Categoriearchief: Oma

92

Op haar oude dag krijgt mijn moeder eindelijk door dat ze moet stoppen met sparen. Dat het geen zin heeft om een goedgevulde spaarrekening te hebben als je in een rolstoel zit en vrijwel niets meer kunt. ‘Wat wil je doen met al dat geld, mam?’ vragen we regelmatig als ze weer eens naar het saldo op haar spaarrekening kijkt. ‘Een nieuwe auto kopen?’ Nadat we haar keer op keer verzekerd hebben dat wij haar geld niet nodig hebben en dat zij het niet mee kan nemen als ze gaat, is eindelijk een van haar kwartjes gevallen. Ze wist wel iets waar ze haar geld aan uit wilde geven. Een groot feest geven voor haar 92ste verjaardag.

Mijn broer en ik gingen aan de slag. We bekeken locaties, stelden een gastenlijst op, boekten een zaaltje en nodigden zo ongeveer de hele familie uit. Ik vertelde mijn moeder dat het zaaltje dat we geregeld hadden in Country en Western-stijl is. En Country en Western kent ze goed want mijn vader was een groot fan van County en Western-muziek. Ze was meteen laaiend enthousiast. ‘Maar dan wil ik wel een cowboyhoed.’ zei mijn moeder bloedserieus. ‘Echt?’ checkte ik nog. Maar ze wist het zeker. Ze wilde een cowboyhoed voor op het feest. Dus kocht ik een cowboyhoed voor haar.

De week voor haar verjaardag maakte mijn moeder het nog even spannend door ziek te worden. Niet lekker, benauwd en een beetje warrig. Mijn broer en ik hadden inmiddels the point of no return bereikt. Het zaaltje was geboekt, de uitnodigingen de deur uit. Het feest zou hoe dan ook doorgaan, met of zonder de jarige. Ik probeerde het moreel bij mijn moeder hoog te houden door iedere avond, als ik belde,  te vertellen wie er allemaal zouden komen. En ik vertelde keer op keer over de cowboyhoed die ik voor haar gekocht had.

Het feit dat ze zich niet lekker voelde en een beetje in de war was, maakte dat ze soms niet zo goed wist waarom al die familieleden zouden komen. ‘Dan komen jullie mij uitgeleide doen toch?’ vroeg ze. Ik antwoordde dat we met z’n allen haar verjaardag gingen vieren. En dat ik een cowboyhoed voor haar had. ‘We gaan je pas uitgeleide doen als je dood bent’ verzekerde ik haar ‘En zo ver is het nog niet. Eerst je verjaardag vieren.’ En met de zwarte humor waar mijn familie om bekend staat, grapte ik ‘En als je dood gaat, leggen we je cowboyhoed op de kist.’ Ondanks haar benauwdheid moest ze vreselijk lachen. ‘Ja! Ja! Dat moet je doen!’

Met wat extra medicatie was mijn moedertje gelukkig net op tijd weer fit genoeg. Afgelopen zondag vierden we haar 92ste verjaardag. Iedereen was er. Haar schoonzussen, een heleboel neven en nichten, oude buren en haar kinderen, kleinkinderen en achterkleinkinderen. Ik reed haar rolstoel van de ene tafel naar de andere zodat ze met iedereen een praatje kon maken. Er waren hapjes en drankjes. Neven en nichten zagen elkaar sinds lange tijd weer eens terug. De kleinkinderen kletsen bij en de achterkleinkinderen renden er samen spelend tussendoor. En mijn moeder stráálde. De hele middag lang. Mét haar cowboyhoed.

Het boek van mijn moeder.

Ze krijgt best veel bezoek, hoor. Mijn moedertje in het verzorgingstehuis. Het probleem is dat elke dag hetzelfde is voor haar en dat ze geen onderscheid meer kan maken in dagen ondanks de enorme dementieklok die in haar kamer hangt. Op haar 91ste heeft ze een beetje moeite met wie, wat en wanneer.

Een bezoekje aan mijn moeder is een onderneming. 125 kilometer heen rijden, anderhalf uur in de auto. Half tien thuis weg en met een beetje mazzel om zes uur weer thuis, na twee uur in de auto. Want bij Rotterdam staat áltijd file.

Ik doe dat elke tien dagen. Met alle liefde. Maar vaker zit er echt niet in. Ze is namelijk niet mijn enige mantelzorgprojectje. Er is ook nog de liefste ex waar ik minimaal een keer per week langs ga. Ook niet naast de deur. En er is werk en huishouden. Er is ook nog leuke dingen doen met dochter en schoonzoon, met vrienden en met die ene date die een beetje is blijven plakken. En ik weet nog steeds niet hoe ik mezelf moet klonen.

