zulke bijzondere cadeautjes geeft.

De speelgoedkist.

Toen Michelle een maand of tien oud was, verhuisden wij van ons twee-kamer-flatje naar een heuse eengezinswoning. Een kleintje, weliswaar, maar een écht huis. Met een voortuin, een achtertuin, een zolder én een eigen slaapkamer voor Michelle die tot die tijd in mijn slaapkamer had geslapen.

Mijn vader was heel erg handig. Wat zijn ogen zagen, maakten zijn handen en toen hij klaar was met de klussen in ons nieuwe huisje, begon hij aan een nieuw knutselproject. Hij maakte een speelgoedkist voor Michelle. En niet zomaar een speelgoedkist maar eentje waar over nagedacht was.

Zo was de kist van heel stevig hout, zodat Michelle er ook op kon zitten. Hij had afgeronde hoeken want scherpe hoeken zijn gevaarlijk voor kleine kindjes. Mijn vader maakte zelfs een beveiliging op de kist zodat er geen kindervingertjes beklemd konden raken, mocht het deksel dicht vallen.

Als finishing touch schilderde mijn vader de speelgoedkist wit. En met dezelfde kleuren al waarin ik de spijltjes van Michelle’s ledikantje geschilderd had, schilderde hij bolletjes en vlindertjes op de speelgoedkist. Ik was er enorm blij mee en zette de kist in de woonkamer. Drie maanden later, vlak na Michelle’s eerste verjaardag, overleed mijn vader.

De speelgoedkist deed jaren dienst als, tja, speelgoedkist. Elke avond, voor het slapen gaan, borgen we al het rondslingerende speelgoed er in op. Michelle zat soms bovenop de speelgoedkist. Ze heeft nooit haar hoofd kunnen stoten aan scherpe hoeken van de speelgoedkist. Ze heeft nooit met haar vingertjes tussen de klep gezeten. Daar had haar opa voor gezorgd.

Michelle groeide groter. Veel speelgoed verdween maar de kist bleef. Hij verhuisde van de woonkamer naar de kast onder de trap waar hij bergplaats werd van de ‘verkleedkleren’. Daarna verhuisde de kist naar de eerste verdieping. En uiteindelijk naar de zolder. Maar ik heb hem altijd bewaard.

Toen ik in 2007 van Breda naar Amsterdam verhuisde en ons huisje leeg moest, kwam ik -natuurlijk- weer eens in tijdnood. Verhuizen valt nou eenmaal altijd tegen. Op de laatste dag was het enige dat nog in huis stond de speelgoedkist. Hij stond op zolder en ik kreeg, in mijn eentje, de loodzware kist niet via de vlizotrap naar beneden.

Met pijn in mijn hart liet ik de speelgoedkist leeg achter, daar op zolder. Ik maakte nog wat foto’s en sprak mezelf streng toe. ‘Kom op! Je kunt niet álles bewaren. Je hebt hem niet nodig. Je hebt de foto’s nog. En je maakt er iemand anders blij mee.’ Maar mijn hart brak een beetje.

Een jaar later woonden we, geheel tegen de verwachting in weer in Breda en was ik op verjaardagsvisite bij mijn moeder. In de dezelfde straat waar ik destijds ook woonde. En daar zat, achter een kopje koffie en een stukje taart de nieuwe bewoonster van mijn huisje. We maakten gezellig een babbeltje en ze nodigde me uit om te komen kijken hoe zij ‘mijn’ huisje ingericht had. Even later liep ik door de vertrouwde kamers die er toch zo anders uitzagen.

Op de eerste verdieping wees ik naar het luik naar de zolder. ‘Heb je de speelgoedkist gevonden?’ vroeg ik. En ik vertelde over mijn vader die de kist voor Michelle maakte. En over de verhuizing. En over die akelige vlizotrap waardoor ik de speelgoedkist maar had laten staan. ‘Oh?’ reageerde de partner van de nieuwe bewoonster ‘Wil je hem terug? Dan haal ik hem even naar beneden voor je!’

En zo simpel was het. Hij sleepte de loeizware kist van de zolder en zette hem galant in mijn auto. Jubelend reed ik naar huis en sleepte de kist in mijn berging. Hij was, voor mij, te zwaar om hem de drie trappen naar mijn flatje op te slepen maar ik hád hem weer! Verhuizers deden daarna de rest.

Want toen we daarna definitief naar Amsterdam verhuisden, tilden verhuizers de kist naar mijn flatje op vier hoog. Bij gebrek aan een beter plekje stond de speelgoedkist jarenlang in de grote inbouwkast in het kleine badkamertje. En bij de laatste verhuizing werd de speelgoedkist door verhuizers hier binnen gedragen en in de studeerkamer gezet.

Maandenlang was-ie opslagplaats van gereedschap. Maandenlang kon je de kist bijna niet zien door alle boormachines, zagen, schroevendraaiers en losse rotzooi die er bovenop lag. Maar inmiddels is alle bende opgeruimd en is de speelgoedkist weer in ere hersteld. Vandaag heb ik ‘m schoongemaakt. En voorzichtig de vlindertjes gepoetst die mijn vader destijds geschilderd heeft.

Ik heb mijn foto-albums erin opgeborgen. En ik heb al een stofje gevonden om een leuk kussentje te maken. Daarna mogen mijn knuffels van vroeger er op zitten. En het zou zomaar kunnen dat onze Spike het ook een fijn plekje gaat vinden. Ik ben blij. De speelgoedkist van mijn vader heeft eindelijk het mooie plekje gekregen dat-ie verdient. En wat er in de toekomst ook gebeurt; ik laat ‘m never nooit meer achter.