Categoriearchief: Huisdieren

image

Ik probeer te schrijven maar ik kan de woorden niet vinden.

Op de eerste vakantiedag van Michelle en Robby in Italië is Boefje heel erg ziek geworden. Robby’s Oma, die op hem paste, heeft hem met spoed naar de dierenarts gebracht. Helaas heeft onze Boef het niet gered.
Hij is maandagochtend vroeg overleden.

We zijn compleet in shock, nog steeds. En heel erg verdrietig.
Om Michelle en Robby, om Robby’s Oma.
Maar vooral om Boefje.
Hij is maar vijf jaar oud geworden.

Dag lieve Boef.
Dag Bopi.
Dag Dinges.
Dag Boevekontje.
Dag grote kleine vriend.
We missen je zo ongelooflijk.

Paardenmiddel.

imageDe scholen gaan weer beginnen. In elke supermarkt liggen de schappen op de non food afdeling bomvol met geodriehoeken, arceerstiften en kaftpapier. Vandaag hoorde ik op de radio een reclamespotje waardoor ik dacht ‘Oh ja. De scholen zijn weer begonnen.’ Prioderm. Jaren niet meer gehoord. Jaren niet meer aan gedacht. Maar daar was-ie ineens: Prioderm. Luizenshampoo.

Want bij het begin van een nieuw schooljaar doken die krengen ook weer op. Hoofdluis! Dat betekende groot alarm op de kleuterschool. Want als één kind ze had, kon je er donder op zeggen dat binnen no time de voltallige kleuterklas krioelde van de luizen. Want kleuters hebben nu eenmaal de neiging om gezellig samen boven de blokkendoos te hangen. Of om knus met z’n tweetjes een puzzeltje te maken. Met hun kleuterhoofdjes dicht tegen elkaar. Waardoor complete luizenpopulaties overstapten van het ene bolletje naar het andere. Of ze wandelden op de kapstok van het ene jasje naar het andere. Zo makkelijk ging dat.

En dus was dochterlief ook ooit de klos. En natuurlijk wist ik dat het geen schande was. Dat luizen bij voorkeur op schone hoofden leven. Toch voelde het enigszins ongemakkelijk om bij de drogist een fles luizenshampoo te kopen. Maar een andere optie was er niet. Want ik werd helemaal gek van het idee dat er bééstjes op mijn kind zaten.

Dus op naar de drogist. Wassen met Prioderm. En nog een keer wassen. En nog een keer. Het beddengoed wassen, knuffels in de vriezer en kammen met de luizenkam. Úren kammen want dochterlief is gezegend met een enorme bos haar. Ze waren hardnekkig, die luizen. Heel hardnekkig. Kapitalen gaf ik uit aan luizenshampoo en ik waste beddengoed tot ik een ons woog. In mijn herinnering weekte ik dochterlief uren in ons zitbadje. Maar uiteindelijk wonnen we de strijd.

En toen, ineens, kwamen ze terug. Die krengen. Net op een moment dat het weekend voor de deur stond en de winkels gesloten waren. En ik raakte zowat buiten zinnen van het idee dat er een zaterdagavond lang én een hele zondag beestjes door het haar van dochterlief zouden krioelen. Toen viel mijn oog op de fles hondenshampoo van onze Toby. Met op het etiket een plaatje van een vrolijk hondje. En de tekst ’tegen vlooien, luizen en teken’. Bij onze Toob werkte het. Dus…

Ik zette dochterlief in bad en zeepte haar bolletje grondig in met hondenshampoo. Terwijl ik haar nauwlettend in de gaten hield om er zeker van te zijn dat haar hoofdhuid niet ging schroeien, speelde zij rustig met haar badeendjes. “Hé mama!” zei ze “Deze shampoo ruikt net als die van Toby!” “Nou, dat is grappig!” antwoordde ik, terwijl ik haar beddengoed maar weer eens in de wasmachine stopte. En voor de zekerheid liet ik haar nog tien minuutjes weken.

Oké, haar haar was een paar dagen wat pluizig maar dat trok weer bij. En de luizen waren dood. Verdwenen. Voorgoed. Ze heeft er nooit meer last van gehad. Ook niet van vlooien en teken, trouwens.

Welkom thuis!

En toen moest Robby twee weken naar Amerika. Voor een cursus van zijn werk. Helemaal naar Denver. En natuurlijk werd hij enorm gemist. Door Michelle maar ook door Boef. Omdat wij wel eens op Boef passen als Michelle en Robby weg moeten, weten wij hoe hartstochtelijk Boef iemand kan missen. Lusteloos loopt-ie door het huis en triest ligt-ie op de bank. Met diepe zuchten laat-ie weten hoe enorm hij zijn vrouwtje en baasje mist.