‘Wanneer kom je weer?’ vraagt mijn moeder me op zondag. ‘Volgende week woensdag, mam’ antwoord ik. ‘Dan pas?’ roept ze. Dat ik de dag ervoor nog bij haar was is ze alweer vergeten. Dan doet mijn hartje een beetje pijn. Maar ik kan gewoon niet meer doen.

Mijn broer bedacht een oplossing. Hij regelde een soort ‘gastenboek’. Dat het boek gemaakt is van oude borden met vertrektijden van treinen maakt het extra bijzonder omdat mijn vader zijn hele leven bij ‘het spoor’ werkte. Iedereen die op bezoek gaat, schrijft een stukje in mijn moeders gastenboek. We plakken er foto’s in. En mijn broer versiert het boek met prachtige tekeningen van de vis die hij steevast mee brengt voor mijn moeder. En zelfs de medewerksters van de instelling waar mijn moeder woont, hebben er een stukje in geschreven. Zo lief!

Al met al is het een prachtig boek aan het worden. Vol met tekeningen van de achterkleinkinderen, kaarten en foto’s. En soms gewoon stukjes tekst. Van mensen die op bezoek waren en schrijven hoe gezellig het was. En hoeveel lol ze samen met mijn moeder gehad hebben.

Het helpt voor geen meter. Wij blijven schrijven, tekenen, kleuren en plakken. En mijn moeder blijft vergeten wie wanneer op bezoek geweest is. Maar ze is zo enorm trots op haar boek dat ze het aan iedereen laat lezen. Ook al werkt het niet echt; ons Project Gastenboek is meer dan geslaagd.

De zakdoek van papa.

Mijn vader overleed in 1993. Hadden we toen al massaal dozen met tissues in huis? Ik denk het niet. Want ik herinner me de middagen aan het einde van dat jaar waarop ik samen met mijn moeder en mijn zussen koffie dronk in de keuken van ons ouderlijk huis. En ik herinner me hoe mijn moeder steevast een keukenrol in het midden op de keukentafel zette omdat we binnen tien minuten met z’n allen zaten te huilen omdat we hem zo misten.

 

Mijn vader gebruikte geen tissues. En ook geen keukenrol. Mijn vader gebruikte katoenen herenzakdoeken. Van die grote witte, met een subtiel gekleurd randje. Ik gruwde daarvan. Want hij deed álles met die zakdoeken. Als hij olie peilde, veegde hij de peilstok af aan zijn zakdoek. Hij veegde er vogelpoep mee van zijn autoruit. Hij viste er de soepjes mee uit de ogen van onze hond. Hij veegde er de werkbank in de schuur mee af. En hij snoot er zijn neus in. 

 

Mijn moeder waste mijn vaders zakdoeken in de kookwas en streek ze extra heet zodat er altijd een flinke stapel kraakheldere zakdoeken klaar lag. Desalniettemin slaakte ik regelmatig kreten van afschuw als mijn vader weer eens iets smerigs schoonmaakte met zijn zakdoek. ‘Gátver! Páp!’ Ooit verklapte hij mij zijn geheim: hij had twéé zakdoeken. In zijn rechter broekzak een exemplaar om te snuiten. En in zijn linker broekzak eentje ‘voor al het andere’. Het maakte het iets minder smerig maar nog steeds weerzinwekkend. 

 

En toch, toen mijn vader overleden was, nam ik een paar van zijn schone zakdoeken mee. Als aandenken. Kraakhelder, keurig gewassen en gestreken door mijn moeder. Maar de tissues deden hun intrede en de zakdoeken van mijn vader lagen meestal ongebruikt in de kast. Tenzij ik verdriet had. Want als ik echt héél, héél hard moest huilen, was er niets fijner om mijn tranen mee te drogen dan de zakdoeken van mijn vader. 

 

Vorige week maakte ik, bij het maken van een midnight-snack, een onhandige manoeuvre met de kaasschaaf en schaafde ik een flink gedeelte van een van mijn knokkels af. Ik deed een greep naar de doos met tissues, wikkelde er een paar om mijn vinger en ging, bloedend als een rund, op zoek naar de verbandtrommel. Die bleek ik aan ex mee gegeven te hebben. Tenslotte was hij de brokkenpiloot van ons tweeën. 

 

In de badkamerkast vond ik welgeteld één armzalig gaasje en twee pleisters. Daar ging ik het niet mee redden. Ik plakte het gaasje met de twee pleisters over mijn knokkel en haalde een van papa’s zakdoeken uit de kast. Van de zakdoek maakte ik een soort van verbandje dat ik vastmaakte over het gaasje en de pleisters. En hoewel ik een vaag vermoeden had van al het gruwelijks dat er vroeger met die zakdoek gebeurd is, had het toch iets troostend. Dertig jaar later bleek het nog steeds te helpen; een zakdoek van papa. 

 

PS1: Alles oké. Vinger geneest goed.

PS2: Inmiddels EHBO-setje aangeschaft.

PS3: Zakdoek ligt weer schoongewassen in de kast. Klaar voor een eventuele volgende calamiteit.

 

Het museum van Ciska.

Ergens in 1940 had mijn moeder een vriendinnetje. Ze heette Ciska en ze woonde op een boerderij vlak bij het stationnetje waar mijn moeder woonde. Mijn moeder was negen, haar vriendinnetje Ciska was elf. Door de jaren heen hielden ze contact. Met mate want ze groeiden op, kregen grote gezinnen en waren daar druk mee. Telefoon was niet vanzelfsprekend en even op visite gaan ook niet. 

 

Toch bracht ik ergens in de jaren tachtig een paar weken door in de stacaravan die op het erf van Ciska stond, die inmiddels in Loon op Zand op een boerderij woonde. Samen met mijn ouders, mijn tante, mijn oom en een neefje. Ik vond het wel leuk, geloof ik. De boer aan de overkant had zijn stal verbouwd als zwembad waar we mochten zwemmen. ‘s Avonds gingen we soms op visite bij Ciska om te kletsen en te kaarten. Ik plukte kruisbessen in de moestuin, we gingen zonnen bij het Blauwe Meer en ik maakte ritjes op de ponykar met de jongste zoon van Ciska.

 

De jaren verstreken. Mijn moeder en Ciska werden ouder. Soms was er contact. Soms niet. Hun kinderen vlogen uit, mijn vader, mijn oom en mijn tante overleden. En nu zijn ze 91 en 93, de vriendinnetjes van toen. ‘Hoe zou het toch met Ciska zijn?’ vroeg mijn moeder laatst. Uit sporadisch telefonisch contact wist mijn moeder dat Ciska nog steeds op de boerderij woont. Met hulp en aan huis gebonden door allerlei kwaaltjes. ‘Weet je wat we doen, mam?’ zei ik. ‘Wij gaan naar Ciska!’

 

Ik belde haar. Zelfs als rasechte Brabantse had ik moeite haar te verstaan maar we maakten een afspraak. Afgelopen zaterdag reed ik mijn moeder in haar rolstoel de boerderij van Ciska binnen. En ik donderde in een klap veertig jaar terug de tijd in. Ik zag de tafel waar mijn vader vroeger zat te kaarten. En ik herinnerde me dat het huis van Ciska vol stond met van alles. Maar als veertienjarige zag ik het alleen maar als ‘vol’. Nu pas zag ik wat een schatten Ciska verzameld heeft. Die vrouw woont in een museum. Ik ben blij dat ik niet hoef te stoffen daar maar ik vond het prachtig!

 

Mijn moeder en Ciska pakten de draad op alsof ze elkaar gisteren nog gezien hadden. Terwijl zij verhalen uit wisselden over ‘jullie Tiny’ en ‘onze Kees’ zat ik om me heen te kijken.  ‘Kekt gerust rond, meske’ zei Ciska. En ze was zo lief me, steunend op haar rollator, een rondleiding te geven. Langs de kast die haar ouders bij hun bruiloft kregen. Langs het Maria-beeld in een kastje – ‘Dè is gemakt vaan bijenwas’ – dat ze kreeg toen ze 25 was. Ik bekeek alle Mariabeelden onder stolpen. Ik ontdekte een mandje échte kolen naast de kachel en ik was verrukt toen Ciska vertelde dat dat ene gordijntje boven de kachel nog uit de bedstee van haar moeder kwam. En ik vond het prachtig dat de ‘klumpkes’ van de moeder van Ciska nog steeds bij de kachel staan.

 

Ergens tussen alle beeldjes, engeltjes en andere snuisterijen ontdekte ik een gruwelijk lelijke porseleinen mand die ik me herinnerde van vroeger. ‘Die hadden wij thuis ook!’ riep ik. Dat bleek te kloppen. Want, zei Ciska ‘Die hej ik van oe moeder gekregen’.  We kletsten ons zonder problemen door de middag heen en we spraken af snel weer langs te komen. Want ik had wel in de gaten dat het voor mijn moeder én voor Ciska fijn was om bij te kletsen met iemand die hun ouders nog gekend heeft. En al hun overleden familieleden.

 

 

Dus binnenkort gaan we terug. Kunnen de dames weer lekker bijkletsen.
En ik vermaak me wel in het museum van Ciska.