En nu was zijn baasje zomaar twee weken weg. Natuurlijk was Michelle er nog. Gelukkig maar! Maar Boef is toch op zijn allerhappiest als vrouwtje én baasje er zijn. Via Skype en Facebook werd het thuisfront op de hoogte gehouden van alles wat Robby mee maakte in Amerika maar Boef kreeg daar niks van mee. Het waren twee lange weken.

Tot eindelijk het moment aanbrak dat Robby weer aankwam op Schiphol. Michelle stond op hem te wachten. Met Boef. En een welkom-thuis-ballon. Het was een hartstochtelijk weerzin en Boef was door het dolle.

Boef weet natuurlijk niks van Amerika. Van vliegtuigen en Denver. En van heel ver weg zijn. Hij weet natuurlijk niet dat Robby ergens anders was. Voor hem was Robby gewoon wég. Ik vraag me af wat er door dat kleine koppie ging toen hij Robby op Schiphol door de schuifdeuren bij ‘Arrivals’ zag komen.

Hij zal het wel raar gevonden hebben. “Krijg nou wat! Robby! Wat doe jij hier?
Zat jij al die tijd achter die schuifdeuren?”

Boerenmeid-bloemen-blunder.

Het was weer tijd voor onze jaarlijkse familietraditie; plantjes kopen met mijn moeder bij de kwekerij in Terheijden waar we al zo’n dertig jaar onze plantjes kopen. Gewoon, omdat mijn vader er vroeger altijd zijn plantjes kocht en wij dat stug bleven doen, ook toen mijn vader er niet meer was. Meestal gaat Michelle mee maar die was dit jaar helaas verhinderd dus vergezelde Frank me op mijn rit naar het Zuiden omdat hij, als rasechte Amsterdammer, ‘dat boerendorp’ ook wel eens wilde zien.

We haalden mijn moeder op in Breda en reden door Terheijden naar de kwekerij. Ik rijd al zeker twintig jaar door dat dorp naar de kwekerij en vind het niks bijzonders maar Frank vond het erg leuk. Grappig hoe je je omgeving anders gaat zien als er iemand bij is, die het voor het eerst ziet. Het is ook eigenlijk best een leuk dorpje! We reden het dorp weer uit, voorbij de molen, linksaf naar de kwekerij, over smalle landweggetjes waar we af en toe aan de kant moesten voor een heuse tractor. En mijn Amsterdamse vriendje, die op een drukke A10 vol bumperklevers en afsnijders geen spier vertrekt, maande me nerveus om vooral rustig te rijden.

Eenmaal bij de kwekerij haalde ik een kruiwagen tevoorschijn alsof ik nooit anders gedaan had. Brabantse, hè? Het boerenland en zo. Vrolijk begon ik aan het jaarlijkse ritueel van de kas heen en weer rijden om de plantjes uit te zoeken voor mijn moeder. Frank keek zijn ogen uit. Hij zette me op de foto met kruiwagen en appte die meteen naar zijn zus om te vertellen dat-ie bij een of ander tuincentrum in the-middle-of-nowhere zat. Ik verbeterde hem resoluut. Niks tuincentrum! Dit was écht! Een heuse kwekerij! En trots op mijn Brabantse roots leerde ik hem meteen ook nog even de juiste uitspraak van de plaatsnaam Terheijden. “Trààie! Kom op! Zeg me na! Trààie!”

Met Frank, mijn moeder én haar rollator in de auto was er niet echt veel plaats over voor plantjes. Maar iedere centimeter die we over hadden, propten we vol met geraniums, ijsbloemetjes en vlijtige Liesjes voor in mijn moeders tuin. En natuurlijk het onvermijdelijke Moederdagcadeau: een mooie hanging basket. Voor mezelf kocht ik maar twee plantjes. We hebben maar een klein balkonnetje dus veel ruimte is er niet. Maar één grote bloempot kan best. En omdat ik uit ervaring weet hoe goed dat spul groeit, leek twee plantjes genoeg.

Eenmaal thuis wilde ik meteen aan de slag om de Brabantse plantjes op mijn Amsterdamse balkonnetje te zetten. Het balkonnetje dat vooral gebruikt wordt door onze grote rode-je-weet-wel-kater. Waar het kattenhuis van onze Spike een wel heel prominente plaats in neemt, zodat-ie lekker in het zonnetje buiten kan liggen. En in een opwelling besloot ik, voor ik aan het tuinieren sloeg, eens te Googlen of de plantjes die ik gekocht had wel kat-proof zijn. Of liever gezegd; of onze kat wel plantjes-proof is.

En ja, hoor! Natuurlijk!
Twéé plantjes koos ik uit. Twee. Uit een kas met dúizenden plantjes.
En laten nou net dié twee giftig zijn voor katten.

Geen bloemen op het balkon dit jaar.
Boerenmeid, hè? Ik heb er echt kijk op! Not.